De eerste bijdrage voor de nieuwe rubriek ‘Van hier en daar, van overal’ en komt in de plaats van het ’Slierechs diëlect’. Een wekelijks kort stukje, geen religie of politiek. De rubriek is een initiatief van de Historische Vereniging Sliedrecht en zolang er geen reden is dit te wijzigen, blijft dat zo, dit alles in overleg met de redactie van Het Kompas. Reageren? info@historie-sliedrecht.nl
Het is de bedoeling van deze nieuwe reeks wekelijkse stukjes dat dat ze niet al te ingewikkeld van aard zijn. Een gebeurtenis onderweg, op het werk, vrije tijd, hobby’s, sport, vrijwilligerswerk, een herinnering, een verhaal van nu, wat vinden jongeren positief aan volwassenen en wat denken ouderen de toekomst jongeren. Wie aan deze rubriek wil meedoen mag ook iets vertellen over wat in haar of zijn vereniging is gebeurd of heeft wat nieuws te melden.

Als kleine jongen mocht de schrijver van dit stukje vaak met zijn vader mee. Een van de dingen die hij graag deed was vissen in de Alblasserwaard. Dat vistalent van mijn vader heb ik niet geërfd. Op enig moment zei hij tegen mijn moeder: “Ik ga vandaag alleen vissen, want als hij meegaat maakt hij mijn deeg in de war en eet ‘ie mijn tuig op”. De verspreking is in de familie nog vaak herhaald. Uiteindelijk mocht ik wel mee als pa ging vissen. Ik moest wel beloven geen steentjes in ‘t water te gooien. Pa nam af en toe een restant gekookte aardappelen mee, die gooide hij vooraf in het water op plekken waar hij van plan was te gaan vissen. Een voertje zetten heet dat. Toen ik steentjes in het water gooide zei vader: “Aardappels lusten de vissen wel, stenen niet, dan jaag je de vissen weg”. Mijn vader ging ook wel eens vissen met meerdere vrienden in de buurt van het befaamde café Boereklaas’, helaas al een tijdje gesloten. Een van m’n vaders vrienden had niet al te veel geduld om langdurig naar een dobber te kijken. Hij zorgde dan voor een bakkie koffie, dat kwam uit een thermosfles. Op een enig moment was ‘ie een tijdje weggeweest en kwam terug met een plankje met een doek er overheen. Daarmee liep hij naar de visvrienden die aandachtig naar hun dobber staarden. “Jongens”, zei hij, “voertje zetten?” Het idee was dat onder dat doekje koude aardappels of resten oud brood lagen. Een van de visvrienden, strak kijkend naar zijn dobber, stak zijn hand naar achteren en deed een greep van het plankje. In de verwachting aardappelkruim te pakken greep hij in een nog dampende drol die op het plankje lag. Wat er toen geroepen werd was niet echt bestemd voor mijn jongensoren. Iedereen moest er onbedaarlijk om lachen. Ik had hem zien aankomen lopen met dat plankje en rook wat er op ‘t plankje lag. “Denk erom dat je niks zegt”, siste hij op bezwerende toon. Na het vissen werd het bij Boereklaas nog heel erg gezellig.
‘t Schrijverke