|
Over-Sliedrecht
De zuidzijde van de Merwede met het daargelegen Sliedrecht was zo
belangrijk geworden, dat men het dorp aan de noordzijde als geheel
aanduidde met de naam, d.w.z. tegenover Sliedrecht. Ook sprak men
wel van het dorp als gelegen bij de tol van Niemandsvriend, omdat
de tol, waarover later, in dat ambacht lag. De naam Over-Sliedrecht
heeft het echter gewonnen, als naam voor het gehele dorp. Men sprak
van Niemandsvriend in Over-Sliedrecht, van Lockhorst in Over-Sliedrecht
en van Naaldwijk in Over-Sliedrecht. Na de St. Elisabethsvloed 18
November 1421, toen het dorp aan de zuidzijde met de kerk verdween,
erfde Over-Sliedrecht weer de naam en heette na die tijd kortweg Slydrecht
(Uitgesproken: Sliedrecht). Het ambacht Lockhorst kreeg toen de naam
Over-Sliedrecht. De eerste maal dat van ons dorp gesproken wordt met
de naam Over-Slydrecht is in een acte van 1203, waarbij het klooster
Heysterbach op het eiland van Dordrecht gesticht wordt door graaf
Dirk VII en zijn gemalin Aleydis. Het klooster kreeg toen als schenking
van de stichters o.a. de visserij in de Merwede bij Over-Slydrecht.
De eerste maal, dat ons dorp met de naam Slydrecht voorkomt is op
22 November 1369, toen bij de regeling van het Nieuwe Waterschap genoemd
werden: Herbaren van Liesvelt, Willem van Naeltwijck en Jan van de
Merwede, met haren drie ambachten van Sliedrecht.
Heer van Voorne
Het
gehele dorp van een leen van de graaf van Holland aan de Heer van
Voorne. Hoe deze heer van Voorne aan dit en andere lenen in deze omgeving
o.a. Merwede en het gebied om de Nieuwe Kerk bij Dordrecht, gekomen
was, wordt nergens vermeld.
De heren van Voorne waren, evenals die van Putten, Brederode en de
Lek de grootgrondbezitters in deze streken. Zij hebben wellicht bij
de eerste verovering en ontginning door de Hollandse graven een rol
gespeeld of bij de herovering door Dirk V, omstreeks 1075. Zij zullen
voor hun hulp naar de geest des tijds met land en heerlijkheden beloond
zijn. Het is ook mogelijk, dat zij het eerst verworven hebben in de
moeilijke jaren na de dood van Willem II, die in 1256 bij Hoogwoud
sneuvelde en slechts een 2-jarig zoontje Floris V naliet. Floris V
stond aanvankelijk sterk onder de invloed van de hogere adel, die
natuurlijk wel zorgde daarbij zelf niet tekort te komen. Eigenlijk
is het leven van Floris V één strijd geweest om aan die invloed te
ontkomen. Men weet, dat het met een moord, door dezelfde adel gepleegd,
eindigde. Hoe dan ook de heer van Voorne aan het bezit gekomen was,
een feit is dat Albrecht, heer van Voorne, het op het einde der 13de
eeuw in bezit had en in drie delen als leen uitgaf. Ook na hem is
het steeds in het huis Voorne gebleven tot 1371 toen zijn kleindochter
Machteld van Voorne kinderloos overleed en geheel Voorne aan Holland
kwam.
Liefdesgeschiedenis
Dat Floris V het huis Voorne zo ongestoord in het bezit van deze uitgestrekte
goederen in Holland liet, terwijl hij andere heren, zoals Amstel,
Woerden, enz. van alles trachtte te beroven, vindt zijn oorzaak in
een liefdesgeschiedenis. Kort voor 1280 was de charmante en geestige
Zuid-Nederlandse edelvrouwe Catharina de Durbury gehuwd met een reeds
oude heer Aelbrecht van Voorne. Zij was de dochter van Gerard de Durbury
en door haar moeder een kleindochter van hertog Hendrik I van Brabant.
Zij schonk in 1281 haar man een zoon: Gerard van Voorne, en reeds
spoedig daarop, in 1287, was zij weduwe. Zij stond bekend als een
buitengewone schoonheid en als een vrouw van hoofse manieren. De bedaagde
kroniekschrijver Willem Procuratoer noemde haar in 1322, toen ze al
oud was een buitengewone, schone vrouw.
Floris V
Reeds kort na de dood van haar man schijnt de jonge elegante weduwe
in intieme verhouding gekomen te zijn tot Floris V, die zeer toegankelijk
was voor het vrouwelijk schoon. Omstreeks 1290 schonk hij haar de
goederen van het uitgestorven geslacht Teijlingen. Nu lag het slot
Teijlingen zeer dicht bij het prachtige slot Vogelesanck, waar Floris
V bij voorkeur vertoefde en dat maakte de omgang met haar "lieven
heer en neef", zoals het in een charter van die tijd staat, veel gemakkelijker,
dan wanneer zij in het afgelegen Brielle of Geervliet vertoefde. Haar
zoon Gerard van Voorne, "het kind van Voorne", werd later schildknaap
bij Floris V en was als zodanig ook bij diens gewelddadige dood aanwezig.
Catharina de Durbury huwde na de dood van Floris V, in 1297 met Wolfert
van Borselen, die toen eigenlijk het land regeerde voor de minderjarige
graaf Jan I. Zij was ook aanwezig bij het treurspel, dat zich 1 Augustus
1299 te Delft afspeelde. Wolfert van Borselen wilde nl. de jonge graaf
naar Zeeland voeren, doch de burgers van Delft beletten dit en zetten
hem en zijn schone vrouw gevangen in het Steenhuis, d.i. de gevangenis
te Delft. De woedende menigte eiste zijn dood en Wolfert van Borselen
werd aan haar armen ontrukt, op straat gesmeten en evenals later de
gebroeders de Witt, door het grauw verscheurd. Na Wolferts dood bewoonde
Catharine de Durbury weer het slot Teijlingen en zelfs wist deze middeleeuwse
Cleopatra de nieuwe Henegouwse graaf Jan II te boeien, zodat ook deze
haar in het bezit harer goederen liet. Zij overleed in 1328 in hoge
ouderdom, het geluk smakend alle bezittingen, ook Sliedrecht, op haar
zoon te hebben zien overgaan. Evenwel zou Sliedrecht toch aan de Hollandse
graaf komen, want Gerard van Voorne had slechts een dochter: Machteld
van Voorne, die later voorkomt in de leenregisters als "minre vrouwe
van Voorne". Bij haar kinderloos overlijden in 1371 kwamen al haar
goederen, dus ook Sliedrecht aan graaf Willem IV. De heren van Voorne
beleenden nu Over-Sliedrecht in drie gedeelten (Niemandsvriend, Lockhorst
of Over-Slydrecht en Naaldwijk) aan verschillende heren.
NIEMANDSVRIEND
Te beginnen met Papendrecht af, komt eerst het ambacht Niemandsvriend,
dat zo genoemd was naar een middeleeuwse sterkte aan de Merwede, waar
de graven van Holland tol hieven. Het ambacht wordt meestal vermeld
als: "Het ambacht bi der tolne van Niemandsvriend". Het was het kleinste
van de drie en volgens Oudenhoven slechts 206 morgen groot. Niemandsvriend
was niet alleen het kleinste, maar ook het armste en minst belangrijke
van de drie ambachten. De dijk van Den ENGEL tot Baanhoek, was grotendeels
een schoordijk en dus zeer kostbaar in onderhoud. Vandaar dat Niemandsvriend
nog al eens van heer verwisselde. Als oudste heer wordt vermeld, in
1277 in het charter van de indijking van de Alblasserwaard, Theijlings
Colekijn. Met deze Colekijn heeft men nooit goed raad geweten; de
één noemde hem een lid der familie Teijlingen, de ander een leenman
van dat geslacht. Van Bheineck Leijssius geeft in zijn inleiding op
de inventaris van het archief van Sliedrecht een andere oplossing.
Van het charter van 1277 zijn n.l. verschillende afschriften bekend,
die merkwaardig genoeg juist in het eerste gedeelte van de naam verschillen.
Hij stelt nu voor te lezen: Everdeijs Colekijn en dat zou dan dezelfde
wezen als Colijn Everdeijsz van Alblas. Naar deze Colijn heette het
ambacht lange tijd Colijnsambacht; zo b.v. in een brief van 28 juli
1303, waarbij een huis in Colijnsambacht in Over-Slydrecht aan de
Duitse orde geschonken wordt. Toch komt dan ook de naam Niemandsvriend
geregeld voor, want in 1311 geeft heer Nicolaas van Putten land in
leen aan Van den Molenaer, gelegen in Niemandsvriend. In 1311 wordt
vermeld het veer van Niemandsvriend in Mattheus Colijnsambacht. Aan
deze Matthijs Colijnsz hebben we wat meer houvast. Hij was in 1328
schout van Geertruidenberg en maakt dan een geldbedrag aan zijn vrouw
gevestigd op een erve en land in Sliedrechterambacht over. In 1369
bij de stichting van het Nieuwe Waterschap is Herbaren van Liesvelt
heer van Niemandsvriend. Na die tijd komt de naam niet meer voor in
de leenregisters van de graaf van Holland. Vermoedelijk heeft de graaf
toen hij in 1371 alle goederen van Machteld van Voorne kreeg het met
een aantal andere heerlijkheden aan de toenmalige heren in persoonlijk
bezit afgestaan.
DE TOL VAN NIEMANDSVRIEND
Het recht van tolheffing was oorspronkelijk een keizerlijk recht,
want de grote rivieren, waren van oudsher keizerlijk domein. De Hollandse
graven hadden zich dat recht in de elfde eeuw onwettig toegeëigend
en lieten het zich na die tijd nimmermeer ontnemen. Nadat de oudste
graven met zoveel succes tollen bij Dordrecht en Geervliet gesticht
hadden, waardoor zij de handel van en naar Vlaanderen en Engeland
controleerden, sloten zij ook hun grenzen aan de oostzijde af. Hierdoor
kwamen de tollen bij Moordrecht op de Hollandse IJssel, de Ammerstol
op de Lek, Niemandsvriend aan de Merwede en Almsvoet op de Maas. Zodoende
kon geen enkel schip in Holland komen of het moest tol betalen. Het
best kan men die tolhuizen vergelijken met de tegenwoordige kantoren
der douane, waar de in- en uitvoerrechten betaald moeten worden, met
dit verschil, dat een tolhuis in de middeleeuwen tevens een sterk
kasteel moest zijn, om tegen aanvallen te land en te water beschermd
te wezen. De schippers probeerden natuurlijk zoveel mogelijk de bestaande
tollen te ontduiken, door snel voorbij te varen en daarom had men
de tolhuizen aangebracht op plaatsen, waar de rivier smal was en de
dijk na aan de rivier kwam. Veranderde de loop van een rivier, dan
was ook de verplaatsing van het tolhuis nodig. Telkens worden dan
ook de tollen verplaatst, ook de tol van Niemandsvriend. Wanneer er
ooit een toepasselijke naam voor een tol uitgedacht is, is dat het
geval met de naam "Niemandsvriend". Evenmin als nu de weggebruikers,
waren toen de schippers en kooplieden op het betalen van tollen gecharmeerd
en met middeleeuwse humor drukte men in deze naam zijn afkeer uit.
Tolhuis
Het Tolhuis van Niemandsvriend stond op de westenhoek van de Tolsteeg,
de plaats dus waar de dijk het dichtst aan de rivier kwam. Het moet
een groot, sterk en aanzienlijk kasteel geweest zijn, want herhaalde
malen hielden er de graven van Holland met hun aanzienlijk gevolg
verblijf. In 1242 vertoefde er Willem II, graaf van Holland, en later
keizer van Duitsland en in 1303 hield Jan II van Holland en Henegouwen
er zijn residentie.
Op die datum werd nl. een charter uitgegeven, waarop staat: "Ghegeven
ende ghemaekt tot Niemandsvriend int jaer ons Heeren duijzent drije
hondert drie op Sinte Bonifaesavont". Jan II hield er toen verblijf
om met de oproerige grote edellieden af te rekenen en dat deed hij
liefst op een sterkte, waar hij heer en meester was. Eerst nadat hij
de heren, die Gijsbrecht van Amstel c.s. gesteund hadden, uit hun
goederen, en degenen die zich vrij konden pleiten in hun bezit, bevestigd
had, begaf hij zich naar Dordrecht, waar hij enige dagen later als
aanwezig wordt vermeld. In het tolhuis waren, behalve vertrekken geschikt
voor het verblijf van een graaf, als eetzalen, slaapzalen, stallen
voor paarden, verblijven voor manschappen, nog andere merkwaardigheden.
Er was nl. ook een kapel in het middeleeuws gebouw, want in 1321 gaf
graaf Willem II aan de "clercq (geestelijke) Henrick Snellaerdszoon
van Breda, de regeeringe en bestieringe van zijne capellanie en dienste
in zijn Tolhuijs bij Niemandsvriend".
De tol van Niemandsvriend, die stellig nog veel ouder is, vonden wij
voor de eerste maal vermeld in een charter van 27 December 1042, waarbij
Willem II tot heil van zijn ziel jaarlijks een aam (vat) wijn gaf
aan de Praemonstratenser abdij te Bern. Het geld daarvoor moest ontvangen
worden "in mijn tol van Niemandsvriend" of zoals het daar luidt: "In
theleone meo apud Nijemensvrient". Aan hetzelfde klooster gaf de graaf
in 1253 bovendien vrijdom van tolbetaling. De graaf gaf hier een gedeelte
der inkomsten uit zijn tol weg. Nu waren de tollen tot omstreeks 1400
de voornaamste bron van inkomsten van een graaf en herhaaldelijk moest
deze, om aan contant geld te komen, de inkomsten uit de tol in pand
geven.
Gevaarlijker was het, dat de graven aan velen vrijdom van tolle gaven,
want daardoor verminderden de inkomsten op onrustbarende wijze. Zo
kreeg 26 januari 1248 de Duitse orde vrijdom van tollen te Ammers-
en Niemandsvriend. Erger werd het, wanneer die vrijdom werd toegestaan
aan machtige handelssteden, zoals het op 17 februari 1250 gebeurde,
toen de stad Dordrecht vrijdom van tolgelden kreeg, behalve voor wijn,
laken en ijzer. Oorspronkelijk was de tol van Niemandsvriend niet
de voornaamste. In 1333 stond hij wat inkomsten betreft op de vierde
plaats, na Ammerstol, Geervliet en Dordrecht. Het verkeer met Duitsland
via de Merwede nam echter meer en meer toe. In de rekening van Zuid-Holland
van 1350-1363 staat hij op de tweede plaats, onmiddellijk na de tol
op de Bernisse bij Geervliet. In deze tijd is de tol van Niemandsvriend
verplaatst naar Woudrichem, want in 1354 verkocht graaf Willem IV
aan Gilles van Hellemes zijn knape twee hoeven lands te Niemandsvriend,
daar het Tolhuys op staat. Dit blijkt uit een brief van vrijdag na
St. Andresdag 1356 (2 Dec. 1356) waarin men leest: "Hertog Willem
de Tol van Niemandsvriend tot Woudrichem geleyt hebbende", enz. Toen
was de tol dus reeds in Woudrichem, waar hij echter ook niet blijvend
gevestigd was. Nog eenmaal was de tol te Niemandsvriend gevestigd
en wel in 1389 toen Albrecht van Beieren hem met andere tollen aan
Dordrecht verpachtte. In 1415 komt hij niet meer voor. Later had de
inning te Gorinchem plaats.
|
|
HET BEGIN VAN DE AANNEMERIJ
Het grote geld ontbreekt nog......
Het aannemen van grondwerken is van zeer oude datum. Hoe ver men ook
teruggaat, steeds wordt er van "aanbesteden" en "aannemen" gesproken.
Toen in Dordrecht, in 1410, de Nieuwe Haven gegraven werd, waren er
5 aannemers, die na de voltooiing van het werk beloofden "alle gebreck
te beteren aen 't werck, dat si aen hadden genomen".
Het aannemen van de werken geschiedde lange tijd partieel, d.w.z.
het werk werd niet in zijn geheel, maar in gedeelten aanbesteed.
Blijkbaar waren er nog niet voldoende kapitaalkrachtige personen om
een groot werk in zijn geheel aan te nemen. Wanneer er een omvangrijk
werk tot stand moest worden gebracht, liet men het opmeten door een
gezworene, d.w.z. beëdigde, landmeter; daarna zond men brieven rond
om de gegadigden op te roepen. Het werk werd dan met de vierkante
roede ( gemeten en bij een aantal roeden tegelijk aanbesteed. Een
vierkante roede was 14 m² groot.
Waskaarsen
Die aanbesteding ging veelal op een bijzondere wijze n.l.
bij uitgaande waslichten. Men zette een waskaars op tafel en zolang
de kaars bleef branden kon men een bod doen. Ging de kaars uit, dan
was de laatste bieder aannemer, terwijl de voorlaatste het strijkgeld
ontving. Dat noemde men toen rantsoen. Was men aannemer geworden,
dan moest men op de bepaalde tijd het werk aanvangen en zich geheel
gedragen naar de aanwijzingen van de gezworene. Men moest zorgen met
zijn "mackers ofte mededoenders" op het werk te zijn en steeds met
een ploeg van minstens 16 of 17 man te blijven werken.
De grondwerkers woonden in rieten keten bij het werk en hadden bij
een karwei van lange duur meestal vrouw en kinderen bij zich. De levensmiddelen
moesten bij de "soetelaers", dat zijn reizende handelaars in levensmiddelen,
gekocht worden.
De aannemers ontvingen geen geld voordat hun werk op, de "schoudach"
gepresen (goedgekeurd) was. Was men over tijd, dan werd er het bedongen
loon gekort. Erger was het, als het werk niet "gepresen", maar "gelaeckt"
(afgekeurd) werd. Men moest dan het werk onder dreiging van een boete
vóór een bepaalde datum af hebben, of er werden anderen ingezet en
men ontving niets van de aannemingssom.
Een goede leerschool
In Sliedrecht heeft men zich bij de aannemerij van grondwerken nooit
onbetuigd gelaten. De Sliedrechtenaren hadden in hun eigen dorp een
uitstekende leerschool. Immers iedere landeigenaar moest persoonlijk
het stuk dijk, waaraan zijn land lag, onderhouden.
In Sliedrecht, waar zoveel dijk was dat geen voorland had, was dit
een groot bezwaar. De gedeelten van de dijk, onder Naaldwijk en onder
Niemandsvriend waren schoordijk, d.w.z. die dijken lagen onmiddellijk
aan de Merwede, zonder enig voorland. Met schoor bedoelde men dan
de oever onder water, waarlangs de stroom schuurde. Aan het onderhoud
van die schoordijken werden veel hogere eisen gesteld, dan aan het
onderhoud van de normale dijken.
Het is wel typerend, dat Sliedrecht het enige dorp was, waarvan vermeld
wordt, dat de heer van het ambacht het als een voorrecht bedong, dat
verlaten land, wegens dijkonderhoud, niet te zijnen laste, maar ten
laste van het dorp zou komen. In veel gevallen was het onderhoud van
de dijk zwaarder was dan de opbrengst van het land.
Rijs
De schoordijken moesten wel beslagen worden met goed rijs en riet,
"zes voet druipens hebbende", d.w.z. dat de dijk onder aan de teen
zes voet breder moest zijn, dan aan de kruin. Over al het rijs en
riet moest wilgenvlechtwerk worden aangebracht.
Niettegenstaande alle voorzorgen kon men moeilijk voorkomen, dat de
dijk onder water ondermijnd werd. Boven laag water kon men gemakkelijk
allerlei rijswerken aanbrengen, maar onder de laagwaterlijn kon men,
omdat duikers eerst uit de 19-e eeuw zijn, niet werken.
Men is toen op de gedachte gekomen om het rijswerk eerst boven water
te maken en later ter plaatse te laten zinken. Zo ontstond het zinkstuk,
dat eeuwenlang een welhaast Sliedrechts monopolie is geweest.
Door al die dijkwerken hebben de Sliedrechtenaren in de middeleeuwen
het rijswerk beter geleerd, dan de inwoners van andere dorpen in de
omgeving. Er bestond in de 15de eeuw te Sliedrecht al een omvangrijke
handel in rijshout. Reeds toen wist men het griendhout op geregelde
wijze te telen. Bij de verrassing van Dordrecht door Jan van Egmond
in 1480, werden twee rijsschepen gebruikt en het wachtwoord was: "Vierjarig
rijs, rijs in Godes naam." Men wist dus toen reeds, dat de cultuur
vier jaar moest duren.
Deel
4 op volgende pagina.
|