Historisch Kerkarchief Hervormde Gemeente Sliedrecht voor een ieder te raadplegen

KerkTerwijl de Hervormde Gemeente Sliedrecht een hedendaagse kerkelijke gemeente is en zich ook nadrukkelijk naar de toekomst richt, blijft haar band met het verleden bestaan op dezelfde historische plek in het hart van Sliedrecht. Deze band heeft zijn weerslag in haar historisch kerkarchief. Dit archief afdoen als een hoop oud papier met voor nu nog nauwelijks toegevoegde waarde, zou het tekort doen. Het is naast hetgeen de gemeenteleden met hun persoonlijk geloof bewaren in hun hoofd en in hun hart, het enige dat nog getuigt van wat in generaties met vallen en opstaan is opgebouwd tot de kerkelijke gemeente die deze nu is, en verdient alleen al om die reden respect.

De geschiedenis van het archief, waarvan het oudste stuk teruggaat tot het nationale Rampjaar 1672, kent een woelige periode. In 1984 werd begonnen met de uiteindelijke ordening en vond het een voorlopig definitieve plaats in een kleine ruimte in het deel van het huidige dienstgebouw bij de Grote Kerk dat oorspronkelijk als kosterswoning diende. De bewaar- en beheeromstandigheden waren zodoende van het begin af aan verre van ideaal: de ruimte kon niet worden geventileerd, de temperatuur kon er niet constant worden gehouden, de deur was niet brandvrij, en ooit stroomde door een lekkage-incident zelfs water de ruimte in tot onder de stellingkasten. Inmiddels groeide het archief binnen deze ruimte sowieso uit zijn jasje. Noodzakelijke herziening van de eigen archiefrichtlijnen was aanleiding voor het College van Kerkrentmeesters om de mogelijkheid te onderzoeken van een overdracht aan het regionaal archief te Dordrecht, waar inmiddels al meerdere kerkelijke archieven uit de omgeving berustten. De afgegeven garanties voor professioneel behoud en beheer en de mogelijkheid om het archief onder professionele begeleiding tijdens ruime openingstijden open te stellen voor een breder publiek, zijn voor de algemene kerkenraad aanleiding geweest om enige tijd geleden tot overdracht van het archief tot het jaar 1975 te besluiten. Het gaat hierbij om een bruikleen. De oudste delen hebben betrekking op een periode dat kerkelijke en burgerlijke zaken meer met elkaar waren verweven. Een ieder die om welke reden dan ook interesse heeft in de geschiedenis van Sliedrecht en in het archief van de plaatselijke Hervormde Gemeente, is van harte welkom hierin onderzoek te doen in het regionaal archief te Dordrecht. Alleen aan bepaalde delen zijn om redenen van privacy inzagevoorwaarden verbonden. Hiervan kan in bijzondere gevallen echter worden afgeweken na gemotiveerde aanvraag bij het College van Kerkrentmeesters. Voor bezoekersinformatie en de inventaris van het kerkarchief zie www.regionaalarchiefdordrecht.nl (inventarisnummer 1277).

 

[Bijschrift bij foto;]

De Grote Kerk naar schatting 1865-1866. Daarmee is dit de oudste foto van de kerk en mogelijk zelfs van geheel Sliedrecht, wat is af te leiden aan de bijzondere schuur rechts op de voorgrond, opmerkelijk gesitueerd half op de dijk, hoogstwaarschijnlijk een zogenaamde ‘vloedschuur’ voor opslag van hooi voor het vee bij hoog water. In het midden voor de kerk een van de eerdere pastorieën met daarachter de aanbouw met de toenmalige kerkelijke vergaderlokalen.

 

De Joodse Bruiloft

JoodseBruiloftIngezonden door Kees van der Sluijs

Beste mensen,

Graag maak ik jullie als mogelijke belangstellenden attent op het recent verschijnen van een boek naar aanleiding van de vondst van een indrukwekkende film van een Joodse bruiloft in april 1939 te Leeuwarden. Het grootste gedeelte van de bruiloftsgasten werd slechts enkele jaren later vermoord in de vernietigingskampen.

Zie – onder andere – https://historiek.net/joodse-bruiloft-koffer-vol-oorlogs…/…/, waarop ook de mogelijkheid om de film zelf via YouTube te bekijken.

Hoewel het met name een Joodse familie uit Leeuwarden betreft, heeft dit boek een Sliedrechtse connectie. De moeder van de bruid, Til(ly) Schenk (1892-1953), gescheiden echtgenote van de Fries-Joodse lompenhandelaar Mozes Dwinger (1886-1942), overleefde de oorlog namelijk door drie jaar lang onder te duiken bij de familie J. Hus in de nog altijd bestaande woning met het huidige adres Molendijk 210 te Sliedrecht. In het boek wordt aan haar en haar onderduik in Sliedrecht en kort voor en tijdens de bevrijding in de villa aan Kerkbuurt 110 te Papendrecht, in een apart hoofdstuk aandacht besteed. Tevens wordt Sliedrecht genoemd in het hoofdstuk gewijd aan haar zoon Alex Dwinger, die met zijn moeder in Sliedrecht werd herenigd nadat hij terugkeerde uit Duitse krijgsgevangenschap, waar hij zijn Joodse identiteit had weten te verbergen. Voor de onderduikfamilie Hus zie http://www.alblasserwaard-genealogie.nl/. Drie nog levende dochters van het echtpaar Hus-Mes hebben gegevens aangedragen.

Ik leverde tevens materiaal aan voor het boek, geschreven door Auke Zeldenrust, en redigeerde het hoofdstuk gewijd aan Til(ly) Schenk en het hoofdstuk gewijd aan haar moeder en vrijgezelle broer die in Schoonhoven woonden en beiden werden vermoord in Sobibor. Van de broer, Hijman Schenk (1894-1943), wordt via overlevering gezegd dat hij een relatie had met een vrouw in Sliedrecht. Met wie blijft helaas onbekend. Een langer artikel over de onderduik van Til(ly) Schenk en dit deel van Wijk C te Sliedrecht (‘de bocht bij Volker’) tijdens de oorlogsjaren is bij mij in voorbereiding, evenals een artikel over haar beide tantes (zusters van haar moeder), woonachtig in het huis met het huidige adres Molendijk 198, de enige Joodse inwoners van Sliedrecht die de oorlog wisten te overleven door in november 1942 tijdig onder te duiken. Hun buurtgenoten de familie Hus ontfermden zich aldus over hun nichtje Til(ly).

Aan het verhaal van deze Joodse bruiloft is tevens een tv-documentaire-reeks gewijd, uitgezonden op NPO2 (getiteld ‘Fryslân Dok’)

Deze indrukwekkende reeks is gewijd aan de vlucht van het bruidspaar en de reis die hun kinderen 75 jaar later in hun voetsporen maakten.

Met vriendelijke groet,

Kees van der Sluijs

Via uitzendinggemist: https://www.npo.nl/fryslan-dok/21-04-2018/POW_03690243

De Boeren uit Voorne

John Nederlof schreef “De boeren uit Voorne” – Een zoektocht naar de voorouders van Amber Nederlof en Willem Boer.

Via deze link kunt u het artikel lezen.

Historisch Moment 100

hm0Oude foto:

Een uit het Sliedrechtse beeld verdwenen bedrijf. Wie heeft er nog herinneringen aan al dit touw? Waar stond het gebouw? Van wie was het bedrijf? Wanneer zal de foto gemaakt zijn? Veel vragen, maar weinig antwoorden. Kennelijk was ’t bedrijf al niet erg bekend meer. Slechts van Herber de Keizer kwam een reactie. Hij meent, dat de foto stiekem genomen zou zijn tussen 1955 en 1960. De foto was gespiegeld, maar dat hebben we nu in orde gemaakt. Gelukkig hebben we Jan de Keizer in de jaren ’90 uitgebreid gesproken. Hij vertelde ons o.a. dat op Baanhoek twee touwslagerijen zijn geweest. De laatste, die van de gebroeders De Keizer, hield in de jaren ’70 op te bestaan. De aanleg van de Merwebolder noopte tot onteigening van het bedrijf. Een nieuwe zaak zou tot zeer grote investeringen leiden en na familieberaad hielden de De Keizers het voor gezien. Het beroep van baander behoorde tot het verleden in ons dorp. Op de foto zien we een deel van de touwslagerij. Zo te zien werden er flinke kabels gemaakt. In het Sliedrechts Museum is nog, in klein formaat, een touwbaan te zien.

Nieuwe foto:
hm1Een beeld uit een ver verleden. Zo te zien een plechtige gebeurtenis. Wie weet nog iets te vertellen over waar deze plaatsvond? Welk jaar? En misschien herkennen we nog wel de heren met de hoge hoeden op. We zijn benieuwd naar uw reacties. Die kunnen naar e-mail: info@historie-sliedrecht.nl

Historisch Moment 101

Voetbal Industrieweg1472 (3)Oude foto: Het voetbalveld aan de Industrieweg naast de haven

Op 1 maart 1912 werd de voetbalvereniging Sliedrecht opgericht. Gespeeld werd op een weiland van de familie Hofman aan de westzijde van de Tolsteeg. Vijf jaar later vond er een verhuizing plaats naar een terrein aan de Merwestraat. De verhuizing bleek een mislukking. Het veld lag aan de openbare weg en entreegeld vragen was niet mogelijk. Men was dan ook wat blij om in 1919 te kunnen spelen op een terrein achteraan de Industrieweg. Hier kwam de vereniging tot bloei. In 1923 werd een goed kleedlokaal in gebruik genomen. Een jaar later werd ‘Sliedrecht’ kampioen en promoveerde naar de grote voetbalbond de K.N.V.B. Op het terrein werd gespeeld tot 1937, waarna weer een nieuw veld in gebruik werd genomen. Dit keer aan de Parallelweg. ‘Sliedrecht’ speelde toen al 2e klas K.N.V.B., één klas onder het hoogste niveau.

Nieuwe foto:

083_A735-737-739-741_RijsdijkstoepEen uit het Sliedrechtse beeld verdwenen stoep. Wie heeft er nog herinneringen aan deze stoep? Wat was de naam van de stoep? Hoe kwam de stoep aan deze naam? Welke gebouwen herinner jij je nog die in de stoep stonden? Wanneer zal de foto gemaakt zijn? We zijn benieuwd naar uw reacties. Die kunnen deze keer naar Bas Lissenburg per telefoon 0184-415368 en per e-mail naar info@historie-sliedrecht.nl

Historisch Moment (99)

11705498_1653633604880976_6614408368176417559_o (1)Oude foto: De jachthaven bij het Kerkerak aan het eind van de Industrieweg

Eerst wat geschiedenis. Naast ‘De Klop’ was er ooit een ander bedrijf aan de Industrieweg gevestigd. Dit was de scheepswerf ‘Kerkerak’. Deze werd op 7 juni 1918 opgericht, nadat het terrein van de vroegere ‘Zalmvisserij’ was aangekocht en opgespoten. Na enkele jaren was de zelfstandige scheepswerf al van het toneel verdwenen. De ‘Kerkerak’ is onder de vleugels van ‘De Klop’ in bedrijf gebleven tot 1932. De hele uitrusting werd daarna overgebracht naar de werf van ‘De Klop’. Het terrein van de scheepswerf met de intussen voor een groot deel bouwvallig geworden opstallen bleef eigendom van ‘De Klop’. De loodsen hebben later nog dienst gedaan als opslagplaats voor de boten van de in 1946 opgerichte watersportvereniging ‘Sliedrecht’. Voor de jeugd vormde het terrein van het ‘Kerkerak’ een unieke ontmoetingsplek. Op het terrein was o.a. een strandje te vinden. Gezwommen werd er in de rivier en de havenmond. Enige tijd heeft ook het ‘Padvindershonk’ een stek gehad op het terrein. In later tijd is het ‘Kerkerak’ een bedrijventerrein geworden. De poort aan het eind van de Industrieweg ging op slot, de watersportvereniging vond een onderkomen in de haven en aan de recreatie op het voormalige fabrieksterrein kwam een einde. Op het terrein kwam een kantoor van IHC.

Enkele reacties op de vraag: “Wat weet je nog van het Kerkerak?” “O ja,wij gingen zwemmen aan het eind van toen scheepswerf Van Rees. Aan de overkant daarvan lag het Kerkerak en daar mochten we absoluut niet naar toe!” “Met een stel van de Da Costa Mulo gingen wij er wel eens zwemmen.” “Aanlegplaats voor diverse bezigheden.” “Ja, ja! “ . “Daar zaten ook de padvinders o.l.v. hopman Kloosterman.” ”Heel veel gezwommen bij het Kerkerak met mijn ouders en zus.” “Inderdaad, vaak wezen zwemmen daar. Ik spreek dan over de jaren vijftig van de vorige eeuw.” ”Padvinderij, zwemmen en bootjes bewonderen. ” “In de jaren 70 had je daar nog een strandje en de opgeblazen bunkers aan de rivier naast het terrein van Van den Heerik. We hebben daar uren doorgebracht.” “Feesten!!!” “Heel veel gezwommen met klasgenootjes.” “Vooral met de kano naar de overkant, hopend op wat lekkere golfjes.” “Havenmeester Cornelis Korevaar.”

TouwNieuwe foto:

Een uit het Sliedrechtse beeld verdwenen bedrijf. Wie heeft er nog herinneringen aan al dit touw?

Waar stond dit gebouw? Van wie was het bedrijf?

Wanneer zal de foto gemaakt zijn?

We zijn benieuwd naar uw reacties. Die kunnen weer naar Bas Korporaal per telefoon 0184-417192.

Per e-mail naar info@historie-sliedrecht.nl

Slierecht weer ’n jaertie ouwer …

098-KopieHet Sliedrechts Museum in de Kerkbuurt

In 1958 kwam bij Ir. W. Bos de gedachte op tot de oprichting van een museum in Sliedrecht. Het oude raadhuis in de Kerkbuurt zou een mooie locatie zijn. Drie jaar later was er de Stichting Sliedrechts Museum. Op12 december 1964 vond de officiële opening plaats. In een latere tijd werd het aangrenzende pand, het vroegere Kantongerecht, bij het museum getrokken. Zaterdag 30 april viert Sliedrecht er de 952e verjaardag!

Slierecht weer ’n jaertie ouwer …

Nò nie zô lang geleeje hè me ’t nog grôôs mè mekaor gevierd. We weunde in ’n durrep dà mor liefst 950 jaer oud was. ’t Begon in ’t jaer 1064. Waffere tijd was dà? Nou, aailijk is t’r nie veul veraanderd leze me in d’n digitaole enceclopedie ‘Wikipedia’. Oôlogge alom. Zôômor een greep. De Turrekse Seltsjoeke onder aanvoering van Alp Arslan verôôvere Georgië en de Armeense steeje Ani en Kars. Ferdinand I van Leon verôôvert Coimbra op de More. De Hongaore slaon d’r slag in Belgraodo.

Nou, 952 jaer laeter, benne d’r nóg wèreldwijd brandhaerde, zijn d’r vluchtelinge en wordt ’r gerouwd. Kaainder worre gebore en de wèreld draait deur. D’n burregemêêster van Slierecht is ‘r voorstander van om jaerlijks, op elleke zaeterdag ’t dichste bij 2 maai, de verjaerdag van Slierecht te viere. Dut jaer is dat op zaeterdag 30 april. Aalles bij mekaor zijn d’r leuke planne gemaokt voor ’n gezellig fêêst met aanderande onderdêêle.

Op deuzen dag zalle ’t Slierechts Meseum, de Geneaologische Verêêniging ’De Stambôôm’ en d’n Historische Verêêniging Slierecht bekend maoke, dà ze gaon saomewaareke as Historisch Platfurm Slierecht. D’r wor zellefs bekeke of ‘r in de toekomst ‘n aanbouw bij ’t Slierechs Meseum kan komme as onderdak voor aalle afdêêlinge.

Zaeterdag 30 april stao gepland as ‘n fêêstelijk middagchie. Dut beurt in ’t aloude Slierechs Meseum in de Kaarekbuurt. We benne aamel uitgenôôjigd. ’t Fêêsie begint om ’n uur of twêê. Drie sprekers houwe dan ’n kort praotjie. De planne voor de kommende tijd worre dan uit de doeke gedaen. Hiernae zal d’n burregemêêster van Slierecht, Bram van Hemmen, ‘n kort verhaol vertelle over de ‘Vrouwe van Slierecht’. Dàt gaot dan in hôôfzaok over de vrouwe van de baggeraers die tijdes d’n afwezighaaid van hullieze buitenaf waarekende manne, d’r mor voor mosse zurrege dat de zaoksies thuis goed voor mekaor wazze.

Wà nog meer? De Slierechse daomesgroep ‘Tisnennyfals’ zal perbere om de panne van ’t dak te zinge tijdes ’n paor optreejes. Liefhebbers van ’t diëlect kanne smulle van ’n onvervaalst verhaol in plat Slierechs. Fillempies van Slierecht uit de jaere ‘50 en ‘60 van d’n vorigen êêuw benne te zien op ’n grôôt schaarem. Mot jie echt oud weze om mee te geniete? Belnêênt! Jonge mense uit Slierecht benne welkom en worre uitgenôôjigd een sellefie te maoke onder ’t motto: ’Jij en ik in Slierecht’. De drie leukste sellefies worre met ’n verrassing belôônd.

Aal met aal ‘n gezellige bijêênkomst voor iederêên die Brijhapper is, of Slierechter wil worre. Rond 17.00 uur kompt ’r ’n end aan ‘t ‘verjaerdasfêêsie’. Oh ja, as ie ’n Slierechse vlag het, wor ie gevraegd deuze uit te hange op 30 april. Tot de kijk dan mor, hee!

Besjaon

Kroon op Sliedrechts wapen

1961-2011
50 jaar Kroon op Sliedrechts wapen en Erepenning

Wist u dat uw gemeentewapen pas sinds 1961 is gedekt met een gouden kroon van drie bladeren en twee paarlen? De kroon is erop gekomen nadat de gemeenteraad op 27 maart 1961 een verordening vaststelde die het mogelijk maakte om een Erepenning der gemeente Sliedrecht uit te reiken. Toen er met de N.V. Koninklijke Begeer in Voorschoten contact was gelegd om de penning te slaan, werd Sliedrecht erop gewezen dat het voor een goede verdeling van de opslag op de penning “gewenst was een kroon boven het wapen te plaatsen”. Om dit voor elkaar te krijgen moest per rekwest aan Hare Majesteit worden verzocht om een kroon te verlenen. Aldus gebeurde met een meegestuurde tekening (zie het voorbeeld).

Wapen Gemeente SliedrechtOp 23 augustus 1961 verleende Koningin Juliana toestemming om de omschrijving van het gemeentewapen (conform Besluit Hoge Raad van Adel op 24 juli 1816) als volgt vast te stellen: Van goud, beladen met een Bourgondisch kruis van sabel; het schild gedekt met een gouden kroon met drie bladeren en twee paarlen. Opmerkelijk detail is dat het Koninklijk Besluit nr. 50 door de Koningin is getekend vanaf haar vakantieadres Porto Ecole, 23 augustus 1961. Van de Hoge Raad van Adel ontving Sliedrecht vervolgens een Wapendiploma wat 45 gulden kostte. Het wapen met Kroon bestaat in 2011 50 jaar evenals de Erepenning die ook in 1961 geslagen is bij Koninklijke Begeer. (modelleur H. Wetselaar).

Op 25 augustus 1988 werd het duidelijk dat we niet te maken hadden met een Bourgondisch kruis, maar met een in goud een groot-uitgeschulpt schuinkruis van sabel. Het schild gedekt door een gouden kroon van 3 bladeren en 2 parels.

Oorsprong/verklaring
Het wapen is afgeleid van het wapen van de familie Van Lokhorst.De eerste vrouwe van Lokhorst (de vroegere heerlijkheid Oversliedrecht) was in de 17e eeuw Gertruyd van Lokhorst, Vrouwe van Hazerswoude. Een wapen voor Lokhorst met een uitgeschulpt kruis komt echter ook al voor in het manuscript Gelre voor Adam van Lokhorst (1361-1414). De familie van Lo(c)khorst was eigenaar van de gelijknamige ridderhofstad te Leusden. De genoemde Adam van Lokhorst staat dan ook vermeld als leenman van Utrecht, niet van Holland. Het kruis van het geslacht Lokhorst komt ook voor in het wapen van de voormalige gemeente Hoogland. Het wapen werd als heerlijkheidswapen als zodanig al in de 18e eeuw gevoerd, dus ook nadat de familie van Lokhorst geen bezittingen meer had in de heerlijkheid. Behalve uit de heerlijkheid Lokhorst is de gemeente ook opgebouwd uit de heerlijkheden Niemandsvriend en Naaldwijk. Naaldwijk voerde als heerlijkheidswapen een wapen identiek aan de gemeente Naaldwijk in het Westland. Het is evenals het wapen van de gemeente Naaldwijk afgeleid van het wapen van het geslacht Van Naaldwijk.

Sliedrecht koopt weg

DigibronPublicatiedatum: 20 juli 1983

Sliedrecht koopt weg van particulieren

Na jaren van onderhandelen

SLIEDRECHT — Binnen afzienbare tijd zal de gemeente Sliedrecht een straat rijker zijn. Deze keer niet dankzij uitbreidingsplannen maar via de aankoop van een straat welke tot nog toe particulier eigendom was. Vooraan de weg staat dan ook een waarschuwing “Het betreden van deze weg is op eigen risico”.
KroonstraatHet betreft de Kroonstraat. Vroeger door de familie Kalis gebouwd en aangelegd en vele jaren verhuurd. De woningen zijn later verkocht waarbij de nieuwe eigenaars onderhoudsplichtig werden voor de straat.

De straat werd overigens niet hun eigendom. Jarenlang had iedereen vrede met de bestaande situatie. Totdat het achterstalling onderhoud aan de straat ging spreken.

Al in de jaren zestig is er overleg geweest tussen de gemeente en de eigenaar van de straat. Men kon niet tot overeenstemming komen. Pas nu is men het eens over de overname door de gemeente. De huidige bewoners hebben hier ook aan meegewerkt. Zij zullen hun onderhoudsplicht afkopen bij de gemeente Sliedrecht.

KroonstraatOnderhoudsplicht
Het bedrag wat de gemeente hiervoor krijgt is het bedrag dat vorige eigenaar krijgt voor de investering destijds door hem gedaan.

De Kroonstraat zelf wordt overgedragen voor 1 gulden. De 23 eigenaren van een woning zullen per eigenaar 1.100 gulden betalen voor het afkopen van hun onderhoudsplicht.

Dankzij deze regeling zal het wonen aan Kroonstraat binnenkort wel een hele verbetering ondergaan. Van gemeentewege zal het gebied rond de Kroonstraat in overeenstemming met het bestemmingsplan gebracht worden. Deze plannen zullen onder meer bestaan uit het dempen van de gantel aan de westzijde van de straat, het aanbrengen van parkeerplaatsen en eenvoudige groenvoorzieningen. Ook zal een nieuwe riolering worden aangelegd.

Voorstellen hiertoe worden voorbereid en zullen zo spoedig mogelijk aan de raad ter goedkeuring worden aangeboden.

Voor het aanpassen aan het bestemmingsplan is het ook nodig dat de gemeente een stukje grond ten zuiden van de straat aankoopt van dezelfde eigenaar. In de gantel ten zuiden van dit terrein ligt nog 1 woonark.
KroonstraatDe Kroonstraat dankt zijn naam aan het feit dat op deze plaats de Kroonsteeg (of Kroonstoepje) heeft gelegen. Alle woningen in de steeg waren eigendom van aannemer Dirk Joh. Kroon. Later liet de familie Kalis daar op eigen grond de straat aanleggen en bebouwen. De Kroonstraat is de enige straat welke niet tot de openbare wegen behoorde. Vroeger stond boven het straatnaambord een kleiner bordje met “Eigen Weg”, wat later is vervangen voor het waarschuwingsbord.

Een huis met historie

Huis met Historie-01

Geschiedenis van het huis van de familie Pellikaan, Stationsweg 233.

Een huis met historie:

· Theetuin van 1884 – 1940
· Onderkomen van de N.S.B. 1940 – 1945
· Sigarenfabriek en woonhuis 1946 – 1953
· Handel in verpakkingsmaterialen 1953 – 1978
· Woonhuis van de familie Pellikaan 1946 – 2006

Theetuin 1884 – 1940
De aanleg van de spoorlijn is gestart in 1879. Op 16 juli 1885 is de spoorlijn geopend verklaard. Het puffende stoommonster bracht de Sliedrechters veel sneller naar Dordrecht en Rotterdam dan de stoomboten van de Fop Smit. Vanaf de Grote Kerk werd richting het noorden de Stationsweg aangelegd. Deze 926 meter lange weg behoorde bij de werken van de spoorwegen, zodat het station vanaf de dijk bereikbaar zou zijn. De onbebouwde stoffige grindweg, met aan beide zijden bomen en een sloot, werd op 11 juni 1888 in onderhoud overgedragen aan de gemeente Sliedrecht.

Huis met Historie-02
Stationsweg, onverhard, met bomen aan weerszijden.

Met vooruitziende blik heeft de heer Hendrik van der Vlies ”De Theetuin” laten bouwen. Het pand werd in 1884 opgeleverd als woonhuis met vergaderruimte. De Theetuin was het eerste pand aan de Stationsweg en een jaar eerder klaar dan de spoorbaan en het station. De vergaderruimte c.q. koffiehuis was in het oostelijke deel van het pand en besloeg circa 2/3 derde deel van de begane grond. In de oostgevel waren openslaande deuren met een terras met afdak. De reizigers konden hun paarden stallen en zich laten soigneren. De familie Van der Vlies werd tevens pachter van de stationsrestauratie met buffet.
Vanuit de huiskamer van de Theetuin kon men in westelijke richting de spoorbrug over de rivier zien.
Het uitzicht naar het westen en het noorden was onbelemmerd. Naar het zuiden was bebouwing en naar het oosten stalling voor paarden en rijtuigen. De naam Stationsweg is pas in 1925 officieel ingevoerd.
In 1936 werd begonnen met de aanleg van de tweebaans Rijksweg.

Huis met Historie-03
De Theetuin, achter hoge bomen, die in de hongerwinter gekapt zijn.

De Theetuin, achter hoge bomen, die in de hongerwinter gekapt zijn.
Bij de opening van de Spoorlijn Dordrecht – Gorinchem in 1885 werd met de Fop Smit bij het Middenveer het muziekcorps van het Regiment Jagers aangevoerd. Onder leiding van kapelmeester S. Calf marcheerde het corps onder het spelen van vrolijke wijsjes over de dijk en de kersverse Stationsweg naar het feestterrein bij het station. Daar kwam de speciale feesttrein met ministers en andere autoriteiten aan. Er werden twaalf saluutschoten gelost, waarna het gemeentebestuur onder leiding van burgemeester Van Haaften zijn opwachting maakte. Na het vertrek van de trein richting Giessendam was er een matinee in de Theetuin van H. van der Vlies tot ’s middags half twee (entree 25 centen).
De avondfeesten begonnen om 8 uur met een verlichting van de Theetuin en een concert op het feestterrein.

Huis met Historie-04
Vaandel van de muziekvereniging Apollo,
eigendom van het Sliedrechts Museum.

Muziekliefhebber
De heer Hendrik van der Vlies was muziekliefhebber, gaf vioolles aan huis, was dirigent van het toenmalige strijkorkest Apollo en was organist op het Naberorgel in de Grote Kerk. Om in de zomer wat muzikaal vertier in zijn Theetuin te kunnen bieden heeft Hendrik van der Vlies de muziekvereniging Crescendo opgericht en in de tuin een muziektent laten bouwen. In de muziektent werd destijds 4 tot 5 keer per jaar een zomerconcert gegeven. Hendrik van der Vlies bleef tot zijn overlijden in 1928 dirigent en was 24 jaar voorzitter van de vereniging.

Kleedruimte
Omdat de theetuin aanvankelijk ver buiten de bebouwing stond, werd ze ook voor andere doeleinden gebruikt.
Bekend is dat bijvoorbeeld de spelers van de Sliedrechtse voetbalclub, bij gebrek aan verkleedruimte op het voetbalveld, zich daar regelmatig verkleed hebben.

N.S.B.-onderkomen 1940 – 1945
In 1941 is de Theetuin verkocht door Teunis Marinus van der Vlies (ook dirigent te Sliedrecht) aan Arie Schakel (koopman te Sliedrecht). Het perceel betrof toen een oppervlak van circa 1.150 m2.

Huis met Historie-05
Propagandaposter van de Jeugdstorm

Het pand werd in de tweede wereldoorlog gebruikt door de N.S.B. In navolging van de Hitlerjeugd in Duitsland had de NSB ook een eigen ‘jeugdclub’: de Jeugdstorm. Daar werden de kinderen (bijna allemaal van NSB-ouders) opgevoed tot ware nationaal-socialisten en aanhangers van Mussert (en Hitler natuurlijk).
De tuin werd gebruikt voor spelletjes en wedstrijden voor de jeugd.
Het pand is ook beschadigd bij een bombardement, waarbij alle ruiten sneuvelden en veel dakpannen van het dak werden geblazen. Twee huizen aan de overzijde werden hierbij onherstelbaar vernield. Er is minstens één dodelijk slachtoffer gevallen.
Tot 1944 was het terrein afgebakend met hoge bomen. Deze bomen hebben de oorlog niet overleefd en werden één voor één gekapt.

Huis met Historie-06
NSB-embleem

Huis met Historie-07
propagandaposter van de N.S.B.

In 1943 is het pand door Arie Schakel (op dat moment wonende te Soesterberg) verkocht aan Piet Laurens den Breejen (schipper te Hardinxveld).
In september 1945 is het pand door Piet Laurens den Breejen verkocht aan Klarinus Pellikaan, sigarenfabrikant wonende te Bleskensgraaf, met dien verstande dat een uitkering wegens toegebrachte oorlogsschade ten behoeve van de verkopende partij zou komen.

 

 

 

Sigarenfabriek 1946 – 1953
Het pand had geleden onder de oorlog. Klarinus Pellikaan heeft het pand gedurende circa negen maanden geheel laten renoveren en een kelder laten maken onder het voormalige horecadeel. Op 15 mei 1946 is Klarinus Pellikaan getrouwd met Gerrigje Jacomijntje van de Graaf en zijn ze in het pand, toen op adres Stationsplein 6E gaan wonen. In dit pand heeft Klarinus Pellikaan zijn sigarenfabriek voortgezet. In het voormalige horecadeel stonden werkbanken waarop de sigaren werden gerold.

Huis met Historie-08
Sigarenpers uit het tabaksmuseum te Delft
van Louis Bracco Gartner

Huis met Historie-09
Kerfmachine uit het tabaksmuseum te Kampen

Huis met Historie-10
Sigarensnijder om de sigaren op de juiste lengte af te snijden.
Object uit sigarenfabriek van ’t Veen in Grafhorst.

De tabak werd van  vtabaksmakelaars gekocht, die in Rotterdam gevestigd waren.
In 1936 werd in Rotterdam de laatste tabaksveiling gehouden en vanwege de beperkte aanvoer van tabak uit Indonesië in 1941 in Amsterdam, waar oude voorraden geveild werden. Nog één keer na de oorlog werd er in Frascati in Amsterdam tabak per inschrijving verkocht. De veiling verhuisde daarna naar Bremen, Duitsland. Tabak uit Indonesië (Sumatra, Java, Besoeki en Vorstenlanden) werd verpakt in balen van tussen de 75 en 100 kilo en het omhulsel bestond uit matten van poeroenstro. De bladeren waren gesorteerd op lengte en kleur en gebundeld per 20 stuks met een biesje of touwtje. Bladeren hadden een gemiddelde lengte van 20 á 30 cm.

De bladnerven, die na het kerven overbleven, werden opgehaald door duivenmelkers. Deze gebruikten de nerven om er nesten voor hun duiven van te maken. De dieren bleven op die manier gevrijwaard van ongedierte.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kelders
In de pas gebouwde  kelders op stahoogte, stonden de kerfbank en de pers. De originele apparaten zijn niet meer in het bezit van de familie Pellikaan. Ook waren er spoelbakken aanwezig om de tabak nat te maken. Er was een droogruimte (zo’n droogruimte heet een eest) voor de sigaren. De droogruimte was bekleed met zink. In het voormalige horecagedeelte van de theetuin vond het handwerk aan werkbanken plaats. Het “bosje” bestaande uit losse tabak (binnengoed) werd omwikkeld met een omblad en werd daarna tussen een uit twee delen bestaande sigarenvorm geperst in een sigarenpers. Na een aantal uren werden de sigaren in de vormen een kwart slag gedraaid en gingen vervolgens weer een aantal uren onder de pers. Daarna ging het dekblad om het bosje heen en was de sigaar, na gedroogd en verpakt te zijn, klaar voor de consumptie.

De droogruimte is nog volledig intact. Tabak die op een veiling of bij een makelaar gekocht werd, hoefde niet meer gedroogd te worden. Deze tabak werd ingevocht om beter verwerkt te kunnen worden.
Wanneer het echter eigen teelt tabak zou zijn, wat in de oorlogsjaren veel voorkwam, dan moest deze wel gedroogd worden en werden de bladeren aan stokken of touwen geregen om, vaak boven in een schuur, te drogen.

Huis met Historie-11
Afbeelding van het wettig gedeponeerde merk Batavier, ingediend door Klarinus Pellikaan, geregistreerd op 24 maart 1950.

Huis met Historie-12
Sigarendoos met door de heer K. Pellikaan vervaardigde sigaren.

Huis met Historie-13
Het sigarenbandje van het merk Batavier

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huis met Historie-14
De droogruimte (eest) waar de Batavier sigaren gedroogd werden. De vloer en de deur zijn bekleed met zink. Deze ruimte is nu nog volledig intact.

 

 

 

Ruimzicht
Het pand werd “Ruimzicht” genoemd.
Het ruime zicht is echter in de loop der jaren verdwenen. Het zicht naar de polder wordt verhinderd door de geluidswal van de Betuwespoorlijn. Over de rotonde, die dicht bij het pand ligt, komt veel verkeer.

Woonwagenbewoners
Toen er jarenlang zonder enige sanitaire voorziening, woonwagenbewoners op de Parallelweg bivakkeerden, haalden deze hun drinkwater bij de familie Pellikaan, maar ook bij het station en de fietsenstalling werd drinkwater gehaald.

In een plaats als Sliedrecht, waren er in die dagen nog meer sigarenmakers en handelaars. Moret en Groenendijk zijn bekende namen. Omstreeks de eerste helft van de twintigste eeuw verdienden zo’n 45 personen hun brood hiermee.
Accijnszegels moest men kopen bij het belastingkantoor en daarmee de losse sigaren of de kistjes, blikjes enz. banderolleren
Ook was er in die tijd al sprake van mechanisatie. Voor de kleine bedrijven was het financieel gezien al een tijd moeilijk om het hoofd boven water te houden. Sommigen konden het nog redden door heel lange dagen te maken en met hun sigaren de boer op te gaan. Soms stonden ze op een markt en dikwijls gingen ze met de bakfiets de boerderijen in de omgeving af. Boeren rookten veel sigaren en vonden het wel gemakkelijk dat zij die aan huis bezorgd kregen.
Het feit dat Indië niet meer bij Nederland hoorde, speelde niet mee in de (wel of niet) aanvoer van goede tabak uit die streek. Wel was het zo dat door het vertrek van de Nederlanders de tabaksplantages minder goed behandeld werden. Veel kennis ging verloren. Na de Tweede Wereldoorlog ontbrak het aan voldoende deviezen om sigarentabak te kopen. Er ontstond meer vraag naar sigarettentabak, die in eerste instantie uit Rhodesië kwam. Het heeft ongeveer 5 jaar geduurd tot voldoende tabak van goede kwaliteit, waar vandaan dan ook, weer geleverd kon worden. Vandaar dat tabaks(producten) nog zo lang op de bon zijn geweest.
In 1953 is de sigarenfabricage, die aanvankelijk nog naast handel in verpakkingsmaterialen bestond, volledig gestopt.

Handel in verpakkingsmaterialen 1953 – 1978
De vooruitzichten in de sigarenbranche waren in die tijd niet goed, zodat Klarinus Pellikaan een ander beroep heeft gekozen. In 1951 is de heer Pellikaan een bedrijf in verpakkingsartikelen begonnen. De verpakkingsbranche was een snel groeiende markt, maar is heel klein begonnen. In 1978 is het bedrijf verhuisd naar de Lelystraat. Na deze tijd is het pand uitsluitend als woning gebruikt. Het bedrijf is overgenomen door de oudste zoon, Danie Pellikaan, en momenteel gevestigd aan de Sportlaan te Sliedrecht.

Huis met Historie-15
Medewerkers van het Sliedrechts Museum en de Historische Vereniging krijgen
een rondleiding van Danie Pellikaan in het pand Stationsweg 233

Het pand werd tot mei 2006 bewoond door de heer Klarinus Pellikaan.
Na zijn overlijden is het te koop aangeboden. Er hebben zich diverse gegadigden gemeld.
We hebben een stille hoop dat het pand in zijn oorspronkelijke staat gehandhaafd kan blijven.

Bronvermelding:
Van Hennepland tot Huizenzee door Ir. W. Bos Jzn.
De tijd van Toen door Ir. W. Bos Jzn.
Tabaksmuseum te Delft Louis Bracco Gartner
Stichting Nederlandse Tabakshistorie Bert Bohnen
Rondleiding Stationsweg 233 Danie Pellikaan
Interview Danie Pellikaan Lien van Drunen – Sliedrechts Museum
Sjanie Görtemöller – Sliedrechts Museum
Gerda Roos – Sliedrechts Museum
Corrie van de Ven Sliedrechts Museum
Bas Lissenburg Historische Vereniging Sliedrecht

Fotograaf Bas Lissenburg

Achtergrondinformatie
Genealogievereniging De Stamboom Jaap van Es
Dries van Es
Carl Pellikaan
Samenstelling Lien van Drunen
www.crescendosliedrecht.nl
www.historie-sliedrecht.nl
Amsterdams Verzetsmuseum

Huis met Historie-16
Stichting Sliedrechts Museum

Stichting Sliedrechts Museum
Kerkbuurt 99
3363 BD Sliedrecht

Sliedrechter of Sliedrechtenaar

Remco van de Ven en Huib Kraaijeveld over Sliedrechter of Sliedrechtenaar…?’

Zowel in de regionale pers als in de verschillende periodieken worden inwoners van Sliedrecht een Sliedrechter en een Sliedrechtenaar genoemd. De vraag is, welke aanduiding is nu correct? Jaren geleden, zo ongeveer een jaar of vijftien, heb ik hierover advies gevraagd aan de toenmalige Werkgroep Dialect van de Historische Vereniging Sliedrecht. De uitspraak was helder en duidelijk. Gezamenlijk zijn we Sliedrechters. De mannelijke vorm is Sliedrechter en de vrouwelijke vorm is Sliedrechtse. ls dat zo is rijst de vraag: hoe komt het dan dat er ook over Sliedrechtenaren wordt gesproken en geschreven? En: is een Sliedrechtenaar mannelijk en tegelijk vrouwelijk? De aanduiding Sliedrechtenaarse komt voor zo ver bekend nog niet voor.

Baggeraars_in_de_KerkbuurtJe hoort of leest toch ook niet over Papendrechtenaren of Zwijndrechtenaren? Ook lees of hoor je nimmer de uitdrukking Dordrechtenaar. Wel Dordtenaar. Dat is goed te verklaren omdat de stad Dordrecht ook Dordt wordt genoemd. Een vandaar dat een inwoner van Dordt een Dordtenaar wordt genoemd. Alhoewel de aanduiding een Dordtse ook wel voorkomt. In Sliedrecht heb ik ook wel eens horen spreken van Dordtenezen. Minder gangbaar dunkt me en ik heb met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de indruk dat deze term wel eens minder positief bedoeld zou kunnen zijn.

De bewoording Sliedrechtenaren en/of Sliedrechtnaar wordt bijvoorbeeld vaak gebruikt in de door Ir. W. Bos geschreven boeken over Sliedrecht. De voorvaderen van Bos komen uit Dordrecht en mogelijk ligt daar een verbinding. Het zou kunnen dat de aanduiding Sliedrechtenaar wat deftiger of stadser klinkt dan Sliedrechter.

Men noemt inwoners uit Papendrecht en Zwijndrecht respectievelijk Papendrechters en Zwijndrechters. Mede om deze reden en de visie van de Werkgroep Dialect van circa vijftien jaar geleden, ligt het voor de hand om te spreken en te schrijven van Sliedrechters, een Sliedrechtse (v) en een Sliedrechter (m).

De hiervoor gestelde redenering over Sliedrechter of Sliedrechtenaar heb ik voorgelegd aan een bestuurslid van onze Historische Vereniging Sliedrecht, die dit verhaal heeft doorgestuurd aan een lid van de Werkgroep Dialect. De reactie hierop is als volgt.

As ie eefies Googled (misschien is het in ’t Slierechts wel goegele) en je zoek bij ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst) dan zel ie vinge dat ’t aalebaai kan en/of mag.
Wij, de echte Brijhappers, praote enkeld over Slierechters (m) en Slierechse (v), in de schrijftaol, veraal deur Wim Bos en consorten, wor geregeld Sliedrechtenaren gebezigd. Dà’s Taolgebruik wà nie van ons is, mor in naevolleging van aanderes, die ’t ok nie wisse, opgang gedaen en zôôdoende ik in onze woordeschat is terechtgekomme. Trouwes, Dordtenaere wiere deur ons toch aaltijd Dordteneze genoemd? Net as de Jordaoneze uit Amsterdam?
Mor ’n Moordrechter bleef ’n Moordrechter, die wier gêên Moordenaer genoemd. Taolspellechies zijn leuk, mor je mò wel bij de les blijve.

In aal onze boeksies (van de Waarekgroep Dialect) schrijve we Sliedrechters of Slierechse. Mor we zijn diëlectschrijvers/praoters.
As ie je aaige ’n mietjie meer dan rechtveruit denk te magge noeme, dan mag ie wat ons betreft ok gerust Sliedrechtenaere schrijve, mor Sliedrechtenaeres, dà gaot ons nou net weer eefies
te waaijd.

Huib Kraaijeveld en Remco van de Ven (aalebaaij uit de lege bordebuurt).

Bron: Het Kompas

Sliedrechtse Monumenten

Maak kennis met de Sliedrechtse panden die op de landelijke of gemeentelijke monumentenlijst staan.
Op deze staan beelden van de panden die door hun cultureel-historische waarde, architectonische waarde en situering zijn aangewezen als monument.

Sliedrecht kent op het ogenblik 51 monumenten. Hiervan zijn 8 een rijksmonument en 43 een gemeentelijk monument.

Op Open Monumentendag 2001 is door wethouder A. J. Verboom-Hofman het eerste monumentenschildje aan een der panden aangebracht.
Monumentenkaart
1 . Woonhuis, Rivierdijk 470
01-Rivierdijk 470
Dit woonhuis is één van de eerste rijksmonumenten in onze gemeente. In het kadaster is het huis reeds bekend in 1832. Lange tijd is het pand bewoond door de familie Prins, een bekende naam in de Sliedrechtse baggerwereld.

 

 

 

 

 

 


2. Woonhuis, Rivierdijk 498 -500
02-Rivierdijk 498-500
De woning hiernaast behoort tot de gemeentelijke monumenten. Het is gebouwd in de laatste decennia van de 19e eeuw. Lange tijd was het pand pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk.

 

 

 

 


3. Woonhuis, Rivierdijk 506
03-Rivierdijk-badeOok dit pand, een herenhuis, heeft lange tijd gediend als pastorie. Het stamt uit de tweede helft van de 19e eeuw.

Het behoort tot de gemeentelijke monumenten.
Ook dit pand, een herenhuis, heeft lange tijd gediend als pastorie. Het stamt uit de tweede helft van de 19e eeuw.

 

 


4. Woonhuis, Kerkbuurt 52
04-Beuzekom woonhuis
De woning hiernaast werd o.a. bewoond door Van Haaften. Deze was burgemeester  van Sliedrecht (1884-1895).
Tevens bewoonden een aantal in de baggerwereld
bekende families de woning.

 

 

 


5. Sliedrechts Museum
05-Museum KerkbuurtHet Sliedrechts Museum in de Kerkbuurt is een Rijksmonument. Het geheel omvat het vroegere Raadhuis en het Kantongerecht. Met de bouw is begonnen in 1852.

 

 

 

 

 


6. Voormalig Stationsgebouw
06-Station SliedrechtHet stationsgebouw van Sliedrecht is op het nippertje aan de slopershamer ontkomen.
Nu heeft het de status van gemeentelijk monument.
Het gebouw heeft dienst gedaan van 1885 tot 1995.

 

 

 

 


7. Hervormde Kerk
07-Grote KerkDe Nederlands Hervormde Kerk is, voor zover bekend, het oudste gebouw van Sliedrecht.
Het heeft al enige tijd de status van Rijksmonument.
De oudste elementen van de fundering dateren van voor 1000.
Het oudste deel is de toren.
Het kerkgebouw werd in 1762 bij een brand verwoest en vervolgens weer herbouwd.

 


8. Woonhuis, Dr. Langeveldplein 2
08-Dr. Langeveldplein 2Op de uitbreiding buitendijks vinden we dit fraaie gemeentelijke monument.
Lange tijd heeft het gediend als burgemeesterswoning.
Het dateert uit het begin van de vorige eeuw.

 

 

 

 

 

 


9. Raadhuis, Dr. Langeveldplein 30
09-GemeentehuisHet gemeentehuis is één van de nieuwe rijksmonumenten die ons dorp telt. De bouw is begonnen in 1921.
Het is een ontwerp van de architecten Friedhoff en Plantinga. De opening was in 1923.

 

 

 

 


10. Gereformeerde Kerk, Middeldiepstraat 6
10-Gereformeerde KerkSinds kort behoort de Gereformeerde Kerk tot de gemeentelijke monumenten.
De kerk dateert uit het jaar 1931.
Opmerkelijk is het fraaie kerkorgel.

 

 

 

 

 

 

 


11. Kerkbuurt 209
11-Kerkbuurt 209Dit gemeentelijk monument werd omstreeks 1880 gebouwd.
Lange tijd werd het bewoond door een plaatselijke dokter.
Sinds 1953 dient de woning als opleidingsinstituut.

 

 

 

 

 

 

 


12. Woonhuis, Molendijk 16
12-Molendijk 16Een markante woonhuis dat de status heeft van gemeentelijk monument.
Tijdens de tweede wereldoorlog diende het pand als doorgangspunt voor de crossers.
Piloten en vele anderen werden over de Merwede en via de Biesbosch naar het reeds bevrijde zuiden gebracht.

 

 

 


13. Nationaal Baggermuseum, Molendijk 204
13-BaggermuseumDit rijksmonument werd oorspronkelijk bewoond door de familie A. Volker. Deze was destijds de stichter van het baggerbedrijf Volker.
Sinds 1973 is in het pand het Nationaal Baggermuseum ondergebracht.

 

 

 

 


14. Woonhuis, Molendijk 181
14-Molendijk 181Dit rijksmonument werd ongeveer 1850 gebouwd.
In 1916 werd door Adriaan Volker de opdracht gegeven het te verbouwen.

 

 

 

 

 


15. Archief Nationaal Baggermuseum, Molendijk 208
15-Molendijk 208Dit pand, behorende tot de rijksmonumenten, stamt uit circa 1860.
Ook deze woning werd oorspronkelijk bewoond door de familie Volker.
Na het in gebruik nemen van het pand, genoemd onder nummer 13, kreeg het de functie van kantoor.
Nu is het de ruimte waar het archief en de bibliotheek van het Baggermuseum zijn ondergebracht.

 

 

 


16. Woonhuis, Molendijk 212
16-Molendijk 212Een gemeentelijk monument uit de tweede helft van de 19e eeuw.
Opvallend is de detaillering van van het gebouw.

 

 

 

 

 


17. Woonhuis, Baanhoek 97
17-Baanhoek 97Een dijkwoning (1890) die het predikaat gemeentelijk monument verworven heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 


18. Woonhuis, Baanhoek 99
18-Baanhoek 99Nog een dijkwoning, nu van voor 1890. In dit jaar vond een herbouw plaats.
Een voorbeeld van een dijkhuis in goede staat.
Sinds korte tijd een gemeentelijk monument.

 

 

 

 

 


19. Boerderij, Baanhoek 411
19-Baanhoek 411We zien hier de Lenahoeve afgebeeld.
In 1913 is deze in opdracht van baggerdirecteur Volker gebouwd.
De boerderij kenmerkt zich door de rode baksteentjes, een decoratie met stenen in oranje, gele en blauwe kleuren in de speklagen.
Opvallend is het patroon in het dak. Hierin komt steeds weer de letter V van Volker terug.

 

 

 


20. Boerderij Parallelweg 8-8a
20-Parallelweg 8Deze boerderij is twee jaar eerder in 1911 gebouwd.
Eveneens in opdracht van de heer Volker.
Ook hier de typische V in het dak.
Het geheel was een ontwerp van de heer Veenenbos, destijds architect en gemeenteopzichter.
Sedert enige tijd wordt de boerderij bewoond door twee gezinnen.
Dit na een grondige verbouwing tot een tweetal woningen.

 


21. Dijksynagoge aan de Rivierdijk
21-SynagogeHet college van B&W heeft de dijksynagoge aan de Rivierdijk aangewezen als gemeentelijk monument.
Het besluit werd genomen, omdat het pand  een fraaie weergave is van een unieke dijksynagoge; een bedehuis voor de weliswaar kleine Joodse gemeenschap in Sliedrecht en Hardinxveld-Giessendam uit de periode 1850-1920.
De dijksynagoge is te vinden aan het oostelijk deel van Sliedrecht. Niet ver van de gemeentegrens met Hardinxveld-Giessendam.

 

 

 

Sliedrecht versus Oversliedrecht

Bij mijn aantreden als adviseur bij het vieren van het 950-jarig bestaan van Sliedrecht kwam ik er achter dat er enkele misverstanden bestaan over of er wel een Sliedrecht aan de overkant heeft gelegen en wat de verhouding tussen de beide dorpen was. De argumenten die ter tafel werden gebracht waren de volgende:

– Er is geen Sliedrecht verdronken in 1421, omdat het niet op de lijst van verdronken dorpen voorkwam.
– Er staat in het huidige Sliedrecht een kerktoren met een fundering van rond 1000, en de bijbehorende kerk is gewijd aan St Pieter, waardoor hij dus belangrijker was dan omringende kerken.
– Dus Sliedrecht was altijd al op deze zijde. De overkant behoorde wel tot de parochie Sliedrecht, maar droeg die naam niet.

Ik zou niet graag willen dat deze discussie het jubileum gaat verstoren, dus ik zal proberen te bewijzen dat het oorspronkelijke dorp wel degelijk aan de overkant lag, ook al is de oudste vermelding in 1064 gebaseerd op een vervalste oorkonde. Dat betekent echter niet dat er in 1064 niet een dorp van die naam lag. De geschiedenis van de ontginningen langs de Merwede gaat terug tot de vroege elfde eeuw en de tekenen wijzen erop dat ze aan beide oevers ongeveer tegelijkertijd plaatsvonden. Het vervalste document uit 1064 en het erop volgende charter uit 1105, dat wel echt is, waarin Sliedrecht wordt genoemd, geven niet aan waar het dorp lag, noordelijk of zuidelijk van de rivier. Helaas gaat de regelmatige notering van gebeurtenissen in dit gebied pas rond 1200 beginnen, maar dan krijgen we wel voldoende bewijzen voor wat waar lag. Hiervoor zijn vooral de oorkonden van de grafelijkheid en de leenregisters van de diverse adellijke huizen die in Holland bezittingen hadden van belang. Hierin staat duidelijk aangegeven waar deze lenen lagen, omdat de leenmannen daar aan hechtten en de begrenzingen helder moesten zijn. Maar eerst zal ik proberen de bovenstaande drie argumenten te behandelen.

Sliedrecht staat niet in de lijstjes
De oudste verslagen over de ramp van 1421 noemden grote aantallen verdronken mensen en dorpen. Men ging wel tot 100.000 doden en 72 verdronken parochies.1 Dat is later allemaal behoorlijk afgezwakt. De Dordtse archiefbibliothecaris Jan Alleblas concludeerde in 2007 dat er ca 31 verlaten en verdwenen dorpen geweest moesten zijn en ex-stadsarcheoloog van Dordrecht, Johan Hendriks, zou het niets verbazen als er maar zo’n 200 mensen verdronken waren.2 De eerste lijsten van welke dorpen er dan verdwenen waren dateren uit het begin van de zeventiende eeuw, twee eeuwen na de ramp, toen Sliedrecht (Noord) al een gevestigd gegeven was, waar niemand zich verder nog vragen over stelde. Als je kijkt naar de reconstructiekaarten die in de zestiende eeuw van het overstroomde gebied werden gemaakt, voornamelijk om oude grenzen van het bezit vast te leggen, dan blijken daar diverse dorpen al niet meer op voor te komen.3 De kaartmakers en chroniqueurs, welke laatsten meestal niet uit de buurt kwamen (er waren de nodige vreemdelingen bij) waren hier niet bekend. Toch wisten de mensen uit de omgeving na 100 jaar nog heel goed waar wat gelegen had. In de Informatie roerende den Verdroncken Waert in Zuijthollant anno 1521 staan de naast elkaar gelegen dorpen aan de zuidoever keurig opgenoemd: Craiesten, tLange Ambocht van Slijdrecht, tCorteambacht van Slijdrecht en Houweningen.4 Alleen al deze opsomming zou de discussie over het al of niet bestaan van het oorspronkelijke Sliedrecht (Zuid) moeten doen verstommen, maar ik kom er verderop nog op terug, want er is veel meer, en vroeger, bewijs voor.
Dat deze dorpen niet in de lijsten van onder water verdwenen nederzettingen staan heeft meer met de kennis van degene die ze opschreef te maken dan met de werkelijke situatie. Jan Smits, in zijn ellenlange lezing over de Elisabethsvloed uit 1421, heeft in zijn aantekeningen daarop ook een lijst van die 72 dorpen gegeven, en daar komen Sliedrecht en haar aparte ambachten, behalve ‘Craijenstein’, inderdaad niet in voor. En dat geldt ook voor de door hemzelf getekende reconstructiekaart van de Grote Waard.5 Die kaart is echter al bijna 200 jaar achterhaald.
Hoe verder van de gebeurtenis, hoe minder duidelijk de oorspronkelijke situatie dus was. Het probleem is dat juist die latere gegevens, zoals die van Smits en later Van der Aa, het best zijn blijven hangen.6

Kerk dateert uit het jaar 1000
Het tweede argument, dat de kerk van Sliedrecht (Noord) uit het jaar 1000 zou dateren, aan St Pieter gewijd was en dus belangrijker was dan de omringende (lees: die van de overkant) kerken is gebaseerd op wel heel los zand. Bij het speculeren over de ouderdom van de toren en de daaronder gevonden stenen sarcofagen hebben de mannen van gemeentewerken ten tijde van de restauratie van de toren in 1952 behoorlijk lopen fantaseren. Maar ook de toenmalige rijksdienst voor de Monumentenzorg, die niet wist dat de onderkant van de toren van tufsteen was gebouwd, heeft schuld aan het verspreiden van dubieuze dateringen. In het artikel in de Merwestreek van 11 april 1952 worden ze geciteerd dat het onderstuk uit de Romaanse tijd stamde en dat die tussen 1000 en 1100 te dateren valt.7 Het Romaanse bouwen, ook met tufsteen, duurde in ons land echter tot ver in de dertiende eeuw, want de in andere landen al omstreeks het midden van de twaalfde eeuw beginnende stijlperiode van de Gotiek kwam toen pas bij ons in de mode.
Daar komt nog bij dat het bouwen van stenen kerken bij ons pas vanaf ca 1050 aan te wijzen valt en dan nog voornamelijk waar men over, Romeinse, ruines beschikte, zoals bijvoorbeeld in Utrecht of Valkenburg (ZH). In de eerste locatie was ook een rijke bisschop met een hele hofhouding van hoge geestelijken aanwezig die voldoende invloed en geld hadden om met de aanwezige tufsteen en eventueel voorzichtige import van elders, grote stenen kerken te bouwen. Dergelijke kerken werden elders ook alleen maar gebouwd waar de lokale vorst, dus de graaf of de hertog, er het geld voor over had om een statussymbool neer te zetten.8 De graaf van Holland was er in dit opzicht vroeg bij want hij liet in Egmond, binnen de door hem gestichte abdij, al rond 950 een klein stenen kerkje (10,5 x ca 24 m, maar waarschijnlijk is de opgegraven rest een deel van een groter geheel) bouwen. Een kroniekschrijver die Egmond in 980 bezocht, verbaasde zich over de aanwezigheid van zo’n dure, zware kerk in die verre uithoek van het Duitse rijk.9 De echte belangrijke Romaanse kerken in Holland dateren echter van na 1100. Het klooster van Egmond bouwde een nieuwe over het eerste stenen kerkje heen vanaf ca 1130. Van ongeveer diezelfde tijd dateren de oudste stenen kerken in Dordrecht, Haarlem en wat later Vlaardingen en Leiden.10 Het klooster van Rijnsburg, ook een grafelijke stichting (1133), kreeg pas aan het eind van de twaalfde eeuw een tufstenen kerk (1183).
Een overeenkomst van deze kerkstichtingen was dat ze alle of door de bisschop of door de graaf waren gesticht, lieden die het geld en de middelen hadden om zo’n dure kerk te bouwen. Wie zou dat in een eenvoudig, klein dorp aan de Merwede gehad moeten hebben? Den Hartog noemt in haar boek ook de hoge adel als bouwer van stenen dorpskerken.11 Toevallig waren beide Sliedrechten onderdeel van de goederen van de heren van Voorne, van wie gezegd wordt dat ze uit het grafelijke huis stamden. Zij waren zo rond 1200 zeker zo rijk dat ze konden beginnen aan dergelijke projecten, maar waarom dat juist langs de Merwede was en niet op Voorne, waar hun stamgoederen lagen, is de vraag. In dat gebied zijn geen tufstenen kerken uit de twaalfde eeuw te vinden. En of ze in de twaalfde eeuw hier al zo invloedrijk waren is ook niet bekend.
In de gebieden van de bisschop van Utrecht in het noorden (Groningen, Drenthe) en oosten van het land (Deventer, Zutphen, Tiel) ontstonden dergelijke kerken wat eerder, meestal zo in de tweede helft van de elfde eeuw.
Dorpskerken in het rivierengebied van Holland waren toen echter nog alle van hout en zeer klein: zo’n 6/8 x 12/16 m en eventueel met een versmald koor aan de oostkant er tegenaan gebouwd.12 Of er ooit, zowel in Sliedrecht als Oversliedrecht een eerste houten kapel of kerk gestaan heeft is nu niet meer te achterhalen, tenzij er via archeologisch onderzoek nog eens onder de huidige kerk gegraven kan worden. Of aan de overkant in de Merwelanden…

St Pieter was de belangrijkste heilige
De kerk van Sliedrecht (Noord) was aan St Pieter gewijd. Dat wordt tenminste beweerd in diverse boeken en artikelen, o.a. omdat een achttiende-eeuwse bron zegt dat er een windwijzer met daarin een afbeelding van St Pieter op het dak van het koor stond. De bron zegt dat het daarom waarschijnlijk is dat de kerk aan die heilige is gewijd.13 Ik heb proberen uit te vinden waar dat idee vandaan komt, maar dat is nog niet gelukt. Ik zal in de bronnen in Utrecht moeten kijken of dit klopt. De indruk bestaat dat men elkaar heeft nageschreven en dat het daarom een zekerheid is geworden. Historisch onderzoek werkt echter niet met zulke aannames en gaat van bronnen uit. En dan moet je nog oppassen dat er geen vervalsingen hebben plaats gevonden.
Het is niet echt bijzonder dat een kerk in het Nederlandse taalgebied aan deze heilige apostel is gewijd; dat waren er tientallen. Enkele zeer bekende Hollandse waren (en zijn soms nog) het klooster van Egmond (net als de St Pietersabdij in Gent, waar de monniken vandaan kwamen die Egmond het eerst bevolkten toen het een mannenklooster werd) en de kerken in Leiden, Noordwijkerhout en Zuid-Scharwoude. Elders in Nederland waren er St Pieterskerken in Maastricht, Middelburg en natuurlijk Utrecht. De kapittelkerk van St Pieter in de stad Utrecht had zelfs nogal wat bezit aan de Merwede en Maas in Holland. Brabant en Vlaanderen hadden beide de apostel als patroon.14 Vergeet ook niet dat de abdij van St Pietersdal bij Heisterbach (onder Bonn) een uithof had in de Grote Waard en dat het patronaat van de kerken van Dordrecht en Sliedrecht in de dertiende eeuw beide aan die abdij geschonken waren.15 Beide kerken waren echter aan Maria gewijd, dus het hoefde niet zo te zijn dat de patroon dezelfde was als die van het klooster waar het een bezitting van was of werd.
16 Of deze abdij invloed had op het patronaat van Sliedrecht (Noord) is niet bekend.
Dat Sliedrecht (Noord) een St Pieterskerk had was dus helemaal niet bijzonder en het was zeker geen reden om die kerk belangrijker te vinden dan die van het dorp aan de overkant.

Oversliedrecht had meer parochies onder zich
Het derde argument was: Sliedrecht was altijd al op deze zijde. De overkant behoorde wel tot de parochie Sliedrecht, maar droeg die naam niet. Dit zegt in zoveel woorden dat Sliedrecht tot de parochie van Oversliedecht behoorde. Dat kan niet. In dit deel van de middeleeuwen, zeg maar van ca 1000 tot 1300, was elke kerk een parochiekerk. Hij bezat een parochiepriester of pastoor en bediende de omwonende parochianen. Een nieuwe kerk in een nieuwe ontginning was meestal een eigenkerk van de ontginner, maar kon tegelijk een dochterkerk van een moederkerk zijn, zoals in het geval van Sliedrecht en Houweningen, maar ook die dochterkerk werd een parochiekerk. Wel had de pastoor van de moederkerk nog het nodige te zeggen in die dochterparochie, mocht o.a. de priester daar aanstellen en kreeg een deel van de opbrengst omdat de afsplitsing van een dochterkerk hem inkomsten scheelde. Het is dus niet zo dat een parochie uit meerdere kerken bestond: één kerk=één parochie. Later kon in een uitgebreide parochie ergens een kapel bijgeplaatst worden die door een kapelaan van de parochiekerk werd bediend. Dergelijke kapellen konden soms uitgroeien tot een nieuwe parochiekerk (dat gebeurde nogal eens in groeiende steden) maar kapellen in dorpen werden zelden zelfstandig.17
Het bewijs voor het voorkomen van twee parochies is nog sterker. In 1394 gaat het ambacht Oversliedrecht tussen de kerk en de Matena, over op Arnoud van Lokhorst: met de werftiende, de visserij, de vogelarij en de kerkgift, aanstelling van de schout, secretaris, heemraden en bode. De kerkgift, of het patronaatsrecht, was dus in handen van de leenheer, in dit geval de heer van de Merwede. Van Sliedrecht (Zuid) weten we dat dit recht al in 1267 aan de abdij in Heisterbach werd geschonken.18 Het waren dus duidelijk twee verschillende parochies.

Wat zeggen de leenregisters?
Uit de oorkonden van het grafelijke huis van Holland en de leenregisters van zowel de graven als zijn hoge edelen blijkt dat het niet klopt dat het huidige Sliedrecht het oorspronkelijke was. Er was een duidelijk verschil tussen Sliedrecht en Oversliedrecht, dat pas verdween na de St Elizabethsvloed, toen Sliedrecht (Noord) als enige overbleef en zijn voorvoegsel, Over-, verloor.
Het mag duidelijk zijn dat als er een Oversliedrecht wordt genoemd, er ook een Sliedrecht is. Het laatste dorp is bewijsbaar in 1105 met die naam genoemd in een conflict met de plaats, Houweningen, waar een dochterkerk stond van die in Sliedrecht zelf.19 Oversliedrecht wordt pas in 1203 voor het eerst genoemd, maar het is dan niet duidelijk of het een ambacht/dorp is of de naam van een visserij in de Merwede tegenover Sliedrecht.20 Ik schrijf hier dat de plaatsnamen ‘genoemd’ werden, maar dat is eigenlijk een verkeerde benaming. Toevallig zijn er twee bronnen, oorkonden op perkament, bewaard gebleven waar die namen in voorkomen.
Het zou best kunnen wezen dat er veel meer geweest zijn en dat ze nog vroeger waren ook, maar die zullen we helaas nooit zien. Tenzij er natuurlijk nog eens een charter opduikt in een bibliotheek, museum of particuliere verzameling. Daar kun je echter niet vanuit gaan. We moeten het doen met de oorkonden zoals die in de grote verzameling die het Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 heet en die tussen 1970 en 2005 zijn gepubliceerd. Ze staan inmiddels ook op internet en vormen de ruggengraat van het historisch onderzoek voor 1300 in Holland.21
We kennen dus de naam Oversliedrecht al uit 1203, maar pas in 1290 weten we zeker dat het een ambacht is en bij de tol van Niemandsvriend ligt.22 Dat is nogal vaag, maar uit de omschrijvingen van diverse lenen in de leenregisters van de graaf en hoge edelen als de Van Voornes, de Van de Leckes, de Van Nijenrodes en de Van de Merwedes, blijkt duidelijk wat waar lag.23 In 1329 is er namelijk een aanwijzing waar de grootste scepticus niet omheen kan. Op 13 mei van dat jaar beleent Gerard van Voorne, burggraaf van Zeeland, Floris van de Merwede met het ambacht Oversliedrecht nadat diens vader Daniël (IV) van de Merwede er afstand van heeft gedaan. Het zijn met name de tienden te Sliedrecht en Oversliedrecht aan beide zijden van de Merwede in het ambacht van Nicolaas van de Merwede (heer van Langambacht) en Nicolaas van de Kortenambacht (is hij familie?) enerzijds en Floris van de Merwede Daniëlsz (heer van Oversliedrecht) en Herbaren, zoon van wijlen Herbaren Florekensz. en van Herbaren van Kraaienstein (die dan heer van het latere Naaldwijk is, naast ook nog heer van Kraaienstein aan de overkant) anderzijds. De heren zijn familie van elkaar, maar komen uit verschillende takken. In de verdere registers zijn beide takken goed te volgen. Dat ze heren van dit gebied zijn komt rechtstreeks voort uit het feit dat beide complexen tot de goederen van de Van Voornes horen. En waarschijnlijk wat dat al heel vroeg zo, ca 1200, maar de vroegste vermeldingen van leenovereenkomsten gaan helaas niet verder terug dan ca 1290. Misschien hebben de Voornes te maken gehad met de ontginningen, maar het kan ook zijn dat dit gedeelte van Holland bij het bezitsgebied van deze hoge edelen gerekend werd die voornamelijk op de Zuid-Hollandse eilanden, in het uiterste zuiden van het graafschap, gegoed waren.
In de leenregisters zijn nog tientallen aanwijzingen voor het voorkomen van de ambachten Niemandsvriend, Oversliedrecht (later Lokhorst) en heer Symons ambacht van Teylingen (later Naaldwijk) ten noorden van de Merwede en Craijestein, Langambacht en Kortambacht, samen Sliedrecht genoemd, ten zuiden van de Merwede. Wie het niet gelooft laat ik graag de bewijsplaatsen zien.

Conclusie
Ik hoop hiermee aangetoond te hebben dat aan beide zijden van de Merwede rond 1050, misschien iets vroeger, poldertjes ontgonnen zijn, waarvan de zuidelijke tussen het ambacht Merwede (dat heette pas sinds ca 1240 zo) en Houweningen, al snel Sliedrecht werd genoemd. Aan de noordkant lagen ca 1100 tussen Papendrecht en Hardingsveld ook polders, maar die komen tot aan 1203 (1290) niet met een eigen naam voor. Tenzij we Menkenesdrecht hier moeten zoeken, maar die naam komt alleen in een valse oorkonde uit 1064 (eigenlijk ca 1145) voor. Het feit dat Sliedrecht in 1105 al enkele tientallen jaren in Houweningen een dochterkerk bezat en we in Oversliedrecht pas in de loop van de twaalfde eeuw een tufstenen kerk kunnen vermoeden, betekent dat het eerste belangrijker was dan het tweede. Daar doet de patroon St Pieter van de noordelijke kerk niets aan af.
In 1521 wisten de vissers en vogelaars, riet-, rijs- en biezensnijders uit Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam en Hardingsveld nog precies wat er onder het water aan de overkant lag en konden ze nog resten van de dijken, dorpen, kerken en kerkhoven herkennen en benoemen. Lijstjes met verdronken dorpen uit nog weer honderd jaar later en nog recenter, waar Sliedrecht niet op voorkwam, zijn daarom geen bewijs dat het oorspronkelijke Sliedrecht niet op de zuidoever van de Merwede lag.

Henk ’t Jong MA
Dordrecht, 22.2.2014

 
1 – Joh. van Beverwijck, ’t Begin van Hollant in Dordrecht (Dordrecht 1640) 313; Jacob van Oudenhoven, Beschrijvinghe van Dordrecht (Haarlem 1670) 509; Matthys Balen, Beschrijvinge der Stad Dordrecht (Dordrecht 1677) 769-770; Pieter Hendrik van de Wall, Handvesten, privilegien , etc. der stad Dordrecht (Dordrecht 1790).
2 – Jan Alleblas, ‘Het kindje in de wieg en de Elisabethsvloed van 1421’, in H.A. van Duinen en C. Esseboom, Verdronken dorpen boven water (Dordrecht 2007) 95; Johan Hendriks, ‘De watersnoodrampen van 1421 en 1424’, ibidem, 125. Dit artikel raad ik iedereen aan te lezen. Het ontkracht een heleboel onhistorische verhalen.
3 – Kaarten van Pieter Sluijter, 1560, die wel Lang- en Cortambacht heeft, en N. Diert, 1565, die tussen het huis Te Merwede en Werkendam niets heeft.
4 – Valentine Wikaart, ‘Nijet dan water ende wolcken’ (Tilburg 2009) 134-136.
5 – Jan Smits, Verhandeling over de inbraak en overstrooming van den Grooten Zuid-Hollandschen Waard (Dordrecht 1822).
6 – A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek, 13 delen (Gorinchem 1839-1851). Het foutieve verhaal over Sliedrecht in deel 10, p. 421.
7 – Knipselmap bij De Stamboom, vriendelijke mededeling van K. Blokland.
8 – Elizabeth den Hartog, De oudste kerken van Holland (Utrecht 2002) 47-81.
9 – E.H.P. Cordfunke, Opgravingen in Egmond. De abdij van Egmond in historisch-archeologisch perspectief (Zutphen 1984) 87-89; Den Hartog, Oudste kerken, 83-84.
10 –  Herbert Sarfatij, Archeologie van een Deltastad. Opgravingen in de binnenstad van Dordrcht (Utrecht 2007) 255-256; Den Hartog, Oudste kerken, 107-108, 129-140..
11 – Ibidem, 165-209.
12 – Ibidem, 35-39.
13 – Geciteerd in Kees Blokland, Een moment voor een monument (Sliedrecht 2005) 31.
14 – Stijn van der Linden, De heiligen (Amsterdam/Antwerpen 2002) 700.
15 – OHZ I, nr 261, voor 5.11.1203; OHZ I, nr. 386, 1217; OHZ II, nr. 665, 27.7.1245; OHZ III, nr. 1459, 11.10.1267.
16 – Wikaart, ‘Nijet dan water’, 135.
17 – Jan Kuys, Kerkelijke organisatie in het middeleeuwse bisdom Utrecht (Nijmegen 2004) pp. 43-50.
18 – OHZ III, nr. 1459, 11.10.1267.
19 – OHZ I, nr. 93, 1105.
20 – OHZ I, nr 261, voor 5.11.1203.
21 – http://resources.huygens.knaw.nl/oorkondenhollandzeeland.
22 – OHZ IV, nr. 2435, 23.2.1290.
23 – De leenregisters voor ons gebied zijn tussen 1972 en 1997 alle gepubliceerd in het genealogisch tijdschrift Ons Voorgeslacht.

Sliedrecht 950 jaar oud

Sliedrecht 950 jaar oud. Of nog ouder?
Sliedrecht viert in 2014-2015 zijn 950-jarig jubileum. Dat getal is gebaseerd op het noemen van het dorp in een oorkonde uit 1064. Maar er is wat met die oorkonde… Het gedeelte waarin Sliedrecht genoemd wordt, luidt als volgt:

Sliedrecht-950-01
Fig. 1: detail uit de tekst van de oorkonde van 2.5.1064.

…van het einde der rivier Alblas tot de Merwede, vandaar tot Menkenesdrecht de helft van het gehele land, met alle ambachten , voorts van Riede langs de Merwede tot Sliedrecht, voorts langs de Merwede in de Dordrecht, vandaar in de Dubbel, vandaar in de Duvelhara (Devel), vandaar in de Waal, vandaar weer in de Merwede tot in Dordrecht, met de pas gebouwde kapel, van Dordrecht oostwaarts tot Godekins hofstede die bij Werkenmonde staat.1

Eigenlijk staat er Sclidreth in dit citaat uit een oorkonde, want zo schreef men de naam toen. Wat u hier leest is een vertaling uit het oorspronkelijke latijn. In die taal werden alle officiële teksten in de vroege en hoge middeleeuwen (500- 1200) geschreven. De oorkonde zou op 2 mei 1064 door de Duitse koning aan de bisschop van Utrecht gegeven zijn. Dit jaartal is de basis onder het 950-jarig bestaan van Sliedrecht dat vanaf 2.5.2014 tot en met 2.5.2015 gevierd zal worden. Er is echter wat aan de hand met dit geschrift; het is namelijk een vervalsing. Ik zal in dit artikel uitleggen hoe we dat weten, wat dat betekent en of het invloed heeft op wat we weten over het ontstaan van Sliedrecht.
Ik ben echter lang de eerste niet die aandacht besteed aan dit feit. Cornelis Lips (1903-1999), medewerker van het Dordtse gemeentearchief, schreef in de late jaren dertig een serie artikelen over de geschiedenis van Sliedrecht in de Merwebode. De hele reeks werd later nog eens herhaald in de Merwestreek en in de jaren negentig in het clubblad van de Historische Vereniging Sliedrecht. Inmiddels staat hij ook al weer een aantal jaren op de website van de HVS.2 Die geschiedenis van Sliedrecht is dus inmiddels al meer dan 75 jaar geleden opgeschreven. De geschiedvorsing heeft sinds 1938 niet stil gestaan en we weten nu veel meer over de middeleeuwen in Holland dan toen. Het wordt eigenlijk tijd voor een nieuwe middeleeuwse geschiedenis van het dorp, maar dat is een ander verhaal.
Uiteraard behandelde Lips in zijn geschiedenis ook het ontstaan van Sliedrecht. Hij deed dat echter nogal hap-snap en had duidelijk een voorkeur voor sappige anekdotes. Die voegden niet veel toe aan de kennis over middeleeuws Sliedrecht, maar lazen journalistiek wel lekker weg. Het maakte ook dat er weinig uitgelegd werd over het hoe en waarom van het ontstaan van het dorp en de verdere gebeurtenissen die plaatsvonden. Hij besteedde ook zo goed als geen aandacht aan de politieke en maatschappelijke achtergronden van het ontstaan van de veenontginningen langs de Merwede. Dat is toch een belangrijke voorwaarden om te kunnen begrijpen wat voor dorp Sliedrecht was.
Lips was op de hoogte van de archiefstukken waarin Sliedrecht voor het eerst genoemd werd. Het waren er maar twee, beide van voor 1200, en één daarvan was dus een vervalsing. En ook dat wist hij. Hij schrijft er tenminste over in het artikel ‘Sliedrecht in de middeleeuwen’:3
Bij nader onderzoek is echter gebleken dat dit charter niet in 1064 gegeven is, maar eerst omstreeks 1140 door de ambtenaren van de bisschop van Utrecht zelf vervaardigd is.
In de twaalfde eeuw bestond het begrip ambtenaar nog niet, maar het was wel een bisschoppelijke klerk die het opschreef.
Met medeweten van de bisschop uiteraard. Lips vervolgt met:
Dit doet natuurlijk veel af van de waarde van het stuk als bewijs voor de eigendomsrechten van de bisschop maar de aardrijkskundige gegevens, waarom het ons te doen is, zijn stellig juist. Had de bisschop in het onechte stuk onjuiste aardrijkskundige gegevens opgenomen, dan zou men hem natuurlijk direct betrapt hebben.
En dat klopt. Lips geeft hier gelijk aan waar de oorkonde over gaat: een claim van de Utrechtse bisschop op land dat hem door de ‘Hollandse’ graven is ontnomen.
Wat hij verzuimt te doen is uitleggen waarom de bisschop bijna honderd jaar na dato meent een vals document te moeten maken en wat de naam Sliedrecht daarin doet. Dat die aardrijkskundige gegevens, ondanks dat ze in een vervalsing staan, toch bewijzen dat er omstreeks 1064 al een dorp bestond dat Sliedrecht heette is aanvaardbaar. En het was daarom een goede reden om in 2014 het 950-jarig bestaan te vieren. Maar het is niet het hele verhaal. Een historicus zou zeggen: om te begrijpen wat er staat moet je het in zijn context plaatsen. In zijn situatie in ruimte en tijd. In het geheel van politieke, kerkelijke, maatschappelijke en misschien zelfs economische gebeurtenissen. Dat wil ik in het hierna volgende betoog doen.

Sliedrecht-950-02
Fig. 2: Afschrift van de oorkonde van 2.5.1064, eind 12e eeuw. Rijksarchief Utrecht – archief van de bisschoppen, inv. nr. 43 (Liber Donationum) fol. 53.

Die vervalste oorkonde is één van de weinige bewijzen voor het bestaan van Sliedrecht. Die periode van de middeleeuwen, van vóór 1200, wordt voor heel de geschiedenis van ons land gekenmerkt door een groot gebrek aan ‘bronnen’, zoals dat soort geschriften genoemd wordt. Het zijn, zoals gezegd, voor Sliedrecht letterlijk twee stukken perkament en meer niet. Pas ver na 1200 komt er wat meer bewijs voor wat er in deze omgeving gebeurde. De ene oorkonde, de onechte, is opgetekend in een boek en de andere is een flink blad perkament met een zegel erop. Daar moeten we het mee doen.
Lips heeft die vervalsing niet zelf ondekt; die was al sinds 1909 bekend. Dr. Otto Oppermann (1873-1946) was een geniale Duitse geleerde, die nogal met de Nederlandse geschiedenis bezig was. Hij werd op den duur dan ook professor aan de universiteit van Utrecht. Hij was een groot kenner van de diplomatiek of oorkondenleer; de wetenschap die de echtheid van oorkonden onderzoekt en introduceerde die in Nederland. Het is zijn verdienste dat hij als een stofzuiger door de toen bekende middeleeuwse bronnen heen om ze te controleren op hun echtheid. Hij vond honderden vervalsingen; dit was echt de enige niet. Er zijn er later nogal wat teruggedraaid, want op een bepaald moment zag hij ze overal, maar veel bleven vals. Over de acte van 1064 was geen twijfel mogelijk. Oppermann somde in een artikel erover in het Westdeutsche Zeitschrift fúr Geschichte und Kunst niet minder dan 13 bewijzen op. Daar kon niemand omheen.4
Hijzelf dacht dat de vervalsing tussen 1156 en 1160 gemaakt kon zijn, anderen zochten het rond 1120. Zelf kwam hij er nog een keer op terug en stelde 1129 voor, maar die datum was om allerlei redenen niet vol te houden. Pas in 1997 is bekend geworden dat hij van ca 1146 moet zijn.5
Lips zat er met zijn schatting van het ontstaan rond 1140 dus best dichtbij.
Zoals Lips al aangaf betekent een dergelijke vervalsing niet dat de informatie die erin staat niet klopt voor de tijd waar het over gaat. In 1064 moet die situatie van de ligging van de door de graaf ingepikte landen en hun namen al zo geweest zijn. De bisschop zal zijn lijst van bezittingen uiteraard op de toestand ter plekke, voor zover in Utrecht bekend, gebaseerd hebben want anders zou hij wel heel ongeloofwaardig zijn geweest. Er lagen daar inderdaad al allerlei dorpen aan de met name bekende rivieren. Archeologen en historisch geografen hebben ook aangetoond dat er hier voor 1050 al langs de Merwede begonnen werd met ontginnen. De ontginningsactiviteit in deze streek blijkt ook uit andere bewaard gebleven schriftelijke bronnen.6 Dus er zal in 1064 best een dorp Sliedrecht geweest zijn.

De vraag is dus waarom de bisschop het nodig vond bijna honderd jaar na dato zo’n lijst te vervalsen. De reden was dat het een laatste oprisping was in een strijd tussen de bisschop en de graven die over dit gebied aangesteld waren door de Heilige Roomse keizer. Die strijd duurde al zo’n 150 jaar en hiermee werd een laatste keer geprobeerd om oude rechten terug te krijgen.
De graven die deze streken voor de keizer bestuurden werden de Westfriese graven genoemd. Hun graafschap of gouw heette Westfrisia, niet te verwarren met het huidige West-Friesland.7 Het graafschap omvatte Kennemerland tussen Alkmaar en Haarlem, de monding van de Rijn bij Koudekerk en Rijnsburg en het domein Maasland, het zuidelijk deel van het huidige Westland, plus beide kanten van de Maasmonding.8
Naar een vroege bezitting, met burcht, langs de Maas, Vlaardingen genaamd, stonden ze ook wel bekend als de Vlaardingse graven. In de valse acte wordt de graaf echter ‘van Holland’ genoemd. Die naam werd echter pas tegen 1100 in gebruik genomen door Floris II. Blijkbaar wist de klerk van 1146 dat niet meer en maakte zo een opvallende fout.
Oppermann gebruikte die natuurlijk als één van zijn bewijzen.
Al rond 1010 was graaf Dirk III begonnen land in te pikken dat oorspronkelijk van de bisschop was. Het was weliswaar voornamelijk veenmoeras, maar hij betrok er inkomsten van. Toen Friese boeren, beschermd door de graaf, het land ontgonnen en in bezit namen droogden die inkomsten voor hem op en verdwenen ze in de zakken van de graaf.Toen die ook nog eens kooplui die langs voeren uit ging schudden werd het oorlog. Gedurende ruim 50 jaar werd er regelmatig gevochten waarbij zowel de graaf als de bisschop wel eens verloor of won. Sommige graven sneuvelden (Dirk IV in 1049 en Floris I in 1061) daarbij, soms werd een bisschop gevangen genomen (Koenraad 1076) of zelfs vermoord (dezelfde Koenraad in 1099). In 1061 kon bisschop Willem vanwege het feit dat Dirk V nog maar een kind van circa zes jaar oud was het hele graafschap veroveren. Omdat de bisschop op goede voet stond met het koninklijk hof kon hij koning Hendrik IV, toen nog maar 16 jaar oud, en zijn raadslieden bewegen hem het leen van de Westfriese graaf te schenken. Dat gebeurde in een echte oorkonde van 30 april 1064 (!).10

Sliedrecht-950-03
Fig. 3: Liber Donationum.

De meeste van dergelijke oorkonden bestaan niet meer, maar ze werden wel allemaal gearchiveerd. De bisschoppen van Utrecht hadden een boek, dat Liber Donationum werd genoemd, waarin alle schenkingen stonden die ze sinds 777 hadden ontvangen van de koning of keizer of van particulieren.
Dat boek is later nog een paar keer overgeschreven, maar de meeste exemplaren zijn verdwenen. Er bestaat nog één versie en die dateert uit de late twaalfde eeuw. Het boek ligt in het Utrechtse archief.11
Op pagina’s 39-40 staat de acte van 30 april 1064. Maar de oorkonde van 2 mei 1064 staat helemaal achterin het boek afgeschreven op pagina’s 53-54, na een oorkonde uit november 1145. Het is waarschijnlijk dat dit exemplaar van het Liber Donationum letterlijk is overgeschreven van een ouder exemplaar dat werkelijk in 1145 eindigde en waar die valse actie aan het eind aan is toegevoegd. Dat is op zichzelf natuurlijk al verdacht. Maar delen ervan blijken echter nogal knullig gekopieerd te zijn uit de oorkonde van 30 april. Dat, plus nog de nodige kleine details, en de aanhef dat het over de graaf van Holland gaat, zijn voldoende bewijs dat hij vals is.

Wat was dan precies de aanleiding om een koninklijke schenkingsoorkonde te vervalsen? Met het dateren van deze acte circa 1146 past hij precies in de politieke situatie van die periode. We moeten wel eerst even terug in de tijd. Graaf Dirk V had in 1076, toen hij volwassen was, zijn graafschap terug veroverd op de bisschop. Wel bleef de door zijn voorvaderen gestichte abdij van Egmond onder de Utrechtse bisschop horen. Zijn kleinzoon graaf Dirk VI droeg na een tocht naar het Heilige Land in eigen persoon Egmond en de in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg in 1140 op aan de paus. De bisschop kon niet anders dan daarmee akkoord gaan, maar hij kreeg zo wel nog minder grip op de graaf, die toch al zijn eigen gang ging en zich niets van Utrecht aantrok.
Dirk ontzag zich zelfs niet om regelmatig het Sticht, het gebied waar de bisschop zowel geestelijke als werelds vorst over was (nu de provincie Utrecht), binnen te vallen. Omdat de bisschop, Hartbert, het zat werd, werd de graaf door hem geëxcommuniceerd. Dat was een strenge straf die de graaf toegang tot de kerk en zijn sacramenten verbood. Voor een vrome vorst als Dirk VI, de Jeruzalem pelgrim, was dat zwaar.
Hij smeekte op zijn blote voeten om opheffing van die ban en toen had de bisschop hem waar hij hem hebben wilde. Hij toonde hem de vervalste oorkonde en Dirk moest toegeven dat het land rond de Merwede bisschoppelijk bezit was.
Bisschop Hartbert overleed echter al in 1150 en de graaf kon zijn eigen bisschopskandidaat op de troon in Utrecht krijgen. Het gevaar was geweken en het hele betwiste gebied bleef Hollands.12 De valse acte had dus niet echt geholpen, maar we hebben er wel een verwijzing naar Sliedrecht in 1064 van overgehouden en daarom herdenken we 950 jaar Sliedrecht.

Sliedrecht-950-04
Fig. 4: Reconstructiekaartje van de route in 1064.

De acte bevat nog veel meer bezittingen dan het lijstje uit de aanhef van dit artikel; ze liggen over geheel westelijk Holland. Het citaat geeft echter een indruk van waar de diverse ontginningen in het Merwede gebied lagen. Het doet dat door de langs de rivieren liggende ontginningen te noemen in een volgorde zoals je er voorbij zou varen. Op het kaartje ziet u waar ze ongeveer lagen. Let even op de rivierenlopen, de doorbraak tussen de Merwede en de Maas, die nu de Oude Maas heet, was er nog niet, die ontstond pas na een grote stormvloed in 1170.13

De andere bron van voor 1200 waarin Sliedrecht voorkwam, was een echte oorkonde uit 1105. Deze komt van de toenmalige bisschop, Burchard, zelf en zijn zegel zit er nog steeds op. Ook die berust in het Utrechtse archief.14
De naam Sliedrecht komt er als Schlidreht wel zeven keer in voor. Omdat deze oorkonde tenminste veertig jaar ouder is dan die in het Liber Donationum, is dit dus echt de oudste vorm van de naam: Schlidreht in 1105, Sclidreth in 1146. De uitspraak is trouwens hetzelfde, een beetje slissend: Sjliedrecht. Later is die slis vervallen. Aan het handschrift uit 1105 kan je verder ook zien dat het antieker is.

Sliedrecht-950-05
Fig. 5: De oorkonde van 1105. Rijksarchief Utrecht – archief kapittel van St. Jan, inv. nr. 321.

Deze oorkonde is een uitspraak over een ruzie, maar nu één tussen twee dorpen: de graaf had er niks mee te maken. In het dorp even verderop, Houweningen (het lag tegenover Giessendam), had de ontginner, of zijn zoon, een man met de voornaam Boite (spreek uit: Boote), een kerk gebouwd. Het was waarschijnlijk een simpel houten kerkje, met riet gedekt, maar er werd daar wel de mis opgedragen door een eigen priester.15 Die was door Boite zelf aangesteld, maar dat vond de pastoor van de Sliedrechtse kerk niet goed. Hij claimde dat Boiteskerke een dochterkerk van zijn kerk was en dat hij daar de priester mocht aanstellen. Boite toonde hem echter een oorkonde van de vorige bisschop, Koenraad, waarin stond dat hij de baas was in zijn eigen kerk. Het meningsverschil liep hoog op.
Zo hoog dat de aartsdeken van dit deel van Zuid-Holland, een soort hulp van de bisschop om ver van Utrecht gelegen gebieden te controleren, er niet uitkwam.16 Hij verwees de pastoor naar de bisschop van dat moment, Burchard (1100-1112). Dus trokken de pastoor en enkele van zijn parochianen, allemaal vrije mannen, naar Utrecht. Ze werden vergezeld van wel acht pastoors van omliggende parochies, waaronder Papendrecht en Hardingsveld, als getuigen. Dat was nog best een flinke reis; je was wel een paar dagen per schip onderweg.
De bisschop gaf de Sliedrechtse pastoor gelijk, want hij zag wel dat die zogenaamde oorkonde van zijn voorganger niet erg betrouwbaar was. Hij noemde hem in zijn uitspraak in de ruzie ‘niet wettig’ en dat betekent dat er geen zegel aanhing waaraan je kon zien dat de bisschop hem echt had laten opstellen. De vervalser had natuurlijk geen bisschoppelijk zegelstempel tot zijn beschikking.
Het conflict was dus opgelost, de kerk van Sliedrecht was de baas over die van Houweningen. Alleen de Sliedrechtse pastoor mocht daar de mis opdragen of een plaatsvervanger aanstellen die dat deed. Niet heer Boite. Hoe het verder afliep is niet bekend, maar Houweningen werd op den duur een eigen parochie en was toen niet meer van Sliedrecht afhankelijk.
Dat is het: deze twee stukken, waarvan één een vervalsing en één waarin ook een vervalsing voorkomt, zijn de oudste bewijzen van het bestaan van Sliedrecht. Tot meer dan een eeuw later hebben we geen bewaard gebleven documenten over Sliedrecht.

Sliedrecht-950-06
Fig. 6: Reconstructiekaart van de ontginningen rond de Merwede, ca. 1050.

Er moet nog wel gezegd worden dat het in beide oorkonden over het oorspronkelijke Sliedrecht gaat en dat lag een de overkant van de Merwede. De bewijzen daarvoor zijn duidelijk en hier komt ook die vervalsing van 1064 weer om de hoek kijken. Uit de volgorde van de daarin genoemde ontginningen en het feit dat Sliedrecht aan dezelfde kant van de rivier lag als Thuredrecht (het latere Dordrecht) is er niet aan dat feit te ontkomen. Maar als je weet dat in de dertiende eeuw aan de overkant van de Merwede, dus de kant van het huidige Sliedrecht, Oversliedrecht ligt dan moet het oorspronkelijke zuidelijk van de rivier gelegen hebben. Later blijkt uit bewaard gebleven leenregisters dat de ambachten ten noorden en ten zuiden van de rivier in verschillend bezit zijn.
Daarin wordt ook duidelijk aangegeven waar wat lag.
Trouwens: pas na 1421, als Sliedrecht zuid verdronken is, wordt Oversliedrecht Sliedrecht genoemd.17

De vraag die nog wel beantwoord moet worden is: was ons Sliedrecht dan ook zo oud? Hij kan met ja beantwoord worden. Historisch geografen hebben aangetoond dat beide oevers van de Merwede tegelijk ontgonnen zijn. Dus ergens rond de jaren 1040-50.18 In 1105, zoals ik hiervoor besprak, lagen Papendrecht en Hardingsveld er al. Wat er tussen lag wordt jammer genoeg niet genoemd, maar je laat een ontginning niet onbewoond en onbewerkt liggen Dus daar moeten ook boerderijen gestaan hebben en misschien al een kerkje.
Er zijn mensen die zeggen dat Menkenesdrecht, genoemd in het lijstje uit 1064, de naam voor deze ontginning tegenover Sliedrecht was.19 Het probleem is dat uit die lijst niet precies is op te maken waar Menkenesdrecht lag. Het kan zelfs de oudere naam voor Papendrecht zijn, maar als het in 1064 Menkenesdrecht genoemd wordt en al in 1105 Papendrecht heet, lijkt dat onwaarschijnlijk.20 Maar misschien was het Zuidelijk Oud Alblas wel.

Om af te sluiten zet ik de feiten nog eens op een rijtje.
– Rond 1040-50 worden de beide Merwedeoevers ontgonnen.
– De bisschop zegt dat in 1064 o.a. Sliedrecht aan de  zuidoever van die rivier van hem was.
– In 1105 heeft de kerk van Sliedrecht al een dochterkerk in een ontginning even verderop. Een kerk moet toch al zo’n generatie of misschien langer bestaan hebben voor ze dochters kan hebben, dus tussen de 25 en 50 jaar daarvoor moet er In Sliedrecht al een kerk hebben gestaan.
– Dat de bisschop pas in 1146 Sliedrecht noemt maakt hierin geen verschil: hij beschrijft dan een situatie die in 1064 bestaan moet hebben, anders was hij met zijn valse oorkonde toen al door de mand gevallen.

De conclusie moet dus luiden dat Sliedrecht ten zuiden van de Merwede nu minstens 950 jaar oud is. En dat Sliedrecht ten noorden van de Merwede er in aanleg ook al gelegen moet hebben. De ontginningen gingen gelijk op en je laat een stuk nieuwe polder niet ongebruikt liggen. Het dorp wordt jammer genoeg niet genoemd, tenzij hiermee Menkenesdrecht bedoeld werd, maar dat zal nooit bewezen kunnen worden.
Kortom: het is hier echt 950 jaar oud, maar misschien al wel 960 of 970 jaar. Dus er is zeker wat te vieren dit jaar. Het is jammer dat we inmiddels niet meer kunnen wijzen naar resten uit de periode van het ontstaan van het dorp. De oudste gebouwen gaan terug tot de zeventiende eeuw en dat is toch een behoorlijke tijd later. Er zijn echter nog wel andere resten over uit de ontginningstijd.
In het midden van de elfde eeuw werd in de zomers door de toekomstige bewoners het moeras te ontgonnen. Ze stonden waarschijnlijk vele weken, misschien wel maanden, tot over hun knieën in het water met een schop sloten te graven en het kleiige veen op hopen te gooien. Daar maakten ze dan weer achter- en zijkaden van. Ze moesten trouwens langs de rivier ook nog een heel elzenbroekbos omhakken, maar daar konden ze dan weer boerderijen van bouwen. En die konden ze dekken met het riet uit het veen. De wanden werden aangesmeerd met de gedolven klei.
Die sloten waren in eerste instantie meer dan een kilometer lang en ze lagen elk ruim 100 meter uit elkaar. Dus ze liepen van de rivier, die toen nog geen dijk maar alleen een wat verhoogde oeverwal had, tot de Tiendweg, die oorspronkelijk de achterkade van de eerste ontginning was.
Later in de middeleeuwen werd de ontginning met nog een paar kilometer verlengd tot hij Wijngaarden bereikte.

Sliedrecht-950-07
Fig. 7: Gezicht op de sloten in de polder van Sliedrecht (Google Earth).

Men realiseert zich misschien niet dat men hier nog steeds langs bijna 1000 jaar oude sloten leeft. De Tiendweg is nog een beetje zichtbaar langs de zuidrand van de Rijksweg, en voor de rest overbouwd, maar als je even de spoorlijn over- of onderdoor gaat, dan beginnen daar de genoemde sloten. Er zijn er door de eeuwen wat bijgekomen en natuurlijk zijn ze steeds gekant en uitgediept, maar het zijn nog wel steeds die sloten.
Als men dus nog wat wilt zien uit de tijd van 950 jaar geleden moet men even over de spoorlijn gaan kijken.

Henk ’t Jong MA
19.5.2014

1 – Vertaling van de originele tekst zoals gepubliceerd in A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel 1: eind van de 7e eeuw tot 1222 (’s-Gravenhage 1970), nr. 86 (voortaan OHZ, 1), gemoderniseerd naar o.a. F. van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, etc. deel 1 (Leiden 1753) 68.
2 – https://www.historie-sliedrecht.nl.
3 – https://www.historie-sliedrecht.nl/gesch%20sliedrecht.htm
4 – O. Oppermann, ‘Untersuchungen zur Geschichte van Stadt und Stift Utrecht, vornehmlich im 12. und 13. Jahrhundert’, Westdeutsche Zeitschrift für Geschichte und Kunst 28 (1909) 233-243 (‘Exkurs: Ein falsches Utrechter Diplom Heinrichs IV.und die Entstehung des Utrechter Liber donationum).
5 – P.A. Henderikx, ‘De bisschop van Utrecht en het Maas-Merwedegebied in de elfde en twaalfde eeuw’, in: B. van Bavel, G. van Herwijnen, K. Verkerk (red.), Land, water en bewoning. Waterstaats- en
nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de middeleeuwen (Hilversum 2001) 56, noot 71. Zie ook dezelfde, ‘Het cartularium van Radbod’ in hetzelfde verzamelwerk, pp 251-252.
6 – P.A. Henderikx, ‘De zorg voor de dijken in het baljuwschap Zuid-Holland en in de grensgebieden ten oosten daarvan tot het einde van de dertiende eeuw’. Geografisch Tijdschrift, Nieuwe Reeks, 11 (1977) 410, noot 10; P.A. Henderikx, ‘De ontginning van de veengebieden in de Rijn-Maasdelta, tiende tot dertiende eeuw’, lezing uit 1988, gepubliceerd in: B. van Bavel, G. van Herwijnen, K. Verkerk (red.), Land, water en bewoning. Waterstaats- en nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de middeleeuwen (Hilversum 2001), 21-37, met name 25-27; C. de Bont, Vergeten land. Ontginning, bewoning en waterbeheer in de WestNederlandse veengebieden (800-1350), 2 delen, academisch proefschrift universiteit van Wageningen (Wageningen 2009) 76, 145, 290-293;
7 – OHZ 1, 52-141; D.E.H. de Boer, E.H.P. Cordfunke, Graven van Holland. Portretten in woord en beeld (880-1580) (Zutphen 1995) 15-17.
8 – De Boer-Cordfunke, Graven, 15 (kaartje).
9 – Alpertus van Metz, Gebeurtenissen van deze tijd & Een fragment over bisschop Diederik I van Metz(H. van Rij, red.)(Amsterdam 1980) 79-87; De Boer-Cordfunke, Graven, 26-48, voor deze periode, waarin de hieronder beschrevengebeurtenissen plaatsvonden.
10 – OHZ, 1, nr. 85.
11 – Utrechts Archief, 218-1 Archief bisschoppen, invr. nr. 43.
12 – De Boer-Cordfunke, Graven, 44-48.
13 – H. Sarfatij, Archeologie van een deltastad. Opgravingen in de binnenstad van Dordrecht (Utrecht 2007) 42-45.
14 – Utrechts Archief, 222, Archief kapittel van St. Jan, inv. nr. 321. Vreemd genoeg wordt deze acte gerangschikt onder die voor de Zeeuwse bezittingen van het kapittel.
15 – E. den Hartog, De oudste kerken van Holland (Utrecht 2002) 34-45.
16 – Voor meer informatie over de aartsdekens zie: C. Dekker, ‘De vorming van aartsdiakonaten in het diocees Utrecht in de tweede helft van de 11e en het eerste kwart van de 12e eeuw’, Geografisch tijdschrift, nieuwe reeks 11, 5 (1977) 339-360.
17 – Zie ook mijn artikel: H.C. ’t Jong, ‘Sliedrecht versus Oversliedrecht’ (Dordrecht 2014), te vinden op: https://www.academia.edu/6684398/Sliedrecht_versus_Oversliedrecht.
18 – Zie noot 6, hiervoor.
19 – Waaronder Lips in https://www.historie-sliedrecht.nl/gesch%20sliedrecht.htm. Henderikx noemt het in ‘De bisschop’, noot 20: “de onbekende plaats Menkenesdrecht”.
20 – Al in 1770 werd hier aan getwijfeld: P.H. van der Wall, Handvesten, Privilegien, Vrijheden, Voorregten, Octrooijen En Costumen; Midsgaders Sententien, Verbonden, Overéénkomsten en andere Voornaame Handelingen Der Stad Dordrecht: Beginnende met de Oudste Brieven, en eindigende met de Graaflijke Regeering uit het Huis Van Henegouwen, deel 1 (Dordrecht 1770) 4.

Het kasteel Crayenstein volgens Henk ’t Jong

Enkele opmerkingen naar aanleiding van een bijschrift over kasteel Crayenstein.

Kasteel Crayenstein 01
Uit: C. Baardman, Leo J. Leeuwis, M.A. Timmermans, Langs Merwede en Giessen (Den Haag 1961)

Op de zuidelijke oever van de Merwede lag tussen de heerlijkheid van die naam en het dorp Houweningen het dorp Sliedrecht (Sclidreth, Slydrecht). Dat bestond uit drie aparte ambachtsheerlijkheden die elk hun eigen heer hadden. Van west naar oost waren dat Crayenstein, Langambacht en Kortambacht. In het eerste stond sinds ca 1250 het door Zeger van Riede gebouwde huis Crayenstein. De heerlijkheid was dus naar het kasteel genoemd. Van Riede was een edelman uit een oude familie die al in de 12e eeuw in de omgeving van de graaf van Holland en de heren van Voorne wordt genoemd. Hun oorspronkelijke bezit lag in wat later de Riederwaard zou worden en ze waren daar heren van Ri(e)derkerk, Barendrecht en Pendrecht. Er zijn aanwijzingen dat zij ook heer waren van het oostelijk van Dordrecht gelegen bezit Merwede. De heren van die naam komen pas ca 1240 voor en voeren een duidelijk van de Van Riedes afgeleid wapen. Het zit erin dat de Van de Merwedes een jongere tak van de Van Riedes waren. Die familie bezat dus ook Crayestein, dat pas zo ging heten nadah het kasteel werd gebouwd, want een ‘stein’ of ‘steen’ was de middeleeuwse benaming van wat wij een kasteel noemen. Dat woord werd toen nog niet voor een versterkt stenen huis gebruikt. Zeger was ook heer van het oostelijke ambacht van Oversliedrecht, dat later Naaldwijk werd genoemd. In die hoedanigheid was hij ook betrokken bij het stichten van het waterschap van de Alblasserwaard in 1277.
Kasteel Crayenstein 02
De Elisabethsvloeden van 1421 en 1424 hebben gaten geslagen bij Werkendam en Broek (ongeveer tussen Moerdijk en Zevenbergen) waardoor de Grote Waard langzaam onderstroomde. Na de tweede vloed was er geen initiatief meer om de dijken te dichten, hoewel dat na de eerste keer nog wel geprobeerd was. De dorpen in dit gebied werden dan ook langzamerhand verlaten. Stenen gebouwen werden voor zover mogelijk afgebroken en de stenen werden elders hergebruikt. De houten en lemen huizen en boerderijen vervielen langzamerhand. Er zullen weinig mensen zijn verdronken, want de overstroming kreeg pas langzaam greep op het gebied. De bevolking, die natuurlijk alles achter moest laten behalve wat ze in een bootje konden laden, verspreidde zich over de omgeving. Velen waren verarmd en moesten door liefdadigheid geholpen worden. Anderen vestigden zich tussen de boeren aan de noordkant van de Merwede of in de Langstraat. Tussen de wat hogere stukken oeverwal of donken ontstonden op den duur kreken en moerasgebied.

De dijk langs de Merwede bleef er echter nog lang liggen, al ontstonden er soms wel gaten in waar kreken in uitkwamen. De kasteelplaatsen van de huizen te Merweden en Crayenstein lagen hoger en de kastelen bleven gewoon staan. Merwede werd echter verlaten door de heer, ook omdat de familie uitstierf. Het kasteel werd door Dordtenaren dankbaar als steengroeve gebruikt. Crayenstein bleef waar het stond en was soms ook bewoond door de heren. Tot het land eromheen niet langer meer bruikbaar was en de laatste ambachtsheer, Splinter van Hargen, het huis in 1563-64 af liet breken. De stenen verkocht hij aan de inwoners van Sliedrecht aan de overkant. Misschien zitten er nog fundamenten onder de oever of in de rivier, maar die zijn nooit opgegraven. In 1592 was het dus al bijna 30 jaar verdwenen en zeker niet langzaam in het moeras gezakt.
Kasteel Crayenstein 03Op dezelfde plek werd trouwens ten tijde van de opstand (dus na 1568) een redoute gebouwd, een klein vierkant fortje, dat er een flinke tijd heeft gelegen. Misschien is het fortje wel opgericht op de fundamenten van het kasteel. De naam werd op den duur verbasterd tot ronduit en tot de Derde Merwehaven werd aangelegd heette de polder hier de Ronduit en kwam de Ronduitsloot er uit in de rivier.

Kasteel Crayenstein 04
De tekening boven het bijschrift.

Of de getekende afbeelding uit 1537 dateert is onwaarschijnlijk; hij ziet er eerder 17e of 18e eeuws uit. Waarschijnlijk is het daarom een fantasietekening. Lips schreef in zijn Geschiedenis van Sliedrecht dat het kasteel nog is afgebeeld op een kaart van het gebied uit 1537 die door ene Cornelis Schilder gemaakt zou zijn, dus hij bedoelt hier niet dit aanzicht mee. De schrijver van het bijschrift heeft die verwijzing dus verkeerd begrepen.

Kasteel Crayenstein 05
De gekopieerde kaart uit 1537 van Cornelis Schilder (12.9.1591) – Hingman 1890A.

Deze kaart, een kopie uit 1591, berust nog steeds bij het Nationaal Archief en erop is heel goed te zien dat het kasteel geen ruïne is. Op een kaart van het ambacht Crayenstein zoals dat er in 1543 uitzag is verder heel duidelijk te zien dat het kasteel op het uiterste oosteinde van het nog tamelijk goed herkenbare ambacht lag. Het nog steeds niet vervallen gebouw, met een flinke toren, werd aan drie zijden omgeven door water. Geen wonder dat Van Hargen er niet helemaal rustig woonde, als hij dat al deed, want hij was ook nog heer van Oisterwijk.

Kasteel Crayenstein 06
Kaart van de ambachten Merwede en Crayenstein, 1543 (Hingman 1978) uit W. van Wijk, Historische atlas van de Biesbosch (Zwolle 2012) 38-39.

Overigens is uit deze kaart ook op te maken waar het kasteel precies lag; pal ten zuiden van de kerktoren van Wijngaarden. Als je nu een loodlijn van die toren naar het zuiden trekt kom je uit op de oever boven de Derde Merwedehaven, ongeveer tegenover het Kerkerak in Sliedrecht. Volgens kaarten uit de 17e eeuw lag het kasteel waarschijnlijk schuin tegenover de molen in het vroegere wijk C, waar de huidige Molendijk naar genoemd is, iets naar het westen.

Hoeveel dorpen er tijdens en na de Elisabethsvloeden zijn ‘verdronken’ is bijna niet te reconstrueren. Het hangt er maar vanaf wat je als een dorp beschouwt. Er kunnen, net als Sliedrecht, meer dorpen geweest zijn die uit meer ambachten hebben bestaan. Daar is echter nooit onderzoek naar gedaan. Tegenwoordig wordt uitgegaan van rond de 15 kerkdorpen of parochies, waarbij die soms in enkele ambachten onderverdeeld kunnen zijn. Meer dan 30 kunnen het er bijna niet geweest zijn, misschien inderdaad maar 23, maar nader onderzoek zal dat uit moeten wijzen .

Waarom Arnoud van Crayenstein als een belangrijk heer wordt aangeduid is me echter een raadsel. Er is bijzonder weinig van hem bekend, behalve dat hij tussen ongeveer 1315 en 1339 ambachtsheer was na de dood van zijn oudere broer Zeger. Hij was een jongere zoon van Sophia van Riede, vrouwe van Crayenstein en Herbaren van Drongelen en was dus eigenlijk een Van Drongelen. Hij ging zich echter Van Crayenstein noemen en wijzigde de achtergrond van zijn vaderlijk wapen met het zilveren rad van blauw in zwart. Hij had een zoon Herbaren, die vroeg stierf, en een dochter Sophia, die met Dirk van Teilingen trouwde, waarna het ambacht in die familie kwam. Dat is het.

Het bijschrift laat dus nogal wat fouten, aannames en een verkeerd begrepen beschrijving zien en de vraag blijft waarom Arnoud van Crayenstein zo belangrijk werd gevonden.

Henk ’t Jong MA
Dordrecht , 1.11.2014