03 – Sliedrecht Benoorden de Merwede

We steken de Merwede over en komen dan toe aan de oudste geschiedenis van onze gemeente aan de noordzijde van de Merwede. Zeer schaarse berichten staan ons hier ten dienst en met dit weinige moeten we trachten ons een beeld te vormen hoe het er in deze tijden toegegaan is.
Dit gebrek aan bronnen vindt zijn oorzaak in het feit, dat in onze gemeente behalve dan het oude tolhuis, nooit een middeleeuws kasteel gestaan heeft. De Heren van Sliedrecht waren meestal de heren van De Merwede en van Crayesteyn en die woonden in hun kastelen aan de zuidzijde van de Merwede. Na het stuk van 1064 (1140), waarin over Menkenesdrecht gesproken wordt, vernemen wij nooit meer iets van die naam.

Geschiedenis-0301
Kaartje met de situatie in ± 1300

 

Ons dorp ligt dan nog zowel aan de noord als de zuidzijde van de rivier.

 

Over-Sliedrecht
De zuidzijde van de Merwede met het daargelegen Sliedrecht was zo belangrijk geworden, dat men het dorp aan de noordzijde als geheel aanduidde met de naam, d.w.z. tegenover Sliedrecht. Ook sprak men wel van het dorp als gelegen bij de tol van Niemandsvriend, omdat de tol, waarover later, in dat ambacht lag. De naam Over-Sliedrecht heeft het echter gewonnen, als naam voor het gehele dorp. Men sprak van Niemandsvriend in Over-Sliedrecht, van Lockhorst in Over-Sliedrecht en van Naaldwijk in Over-Sliedrecht. Na de St. Elisabethsvloed 18 November 1421, toen het dorp aan de zuidzijde met de kerk verdween, erfde Over-Sliedrecht weer de naam en heette na die tijd kortweg Slydrecht (Uitgesproken: Sliedrecht). Het ambacht Lockhorst kreeg toen de naam Over-Sliedrecht. De eerste maal dat van ons dorp gesproken wordt met de naam Over-Slydrecht is in een acte van 1203, waarbij het klooster Heysterbach op het eiland van Dordrecht gesticht wordt door graaf Dirk VII en zijn gemalin Aleydis. Het klooster kreeg toen als schenking van de stichters o.a. de visserij in de Merwede bij Over-Slydrecht. De eerste maal, dat ons dorp met de naam Slydrecht voorkomt is op 22 November 1369, toen bij de regeling van het Nieuwe Waterschap genoemd werden: Herbaren van Liesvelt, Willem van Naeltwijck en Jan van de Merwede, met haren drie ambachten van Sliedrecht.

Heer van Voorne
Het gehele dorp van een leen van de graaf van Holland aan de Heer van Voorne. Hoe deze heer van Voorne aan dit en andere lenen in deze omgeving o.a. Merwede en het gebied om de Nieuwe Kerk bij Dordrecht, gekomen was, wordt nergens vermeld.
De heren van Voorne waren, evenals die van Putten, Brederode en de Lek de grootgrondbezitters in deze streken. Zij hebben wellicht bij de eerste verovering en ontginning door de Hollandse graven een rol gespeeld of bij de herovering door Dirk V, omstreeks 1075. Zij zullen voor hun hulp naar de geest des tijds met land en heerlijkheden beloond zijn. Het is ook mogelijk, dat zij het eerst verworven hebben in de moeilijke jaren na de dood van Willem II, die in 1256 bij Hoogwoud sneuvelde en slechts een 2-jarig zoontje Floris V naliet. Floris V stond aanvankelijk sterk onder de invloed van de hogere adel, die natuurlijk wel zorgde daarbij zelf niet tekort te komen. Eigenlijk is het leven van Floris V één strijd geweest om aan die invloed te ontkomen. Men weet, dat het met een moord, door dezelfde adel gepleegd, eindigde. Hoe dan ook de heer van Voorne aan het bezit gekomen was, een feit is dat Albrecht, heer van Voorne, het op het einde der 13de eeuw in bezit had en in drie delen als leen uitgaf. Ook na hem is het steeds in het huis Voorne gebleven tot 1371 toen zijn kleindochter Machteld van Voorne kinderloos overleed en geheel Voorne aan Holland kwam.

Liefdesgeschiedenis
Dat Floris V het huis Voorne zo ongestoord in het bezit van deze uitgestrekte goederen in Holland liet, terwijl hij andere heren, zoals Amstel, Woerden, enz. van alles trachtte te beroven, vindt zijn oorzaak in een liefdesgeschiedenis. Kort voor 1280 was de charmante en geestige Zuid-Nederlandse edelvrouwe Catharina de Durbury gehuwd met een reeds oude heer Aelbrecht van Voorne. Zij was de dochter van Gerard de Durbury en door haar moeder een kleindochter van hertog Hendrik I van Brabant. Zij schonk in 1281 haar man een zoon: Gerard van Voorne, en reeds spoedig daarop, in 1287, was zij weduwe. Zij stond bekend als een buitengewone schoonheid en als een vrouw van hoofse manieren. De bedaagde kroniekschrijver Willem Procuratoer noemde haar in 1322, toen ze al oud was een buitengewone, schone vrouw.

Floris V
Reeds kort na de dood van haar man schijnt de jonge elegante weduwe in intieme verhouding gekomen te zijn tot Floris V, die zeer toegankelijk was voor het vrouwelijk schoon. Omstreeks 1290 schonk hij haar de goederen van het uitgestorven geslacht Teijlingen. Nu lag het slot Teijlingen zeer dicht bij het prachtige slot Vogelesanck, waar Floris V bij voorkeur vertoefde en dat maakte de omgang met haar “lieven heer en neef”, zoals het in een charter van die tijd staat, veel gemakkelijker, dan wanneer zij in het afgelegen Brielle of Geervliet vertoefde. Haar zoon Gerard van Voorne, “het kind van Voorne”, werd later schildknaap bij Floris V en was als zodanig ook bij diens gewelddadige dood aanwezig. Catharina de Durbury huwde na de dood van Floris V, in 1297 met Wolfert van Borselen, die toen eigenlijk het land regeerde voor de minderjarige graaf Jan I. Zij was ook aanwezig bij het treurspel, dat zich 1 Augustus 1299 te Delft afspeelde. Wolfert van Borselen wilde nl. de jonge graaf naar Zeeland voeren, doch de burgers van Delft beletten dit en zetten hem en zijn schone vrouw gevangen in het Steenhuis, d.i. de gevangenis te Delft. De woedende menigte eiste zijn dood en Wolfert van Borselen werd aan haar armen ontrukt, op straat gesmeten en evenals later de gebroeders de Witt, door het grauw verscheurd. Na Wolferts dood bewoonde Catharine de Durbury weer het slot Teijlingen en zelfs wist deze middeleeuwse Cleopatra de nieuwe Henegouwse graaf Jan II te boeien, zodat ook deze haar in het bezit harer goederen liet. Zij overleed in 1328 in hoge ouderdom, het geluk smakend alle bezittingen, ook Sliedrecht, op haar zoon te hebben zien overgaan. Evenwel zou Sliedrecht toch aan de Hollandse graaf komen, want Gerard van Voorne had slechts een dochter: Machteld van Voorne, die later voorkomt in de leenregisters als “minre vrouwe van Voorne”. Bij haar kinderloos overlijden in 1371 kwamen al haar goederen, dus ook Sliedrecht aan graaf Willem IV. De heren van Voorne beleenden nu Over-Sliedrecht in drie gedeelten (Niemandsvriend, Lockhorst of Over-Slydrecht en Naaldwijk) aan verschillende heren.

Niemandsvriend
Te beginnen met Papendrecht af, komt eerst het ambacht Niemandsvriend, dat zo genoemd was naar een middeleeuwse sterkte aan de Merwede, waar de graven van Holland tol hieven. Het ambacht wordt meestal vermeld als: “Het ambacht bi der tolne van Niemandsvriend”. Het was het kleinste van de drie en volgens Oudenhoven slechts 206 morgen groot. Niemandsvriend was niet alleen het kleinste, maar ook het armste en minst belangrijke van de drie ambachten. De dijk van Den ENGEL tot Baanhoek, was grotendeels een schoordijk en dus zeer kostbaar in onderhoud. Vandaar dat Niemandsvriend nog al eens van heer verwisselde. Als oudste heer wordt vermeld, in 1277 in het charter van de indijking van de Alblasserwaard, Theijlings Colekijn. Met deze Colekijn heeft men nooit goed raad geweten; de één noemde hem een lid der familie Teijlingen, de ander een leenman van dat geslacht. Van Bheineck Leijssius geeft in zijn inleiding op de inventaris van het archief van Sliedrecht een andere oplossing. Van het charter van 1277 zijn n.l. verschillende afschriften bekend, die merkwaardig genoeg juist in het eerste gedeelte van de naam verschillen. Hij stelt nu voor te lezen: Everdeijs Colekijn en dat zou dan dezelfde wezen als Colijn Everdeijsz van Alblas. Naar deze Colijn heette het ambacht lange tijd Colijnsambacht; zo b.v. in een brief van 28 juli 1303, waarbij een huis in Colijnsambacht in Over-Slydrecht aan de Duitse orde geschonken wordt. Toch komt dan ook de naam Niemandsvriend geregeld voor, want in 1311 geeft heer Nicolaas van Putten land in leen aan Van den Molenaer, gelegen in Niemandsvriend. In 1311 wordt vermeld het veer van Niemandsvriend in Mattheus Colijnsambacht. Aan deze Matthijs Colijnsz hebben we wat meer houvast. Hij was in 1328 schout van Geertruidenberg en maakt dan een geldbedrag aan zijn vrouw gevestigd op een erve en land in Sliedrechterambacht over. In 1369 bij de stichting van het Nieuwe Waterschap is Herbaren van Liesvelt heer van Niemandsvriend. Na die tijd komt de naam niet meer voor in de leenregisters van de graaf van Holland. Vermoedelijk heeft de graaf toen hij in 1371 alle goederen van Machteld van Voorne kreeg het met een aantal andere heerlijkheden aan de toenmalige heren in persoonlijk bezit afgestaan.

De Tol vam Niemandsvriend
Het recht van tolheffing was oorspronkelijk een keizerlijk recht, want de grote rivieren, waren van oudsher keizerlijk domein. De Hollandse graven hadden zich dat recht in de elfde eeuw onwettig toegeëigend en lieten het zich na die tijd nimmermeer ontnemen. Nadat de oudste graven met zoveel succes tollen bij Dordrecht en Geervliet gesticht hadden, waardoor zij de handel van en naar Vlaanderen en Engeland controleerden, sloten zij ook hun grenzen aan de oostzijde af. Hierdoor kwamen de tollen bij Moordrecht op de Hollandse IJssel, de Ammerstol op de Lek, Niemandsvriend aan de Merwede en Almsvoet op de Maas. Zodoende kon geen enkel schip in Holland komen of het moest tol betalen. Het best kan men die tolhuizen vergelijken met de tegenwoordige kantoren der douane, waar de in- en uitvoerrechten betaald moeten worden, met dit verschil, dat een tolhuis in de middeleeuwen tevens een sterk kasteel moest zijn, om tegen aanvallen te land en te water beschermd te wezen. De schippers probeerden natuurlijk zoveel mogelijk de bestaande tollen te ontduiken, door snel voorbij te varen en daarom had men de tolhuizen aangebracht op plaatsen, waar de rivier smal was en de dijk na aan de rivier kwam. Veranderde de loop van een rivier, dan was ook de verplaatsing van het tolhuis nodig. Telkens worden dan ook de tollen verplaatst, ook de tol van Niemandsvriend. Wanneer er ooit een toepasselijke naam voor een tol uitgedacht is, is dat het geval met de naam “Niemandsvriend”. Evenmin als nu de weggebruikers, waren toen de schippers en kooplieden op het betalen van tollen gecharmeerd en met middeleeuwse humor drukte men in deze naam zijn afkeer uit.
Tolhuis
Het Tolhuis van Niemandsvriend stond op de westenhoek van de Tolsteeg, de plaats dus waar de dijk het dichtst aan de rivier kwam. Het moet een groot, sterk en aanzienlijk kasteel geweest zijn, want herhaalde malen hielden er de graven van Holland met hun aanzienlijk gevolg verblijf. In 1242 vertoefde er Willem II, graaf van Holland, en later keizer van Duitsland en in 1303 hield Jan II van Holland en Henegouwen er zijn residentie.
Op die datum werd nl. een charter uitgegeven, waarop staat: “Ghegeven ende ghemaekt tot Niemandsvriend int jaer ons Heeren duijzent drije hondert drie op Sinte Bonifaesavont”. Jan II hield er toen verblijf om met de oproerige grote edellieden af te rekenen en dat deed hij liefst op een sterkte, waar hij heer en meester was. Eerst nadat hij de heren, die Gijsbrecht van Amstel c.s. gesteund hadden, uit hun goederen, en degenen die zich vrij konden pleiten in hun bezit, bevestigd had, begaf hij zich naar Dordrecht, waar hij enige dagen later als aanwezig wordt vermeld. In het tolhuis waren, behalve vertrekken geschikt voor het verblijf van een graaf, als eetzalen, slaapzalen, stallen voor paarden, verblijven voor manschappen, nog andere merkwaardigheden. Er was nl. ook een kapel in het middeleeuws gebouw, want in 1321 gaf graaf Willem II aan de “clercq (geestelijke) Henrick Snellaerdszoon van Breda, de regeeringe en bestieringe van zijne capellanie en dienste in zijn Tolhuijs bij Niemandsvriend”.
De tol van Niemandsvriend, die stellig nog veel ouder is, vonden wij voor de eerste maal vermeld in een charter van 27 December 1042, waarbij Willem II tot heil van zijn ziel jaarlijks een aam (vat) wijn gaf aan de Praemonstratenser abdij te Bern. Het geld daarvoor moest ontvangen worden “in mijn tol van Niemandsvriend” of zoals het daar luidt: “In theleone meo apud Nijemensvrient”. Aan hetzelfde klooster gaf de graaf in 1253 bovendien vrijdom van tolbetaling. De graaf gaf hier een gedeelte der inkomsten uit zijn tol weg. Nu waren de tollen tot omstreeks 1400 de voornaamste bron van inkomsten van een graaf en herhaaldelijk moest deze, om aan contant geld te komen, de inkomsten uit de tol in pand geven.
Gevaarlijker was het, dat de graven aan velen vrijdom van tolle gaven, want daardoor verminderden de inkomsten op onrustbarende wijze. Zo kreeg 26 januari 1248 de Duitse orde vrijdom van tollen te Ammers- en Niemandsvriend. Erger werd het, wanneer die vrijdom werd toegestaan aan machtige handelssteden, zoals het op 17 februari 1250 gebeurde, toen de stad Dordrecht vrijdom van tolgelden kreeg, behalve voor wijn, laken en ijzer. Oorspronkelijk was de tol van Niemandsvriend niet de voornaamste. In 1333 stond hij wat inkomsten betreft op de vierde plaats, na Ammerstol, Geervliet en Dordrecht. Het verkeer met Duitsland via de Merwede nam echter meer en meer toe. In de rekening van Zuid-Holland van 1350-1363 staat hij op de tweede plaats, onmiddellijk na de tol op de Bernisse bij Geervliet. In deze tijd is de tol van Niemandsvriend verplaatst naar Woudrichem, want in 1354 verkocht graaf Willem IV aan Gilles van Hellemes zijn knape twee hoeven lands te Niemandsvriend, daar het Tolhuys op staat. Dit blijkt uit een brief van vrijdag na St. Andresdag 1356 (2 Dec. 1356) waarin men leest: “Hertog Willem de Tol van Niemandsvriend tot Woudrichem geleyt hebbende”, enz. Toen was de tol dus reeds in Woudrichem, waar hij echter ook niet blijvend gevestigd was. Nog eenmaal was de tol te Niemandsvriend gevestigd en wel in 1389 toen Albrecht van Beieren hem met andere tollen aan Dordrecht verpachtte. In 1415 komt hij niet meer voor. Later had de inning te Gorinchem plaats.

Geschiedenis-0302
De Alblasserwaard in vroeger tijden

Het begin van de Aannemerij

Het grote geld ontbreekt nog……

Het aannemen van grondwerken is van zeer oude datum. Hoe ver men ook teruggaat, steeds wordt er van “aanbesteden” en “aannemen” gesproken.
Toen in Dordrecht, in 1410, de Nieuwe Haven gegraven werd, waren er 5 aannemers, die na de voltooiing van het werk beloofden “alle gebreck te beteren aen ’t werck, dat si aen hadden genomen”.
Het aannemen van de werken geschiedde lange tijd partieel, d.w.z. het werk werd niet in zijn geheel, maar in gedeelten aanbesteed.
Blijkbaar waren er nog niet voldoende kapitaalkrachtige personen om een groot werk in zijn geheel aan te nemen. Wanneer er een omvangrijk werk tot stand moest worden gebracht, liet men het opmeten door een gezworene, d.w.z. beëdigde, landmeter; daarna zond men brieven rond om de gegadigden op te roepen. Het werk werd dan met de vierkante roede ( gemeten en bij een aantal roeden tegelijk aanbesteed. Een vierkante roede was 14 m² groot.

Waskaarsen
Die aanbesteding ging veelal op een bijzondere wijze n.l. bij uitgaande waslichten. Men zette een waskaars op tafel en zolang de kaars bleef branden kon men een bod doen. Ging de kaars uit, dan was de laatste bieder aannemer, terwijl de voorlaatste het strijkgeld ontving. Dat noemde men toen rantsoen. Was men aannemer geworden, dan moest men op de bepaalde tijd het werk aanvangen en zich geheel gedragen naar de aanwijzingen van de gezworene. Men moest zorgen met zijn “mackers ofte mededoenders” op het werk te zijn en steeds met een ploeg van minstens 16 of 17 man te blijven werken.
De grondwerkers woonden in rieten keten bij het werk en hadden bij een karwei van lange duur meestal vrouw en kinderen bij zich. De levensmiddelen moesten bij de “soetelaers”, dat zijn reizende handelaars in levensmiddelen, gekocht worden.
De aannemers ontvingen geen geld voordat hun werk op, de “schoudach” gepresen (goedgekeurd) was. Was men over tijd, dan werd er het bedongen loon gekort. Erger was het, als het werk niet “gepresen”, maar “gelaeckt” (afgekeurd) werd. Men moest dan het werk onder dreiging van een boete vóór een bepaalde datum af hebben, of er werden anderen ingezet en men ontving niets van de aannemingssom.

Een goede leerschool
In Sliedrecht heeft men zich bij de aannemerij van grondwerken nooit onbetuigd gelaten. De Sliedrechtenaren hadden in hun eigen dorp een uitstekende leerschool. Immers iedere landeigenaar moest persoonlijk het stuk dijk, waaraan zijn land lag, onderhouden.
In Sliedrecht, waar zoveel dijk was dat geen voorland had, was dit een groot bezwaar. De gedeelten van de dijk, onder Naaldwijk en onder Niemandsvriend waren schoordijk, d.w.z. die dijken lagen onmiddellijk aan de Merwede, zonder enig voorland. Met schoor bedoelde men dan de oever onder water, waarlangs de stroom schuurde. Aan het onderhoud van die schoordijken werden veel hogere eisen gesteld, dan aan het onderhoud van de normale dijken.
Het is wel typerend, dat Sliedrecht het enige dorp was, waarvan vermeld wordt, dat de heer van het ambacht het als een voorrecht bedong, dat verlaten land, wegens dijkonderhoud, niet te zijnen laste, maar ten laste van het dorp zou komen. In veel gevallen was het onderhoud van de dijk zwaarder was dan de opbrengst van het land.

Rijs
De schoordijken moesten wel beslagen worden met goed rijs en riet, “zes voet druipens hebbende”, d.w.z. dat de dijk onder aan de teen zes voet breder moest zijn, dan aan de kruin. Over al het rijs en riet moest wilgenvlechtwerk worden aangebracht.
Niettegenstaande alle voorzorgen kon men moeilijk voorkomen, dat de dijk onder water ondermijnd werd. Boven laag water kon men gemakkelijk allerlei rijswerken aanbrengen, maar onder de laagwaterlijn kon men, omdat duikers eerst uit de 19-e eeuw zijn, niet werken.
Men is toen op de gedachte gekomen om het rijswerk eerst boven water te maken en later ter plaatse te laten zinken. Zo ontstond het zinkstuk, dat eeuwenlang een welhaast Sliedrechts monopolie is geweest.
Door al die dijkwerken hebben de Sliedrechtenaren in de middeleeuwen het rijswerk beter geleerd, dan de inwoners van andere dorpen in de omgeving. Er bestond in de 15de eeuw te Sliedrecht al een omvangrijke handel in rijshout. Reeds toen wist men het griendhout op geregelde wijze te telen. Bij de verrassing van Dordrecht door Jan van Egmond in 1480, werden twee rijsschepen gebruikt en het wachtwoord was: “Vierjarig rijs, rijs in Godes naam.” Men wist dus toen reeds, dat de cultuur vier jaar moest duren.