21 Liniecrossers

Liniecrossers

De Liniecrossers waren 21 personen die, zonder eigenbelang, hun leven in de waagschaal gesteld hebben om Nederland te bevrijden van de bezetters.
Zij brachten militaire berichten en personen over van bezet naar bevrijd gebied en op de terugweg namen zij medicijnen mee naar bezet gebied om aldaar te distribueren. 

Zij allen maakten deel uit van de Albrecht groep. 

Het startpunt van de Albrecht route in bezet gebied was het huis De Wilgenhorst in Sliedrecht dat via het Kleindiep in open verbinding stond met de Beneden Merwede. 

Het eindpunt in bevrijd gebied was hotel Centraal in Lage Zwaluwe dat via de haven in verbinding staat met de Amer. 

De Wilgenhorst
De Wilgenhorst
Hotel Centraal Lage Zwaluwe
Hotel Centraal in Lage Zwaluwe

De oorspronkelijke Albrecht route liep van De Wilgenhorst in Sliedrecht, Kleindiep, Beneden Merwede, Werkendam, door de Biesbosch, via de Amer naar Drimmelen. 

De eerste personen die deze weloverwogen en doordachte route ondernamen waren Bertus (Bertus van Gool) en Alblas (Ko Bakker).
Na een barre tocht arriveerde zij in Drimmelen, alwaar de meegenomen militaire berichten werden overhandigd aan de geallieerde en afspraken werden gemaakt over het onderhouden van een vaste dienst tussen het bezette en bevrijde gebied. 

Op de terugweg bleek echter dat de bezetter diep was geïnfiltreerd in de Biesbosch. 

De situatie was hierdoor dusdanig veranderd dat zij besloten dat Alblas terug zou gaan naar Drimmelen om verslag uit te brengen van de nieuwe situatie en dat Bertus dan alleen de terugtocht zou ondernemen.
Bertus kwam thuis na een helse tocht van twee dagen door de Biesbosch, waarbij hij de geleende roeiboot achter had moeten laten omdat de Duitsers hem onder vuur hadden genomen. 

Thuis gekomen kon hij meteen weer aan de slag om er voor te zorgen dat al die stapels binnengekomen militaire berichten weer hun weg zouden vinden naar bevrijd gebied. 

Deze keer bleef hij in de Wilgenhorst en stuurde hij Koos ( Koos Meijer ) en Grijze Jan ( Jan Visser ) met de opdracht om voor een meer westelijke route te gaan.

Deze route liep vanuit Sliedrecht de Wilgenhorst, Kleindiep, Beneden Merwede, Helsluis, Huiswaard sloot, de Overlaat, Nieuwe Merwede, Amer naar de haven van Lage Zwaluwe. 

De nieuwe Albrecht route was nu een feit en konden er regelmatige diensten onderhouden worden om de inlichtingen stroom vanuit Rotterdam naar Eindhoven te transporteren. 

De meeste Liniecrossers waren geen geleerde, academici of militairen, zij waren: schipper, schilder, griendwerker, ect. 

Ook dat gold voor Bertus, de machinebankwerker waarvan uit een gevonden dossier in Hamburg op het bureau van de contraspionage stond, 

Er is een man door wiens vingers alle berichten over troepenverplaatsing en geschutsopstellingen vanuit het bezette gebied naar de inlichtingendienst in Eindhoven gaan. Deze man wordt Bertus genoemd, moet academisch gevormd zijn en tussen Dordrecht en Gorinchem wonen. 

De Duitsers hadden wel een Bertus op het oog, die inderdaad tussen Dordrecht en Gorinchem woonde, maar die kon dat niet zijn want dat was maar een eenvoudige machinebankwerker. 

Dit tot groot genoegen van luitenant kolonel Somers, hoofd van de inlichtingendienst uit Eindhoven. Hij had dit goed ingeschat door Bertus, de eenvoudige machinebankwerker welke in de ogen van de Duitsers slechts kruimelwerk kon verrichten, aan te stellen als crossmaster. 

Het huis De Wilgenhorst, start en landingsplaats van de crossings en onderkomen van Bertus en zijn vrouw, stond via een sloot in verbinding met het Middeldiep dus gemakkelijk bereikbaar per roeiboot of kano. Onder de dikke vloer van het huis was een ondergrondse ruimte die uit verschillende compartimenten bestond, gescheiden door dikke muren, welke toegankelijk waren via verschillende ingangen. 

De meest voor de hand liggende ingang naar het grootste compartiment was gemakkelijk toegankelijk voor de Duitsers die daar niets vreemds aan kon ontdekken, niet wetende dat er achter de compartimenteringsmuren nog een ruimte was met een aparte ingang.

Dit huis was ook de plaats waar berichten werden verzonden via een zogenaamde S’phone. Met dit type zender stond men rechtstreeks in verbinding met rondcirkelende geallieerde vliegtuigen welke regelmatig boven Sliedrecht vlogen. 

Hier werd de post verzameld, overgetypt, verdeeld, waterdicht verpakt en verzwaard zodat zij in geval van nood tijdens een crossing overboord gezet konden worden. Als dit het geval zou zijn dan kon men alsnog kopieën, hetzij met enige vertraging, later versturen. 

De liniecrossers waren eenvoudige, toch wel gesloten personen. Sommigen waren gelovig en anderen weer niet. Zij deden niet uit financieel belang of eerzucht hun werk maar, zij wilden niet onderdrukt worden, zij wilden zich niet de wet laten voorschrijven en zij vochten voor hun vrijheid. 

Een van de redenen dat er zo weinig van de gebeurtenissen is overgebleven komt doordat de liniecrossers zelf al niet te spraakzaam waren en zich niet op de borst sloegen, maar ook omdat de kinderen en andere nabestaande er nooit bij stil hebben gestaan om hierover te praten en te vragen wat er in die tijd gebeurd was. 

Ab D. van Gool