Oudheidkundige Vereniging Sliedrecht
De vereniging waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten…
| Wie
er na Abraham kwamen ... Tussen Abraham en Hendrik zou eerst nog een lange rij van leerkrachten passeren. Van een aantal weten we niet meer dat zij werkzaam zijn geweest op de Sliedrechtse school als de eerste opvolgers van Abraham Adriaensz. Dat waren: Herman Dircks Stip, Cornelis Vincenten, Henrikus Buijtendyck en S.A. van der Sluys. Alle genoemde personen hadden wel te voldoen aan de eisen gesteld in het schoolreglement. Daarin stond te lezen dat: 1e Alle gedrukte boeken en brieven prompt moet kunnen lezen. 2e Een goede hand van schrijven moest hebben. 3e De Psalmen Davids "bequamelijck" moest kunnen zingen. 4e "Ter nooddruft" moest kunnen rekenen". 5e Een goede methode moest hebben "om de jeugd ten spoedigste te leeren". Een niet geringe lijst van eisen. Vraag is echter hoe de 17e eeuwse schoolmeester hieraan kon voldoen. Mogelijkheden tot scholing waren er nauwelijks. De positie van de schoolmeester was niet te benijden. Leerplicht bestond niet. Het analfabetisme was ontstellend. Op financieel gebied was het vooral voor de dorpsschoolmeester een treurige zaak. Bittere armoe noodzaakte tot het aannemen van allerlei bijbaantjes zoals we ook al zagen bij Abraham Adriensz. EEN BRIEF MET GEVOLGEN Pas rond 1657 kunnen we de draad weer opnemen. Schoolmeester is dan Andries van der Sluys. Veel zouden we ook van hem niet gehoord hebben als hij niet een brief verzonden had, welke gericht was aan sinjeur Michiel de Visser. In dit schrijven uitte hij beschuldigingen aan het adres van Schout Barent van Asperen. Bovendien was er het verzoek de brief te laten lezen aan de Heer van Sliedrecht. Grote beroering ontstond. Van der Sluys beweerde bij hoog en bij laag dat de brief geschreven zou zijn door de dominee. Hierbij gebruikte hij woorden als "soo moet de duivel mij halen" en "daer wil ik mijn ouden hals onder zetten". Het schijnt meer een strijd geweest te zijn tussen de drie schouten van Sliedrecht. Dat waren Cornelis van de Graef (Naeltwijck), Barent van Asperen (Lockhorst) en Joost Boon (Niemantsvriend). De schoolmeester werd uiteindelijk de dupe van de kwestie. Op de vraag van de kerkenraad, of " het niet syn amt was, het school waar te nemen, en op 't leeren van de kinderen te passen, sonder met de kercke ofte 't gerechte sich te bemoeyen ", antwoordde hij met een volmondig "ja". Hij hield echter vol de brief niet geschreven te hebben. Toen een der aanwezigen de brief te voorschijn haalde en zei: "Gij oude schelm, gij hebt uw ziel al genoeg voor den duyvel gesworen" en daarna de hele brief voorlas kon meester Andries " sich van schaamte niet onthouden ". De zoon van de meester herkende zijn vaders handschrift en de dochter nam vader onder haar hoede en leidde hem naar buiten. Schoolmeester Van der Sluys was al eens eerder in opspraak geweest en wellicht was de brief de bekende stok om de hond te slaan. In ieder geval in 1672 is de man afgezet als schoolmeester. Kennelijk ging het ontslag van de oude leermeester velen te ver. De man had immers zijn beroep goed uitgeoefend. Het verzoek hem in ere te herstellen werd echter afgewezen. Zijn opvolger werd een zekere Jan de Heck. Toen deze in 1706 overleed maakten de kinderen kennis met meester Ambrosius Kool. * Van de heer W. Bos te Sliedrecht ontvingen we een artikel dat enige informatie geeft over de persoon Ambrosius Kool. Ambrosius Kool, maar kort schoolmeester te Sliedrecht "Uit de genealogie Kool, gepubliceerd in de Nederlandse Leeuw, jaargang 110, nr. 7 en 8 is het volgende op te maken: In 1674 kwam Jan de Heck in het schoolhuis van Sliedrecht. Hij overleed in 1706. Het vinden van een opvolger was niet zo gemakkelijk. Min of meer ten einde raad droeg de kerkenraad Ambrosius Kool ter benoeming voor bij ambachtsheer Johan van der Burch. Het contact was ontstaan, doordat Ambrosius Kool, via zijn huwelijk met Grietje Gillesdr. de Heck, verwant was aan de overleden schoolmeester. Bovendien woonde hij dichtbij, in Hardinxveld. Ambrosius Kool (1661-1726) was bij zijn benoeming al 45 jaar oud en niet echt in het onderwijs geïnteresseerd. Hij was niet onbemiddeld door zijn handel in grienden. Daar bleef hij mee bezig. Op 11 april 1710, toen hij al geen schoolmeester meer was, verkochten de erven van zijn zwager Adriaen Gillessen de Heck hem "eene buytengriend geleegen op de Steenplaets." Van 1688 tot 1690 was Kool diaken te Boven-Hardinxveld. Hij was daar ouderling in de jaren 1695 tot 1699 en in 1706, het jaar van zijn benoeming te Sliedrecht. Gezien zijn belangen, zowel te Neder- als te Boven-Hardinxveld, was er vanaf het begin sprake van een "ad interim periode" in Sliedrecht. Na voorlezing van de aanstellingsbrief werd "de schoolorde voorgelesen", waarna de kerkenraad de papieren zoals gebruikelijk opborg " in den kerckekist". Al spoedig bevielen Kool vooral de bijbaantjes van koster en voorzanger niet. Hij had ze, in tegenstelling tot de meeste schoolmeesters uit die tijd, financieel ook niet nodig en belastte graag anderen met het opwinden van "de horlogerie" en het luiden van de kerkklok. Hij trachtte zich zo veel mogelijk op het onderwijs te concentreren, maar moest wel de doop-, trouw-, en begraafregisters zien bij te houden en opzicht uitoefenen op de grafdelvers. Of Kool ontslagen werd of zelf ontslag nam is niet bekend. In 1708 kwam er al een opvolger in de persoon van Leendert Willemsz. Versteeg uit Moercapelle. Ook met hem was men niet gelukkig. Reeds op 15 juli 1714 ontving Versteeg "syne dismissy weegens syne benoeming te Berckel in het Delfland." Kool zat toen al weer hoog en droog in Hardinxveld, waar hij in 1726 overleed Hij zal zeker kennis hebben genomen van de feiten rond zijn opvolgers. Binnen korte tijd volgden de schoolmeesters elkaar op. In 1714 was daar Johan Storm. Hij vertrok nog hetzelfde jaar naar Beesd. Zijn opvolger in 1715, Johan de Soete. deed zijn naam geen eer aan. Hij raakte betrokken bij een zedenschandaal." IN OPSPRAAK Johannes de Zoete,
een "jongman van Rijnsaterwoude". De Zoete verrichtte zijn
werk in het schooltje onder de kerk aanvankelijk naar tevredenheid. Zoon Pieter Alblas
verwierf de eer " op de onderrigtinge en rapporten " die de
Ambachtsheer had ontvangen en " vertrouwende op sijn vroomheijt,
bequaamheijt en welgesintheijt in de ware gereformeerde Christelijke
Religie " zijn vader op te volgen tegen hetzelfde salaris. |
VERDIENSTEN
Niet alleen de taken, maar ook de financiën waren vastgelegd.
Dit lezen we in een voor 1760 opgestelde "Ordonnantie en Reglement voor de
Schoolmeester,
Coster en Dootgraver van de heerlijkheeden Naaltwijk en Sliedrecht."
Den Schoolmeester sal voor sijn loon genietten en ontfangen van:
| die leren spellen off lesen 's weeks | f --, 1 , - ** |
| die leren lezen | f --, 1 , 4 |
| die leren cijferen | f --, 3 , - |
| die frans leren | f --, 6 , - |
| die in 't avontschool leren spellen off lesen | f --, 2 , - |
| die frans leren in 't winterschool | f --, 4 , - |
| die italiaans boekhouden leren in 't particulier commissie en compagnie eens | f 36, - , - |
| die de stuurmanskonst leren | f 36, - , - |
| voor het leren van de armkinders met de leverantie van boecken, papier, pennen en inkt 's jaars |
f 9, - , - |
|
|
Als coster kwam de schoolmeester het volgende toe:
| Den coster sal trecken voor het luyen voor een doode boven de 12 jaren ieder uur | f --, 6 , - |
| voor een doode beneden de 12 jaren ieder half uur | f --, 3 , - |
|
hij sal treckken uijt de kerkeinkomste voor 't smeren, opwinden en verstellen van het uurwerk jaarlijks |
f 12, - , - |
| voor het wegsetten der baren | f 3, - , - |
| voor 't opsteecken der kaarssen in de avontpredicaten | f 3, 3 , - |
|
voor ' t schoonmaacken en wassen van ' t tafellaken, servetten en schuuren van de schotels en beeckers tot gebrijk van 't Heilig Avondmaal |
f
3, - , - |
| voor 't wegnemen en 't stellen van de tafel | f 1 ,12 , - |
| voor ' t smeren van de klock, schoonmaken van de kerk | f 1, - , - |
| voor
een graft op het kerkhof van een persoon beneden de 12 jaaren |
f --, 5 , - |
| voor een persoon boven de 12 jaaren | f --, 10 , - |
| in 't winter zaaysoen voor een beneden de 12 jaaren | f --, 8 , - |
| voor een boven de 12 jaaren bij vorst | f --, 15, - |
| voor een graft in de kerk één diep | f --, 12 , - |
| voor twee diep | f - -,18 , - |
| voor drie diep | f 1, 4 , - |
| voor vier diep | f 1,10 , - |
| BIJSCHOOLTJES Omstreeks zien we dat er op een aantal plaatsen "bijschooltjes" weden gehouden. Hier was het schoolgeld meestal lager. Een concurrentie voor de schoolmeester van de eerste orde! Meester Alblas was hierop zeker niet gesteld. Zijn inkomsten liepen terug. Bovendien was de kwaliteit van het onderwijs in de "bijschooltjes" van een mindere kwaliteit. Het zou wel eens zover kunnen komen dat er geen schoolmeester met voldoende kennis meer te vinden zou zijn voor een grotendeels verlopen school aan de kerk. Daar de "bijschooltjes" zonder vergunning werkten, was het eenvoudig een eind aan de situatie te maken. In 1774 was het dan ook zover. "Het houden van bijscholen werd verboden, behoudens vergunning om kinderen beneden de 6 jaar te onderwijzen in het ABC." Overtreding zou worden bestraft, de eerste keer met drie gulden, te betalen door hen, die een kind naar een dergelijke school zouden zenden en door de schoolmeester of onderwijzeres (schoolmatres), een volgende keer met negen gulden boete en verbod van school houden. Bij het uitgaan van de kerk werd dit besluit aan de gemeente voorgelezen. EEN NIEUWE WET (1806) Het onderwijs was tot nu toe een plaatselijke zaak geweest. In de Franse tijd kwam er een eerste landelijke onderwijswetgeving. De wet kende het beginsel van: "Vrijheid van Onderwijs" niet. De wet kende openbare (uit de overheidskas bekostigde) en bijzondere scholen van de eerste klasse (door een instelling als de diaconie of het "Nut" bekostigde scholen) en van de tweede klasse (particuliere scholen). De openbare school moest een gemengde school zijn, toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige richting. De school was niet onchristelijk. De kinderen dienden te worden opgevoed "tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden". Bepaald werd dat de schooltijd, hetzij wekelijks, hetzij dagelijks, met gebed zou worden geopend en gesloten, waarbij ook een psalm mocht worden gezongen. Voor Christelijk leerstellig onderwijs gegeven door de onderwijzer was echter geen plaats op de openbare scholen. De kerken werden uitgenodigd de godsdienstlessen te verzorgen op de scholen. De scholen waren duidelijk aan voorwaarden gebonden. Dit zou in de komende jaren aanleiding geven tot een langdurige strijd. Ieder kreeg in principe recht op onderwijs, een lesprogramma werd aangegeven. KLASSIKAAL
ONDERWIJS |
![]() |
EEN
NIEUWE SCHOOL Tot 1777 was Pieter Alblas de schoolmeester in ons dorp. Hij werd opgevolgd door de 21 jarige Leendert de Groot die daarvoor schoolmeester was te Ottoland. Hij diende zijn voorganger gedurende 5 jaar een bedrag te betalen van f 200, =. Wellicht had Alblas dit bedrag hard nodig voor zijn studie voor predikant die hij op ver gevorderde leeftijd ging volgen. Het jaar 1807 werd een belangrijk jaar voor het plaatselijke onderwijs. Tot dit moment was de school eigendom van de kerk. In genoemd jaar kwam er een nieuw plaatselijk reglement. Hierin werd vastgesteld dat het gemeentebestuur voortaan ging deel uitmaken van het kerkbestuur en uiteraard van het schoolbestuur. Het positieve van dit feit was het besluit tot afbraak van de oude school en tot bouw van een nieuwe school bij de kerk. De oude school was klein om alle kinderen op te vangen. Het bedrag dat nodig was voor de bouw van de nieuwe school en consistorie werd door de ingezeten vrijwillig bijeengebracht. De bouw werd gegund aan de laagste inschrijver, Leendert de Landgraaf. Dit alles voor een bedrag van f 2704, =. Uiteraard kwam daar nog heel wat bij aan bijwerk. |
| De eerste steen werd gelegd door Jacobus van Hattem, het zoontje van de toenmalige burgemeester. Dit gebeurde op 14 juni 1807. Deze steen is nu zien in het Sliedrechts Museum. Eind 1807 werd de nieuwe school in gebruik genomen. door meester Jan de Groot die zijn vader in 1805 was opgevolgd.De nieuwe school betekende voor de ouders van de leerlingen een hogere bijdrage. In de oude school had men een open vuur gestookt. Wat moet dit voor kinderen hebben betekend wat betreft atmosfeer en ventilatie!? Van oudsher brachten de leerlingen, zoals we eerder lazen hout en andere brandstof mee naar school. Dit gebeurde in de wintermaanden van 15 november tot 15 maart. In de nieuwe school was het niet mogelijk een open vuur te stoken. De schoorsteen was zodanig gebouwd dat er een kachel diende te worden geplaatst. Daar de schoolmeester het geld voor het stooksel onmogelijk kon opbrengen, moest men er toe overgaan het schoolgeld met vier duiten per week gedurende de wintermaanden te verhogen. De kinderen en de meester waren verzekerd van een verwarmd gebouw en de lucht in het lokaal was heel wat zuiverder! |