Oudheidkundige Vereniging Sliedrecht

De vereniging waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten… 


De geschiedenis van Sliedrecht (1)

In mei 2000 zijn we gestart met de “Geschiedenis van Sliedrecht”. Voor degenen die ons toen gemist hebben, handhaven we dit deel. De ‘nieuwkomers’ kunnen ons volgen vanaf de oudste tijden. Zij die de delen 1 en 2 en 3 al hebben gezien, kunnen de draad opnemen bij het vervolgdeel met o.a. het ontstaan van de aannemerij, de bedijking van de Alblasserwaard en de St. Elisabethsvloed. 

 
Terug in de historie van ons dorp
 
We maken een begin met de publicatie van een grote reeks artikelen over de geschiedenis van Sliedrecht. De schrijver is de heer C. P. Lips, die destijds werkzaam was op het Archief van de stad Dordrecht. Vanaf de oudste tijden zal Sliedrecht in woord worden gebracht.
 
Wanneer we een beschrijving zullen maken van de alleroudste tijden van Sliedrechts geschiedenis dan staan ons weinig gegevens ten dienste.
De belangstelling van de vroegere geschied- en kroniekschijvers ging meestal niet verder dan steden, kastelen en kloosters, terwijl men zich voor het platteland nagenoeg niet interesseerde. 
Daardoor zijn veel geschiedkundige gegevens verloren gegaan en wat toevalligerwijze bewaard werd, moest moeizaam bijeengezocht worden.
Uit die losse verspreide gegevens hebben we getracht een beeld van Sliedrecht verleden op te bouwen.
Moerassig
De streek was van oudsher een zeer moerassig gebied, waardoor grote rivieren zoals Merwede, Alblas, Maas en Giessen stroomden. Die rivieren hadden sinds onheuglijke tijden steeds maar klei op haar oevers afgezet en op die kleioevers moet men ook de eerste bewoning zoeken.
Vroeger dacht men dat eerst omstreeks 1200 hier een begin van bewoning was geweest, maar reeds Caesar vermeldt omstreeks 50 voor Christus in zijn werk over de oorlog met Gallië dat aan de monden van de Rijn een dungezaaide bevolking woont, die zich hoofdzakelijk voedde met vis en eieren.
Langs de Merwede bewoog zich in de Romeinse tijd een aanzienlijk handelsverkeer tussen Duitsland en Engeland. Uit Duitsland werden potten uitgevoerd en uit Engeland haalde men o.a. tin voor de bronsbereiding.
De rivieren leverden overvloedig vis (zalm, steur, elft) en gevogelte op. De kleistreek langs de rivier bracht genoeg levensbehoeften op voor de bevolking. Enkele artikelen kon men gemakkelijk met de voortvarende schepen ruilen. 
De waardevolle kleistreek langs de oevers werd al vroeg bedijkt. De "kunst van dijken" is toegeschreven aan de Romeinen en later aan de Angelsaksische zendelingen. Waar anders dan in ons waterland zal echter het dijken voor het eerst zijn toegepast. "Dient 't water deert, dien 't water keert", zegt een oud spreekwoord en met recht moeten we ook niet verder dan Holland zoeken voor de eerste dijken. Bovendien is het leggen van een dijk zulk een vanzelfsprekend iets, dat men, tenminste in die tijd nog niet mag spreken van een "kunst van dijken". Ook in China en Zuid-Amerika vinden we dijken zonder dat we er aan hoeven te denken, dat de Chinezen of hoe ze ook heten mogen, die kunst van de Romeinen of van onze voorvaderen hebben afgekeken.

Een kunst

Eerst veel later werd het dijken een kunst die de Hollanders in het bijzonder machtig waren. Die kunst hebben de Hollanders eerst na jarenlange oefening en zonder hulp van buiten geleerd. Reeds omstreeks 1200 zijn het hier volleerde dijkers en na die tijd vinden we eerst in Duitsland en later in Frankrijk en Engeland de Hollandse dijkers en aannemers.
Langs de Merwede ontstonden al heel vroeg talloze kleine poldertjes; eenmanspolders, d.w.z. ieder dijkte op eigen gelegenheid een stukje grond met een lage kade in. De hutten werden op een wat hogere werf gezet om tegen overstroming beveiligd te zijn.
Men moet van die dijken geen al te grote voorstelling hebben en ze vooral niet vergelijken met de dijklichamen van nu, die door een gestage arbeid van zeven eeuwen, zijn ontstaan. Hoger dan griendkaden zijn ze zeker niet geweest. Niemand die de Zwijnskade, de Peilkade of de Zijdeweg ziet, zal aan dijken denken en toch zijn de laatste twee gedeelten van de Alblasserwaardse ringdijk van 1277, dus dijken van ongeveer 900 jaar geleden.

  Onze streek in ± het jaar 1000

Niet gunstig

Vooreerst waren de tijden niet gunstig voor de verdere ontwikkeling van deze streken. 
Op de verwarde jaren na de dood van Karel de Grote waren de invallen van de Noormannen gevolgd. Met hun smalle drakenschepen vielen zij de riviermonden binnen en plunderden stad en land.
In de winter van 880 en 881 hielden zij verblijf in het Keizerlijk Paleis, "Het Valkhof" te Nijmegen en ze moeten dus hier voorbij gevaren zijn.
Alpertus Mettensis, (broer van Alpertus van Metz) een kroniekschrijver van omstreeks 1025 deelt mee, hoe de Noormannen nog in 1006 en 1007 langs de Merwede naar Tiel voeren.
Wat konden de arme plattelandsbewoners beter doen, dan zo snel mogelijk vluchten naar de onbereikbare wildernissen in het hart van de Alblasserwaard? Bij hun terugkomst vonden zij dan hun bezittingen verwoest en kon men weer beginnen de hutten op te bouwen, waarop de Vikingen "De Rode Haan" hadden gezet Nee, dit waren geen omstandigheden, waarbij groter bloei en vooruitgang te verwachten waren. Verandering zou er pas komen met de komst van de Hollandse, toen nog Kennemer graven.
Alpertus deelt ons ook nog mee, hoe de ontwikkeling van de streek toen gegaan is. Eerst kwamen de Friese kolonisten uit het tegenwoordige Holland benoorden de Maas en zij begonnen deze streken te ontginnen. Na hen kwamen ook de soldaten van de graaf die de bevolking die eerst slechts uit vissers en jagers bestond, beperkte in haar grondbezit. Ieder mocht slechts één hoeve behouden en moest bovendien nog belasting daarvoor betalen. De graaf nam de rest als domein in bezit en verkocht dat later weer aan de ontginners. 
Veel plaatsnamen in Holland herinneren aan dergelijke "kopen", b.v. Boskoop, Reijerskoop. Ook in de Alblasserwaard is er een Reijerskoop (d.i. koop van Reijer), naast Middelkoop en Heij- en Boeijkoop.
In zijn verder verhaal vertelt Alpertus, wat de Friezen hier gedaan hebben. Toen er n.l. in 1018 bij Vlaardingen gevochten werd, was dat op een terrein doorsneden van vlieten en sloten, dus het gewone polderlandschap. De Friezen waren dus hier gekomen en begonnen met de aanleg van grotere polders, die zij voor de afwatering met vlieten en sloten doorgroeven.
In deze tijd zijn dus de oude eenmanspolders tot grotere complexen bedijkt. Omstreeks 1100 wordt er gesproken van Papendrecht, Hardinxveld, Sliedrecht (Z) bezuiden van de Merwede, Houweningen, enz. Toen bestonden dus die grotere polders, waaronder de tegenwoordige polder Sliedrecht te rekenen is, zeker al geruime tijd!
Het binnenland dat uit veen bestond had vrijwel geen andere waarde, dan jachtterrein. Eerst omstreeks 1250, toen de steden meer zuivelproducten gingen vragen voor haar groeiende bevolking, zou de ontginning van veen tot weiland lonend worden.
 
Herstel van orde en wet...

In deze tijd is het bestuur en de rechtspraak geregeld.
Het veroverde land werd in stukken verdeeld, die als beloning aan de edellieden die de graaf in de strijd geholpen hadden, in leen werden gegeven. De graaf deed dan geen afstand van z'n bezit, maar gaf aan zijn leenman slechts het recht van bestuur en de opbrengst uit het leen, tegen de verplichting om de graaf in de oorlog met manschappen te dienen.
Zo’n leen noemde men een heerlijkheid of ambacht, waar de heer aan het hoofd stond in tegenstelling met het grafelijk domein en de steden. De regeling van het bestuur bestond hierin, dat de heer een schout en drie heemraden benoemde, die recht spraken en in zijn naam het ambacht bestuurden. Zo nodig kon de heer hen ook afzetten, waardoor de schout en heemraden in een zeer afhankelijke positie kwamen. Meestal was de schout uit het dorp zelf afkomstig. De heemraden waren dat altijd.De heer maakte keuren (wetten) voor het ambacht of liet dit door de schout en heemraden onder zijn goedkeuring doen. Men mocht geen uitgaven doen zonder toestemming van de heer die dorpsrekening en dorpsomslag elk jaar moest goedkeuren.
De baten van de heerlijkheid bestonden o.a. uit de tienden, jacht- en visrecht, de vogelarij, het veerrecht en windrecht en een aandeel in de boeten die door de schout werden opgelegd.
Doorgaans behoorde bij de heerlijke rechten ook het recht van nakoop, d.w.z. bij elke verkoop van onroerend goed moest men aan de heer de gelegenheid laten gelden dit goed voor de geboden prijs te kopen. Meestal werd van dit recht geen gebruik gemaakt en met de betaling van een schadevergoeding, van meestal 1 procent afgekocht.
De heer had ook invloed op de kerk. Hij kon n.l. bij een vacature een nieuwe geestelijke benoemen. Dit noemde men het recht van collatie. In later tijd bestond het recht van collatie ook bij de benoeming van de Hervormde predikant, hoewel het langzamerhand in onbruik begon te raken.
In Sliedrecht gaf de heer steeds verlof aan de kerkenraad om tot beroeping over te gaan. Dit noemde men handopening geven.
De meeste van deze heerlijke rechten werden in 1795 afgeschaft en na die tijd kregen de dorpen het recht om de eigen zaken te regelen, evenals de steden dat sinds de middeleeuwen reeds hadden.

SLIEDRECHT IN DE MIDDELEEUWEN

De eerste geschreven berichten......

Er bestaat een charter (oorkonde) van 2 mei 1064, waarbij de Duitse Keizer Hendrik IV aan de Utrechtse bisschoppen de goederen teruggeeft die hun door de Hollandse graaf Dirk III en zijn opvolgers ontnomen zouden zijn. Bij nader onderzoek is echter gebleken dat dit charter niet in 1064 gegeven is, maar eerst omstreeks 1140 door de ambtenaren van de bisschop van Utrecht zelf vervaardigd is. 
Dit doet natuurlijk veel af van de waarde van het stuk als bewijs voor de eigendomsrechten van de bisschop maar de aardrijkskundige gegevens, waarom het ons om te doen is, zijn stellig juist. Had de bisschop in het onechte stuk onjuiste aardrijkskundige gegevens opgenomen, dan zou men hem natuurlijk direct betrapt hebben. Vandaar dat het stuk heel goed de toestand hier omstreeks 1100 weergeeft.
In het charter worden de streken langs de oevers der Merwede genoemd o.a. de streek ten zuiden van die rivier: “. tem de Riede juxta Merewede usque Sliedrecht", d.w.z. van Riede langs de Merwede tot Sliedrecht. Riede was de heerlijkheid die bij Dordrecht begon en waar nu de Riedijk nog naar heet en waarin later het huis te Merwede gesticht werd. Deze heerlijkheid heette later naar het huis: de heerlijkheid Merwede. De heerlijkheid Riede is niet de latere Riederwaard met Riederkerk, nu Ridderkerk, want dat heette oorspronkelijk Nieuwe Riede. 
Het genoemde Sliedrecht is het dorp bezuiden de Merwede, dat later na een nieuwe splitsing voorkomt als Crayesteyn, naar het kasteel Crayesteyn, dat omstreeks 1250 vlak bij de kerk van dit Sliedrecht gesticht werd. 
 
Mennekesdrecht

Hier dus weer een gelijke naamsverandering als bij het ambacht Riede (Merwede). 
De afgesplitste delen van Sliedrecht heetten later Kort- en Lang Ambacht. In het vervolg zal dit Sliedrecht bezuiden de Merwede aangeduid worden als Sliedrecht (Z.) ter onderscheiding van het tegenwoordige Sliedrecht ten noorden van de Merwede. 
In het Latijnse stuk van 1064 wordt verder genoemd een landstreek: " de fine fluminis Alblas usque Merewede, inde usque Menkenesdrecht, demidietatem totius terre cum omni districtu ", hetgeen vertaald wil zeggen " van het einde van de rivier de Alblas tot in de Merwede en vervolgens tot Menkenesdrecht, met de helft van al het land en alle ambachten." 
Het hier genoemde gebied is het tegenwoordige gedeelte van de Alblasserwaard beginnende bij het einde van de Alblas en gaande langs Papendrecht tot en met het tegenwoordige Sliedrecht. Wij achten het hoogstwaarschijnlijk, dat Menkenesdrecht de oude naam voor onze gemeente Sliedrecht is geweest. 
Men heeft dat oude Menkenesdrecht wel willen zoeken te Papendrecht maar dat kan niet, omdat Papendrecht reeds in 1105 onder eigen naam voorkomt, evenals Hardinxveld. Later zocht men het te Minkeloos, maar tot zoover strekte zich het bezit van de graven van Holland in die tijd nog niet uit.
 
Deel 2 op de volgende pagina.

 

Terug naar start Historie