31 – Aanleg Rijksweg 15

Al in een ver verleden is een goed wegennet van belang. Zo hebben de Romeinen de heerwegen. Heer betekent hier leger. De naam wijst op het oorspronkelijk doel van deze ’snelwegen’. Na de val van het Romeinse Rijk raken deze wegen in verval.

Een latere vorm zijn de handelswegen, de Hanzewegen, vanaf 1400 tot aan het eind van de Middeleeuwen. Ze vormen een verbinding tussen de oude Gelderse Hanzesteden. Het wegennet in de Nederlanden van de zeventiende en achttiende eeuw bestaat vrijwel alleen uit wegen die het ene dorp verbinden met het andere. Uitzonderingen hierop zijn de Hessenwegen (oude handelswegen).

Later, ten tijde van Koning-Stadhouder Willem III (eind zeventiende eeuw), maken we kennis met de Koningswegen. Deze zijn aangelegd ten behoeve van de jachtactiviteiten van de koning.

De Franse bezetting brengt verandering. De  Napoleonswegen zijn verhard,  meestal kaarsrecht. Gepland om voor het Franse leger snel militaire troepen en materieel te verplaatsen. Pas in de negentiende eeuw ontstaat een verhard wegennet. Tussen 1820 en 1850 wordt 500 km extra bestrate rijksweg bijgebouwd. Daarna zijn er lange tijd vrijwel geen nieuwe wegen aangelegd.

De opening van de eerste Nederlandse spoorweg in 1839 zet echter een rem op de ontwikkeling van het in 1814 door koning Willem 1 gepresenteerde wegenplan. Een andere concurrentie voor de verkeersweg vormt de trekvaart.

De roep om een modern wegennet wordt steeds luider
De grote verandering komt rond 1900. Nieuwe transportmiddelen, de fiets en even later de auto. Begin 1898 telt ons land dertien autobezitters. Bij het verlenen van een vergunning krijgt de automobilist een volgnummer. Nummer één wordt uitgereikt op 26 april 1898; het laatste klassieke volgnummer op 30 december 1905. Hierna worden de autonummers een zaak van de provincie. Het nummerbord krijgt een toevoeging in de vorm van een provinciale letter.
Het is Ir. Lely die als minister van Waterstaat erop aandringt te komen tot een landelijk hoofdwegennet  Erg serieus neemt de overheid auto’s en auto(snel)wegen nog niet. In 1915 lukt het Ir. Lely  te komen tot een introductie van de Rijkswegencommissie. Dat is de eerste aanzet tot het Rijkswegenplan van 1927.

Geschiedenis-3101Het Rijkswegenplan 1927
Dit plan is het eerste echte wegenplan dat sinds Napoleon wordt gepresenteerd. Liefst 2800 km aan rijkswegen zullen in een tijdsbestek van nog geen dertig jaar aangelegd moeten worden. Andere provinciale en gemeentelijke wegen zullen worden uitgebreid. Twaalf bruggen over de grote rivieren zijn gepland. De kwaliteit van de Nederlandse wegen is slecht. De meeste wegen zijn smal, meestal maar drie meter of minder. Intensiever gebruik beschadigt het wegdek en de reparaties zijn onvoldoende. Bovendien zorgen tolplaatsen en veerponten voor enorm veel oponthoud. Intussen zijn er een aantal dingen gebeurd die van belang zijn voor de latere ontwikkeling van het Rijkswegennet in Nederland.

We denken dan aan de groeiende populariteit van asfalt. Het probleem met de negentiende-eeuwse wegen is vooral het onregelmatige oppervlak en stof. Stof vormt een bedreiging voor de gezondheid. Wegen worden besprenkeld om het stuiven te voorkomen In 1850 wordt in Europa de eerste asfaltweg geopend. De eerste Nederlandse proef met asfaltsteenslag wordt in 1923 genomen bij Wassenaar. Op aansturen van Gerrit Jan van den Broek wordt de Wegenbelastingwet (1926) aangenomen, waarin het meebetalen aan de wegenbouw door de gebruikers wordt geregeld. Het plan van Van den Broek krijgt vorm in juni 1927, als hij het Rijkswegenplan presenteert.

Nieuwe trajecten en bruggen
In het plan worden de belangrijkste steden van ons land met elkaar verbonden. Ook komen er een aantal nieuwe trajecten, waaronder Den Haag-­Utrecht, Den Haag-­Rotterdam, Rotterdam-­Gouda­-Amsterdam, Amsterdam­-Utrecht en Amsterdam­-Leiden. Verder bevat het plan een aantal grote verkeersbruggen. Doorgaande wegen zullen niet langer  gehinderd worden door talloze pontveren. In een kort tijdsbestek krijgt Nederland de beschikking over geweldige verkeersbruggen, waaronder de brug over de Noord bij Alblasserdam (1939).

Rijksweg 15
In 1932 vinden we een bericht in de Nieuwe Rotterdamse Courant over het feit dat de minister van Waterstaat het tracé van de nieuwe rijksweg door de Alblasserwaard heeft vastgesteld. Vanaf Alblasserdam over de Achterdijk naar Papendrecht, naar Sliedrecht over de Oude Tiendweg, bij Giessendam over de Peulen en voorts naar Gorinchem tussen het Kanaal van Steenenhoek en de spoordijk. Vanuit de kant van de gemeenten ziet men de weg liever iets noordelijker geprojecteerd. Ondanks diverse protesten, o.a. van de kant van de landbouwers, zal de weg er uiteindelijk  zoals boven beschreven komen. Begin 1933 is het zover dat er een proefstuk in de Sliedrechtse polder zal worden aangelegd.

Het aanleggen van een nieuwe rijksweg gaat uiteraard gepaard met de onteigening  van gronden en het slopen van woningen. De prijzen variëren van f 1,25 tot 30 cent per m². Het zal niet vreemd in de oren klinken dat dit nogal op bezwaren stuit. Reikhalzend ziet men in januari 1934 uit naar het tijdstip waarop de eerste spade in de grond zal worden gestoken. Hierbij is men echter afhankelijk van de gelden die van het ministerie moeten komen. Hoewel de minister 40 miljoen gulden heeft uitgetrokken voor de uitvoering van de werken, is het nog lang niet zeker dat Rijksweg 15 hiervan zal profiteren! Dit wordt bewaarheid door het volgende bericht in de krant van april 1934: Naar wij vernemen zal met de aanleg van de rijksweg door de gemeente Hardinxveld dit jaar nog niet worden begonnen. Enige woningen, die al zijn onteigend en ontruimd, worden nu weer bewoond! Echter, een maand later lezen we over de aanbesteding van de rijksweg Rotterdam-Elst, (gedeelte Buldersteeg tot aan Schelluinen). De raming is f 150.000,-.

Werklozenproject
Het bestuur van de vereniging ‘Hardinxveld Vooruit’ verzoekt de minister van Waterstaat te bepalen dat een gedeelte van het werk met handarbeid moet worden uitgevoerd in plaats van met machines, waardoor een groot aantal werklozen uit de gemeente te werk gesteld zal kunnen worden, terwijl de kosten van het werk er niet door zullen stijgen. De laagste inschrijver is de N.V. Aannemingsmij en Wegenbedrijf P. C. Zanen  te Haarlem voor een bedrag van f 119.000,-, volledige machinale behandeling en voor f 149.000,-  met zoveel mogelijk gebruikmaking van handkracht.
Geschiedenis-3102
De aanleg wordt echter gegund aan de N.V. De Geruischlooze Weg te Heemstede die het werk in het kader van de werkverschaffing met zoveel mogelijk handkracht zal uitvoeren.  De kans op het vinden van werk voor een groot aantal werklozen uit de gemeente Hardinxveld is hierdoor groot geworden. Dit lukt inderdaad. Er worden 74 werklozen  tewerkgesteld. Dit voor een uurloon van f 0,30.

In september 1934 vordert men al goed met de aanleg. Twee stoomwalsen bewer-ken een dikke laag hoogovenslakken. De slakken zullen bedekt worden met klinkers, die in november aangebracht worden. Ongelukken blijven bij de werkzaamheden niet uit. Een met zand beladen kipkar kantelt, doordat het zand te ver is weggegraven. Een van de arbeiders wordt bedolven. Gelukkig is er bij hem niets gebroken!

In maart 1935 is het eerste deel van de rijksweg, ruim 3 km, gerealiseerd. Op 15 april is de openstelling voor het verkeer tussen Schelluinen en de Buldersteeg te Hardinxveld. Het nieuwe rijwielpad langs het kanaal van Steenenhoek is dan al in gebruik genomen. De aanbesteding van deel twee van de rijksweg, het deel door de Peulen, zal spoedig daarna plaatsvinden.

Door de Peulen zal een aarden baan worden aangelegd. Verder staat de inpoldering van dit gebied op de agenda. Hiertoe zal een sluis gemaakt moeten worden, zodat een afwatering naar de Merwede mogelijk is. Een zaak waarmee zowel de gemeenteraad van Hardixveld als die van Giessendam hebben ingestemd.

Geschiedenis-3103Aanbesteding in augustus 1935
De aanbesteding, gepland voor 17 september betrefende het deel van de Peulen tot Papendrecht, is verschoven naar 1 oktober. Het betreft een bedrag van f 1.400.000,- aan grondwerken.

De diverse viaducten en bruggen zullen over twee jaar apart worden aanbesteed. Een laag zand ter dikte van twee meter zal aangebracht moeten worden. Gerekend wordt op een verzakking van de bodem met één meter. Dit kan plaatselijk mee- en tegenvallen. Berekend is dat de veenlaag hier en daar negen meter dik is!  Het zand zal zich gedurende een periode van twee jaar moeten zetten. Bij het Sliedrechtse station zal meer zand gestort moeten worden i.v.m. de aan te leggen op- en afritten. Juist op die plaats heeft men een zeer dikke veenlaag aangetroffen. Het viaduct over de Stationsweg zal een lengte hebben van honderd meter. De hoogte zal vier meter zijn. Het viaduct bij de spoorbaan te Baanhoek zal een zogenaamd etage-viaduct worden. Het snelverkeer gaat ter halve hoogte door de spoorbaan, terwijl de voetgangers, wielrijders en paardentracties een verdieping lager de spoordijk zullen doorkruisen. De Parallelweg loopt dan weer met een eigen viaduct onder de aan te leggen rijksweg door.

Op de grens Sliedrecht – Giessendam zal de nieuwe rijksweg de dijk kruisen. Op die plaats komt een viaduct, in de vorm van een boogbrug, waaronder het verkeer richting de Peulen  zal gaan. De rijksweg zal ter hoogte van de Peulen tevens dienst gaan doen als nieuwe waterkering. Een tweede kruising van de rijksweg met de dijk gaan we krijgen in Hardinxveld nabij de ijzergieterij Versteeg. Eenzelfde boogbrug zal hier gebouwd worden. Er vindt echter opnieuw uitstel van aanbesteding plaats. Dit in verband met problemen inzake het grondwerk dat men voornemens is te doen in het kader van de werkverschaffing.

De rijksweg zal een aarden baan met een kruinbreedte van 19 meter krijgen. Het traject tussen Baanhoek en de Buldersteeg heeft een lengte van 10 km. Op- en af-ritten staan gepland bij de spoordijk te Baanhoek, bij de Stationsweg te Sliedrecht en de Nieuweweg te Hardinxveld. Het werk wordt gegund voor f 1.080.000,-. De oplevering dient plaats te vinden na 600 dagen. De laagste inschrijver voor dit traject is aannemer A. J. Siepe te Winterswijk voor een bedrag van f 950.000,-. Er zullen circa 150 werklozen te werk worden gesteld. Dit gaat in de volgende verhouding: Hardinxveld:Giessendam:Sliedrecht als 3:2:5. Het loon bedraagt 35 cent per uur.

Peulen
In 1936 wordt voor de aanvoer van zand een spoorrails gelegd over de Nieuweweg en de Merwededijk door de firma Siepe. Gedeputeerde Staten geeft toestemming voor de bouw van een sluis ten noorden van de ontworpen rijksweg ten behoeve van de drooglegging van de Peulen. Merkwaardig is wel dat het deel van de rijksweg tussen Schelluinen en Gorinchem is overgeslagen bij de werkzaamheden. Dit heeft te maken met de onzekerheden over de plaats waar een brug over de Merwede zal komen. Pas in 1963 zal de ingebruikname van de brug plaatsvinden. (Het deel Schelluinen-Gorinchem wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog op provisorische wijze aangelegd en in gebruik genomen.)
Geschiedenis-3104
De opdracht tot het maken van de viaducten aan de rijksweg wordt gegund aan de N.V. Zwolsche Bitumenbouw voor f 103.343,-. Het werkverschaffingsproject verloopt niet zonder strubbelingen. Na een staking volgen ontslagen bij de tewerkgestelden.

Bij het inheien van de betonpalen voor het viaduct rijksweg te Sliedrecht zakken de zes ton wegende palen zonder enige druk meters diep in de veenbodem weg. Het zand is intussen aangevoerd. De rijksweg krijgt een breedte van 31 meter. Er komen twee rijstroken van 6,25 meter, fietspaden en een middenstrook van 4,50 meter met bermen tussen de rijweg en de fietspaden.

Geschiedenis-3106Boogbruggen
Het maken van de schutsluis met overbruggingen in rijksweg 15 voor het sluisschap Giessendam-Hardinxveld wordt gegund aan N.V. Kraaijeveld Aannemers Maatschappij en A. Hofman te Heemstede voor een bedrag van f 136.000,-. Aan het werk begint men in juni 1937. De sluis zal ongeveer in januari 1938 gereed zijn.

Voor de bouw van de brug over de rijksweg te Hardinxveld vindt een tijdelijke omlegging van de dijk bij ijzergieterij Versteeg plaats. Langs de rijksweg zal een fietspad komen richting Sliedrecht. In 1938 is de zandtoevoer gestopt en gaan de werklozen aan de slag met het afdekken van de rijweg met klei. Niet iedereen is het eens met de onteigeningen. Er wordt zelfs een vereniging opgericht om de gezamenlijke belangen te behartigen! Op 7 juni 1938 vindt de aanbesteding van de verharding van de  aarden baan tussen Buldersteeg en Baanhoek, en de bouw van drie boogbruggen van gewapend beton met bijkomende werken, plaats. Dit zijn de passages bij Oud-Alblas, Sliedrecht en Giessendam-Hardinxveld. De N.V. Bato te ‘s Gravenhage is met f 576.890,- de laagste inschrijver.

Schutsluis
Kennelijk valt de bouw van de nieuwe sluis tegen. Pas in augustus 1938 wordt bij de Molenplaat de vlag gehesen! Gemeentebesturen van Giessendam en Hardinxveld en verdere genodigden maken de feestelijke gebeurtenis mee. Schepen liggen al voor de sluis te wachten op de doorvaart. Al 25 jaar eerder was er nagedacht over deze bredere vaarweg naar de Merwede. Een tweede nut is de  verversing van het water in het Peulengebied. Tot sluismeester wordt benoemd de heer W. Breur.

De hoop is om de rijksweg eind 1939 gereed te hebben, inclusief de brug over de Noord. Voor de onderbouw van een spoorbruggedeelte te Baanhoek bij km 86.188. is N.V. Zwolsche Betonijzerbouw  met f 27.881,- de laagste inschrijver.

De openbare aanbesteding in januari 1939 voor het maken, leveren, stellen en verven van een brug voor enkelspoor over rijksweg 15 nabij Baanhoek bij km 86.188 is de laagste inschrijver: Kon. Ned. Machinefabriek v.h. E.H. Begemann te Helmond.

In januari 1939 worden de overige 200 palen geheid voor de tunnel rijksweg 15 te Neder-Hardinxveld. De palen hebben een lengte van 12 tot 17 meter. Voor de twee viaducten van gewapend beton in rijksweg 15 langs de spoorweg Dordrecht – Gorinchem onder de gemeente Sliedrecht is de laagste inschrijver N.V. G en A. Schrale te Zwolle. Prijs f 123.867,-.

In oktober 1939 is het zover dat het wegdeel tussen de Buldersteeg en de Nieuweweg wordt opengesteld. In die maand zal ook de brug over de rijksweg bij Hardinxveld worden geopend.

Geschiedenis-3107Geschiedenis-3108Geschiedenis-3109Opening brug over de Noord
Dinsdag 14 november 1939 vindt de opening van de brug over de Noord plaats. Hoofdoverspanning 165 meter. Aan weerszijden kleinere overspanningen van respectievelijk 48 en 42 meter. Aan de oostzijde een viaduct van 615  meter. Deze zijde is gekozen daar de bodem ter plaatse zeer drassig is. Op deze dag wordt ook het deel tussen Ridderkerk tot aan Stationsweg te Sliedrecht opengesteld. Een traject van 13 km met aan de westzijde twee rijbanen, naar het oosten voorlopig één rijbaan. De grondbaan is ter plaatse al wel geschikt voor twee rijbanen! Aan de opening is geen feestelijk tintje gegeven. De openstelling van het traject voor het verkeer is 14.00 uur. Het plan tot de openstelling tussen Sliedrecht en Hardinxveld is december 1939. Het fietspad  langs de rijksweg wordt vanuit de richting Baanhoek in november 1939 geopend tot aan de Stationsweg. Het viaduct nabij de Veerweg te Papendrecht wordt een maand later opgeleverd. Zaterdag 27 april 1940 vindt de openstelling van rijksweg 15 tussen de Nieuweweg te Hardinxveld en de Stationsweg te Sliedrecht plaats. Hiermee is het plan rijksweg 15 in onze omgeving voltooid! De Duitsers maken in mei 1940 al rap gebruik van de nieuw aangelegde weg!

 

Tekst: Bas Lissenburg

Bron: Diverse digitale kranten

30 – Winter 1954

Bron Digitale archief Gorinchemse couranten.

Een jaar na de Watersnoodramp van 1953 wordt ons land ‘getrakteerd’ op een ouderwetse strenge winter. Het gevaar van een overstroming bij een invallende dooi is niet denkbeeldig. Door kruiend ijs is dit gevaar zeker aanwezig! Op 4 februari 1954 komt Prinses Wilhelmina, tijdens een niet aangekondigd bezoek, bij de Tolsteeg naar het werk van de ijsbrekers op de Merwede kijken. Drie binnenschepen worden door de ijsbrekers uit het ijs verlost. Het zijn de Spanje, de Linge en de Spaarne en twee slepers van de rederij Haniël, eigenaar van de ingevroren schepen.
Geschiedenis-3001
De inwoners van Sliedrecht hebben vanaf de dijk een prima uitzicht! Rijkswaterstaat heeft een plan opgesteld om het ijs op de veiligste manier door ijsbrekers te laten te breken. Eerst zal men in de Nieuwe Merwede en de Boven-Merwede het ijs breken. Dit gebeurt vanaf Moerdijk. De ijsbrokken dienen weg te stromen, richting zee, via de Nieuwe Merwede! Pas later zal het ijs in de Beneden-Merwede gebroken worden.

De Prinses arriveert rond één uur per auto met de pont vanuit Dordrecht te Papendrecht. Bij de Tolsteeg verschijnt ze om half twee. Men is op die plaats bezig met het bevrijden uit het ijs van drie ingevroren rijnschepen. Al spoedig wordt de Prinses herkend. Talloze nieuwsgierigen komen op het bericht van het Koninklijk bezoek af. Burgemeester Winkler en de gemeentepolitie weten het publiek op de juiste afstand te houden. De Prinses kijkt vanuit haar auto naar het werk van de ijsbrekers. Onder luid applaus vertrekt de vroegere Koningin weer.

Geschiedenis-3002Terug in de historie
We schrijven januari 1954. De Merwede ‘zit’ en de eerste men-sen hebben al een tocht te voet over het ijs afgelegd. IJsbrekers hebben al een poging gewaagd om bij Werkendam door het ijs heen te komen, maar Gorkum en het eindpunt van de Beneden-Merwede is nog lang niet bereikt. De rivier zal nog wel even in de koude greep gevangen blijven…

Het komt in de geschiedenis meermalen voor dat zich drijfijs op de Merwede bevindt, maar dat men er over heen kan lopen komt minder voor. In 1917 is dat het geval en pas daarna gebeurt het in 1929. In dat jaar heeft de rivier een behoorlijk lange tijd onder het ijs vastgezeten. Op 11 februari heeft het zich gehecht en pas op 7 maart is er weer open water te zien. Bijna een maand heeft de Merwede toen ‘gezeten’.

Geschiedenis-3002aHet verloop in de maand februari 1929 is zeer vlot. Op 11 februari ‘zit’ de rivier en op 12 februari kan men er al overheen lopen! Op 14 februari worden er bij Gorkum voetpaden gelegd naar Sleeuwijk en Woudrichem. Zelfs auto’s gingen al spoedig over de ijsvlakte. De ijsdikte bedroeg gemiddeld 1,25 meter. Het heeft die winter bar hard gevroren. Van de 672 uren die de maand februari telt, vroor het 526 uur!

Geschiedenis-3003Ook in 1940 heeft de rivier ‘gezeten’, zij het slechts kort. In het begin van januari is er al drijfijs en na een korte periode van dooi, wordt de vorst hervat en het drijfijs wordt veelvuldig. Op 19 januari wordt het drijfijs zeer zwaar en de overzichten melden, dat op 20 januari reeds mensen te voet overstaken. Dit heeft niet lang geduurd. Op 25 januari verschijnen ijsbrekers, die echter zo langzaam en moeilijk opschieten dat als ze in de buurt van Vuren zijn, zij geholpen moeten worden door militairen met springstoffen om hun weg te kunnen vervolgen! Nadien heeft de rivier nog drijfijs gehad. Het is dan echter uitgesloten om een overtocht te doen. In de winter van 1942 was het weer prijs. Ook dan bedekt een dikke ijslaag de rivier. Dit gebeurt eveneens in de vorstmaanden van 1946/1947.

Op de Nieuwe Merwede al actief
In 1954 is dit ook weer wel het geval. De eerste voetgangers hebben de risicovolle tocht over de rivier al gemaakt! Tussen de aaneengevroren schotsen bevinden zich nog open gedeelten! Mensen begeven zich op de schaats op de rivier. Hoe lang het deze keer allemaal zal duren? We moeten de komst van de ijsbrekers afwachten. Wanneer en waar de rivier zal worden opengebroken is nog maar de vraag. Er wordt gemeld dat de ijsbrekers op de Nieuwe Merwede al actief zijn. Ze zullen nog zo’n zeven kilometer van Werkendam verwijderd zijn. De Beneden-Merwede is ook al voor een deel ijsvrij gemaakt daar er voor Dordrecht schepen liggen in gevroren.

Het kan echter nog wel even duren voordat al het ijs in de Boven-Merwede zal zijn verwijderd. De gemeentelijke veerdienst heeft een voetpad over het ijs aangelegd naar Sleeuwijk. Binnenkort is de overtocht te voet te maken! De veerpont is uiteraard uit de vaart genomen.

Zware ijsbarrières in de Merwede
De ijsbrekers die in dienst van Rijkswaterstaat op de Nieuwe Merwede werken, hebben opnieuw een poging gedaan om Werkendam te bereiken en ditmaal zijn zij er na een zware strijd in geslaagd om dit kritieke punt te bereiken. ’s Morgens om 10.30 uur zijn ze reeds op zeven kilometer afstand van deze plaats; het punt waar zij twee dagen achtereen moesten terugkeren. De vloot is nu versterkt met de Spitsbergen en ook de zware Siberië is weer present, maar de Canada laat nog verstek gaan wegens averij. De zes zwaarste schepen rukken op naar Werkendam, gevolgd door twee ‘En Avants’ die de schollen kleiner maken. Drie ijsbrekers blijven achter bij de Moerdijkbrug, om daar het vastraken van de ijsvelden te voorkomen.

Geschiedenis-3004Het is de zwaarste dag geworden voor de ijsbrekervloot. Op het punt bij Werkendam, waar de drie rivieren samenkomen, blijkt zich aan de zuidzijde een zware ijsdam gevormd te hebben, die de helft van de rivier in beslag neemt en zich over een lengte van een kilometer uitstrekt. De acht ijsbrekers hebben drie uur moeten zwoegen om deze muur van ijs te doorbreken. Men was er wel op voorbereid, dat het ijs hier zware tegenstand zou bieden, maar dit had men niet verwacht! Het is nu nog onmogelijk door te stoten naar Gorinchem. Op de terugweg stuit de vloot op weer zwaar opnieuw vastzittend ijs bij de Kop van ’t Land en het duurt geruime tijd eer hier de weerstand is overwonnen. Pas om zeven uur vaart men de haven van Moerdijk binnen. De bemanningen hebben het zwaar te verduren gehad en zijn dan ook doodmoe.

Geschiedenis-3005IJsdammen
“Een van de grote angsten van de bewoners van het rivierengebied was de ijsgang in de rivieren tijdens vorstperioden. Zware ijsgang en kruiend ijs konden immers veel schade aan dijken en bruggen toebrengen. Nog gevaarlijker waren de ijsdammen van soms wel 10 meter hoog die de afvoer van het water blokkeerden. Hierdoor kon het water achter de dam dramatisch snel stijgen en moesten de bewoners, voor zover mogelijk, een goed heenkomen zoeken. Hoewel ze meestal niet volkomen waterdicht waren, liep al bij normale watertoevoer het water voor deze ijsdammen vaak zo hoog op dat de dijken overliepen en doorbraken. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw werd een start gemaakt om de loop en de bedding van de rivieren drastisch te reguleren en te verbeteren. Het graven van de rivier de Nieuwe Merwede is hiervan een mooi voorbeeld.”

Sliedrecht moet geduld  hebben
Er wordt in totaal met veertien schepen gewerkt op de Nieuwe Merwede, de Boven-Merwede en De Waal. Een ploeg van zes opereert stroomopwaarts en een groep van acht schepen zorgt er voor dat het ijs rustig naar zee kan worden afgevoerd. Het is daarom noodzakelijk, dat het ijs in de Beneden-Merwede, dus van Hardinxveld tot Dordrecht, blijft ‘zitten’. Er is bij Hardinxveld-Werkendam een mooie bocht in het ijs ontstaan, waarlangs het ijs van bovenaf wordt afgevoerd naar de Nieuwe Merwede. Als deze bocht er uit zou zijn, dan zal het ijs rechtdoor willen gaan en onherroepelijk vastlopen. Als men de Beneden-Merwede ook zou openbreken, zal er te veel ijs langs Dordrecht worden gevoerd. Een opeenhoping zou ontstaan, die zeer gevaarlijk zou zijn. Tevens zou er dan geen scheepvaart van Dordrecht naar Rotterdam meer mogelijk zijn. Willens en wetens laat men de Beneden-Merwede dicht zitten.

Geschiedenis-3006Hetzelfde liedje
De vorst is zo hevig, zo hardnekkig dat de ijsbrekers er in de Nieuwe Merwede enkele dagen over hebben moeten doen om deze ijsvrij te krijgen. Telkens als zij ’s morgens uit de haven van Moerdijk varen, is de rivier weer dichtgevroren en kan men opnieuw gaan breken. Zo wordt enige malen Werkendam bereikt, maar verder komt men niet. Het is dan al weer tegen donker geworden, zodat de thuishaven Moerdijk weer opgezocht wordt. En de volgende dag is het dan weer hetzelfde liedje. Maar eindelijk is men dan toch doorgestoten naar Gorinchem! Het is ’s morgens nog erg heiig en met een verrekijker is er in Gorinchem nog geen spoor van de ijsbrekers te bekennen. Deze kunnen toch niet zo heel ver weg zijn. ’s Middags is er enig leven in westelijke richting te bespeuren. Even later doemen de boten uit de nevel op. De ijsbrekers zijn in aantocht. Velen willen het breken van het ijs zien. Van grote afstand worden de vorderingen van de boten gevolgd. Vooruit, achteruit, stukje vooruit… Zwaar slaan de schroeven door het water, ijsbrokken kapot beukend. Grote ijsvelden raken los en drijven van de rest westwaarts weg. Als de schepen zich tegen de avond afmeren, gaat er een hoeraatje op onder de toeschouwers. De bemanning is blij dat de bestemming Gorkum is gehaald. Anders zouden ze weer helemaal terug moeten gaan naar Moerdijk. Tussen de genoemde plaatsen is namelijk geen haven te vinden met genoeg diepgang! De volgende dag, zondag, wordt het werk voortgezet. Richting Loevestein gaat het. De ijsvelden worden in  brokken gesneden. Er zit goede vaart in het wegstromende ijs. Men kan de verschillende voetpaden, nog bedekt met zand en afgezet met palen, richting Nieuwe Merwede langs zien drijven.

Geschiedenis-3007Einde schaatspret
In Sliedrecht kan men nog enige tijd op de rivier schaatsen, maar … het einde van de winterpret nadert. Donderdag 18 februari wordt, na een stremming van 18 dagen, door de ijsbrekers het ijs gebroken. Na vijftien minuten is er alweer vaart op de rivier mogelijk. De natuur kent toch onnavolgbare krachten! Eerst de storm en het alles vernielende water in 1953; een jaar later de koude die een altijd maar stromende rivier in een vaste greep weet te houden.
Artikel bewerkt door Bas Lissenburg (december 2010)

29 – Watersnood 1953

Het weerbericht voorspelt zaterdag 31 januari 1953 weinig goeds. Via de radio vernemen we het weerbericht van 18.00 uur: “Boven het noordelijke en westelijke deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen noordwest en noord. Het stormveld breidt zich verder uit. Verwacht mag worden, dat de storm de gehele nacht zal voortduren en in verband hiermede werden vanmiddag om half zes de groepen Rotterdam, Willemstad en Bergen op Zoom gewaarschuwd voor gevaarlijk hoog water.” Om elf uur ’s avonds is het zover. Het waterpeil in de Merwede stijgt met de minuut. De buitendijks wonende mensen zijn op hun hoede. Heel Sliedrecht is in rep en roer.

Geschiedenis-3001
Het anders zo lieflijke ‘Klaaindiepie’, een boosdoener voor de bewoners van Wijk C tijdens de Watersnoodramp van 1953

Al omstreeks twaalf uur staat er water in de Kerkstraat en de Dijkstraat. Het Klein Diep is buiten de oevers getreden. Langs de gehele dijk is men buitendijks aan het ‘kisten’. Planken worden voor deuren en ramen aangebracht. De hamerslagen klinken door het hele dorp. Het is dé manier, die in de buitendijkse woningen al eeuwenlang wordt toegepast, om het water buiten te houden.

Geschiedenis-3002“In de buitendijkse stoepwoning, A 178, waar ik opgroeide, is het al niet anders. Mijn vader is bedreven in het ‘kisten’. Als hij zelf klaar is, wordt er nog bijgesprongen bij de buren. Het water komt echter steeds verder richting dijk. Tijd om binnen maatregelen te nemen. Het vloerkleed in de kamer verhuist naar de zolder. De haardkachel en het dressoir worden bovenop de tafel gestald. Andere meubel-stukken verhuizen via het laddertje in de keuken naar de zolder. Nog is alles droog in huis. Het water staat al op het stoepje voor de deur. Een tijdje later horen we het tegen de kistplank aanklotsen. De wind giert door de stoep. Een uur later nadert het water de dijk. Bij ons binnen luidt op dat moment de noodklok. Het water is via het raam en even daarna over de kistplank heen ons huis binnengedrongen. Het zeil wordt al als verloren beschouwd. Van het behang zal weinig overblijven … We hopen maar dat het hier bij zal blijven.”

Geschiedenis-3003Wellicht zijn de mensen in de polder, zoals in Wijngaarden, nog niet op de hoogte van wat er rond de dijken afspeelt. Tijd om de noodklok te luiden, mobiele telefoons zijn uiteraard nog onbekend. Om half vier ’s nachts begint het gelui van de torenklok van de Grote Kerk. De polderbewoners zijn gewaar-schuwd! De dijk bij Papendrecht is doorgebroken! In Sliedrecht is de toestand eveneens zorge-lijk. De dijk bij de Tolsteeg loopt gevaar. Velen sjouwen met zandzakken om een dijkdoorbraak te voorkomen. Gelukkig slaagt men hierin.

“Intussen zijn we naar de zolder verhuisd. Het water staat zo hoog in de benedenverdieping dat de kolenhaard in de keuken met de poten in het water staat. We hebben nog wel kunnen zien dat het water tot aan het randje van de dijk gestegen is. Van mijn vader hoor ik dat het springtij is! Het wordt – dat zal duidelijk zijn – een onrustige nacht. Van slapen komt niets. Achteraf vraag ik me wel eens af of mijn vader beseft heeft wat er met het oude huisje had kunnen gebeuren. De muren waren beslist niet zo solide. Ik denk hier wel eens aan terug als ik de ravages zie na een aardbeving ergens in de wereld …”
Geschiedenis-3004
Om zeven uur in de morgen luidt de torenklok opnieuw. Op de grens tussen Giessendam en Sliedrecht is de dijk doorgebroken! Met grote kracht stroomt het water al onder de ‘Witte Brug’ over de rijksweg de Sliedrechtse polder in. Deze wordt nu van twee kanten bedreigd.
Gelukkig begint rond acht uur het water in de rivier te zakken. Honderden koeien worden uit de Binnenwaard, uit hun warme stallen, naar hoger gelegen delen gedreven. Ook op de dijk in Sliedrecht loopt het vee, klaaglijk loeiend, onder begeleiding rond. De dieren worden in loodsen en schuren, zelfs in tuinen ondergebracht.

Geschiedenis-3005Naar een veilige plaats !
“Gelukkig begint het water in onze stoep te zakken. De kistplank gaat er uit en langzaam loopt het vieze water – we woonden nabij een kolenopslag – via de deur naar buiten. Wat een troep blijft er over in de kamer en de keuken. Op meer dan een meter hoogte is het behang drijfnat en donkergrijs gekleurd. Het zeil lijkt veel breder en langer te zijn en bobbelt aan alle kanten. Het huilen staat mijn moeder nader dan het lachen. Ik, als 11-jarige jongen, zie er de ernst niet zo van in. Integendeel, ik vind het allemaal reuze spannend. Vooral als ik hoor dat de dijk op de ‘Kaoi’ doorgebroken is. Gauw er heen, slapen kan later wel! Wat ik daar zie, zal ik nooit meer vergeten. Beseffen wat de gevolgen zijn, doe ik niet echt. Het ergste vind ik nog wel dat een deel van ons voetbalveldje weggespoeld is.”

Geschiedenis-3006Zondag 1 februari 1953 wordt er in niet één kerk een dienst gehouden. Verbijsterd luistert men naar de radio. Het besef van een nationale ramp dringt tot de mensen door. De toen nog kleine binnendijkse uitbreiding komt langzaam maar zeker onder water te staan en de bewoners moeten uit hun woningen vertrekken. Dit lot treft ook de bewoners van de vele stoepen die Sliedrecht in deze tijd nog kent. De begraafplaats wordt onbereik-baar. Op een open terrein aan de Merwesingel wordt een noodbegraaf-plaats ingericht. Sliedrecht telt in 1953 het aantal van 16335 inwoners. Hiervan zijn er 6161, een kleine 40%, binnen Sliedrecht bij familie, vrienden of kennissen ondergebracht. Bovendien worden ook nog eens 1100 personen van buiten Sliedrecht in ons dorp opgenomen. Helaas verliest een 86-jarige alleenwonende vrouw, L.Vogel-Kraaijeveld, in Wijk C het leven als zij bij het vluchten voor het water de zolder tracht te bereiken, maar van de trap valt. Als men haar later aantreft, komt de hulp te laat!
Geschiedenis-3007Geschiedenis-3008
In de polder verdrinkt helaas veel vee. De kadavers zijn maar moeizaam te verwijderen. De dode dieren worden naar de rijksweg overgebracht en vervolgens afgevoerd naar een destructiebedrijf.

Geschiedenis-3009Tijdelijk rijden er geen treinen meer. Dit komt doordat de spoorbaan tussen het Wantij en Baanhoek ernstig beschadigd is. De verbinding in de richting Gorinchem is volledig onmogelijk.

Het station Sliedrecht ligt te midden van een enorme waterplas.
Na de versterking van het baanlichaam kan de tijdelijke verbinding Baanhoek – Dordrecht worden ingesteld. Even wordt de oude halte Baanhoek weer in gebruik genomen. Op 19 februari kan de gehele spoordienst echter weer hervat worden.

“Mijn oma woont binnendijks. Als bij ons het water verdwenen is en de boel zo goed en kwaad als mogelijk opgeruimd is, komt in haar tuin het water juist opzetten. Langzaamaan zie ik het achterste deel van haar tuin vol lopen. Met een stok kras ik strepen op het tuinpad. Vol spanning ga ik elke morgen, middag en avond kijken hoeveel water erbij gekomen is. Ja, ik moet wel in de gaten houden dat mijn konijnen niet kunnen verdrinken. Weet ik veel hoe hoog dat het water zou komen? Nou ja, ik heb toch mooi de hele dag de tijd. Maandag nog even naar school geweest, maar gelijk weer naar huis. De school had ook last van het water! Dat vinden we niet erg. Een extra vakantie noemen we het. In de oude gepotdekselde schuur van mijn oma, waar normaal alleen maar wat oude rommel te vinden is, staan nu warempel een paar koeien. Best leuk eigenlijk allemaal …”

Geschiedenis-3010Herstel
Al op zondagavond 1 februari is het gat in de dijk bij de Kaoi dicht. In Papendrecht duurt dat heel wat langer. Pas op 5 februari 1953 lukt het daar om het veel grotere dijkgat te sluiten. Met veel pompen wordt het water afgemalen. Ongeveer 1800 huizen hebben in het water gestaan en 1521 stuks vee hebben in Sliedrecht onderkomen gevonden. Hulpacties komen op gang. Het zelf door de ramp getroffen Sliedrecht brengt 125.000,00 gulden op bij de inzameling voor het rampenfonds. Zodra mogelijk vertrekken de baggeraars naar het zwaar geteisterde rampgebied in Zuidwest-Nederland. De baggermaatschappijen beginnen met hun nieuwste werktuigen aan het sluiten van de dijkgaten. Dit is een nog moeilijker karwei dan het dichten van de dijken op Walcheren in 1946. Boskalis werkt o.a. aan de dijkdichting bij Kruiningen op Zuid-Beveland. Volker werkt o.a. aan het dijkherstel bij Schelphoek op Schouwen.

Geschiedenis-3011“Kom ik op een morgen de waterstand weer ‘opmeten’ en zie dat de watermassa bedekt is met een ijslaagje. Nou dat kan een mooie ijsbaan worden, denk je dan. Dat wordt het inderdaad, maar schaatsen is er niet bij! De politie kijkt er streng op toe dat er geen personen met minder goede bedoelingen bij de leegstaande huizen komen. Zodoende ook voor ons jongens verboden terrein! Met de koeien gaat het prima, de rest van de schuur is intussen gevuld met hooi en stro. De waterhoogte zie ik teruglopen. De dijken zijn weer dicht hoor ik verluiden. Nog steeds geen school. De kachel van de centrale verwarming heeft in het water gestaan en is nu kapot gevroren. Met nog een paar jongens moet ik me soms melden bij de bovenmeester om wat huiswerk op te halen. Geen probleem, toch tijd zat! Natuurlijk wagen we ons wel op verboden terrein. Dat geeft wat spanning. Leuk is het vlotje varen op de losgespoelde bruggetjes over de sloten waarover de boer normaal met paard en wagen van en naar zijn weiland rijdt. Dat je daarbij wel eens een nat pak haalt, als je net boven een sloot zinkt, neem je maar op de koop toe. Al met al was de tijd van de watersnoodramp voor ons toch ook wel een spannende belevenis. O ja, voor we vanuit de 6e klas op 1 april naar een nieuwe school gegaan zijn, hebben we nog een paar gewone schoolweken meegemaakt…”

Bron: De Tijd van Toen … Van Ir. W. Bos.
Cursieve teksten: Jeugdherinneringen van Bas Lissenburg.
Geheel bewerkt door Bas Lissenburg.

28 – Wederopbouw

Geschiedenis-2801Om na afloop van de Tweede Wereldoorlog zo spoedig mogelijk aan de slag te kunnen gaan met de wederopbouw van ons land wordt het in de Biesbosch verborgen baggermaterieel van Volker, Boskalis, de H.A.M. enz. naar de scheepswerven in Sliedrecht gebracht.
Met het opgekalefaterde materieel trekt men in 1945 onder andere naar het door een dijkbreuk getroffen Walcheren, een groot karwei voor de Sliedrechtse baggeraars. Pas in september 1946 zal de klus geklaard zijn. Als feestuiting wordt in de zaal ‘Schuttershof’ te Middelburg tijdens de afscheidsavond door de baggeraars een revue opgevoerd.

1945:
Dijk Westkapelle juist gesloten. De vuurtoren staat nog. De nieuwe dijk is nog maar een mager gevalletje. De oude dijk lag ongeveer aan de linkerrand van de foto. Het meer op de achtergrond is het overstroomde land.
Geschiedenis-2802Nederland gaat na de wereldbrand aan de ‘vooruitgang’ werken. Sliedrechtse baggeraars laten zich niet onbetuigd. Volker gaat aan de slag in Rotterdam. Boskalis heeft een groot aandeel in de uitbreiding van de hoofdstad. Vanuit o.a. de Sloterplas wordt zand opgespoten naar de terrei-nen van de nieuw te bouwen ’tuinsteden’ Slotermeer, Sloter-vaart, Osdorp, enz.

Schaars
In het eigen dorp begint de zoektocht naar de eerder tijdens de oorlog in de bodem verstopte spullen. Veel metalen voorwerpen zijn door zuren behoorlijk aangetast. Ingemetselde voorwerpen in de woningen of onder de vloeren komen wel goed weer te voorschijn. Ook aan diverse Sliedrechtse woningen is heel wat te herstellen. De scholen beginnen weer met de lessen, maar in de winter tijdens de vorst worden de kolen gespaard en blijven de scholen gesloten. Dit niet tegen de zin van de leerlingen! Scholen hadden overigens direct na de oorlog gebrek aan allerlei middelen, zoals speelgoed op de bewaarschool en papier op de lagere school. Levensmiddelen zijn nogal schaars en vaak alleen verkrijgbaar met daarvoor bestemde bonnen.

Geschiedenis-2803Vooruitgang
Vanaf 1947 worden de emmerbaggermolens vrijwel allemaal dieselelektrisch aangedreven. Op het gebied van de accommodatie voor de bemanning wordt na de oorlogsjaren grote vooruitgang geboekt! Wastafels met stromend water, douchecellen en kombuizen met stromend warm en koud water doen hun intrede aan boord. Veel zorg is tevens besteed aan de verwarming, de ventilatie en de isolatie.

Geschiedenis-2804In 1948 wordt herdacht dat het gemeentehuis aan het Dr. Langeveld-plein 25 jaar geleden in gebruik werd genomen.

Ter gelegenheid hiervan worden door de gezamenlijke Sliedrechtse baggermaatschappijen drie gebrand-schilderde ramen voor de trouwzaal aangeboden. Hierop zijn de diverse werkzaamheden van de baggeraars te zien. Naast de voordeur worden enige lantaarns geplaatst.

Geschiedenis-2805Kerk
In hetzelfde jaar vindt een heuglijke gebeurtenis voor de Rooms Katholieke bewoners van ons dorp plaats.
Nabij het viaduct van de rijksweg over de Stationsweg wordt een nieuwe stenen kerk gebouwd.
Deze vervangt het oude houten gebouw waarin tot nu toe de diensten worden gehouden.
Binnen een tijdsbestek van nog geen half jaar staat het gebouw er!

Geschiedenis-2806Einde veer
Per 1 januari komt er een eind aan het laatste van de vijf Sliedrechtse stoomveren. Op Den Hoek waren er in de gloriejaren twee Bovenveren. Een voor de FopSmitboten en een voor de stoomboot die op Heusden voer. Het derde was bij het Middelveer, het vierde nabij hotel-restaurant Bellevue en de vijfde in de rij was het Benedenveer te Baanhoek.
Het laatste veer dat opgeheven wordt, is dat van de Heusdense Boot. De veervrouw, Huibertje de Groot, van het ‘Heusische Veer’, nabij de gasfabriek wordt eervol ontslagen.

Geschiedenis-2807Koninklijk bezoek
Prins Bernhard brengt op 14 juli 1949 per auto een bezoek aan Sliedrecht. Op een toen nog onbebouwd gedeelte van de Merwesingel, ter hoogte van de huidige Piet Heinstraat, decoreert de Prins de helden en heldinnen van de verzetsstrijd. Mensen uit deze omgeving die nauw betrokken geweest zijn de bij de Biesboschcrossings.
Eenenzestig verzetsstrijders worden onderscheiden, waaronder acht personen uit Sliedrecht. Dit zijn J. de Landgraaf, J. Bakker, J. Visser, J. Meijer, D. H .van Gool, C. L. Bolijn, P. van Dam en A. Kunst.

Bijna een jaar daarvoor, op 30 augustus 1948, is Jan de Landgraaf (1921- 1979) uit Sliedrecht door Koningin Juliana onderscheiden met de Militaire Willemsorde vierde klas. Op de Sonsbeekheide te Arnhem wordt hem dit ereteken op 7 oktober 1948 door H.M. persoonlijk opgespeld tijdens dezelfde plechtigheid waarbij Prinses Wilhelmina gedecoreerd wordt met de Militaire Willemsorde eerste klas. Dertig keer heeft De Landgraaf met zijn kano de achttien kilometer lange Crossline bevaren. In samenwerking met anderen heeft hij als ondercommandant in de Biesbosch kleine groepen zwaar bewapende Duitsers overvallen, opgeborgen en streng bewaakt.

Rode Kruis
Juli 1950 kan de vereniging Het Nederlandsche Roode Kruis, afdeling Sliedrecht, de bouw van een eigen verenigingsgebouw aan het Burgemeester Drijberplein laten aanbesteden. Het werk wordt gegund aan de laagste inschrijver de firma P. van Houwelingen te Sliedrecht. Het ontwerp is van architect G. de Kluiver van het architectenbureau Groeneveld en De Kluiver te Sliedrecht. De officiële opening vindt plaats op zaterdag 17 maart 1951 in tegenwoordigheid van burgemeester Winkler, de wethouders, de gemeentesecretaris De Haas van Dorsser en een afvaardiging van het hoofdbestuur van het Rode Kruis. De openingshandeling – het hijsen van de Rode Kruisvlag wordt verricht door de kleinzoon (Dirk Zijp) van de in 1950overleden oprichter van de afdeling Sliedrecht, Dokter D. Zijp. Om de exploitatie van het gebouw rond te krijgen, moet er wel een verhuur plaatsvinden. L. de Jong krijgt het toezicht op het gebouw.

Geschiedenis-2808Weer hoog bezoek
Tijdens het streekbezoek aan de Alblasserwaard brengen Koningin Juliana en de Prins op 28 juli 1951een bezoek aan Sliedrecht. Zij bezoeken eerst het Hervormd Rusthuis aan de Stationsweg, waarna men naar het raadhuis vertrekt. Tegenover burgemeester Winkler uit H.M. haar bewondering voor het fraaie gebouw. Binnen bewonderen de Koninklijke gasten de gebrandschilderde ramen en luisteren zij naar een uiteenzetting over de baggerij door Adriaan Volker II. Met de Piet Hein – aan boord de Prinsessen Beatrix en Irene – vertrekt het Koninklijk Paar en hun gezelschap vanuit de Sliedrechtse haven. Het jacht vaart onder de enthousiaste toejuichingen van een duizendkoppige menigte langs het baggermaterieel naar het open water van de Merwede.

Geschiedenis-2809Kerktoren op instorten
In 1952 wordt Sliedrecht opgeschrikt door een schokkende gebeurtenis. In april wordt een ernstige bouwvalligheid geconstateerd van de eeuwenoude toren van de Grote Kerk. De godsdienstoefeningen moeten worden gestaakt. Er wordt dankbaar gebruik gemaakt van de gastvrijheid in de Gereformeerde Kerk in de Oranjestraat. Het zware verkeer wordt niet meer bij de toren toegelaten, het werd omgeleid via de Havenstraat en de Westerbrug.
Er wordt een speciale gemeenteraads-zitting belegd, omdat de toren in tegenstelling tot de kerk, gemeente-eigendom is. Men besluit tot restauratie van het historische bouwwerk. De kosten worden op f 60.000,- begroot.
Het oude schooltje – sinds lang gymzaal, kapperszaak en vergaderlokaal worden in overleg met het kerkbestuur afgebroken. Zo krijgt men meer ruimte in het centrum voor het toenemende verkeer. De voet van de toren wordt met een betonnen mantel verzwaard. Veel zeer oude stenen worden vervangen.

Geschiedenis-2810Bij de werkzaamheden worden twee sarcofagen gevonden. De zich daarin bevindende geraamten worden gedateerd uit de tijd van de Noormannen. De geheel gave sarcofaag gaat naar een museum in Leiden, de andere – beschadigde – behoudt de gemeente. Later is deze samen met de gevelsteen van het schooltje naar het Sliedrechts Museum verhuisd. Tijdens de restauratie worden nog meer menselijke resten gevonden.

In de torenkamer wordt de daar van oudsher aanwezige nor gesloopt. Hij was al zo’n 100 jaar niet meer in gebruik. Immers vanaf 1853 is een kerker onder het raadhuis in de Kerkbuurt in gebruik. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt een nieuw gebouw voor het kerkbestuur achter de kerk te bouwen. Zoals in vroeger eeuwen het geval geweest was, wordt onder in de toren weer de toegangsdeur naar de toren zichtbaar. De consistoriekamer wordt iets ingekort en van een nieuwe gevel voorzien. Een paar banken geven voortaan de mogelijkheid, rustig gezeten onder de oude toren, het komen en gaan in Sliedrechts centrum te bekijken. Hierbij zullen zeker heel wat herinneringen aan vroeger worden opgehaald. Bij de ingangen van de kerk worden de klompenhokken verwijderd. De gevelstenen met het jaartal 1763 (herbouw van de kerk) komen bij de werkzaamheden weer tevoorschijn.

Groene Kruisziekenhuis
Geschiedenis-2811Geschiedenis-2812In 1952 doet de leuze ‘Voor het nieuwe huis van het Groene Kruis’ in Sliedrecht in kranten en folders de ronde. Met deze kreet wordt een actie onder de bevolking gevoerd, die rond f 60.000,- opbrengt. Het gemeentebestuur verstrekt de garanties voor de financiering van de bouwkosten voor een gemoderniseerd ziekenhuis. Op 12 november 1952 legt mevrouw A.K. Volker-Schuytemaker de eerste steen voor een nieuw te bouwen gedeelte. Zij doet dit met de woorden: ‘Ik wens, dat dit huis zal worden een huis van heul en heil en heelkunde in de hoogste zin van het woord’. Medio 1954 wordt de nieuwbouw van het ‘Groene Kruisziekenhuis’ in gebruik genomen. Veel strubbelingen zorgen er voor dat eerst op 7 november 1955 sprake is van een Sliedrechts gemeenteziekenhuis.

Geschiedenis-2813Brandweerkazerne
In 1951 zijn er plannen om een brandweerkazerne achter school 3, op de hoek Oranjestraat – Middeldiepstraat, te maken. Wegens financierings-moeilijkheden wordt de bouw evenwel uitgesteld. Men moet zich blijven behelpen met de houten brandweergarage achter de school. Het drogen van de slangen blijft ook een probleem. Gelukkig kan men soms gebruik maken van de nieuwe droogtoren in Papendrecht, terwijl men overweegt de warmte van het badhuis aan de Middeldiepstraat te benutten.

Voorjaar 1954 legt brandweercommandant G. G. Lanser wegens drukke werkzaamheden het commando neer.
De plaatsvervangende commandant A. Baars Azn. wordt tot zijn opvolger gekozen. Inmiddels is de bouw van een brandweerkazerne met droogtoren en bovenwoningen toch begonnen.

Geschiedenis-2814Middeldiep
Het gebouw verrijst aan het einde van het Middeldiep, dat daardoor al weer een stukje wordt ingekort. De toren is binnenwerks twee bij twee meter en voorzien van stijgijzers, bordessen en jukken. Het ontwerp is van architect Jac. C. van den Hout uit Sliedrecht. Het gebouw bestaat uit een garage met boxen, een werkplaats, een magazijn, een wachtlokaal en een garderobe, waarboven twee woningen voor de chauffeurs van de autospuiten. Voor het snelle uitrukken vindt men het van belang dat de chauffeurs zo dicht mogelijk bij de bergplaats van de spuiten wonen. De kazerne wordt boven de reinwaterkelder gebouwd. Er voor komt een plein, dat gelegenheid biedt met het materieel te oefenen. De ligging in het centrum is uitermate gunstig, ook dichtbij de haven en de bedrijven aan de Industrieweg. Sinds de oprichting van het korps is altijd dankbaar gebruik gemaakt van het open water in het centrum van de gemeente zoals het Kleine Diep, en vele gantels. In verband met de demping van het Kleine Diep moet wel naar andere waterwinplaatsen worden gezocht.

Bron:
De Tijd van Toen van Ir. W. Bos
Sliedrecht in oorlogstijd van J. A. Batenburg

Bewerkt door Bas Lissenburg

27 – Oorlogswinter 1944

Geschiedenis-2701De geallieerde troepen landen op 6 juni 1944 in Normandië. Een enkeling in Sliedrecht weet via Radio Oranje het verheugende nieuws op te vangen. Geallieerde legers bevrijden in september 1944 Noord-Brabant. ‘Dolle Dinsdag’ breekt aan. Men rekent zich al bevrijd van het Duitse juk. Ondanks de gunstige berichten blijft Sliedrecht in bezet gebied liggen. De bevrijding is nog ver weg. De Biesbosch vormt de scheiding tussen het door de Duitsers bezette gebied en de bevrijders. Daden van verzet blijven, mede door een oproep van Radio Oranje, niet uit. In oktober 1944 wordt er springstof op de spoorlijn gevonden. Als represaille moeten mannelijke inwoners tot de leeftijd van 60 jaar, die in de dorpen langs de spoorlijn wonen, in ploegendienst dag en nacht wachtlopen om de spoorlijn te bewaken.

Geschiedenis-2702Bombardement
Zondag 15 oktober 1944 gaan de sirenes weer eens af. Geallieerde jagers zijn begonnen aan een aanval op een trein. Deze rijdt, met paarden, militairen en oorlogsmaterieel, aan Sliedrecht voorbij. De trein wordt vol onder vuur genomen. De locomotief komt tot stilstand bij het perron, de goederenwagons staan tot voorbij het Stationsplein. ’s Middags volgt nog een bombardement. Niet alleen het station, maar ook de omgeving daarvan wordt getroffen. Op de laatste twee woningen van de Stationsweg vallen bommen. Mannen van het Rode Kruis zetten zich met leeuwenmoed in om slachtoffers te redden. Voor de heer Jongsma komt de hulp te laat. Als hij onder het gevallen puin vandaan gehaald wordt, is hij al overleden.

Geschiedenis-2703Van oktober 1944 tot Kerstmis 1944 worden er bij voortduring schoten gehoord. Gebieden ten zuiden van ons dorp, zoals De Biesbosch en Het Eiland van Dordt krijgen het zwaar te verduren. Een goed teken vormen de eindeloze rijen Duitsers die zich met hun resterende bezittingen, geladen op paard en wagen terugtrekken. Echter overal worden inwoners gedwongen tot inkwartiering van Duitse soldaten.
De scholen liggen stil. Ook in deze gebouwen verblijven veel Duitse soldaten. Het Duitse leger kan van alles gebruiken. Fietsen, paarden, dekens, bedden, enz. worden gevorderd.

Koud
Zeer koude wintermaanden breken aan. Bij Keizersveer wordt door de Duitsers de brug opgeblazen om de opmars van de geallieerden te stuiten. De rookwolken zijn vanuit Sliedrecht te zien. Twee weken later valt de elektriciteit uit en de gasvoorziening stagneert door gebrek aan kolen. Sliedrecht moet zich behelpen met kaarsen, olie- of carbidlampen. De voedselnood is hoog. Op 28 december 1944 wordt ook een centrale keuken geopend. Aan de bevolking wordt tegen inlevering van voedselbonnen een maaltijd verstrekt. Door gebrek aan kolen varen de veerponten naar Dordrecht niet meer. Alleen per roeiboot is de stad nog bereikbaar. Een nijpend probleem voor patiënten en bezoekers van de ziekenhuizen!

Geschiedenis-2704De voedselsituatie wordt kritiek, het broodrantsoen wordt tot 500 gram per week verlaagd. De kolen raken op, ook in Sliedrecht worden nood-gedwongen veel bomen omgezaagd en gebruikt als brandhout in de kachel. In februari 1945 komen zelfs de suikerbieten op de bon! Op 23 april 1945 sluit de gaarkeuken door gebrek aan grondstoffen. De waterleiding werkt nog maar op halve kracht. Hier en daar worden pompen aangesloten op het grondwater.

Toch weet men dat het einde van de oorlog nabij is. Duitse VI en V2 raketten vliegen weliswaar laag over, maar het zijn de laatste Duitse troeven in een verloren oorlog. Dagelijks is men dan ook bang, dat in Sliedrecht een ‘misser’ zal ontploffen.

Geschiedenis-2705Op Nieuwjaarsdag is het mooi vriezend weer. Plotseling verschijnen twee Britse vliegtuigen type ‘Hawker Typhoon’ aan de heldere hemel. De aanval is gericht op schepen die liggen in een gantel naast de Molenstraat. De bommen op de gantel missen hun doel en richten schade aan bij de woningen Molenstraat 17 en 19. De bommen gevallen op de Molenstraat hebben ook slachtoffers gemaakt. In de Molenstraat wordt het gezin Kazen getroffen. Vader Jacob, moeder Pietje, grootvader Teunis en grootmoeder Jannigje komen om het leven. Ook het buurjongetje Maarten Ruis vindt de dood. In de middag volgt nog een aanval gericht op de omgeving van de haven. Daar worden een baggermolen en twee laadbakken geraakt. Op de baggermolen staat Gerrit A. Teeuwe te vissen.
Een bomscherf treft hem dodelijk. De 15-jarige Jan Wisselink, die in de haven staat te vissen, wordt eveneens getroffen en ook hij overlijdt.

Vanuit een Brits toestel valt een bom op garage Kramer in de Oranjestraat. De naast de garage gelegen kleuterschool wordt ook getroffen. Gelukkig is Nieuwjaarsdag een vrije dag voor de scholen zodat er geen kinderlevens te betreuren zijn. In het woonhuis van de garage laat echter mevrouw Kramer-Leeuwestein het leven.

Geschiedenis-2706Spoorbrug opgeblazen
Doordat er geen treinen meer rijden en de spoorbrug zodoende haar functie heeft verloren, blazen de Duitsers de spoorbrug op. Dit om de opmars van de Geallieerden te stuiten. De overspanning van de brug is grondig vernield. Alleen de middelste boog blijft staan om de doorvaart mogelijk te houden. Dit in verband met de toevoer van voorraden.

In de Biesbosch
In de Biesbosch gebeurt intussen ook het een en ander. Dit gebied tussen bevrijd en bezet Nederland kent veel onderduikers. De daar wonende landbouwers en veehouders vormen een zeer welkome steun. Geschiedenis-2707De K. P. (Knok Ploeg) Sliedrecht, een ondergrondse verzetsorganisatie, vindt in het waterrijke gebied een onderkomen. De Knokploeg heeft het vooral gemunt op Duitsers die in de Biesbosch verdwaald of gedeserteerd zijn. Deze worden gevangen genomen en aan de Geallieerden uitgeleverd. K.P – leden zijn vaak zelf onderduikers. Onderduikers die uiteraard van voedsel moeten worden voorzien. November 1944 komen er echter nieuwe bonkaarten in omloop. Voedsel is alleen op de bonnen te krijgen. Om aan de gewenste bonnen te komen besluit men een distributiekantoor te overvallen. Het Sliedrechtse post0kantoor wordt als doelwit gekozen. Daar worden veel bonkaarten buit gemaakt. Daarvan worden er 11.600 naar de Biesbosch gebracht.

Verzetsgroep Albrecht
Naast de Knokploeg is er de Crossploeg. Mensen die in de nachtelijke uren in de Biesbosch op verkenning uitgaan. Later krijgen ze de taak om verbindingen te onderhouden tussen de Geallieerden en het bezette gebied. Hiermee worden tientallen door de Duitsers gezochte personen gered. Vanuit de Crossploeg wordt de verzetsgroep Albrecht gevormd. Via een zender wordt de nodige informatie aan het geallieerde leger doorgegeven. Op een oude stencilmachine worden vele blaadjes afgedraaid. Onder de bevolking van Sliedrecht en omstreken worden de geschriften verspreid door koeriers.
De bevolking weet zodoende hoe de strijd zich verder afspeelt.

Vooral bekend is de crossline van Sliedrecht door de Biesbosch naar bevrijde plaatsen als Drimmelen en Lage Zwaluwe. Langs deze weg kunnen geallieerde piloten, die hun vliegtuig boven Nederland hebben moeten verlaten, ontsnappen. Ook wordt een verbinding onderhouden tussen de B(innenlandse) S(trijdkrachten) en hun hoofdkwartier in Brabant en met de Geallieerden. Een leeuwenaandeel in de vele crossings neemt de Sliedrechtenaar Jan de Landgraaf voor zijn rekening. De Sliedrechtse verzetsstrijder J. Bakker, medewerker van de verzetsgroep Albrecht, werkende onder de schuilnaam Alblas, stippelt de route uit. De centrale figuur voor de crossers in Sliedrecht wordt D. H . van Gool. Hij regelt de tochten door de Biesbosch en is het contactadres voor de crossers.

Geschiedenis-2708Voor de eerste maal vindt een crossing over de Sliedrechtse route plaats op 10 januari 1945. De knecht op de Helsluis is hierbij een prima en betrouwbare hulp. Het crossen is een zeer gevaarlijke onderneming. Denk maar aan de patrouillerende Duitse stormboten. Een overtocht kan alleen bij een bewolkte hemel gemaakt worden. Verder speelt het getijde een rol. Met eb gaat men van huis en met vloed dient men terug te keren naar de woonplaats. Zoveel mogelijk van de stroom gebruik maken en zo weinig mogelijk lawaai maken bij het roeien is het credo. De vraag om mensen naar het zuiden over te zetten groeit met de dag. Naar belangrijkheid wordt gekeken bij voldoen van de aanvragen.

Geschiedenis-2709Molendijk 16
Bertus van Gool woont in het fraaie herenhuis op Molendijk 16. Deze woning zal later nog drie jaren als baggermuseum dienen. Tijdens de oorlog is het een belangrijk doorgangspunt. Het dient als het eindpunt van de koerierslijn over land en als het beginpunt van de crossline over water. In een verborgen schuilplaats onder het huis bevinden zich de eerder genoemde zender, een radio, een berichtenarchief en een voorraad wapens. Een andere bekende Sliedrechtenaar in het verzet is Jan Jasper Volker (bekend als Zwarte Jan). Op 5 mei 1945, de dag van de bevrijding, vindt de laatste crossing plaats. ’s Avonds op 4 mei is de melding van de overgave van de Duitse troepen bekend geworden.

Een plaatselijk nieuwsblad beschrijft die gebeurtenis als volgt:
‘Wij waren door dit overweldigend nieuws beduusd. Holland vrij! Verlost van tirannen! Het nieuws verspreidde zich die avond als een lopend vuurtje door onze gemeente. Het oranje werd voor den dag gehaald. Zingende mensen trokken al spoedig voorbij. En uit het raam kijkende zagen we de vreugdelichtkogels aan het front in het zuiden ontbranden.
Die avond werd nog hier en daar het zo geliefde rood wit en blauw uitgestoken. Verlossing! Uit Meijers muziekhandel (nu staat er de Geschiedenis-27010Zoutstoep flat) klonk het Wilhelmus!’ Echter de Duitse soldaten blijven nog in Sliedrecht. Waarschuwingen gaan uit om maar vooral niet te provoceren. Er zijn Duitsers die dreigen handgranaten door de ramen te werpen. Pas enkele dagen later komen de eerste geallieerde militairen in Sliedrecht. Grotere plaatsen verdienen de voorkeur om de Duitse soldaten te dwingen de omgeving te verlaten. Groot is de vreugde als ook hier de laatste Duitser afgemarcheerd is. Een zee van vlaggen en klokgelui begeleidt de Duitsers die te voet of met paard en wagen worden afgevoerd. Voorlopig nemen de Binnenlandse Strijdkrachten het heft in handen. Landverraders onder de dorpsgenoten worden opgepakt. In de roes van de bevrijding worden daarbij soms wel enige fouten gemaakt.

Op 20 november 1945 gaat de zaak van S. H. den Hartog weer open. Dochter Ro den Hartog heeft als onderduikster in Amsterdam de oorlog overleefd. Zij zet de zaak van haar vader voort. Voor de synagoge op de Kaai is voorlopig geen toekomst meer. Het leeggeroofde gebouwtje wordt een opslagplaats. Burgemeester Ir. H. Popping is weer terug in functie. Er ontstaat na de oorlog al snel een discussie rondom zijn persoon. In 1946 treedt de burgemeester af. Hij vertrekt uit Sliedrecht en overlijdt op hoge leeftijd op de Veluwe. De nieuwe burgemeester is J. H. Winkler. Hij wordt op 16 maart 1947 geïnstalleerd.

Bronnen:
“De Tijd van Toen” van Ir. W. Bos Jzn.
“Sliedrecht in Oorlogstijd” van J. A. Batenburg

26 – Oorlogsjaren

Na het bombardement met grote gevolgen in juli 1940 in de omgeving van de Prins Hendrikstraat (zie vorige uitgave) wordt de draad weer opgenomen. Op 25 oktober 1940 vallen er echter opnieuw bommen. Deze keer in de omgeving van de spoorbrug. De maatregelen, ingesteld door de bezetter, worden aangescherpt. Metalen voorwerpen moeten worden ingeleverd. Metaal was belangrijk voor de oorlogsindustrie! Slechts weinigen volgen het bevel op. Veel dingen worden op allerlei verborgen plaatsen in de grond verstopt. Zwarthandelaren zullen streng gestraft worden.
Geschiedenis-2601Geschiedenis-2602
Zelfs de postduiven moeten het ontgelden. Zij zouden immers ingezet kunnen worden bij het overbrengen van berichten. Mannen worden opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Straten met namen van het koninklijk huis worden omgedoopt. De Wilhelminastraat heet voortaan Noordsingel, de Julianastraat wordt getooid met het bordje Langstraat. Op de muur van de Julianaschool in de Merwestraat wordt de schoolnaam met planken uit het zicht gehouden. De school gaat in de oorlogsjaren door het leven als ‘De Planken School’,
Vanaf 2 juli 1940 worden er maatregelen tegen Joden en andere niet door de bezetter gewenste groepen ingesteld. Met de regelmaat van de klok worden de verordeningen aangescherpt. Een jaar later worden de eerste Joden naar het vernietigingskamp Auschwitch op transport gesteld…
Het leven in Sliedrecht gaat verder en de dagelijkse beslommeringen worden weer ter hand genomen. In de zomer van 1942 wordt men weer eens met de neus hard op de feiten gedrukt: Men leeft in een bezet land. Veel wordt er gemord t.a.v de onsympathieke maatregelen. De Duitsers voelen dit aan en nemen uit voorzorg een groot aantal Nederlanders – om verzetsactiviteiten te voorkomen – in gijzeling. Hieronder twee Sliedrechters.

Geschiedenis-2603Deportatie van Joden
Het gezin Kleinkramer, wonend aan de Merwesingel, wordt na een mislukte ontsnappingspoging naar de Biesbosch, door de Sliedrechtse politie huisarrest opgelegd en na enige dagen, op verzoek van de S.D., op het bureau in Rotterdam afgeleverd. Vanuit Rotterdam wordt de familie vervolgens naar Westerbork overgebracht. In Poolse vernietigingskampen wordt het gehele gezin vergast.
Hetzelfde lot ondergaat de Joodse familie Den Hartog. Het raadslid S. H. den Hartog is de bekendste joodse inwoner van Sliedrecht.
In 1874 is hij een textielwinkel begonnen. Sinds 1910 heeft hij een zaak nabij de Boslaan (tot voor kort bewoond door kapper Noorland).
Hij is voorzitter van de Sliedrechtse Middenstandsvereniging, bestuurslid van de uiteraard verboden Oranjevereniging, medeoprichter van ‘ziekenhuishulp’.
Geschiedenis-2604Den Hartog gelooft niet, dat de Duitse vijand uit is op de vernietiging van de joden. Hij krijgt het aanbod om met zijn familie onder te duiken in Den Haag. Den Hartog gaat hier niet op in. Hij wil andere mensen niet in gevaar brengen. Als hij en zijn gezin gedeporteerd zullen worden, dan zouden ze na de oorlog wel weer terugkomen in Sliedrecht, het dorp waar hij geboren is en ook zal sterven. Het is helaas anders verlopen. De gehele familie wordt op één dochter na, die elders woont, opgehaald. Ze zullen geen van allen ooit meer terug komen.

Geschiedenis-2605Treinongeluk
In de avond van vrijdag 27 november 1942 rijdt een trein met hoofdzakelijk grondwerkers, die voor de Heidemaatschappij in Gorinchem werken, vanuit Gorinchem richting Dordrecht. Op het station van Sliedrecht staat de stoptrein naar Dordt te wachten. Kennelijk staat de wissel verkeerd. De trein komt terecht op het verkeerde perron en knalt op de stilstaande trein. Een enorme klap, gevolgd door een vuurgloed in het donker van het geheel verduisterde Sliedrecht, waarschuwt de bevolking dat er bij het station iets vreselijks gebeurd moet zijn. De stoomlocomotief heeft zich in de houten wagons geboord. Eén vliegt er direct in brand. Zware rookwolken verspreiden zich boven het station. De locomotief schuift nog zeker honderd meter door, loopt uit de rails en kantelt.

Geschiedenis-2606Toevallig zijn twee E.H.B.O.-helpers ooggetuige. Zij kunnen alarm slaan en de eerste hulp verlenen. Hierna komen algauw meer Rode Kruis lieden en de brandweer opdagen. De tweede klas wachtkamer en de woning van de stationschef worden als opvang voor de 18 doden en de 60 gewonden gebruikt Door de Duitsers wordt intussen de gehele omgeving afgezet.
De luchtbeschermingsdienst brengt de gewonden naar een veilige plaats. Het Sliedrechtse Groene Kruis ziekenhuis heeft echter maar 15 bedden. De gymnastiekzaal (C12) in de Kerkbuurt wordt ingericht als noodhospitaal.
De brand wordt niet geblust. Het vuur geeft bij het bergen van de doden en gewonden de hoognodige verlichting in de donkere oorlogsnacht. Alles ligt immers in het donker. (De verduisteringsvoorschriften moeten, ondanks de buitengewone omstandigheden, toch gehandhaafd blijven!) Pas als het reddingswerk is voltooid, wordt het vuur door de brandweer snel gedoofd.

Geschiedenis-2607Geschiedenis-2608Maatregelen
De politieke partijen worden ontbonden, de gemeenteraad wordt opgeheven. In verschillende gemeenten in de omgeving worden de burgemeesters uit hun ambt gezet. In Sliedrecht zijn de Duitsers aanvankelijk nog niet zo ontevreden over burgemeester Popping. Tweemaal neemt hij dan ook, naast zijn taak in Sliedrecht. het ambt van waarnemend burgemeester elders waar: Alblasserdam 1940/41, Papendrecht 1942. Op 1 juni 1943 wordt echter ook Popping ontslagen als burgemeester.
De uit Schiebroek afkomstige N.S.B.-sympathisant J. P. H. Dhont volgt hem op.
De maatregelen van de bezetter worden steeds ingrijpender. Duiven houden wordt geheel verboden. In augustus 1942 moet ieder de fiets inleveren. Veel fietsen worden weggestopt of ingemetseld op geheime plaatsen in de woningen. Op 25 mei 1943 maakt burgemeester Popping bekend dat alle radio-ontvangers ingeleverd moeten worden. Luisteren naar radio Oranje, zendend vanuit Londen, moet zonder meer voorkomen worden! Op 19 juni 1943 herhaalt de dan aangestelde N.S.B. burgemeester Dhont de oproep. Op het niet inleveren staan strenge straffen. Het inleveradres is het gymnastieklokaal achter school 3. Inmiddels worden ook de distributiemaatregelen steeds ingrijpender en de winkels leger. De Arbeitseinsatz bedreigt in de zomer van 1943 steeds meer mannen met een oproep voor werkzaamheden in de Duitse oorlogsindustrie. Leden van de voormalige Nederlandse krijgsmacht worden weer voor gevangenschap opgeroepen.

Bommen
Op 10 februari 1944 schrikt Sliedrecht opnieuw op als er bommen worden afgeworpen. Tegen één uur in de middag wordt luchtalarm gegeven. Duitse jagers zitten achter een Amerikaans eskader aan. Eén van de Amerikaanse vliegtuigen raakt in moeilijkheden en blijft bij de andere Amerikaanse vliegtuigen. De piloot van het toestel moet in hoge nood zijn bommen afwerpen. Een paar hiervan komen neer in de polder Sliedrecht. Menselijke slachtoffers zijn er gelukkig niet. Schade aan gebouwen is er noemenswaardige niet. We komen met de schrik vrij!

Merwegijzelaars
In 1944 wordt vanuit de Duitsgezinde N.S.B. de ‘Landwacht’ geformeerd. Sliedrechter Joop Westdijk is een van hen. Op vrijdag 14 april 1944 schiet deze 16-jarige jongeman zonder enige aanleiding de Giessendammer Wouter Smit bij het station Giessendam-NederHardinxveld dood. De schutter maakt zich snel uit de voeten. Hoe hij tot deze daad komt, zal altijd een raadsel blijven. De misdaad maakt diepe indruk op de bevolking en de ondergrondse zint op wraak. In Sliedrecht heeft men toch al een grote hekel aan de vader van de jonge Westdijk. Westdijk Sr. is met zijn gezin in de woning van de gedeporteerde jood S. H. den Hartog gaan wonen.

Geschiedenis-2609In de nacht van 9 op 10 mei 1944 lokt de ondergrondse een aantal landwachters de Biesbosch in. Dit door het verspreiden van valse berichten. Op de Merwede bij Sliedrecht lopen de N.S.B.-ers in een val. Vanaf de Helsluis openen de verzetsmensen het vuur. De landwachters beantwoorden direct de afgeschoten kogels. Verzetsman Kristiaan Ketel uit Sliedrecht wordt getroffen. Onder de landwachters vallen twee doden. Het zijn de leden Okkersen en Westdijk. Een aantal raakt gewond. Op zaterdag 13 mei 1944 vertrekt de begrafenisstoet vanuit de winkel van S. H . den Hartog door Sliedrecht naar de begraafplaats. De begrafenis vindt plaats met militaire eer. Met getrokken wapens, ieder huis bespiedend, lopen de landwachters naast de stoet door het verlaten dorp. De sfeer is om te snijden. De moord in Giessendam heeft bij de Sliedrechtse bevolking wraakgevoelens opgeroepen. Na het schietincident op de Merwede is men bevreesd voor volgende Duitse represailles.

Geschiedenis-2610De angst wordt maar al te zeer bewaarheid. De Duitse Grüne Polizei en de Wehrmacht sluiten op 16 mei met 2500 man het gebied langs de oevers van de Merwede van Sliedrecht tot Boven-Hardinxveld af. Een razzia volgt. Dit geldt voor alle mannen tussen 18 en 25 jaar. De Duitsers blokkeren de telefoon. Elkaar waarschuwen is er voor de opgejaagde mannen niet bij! Sliedrecht boet zwaar voor de schietpartij nabij de Helsluis. Elf mannen worden als gijzelaar al op 11 mei opgepakt. Veel dreigementen worden geuit. Tenslotte worden deze gevangen genomen gijzelaars met een vrachtauto naar Rotterdam gereden. Deze 11 mannen gaan via het Rotterdamse politiebureau Haagse Veer naar een kamp bij Vught. Het kampleven daar brengt hen veel lichamelijk en geestelijk letsel. Pas na Dolle Dinsdag op 5 september 1944, als men denkt dat heel Nederland spoedig bevrijd zal zijn en er paniek onder de bezetters en aanhang uitbreekt, worden de 11 gijzelaars vrijgelaten.
Negenhonderd mannen worden er bij de razzia op 16 mei 1944 opgepakt. Hiervan wonen er 589 in Sliedrecht. De mannen staan heel lang bij de kerk. Pas ’s avonds worden ze in gesloten overvalwagens afgevoerd naar een doorgangskamp in Amersfoort. Velen zijn binnen een periode van zes weken weer thuis. Een deel van de mannen wordt niet vrijgelaten, maar in de nacht van 6 op 7 juli 1944 naar ‘heropvoedingskampen’ in Duitsland gestuurd. Een groot aantal mannen zal nooit terugkeren in Sliedrecht.

25 – Bombardement juli 1940

In de vorige uitgave blikten we terug op de eerste oorlogsdagen van mei 1940. Deze keer richten we de blik op het bombardement van 8 juli 1940 op de omgeving van de Prins Hendrikstraat.

Geschiedenis-2501Als we op maandag 8 juli 1940 naar de lucht kijken, zien we dat we te maken hebben met een mooie zomerdag. Later komt hier verandering in. De lucht trekt dicht en in de middag breekt er een onweer los. Dan opeens nog een ander geluid. Vliegtuigen! Twee stuks. Ze cirkelen wat rond, lijken verder te trekken. Eén toestel komt echter terug. Dat vliegtuig cirkelt boven het centrum en werpt bommen af. De bommen komen neer op het westelijk gedeelte van de uitbreiding. De gevolgen voor de omgeving van de Prins Hendrikstraat en omgeving zijn rampzalig… .

J. A. (Koos) Batenburg meldt over bovenstaande in zijn boek: ‘Sliedrecht in Oorlogstijd’ het volgende:

Geschiedenis-2502Opnieuw bommen op Sliedrecht
“Op Maandagmiddag 8 juli 1940 drijven boven Sliedrecht zware onweerswolken waaruit het bliksemde en onweerde. In de loop van deze maandagmiddag verschijnen om 14.23 uur enige Engelse vliegtuigen boven Sliedrecht. Het lijkt of ze zoekende zijn. Af en toe zijn de vliegtuigen zichtbaar tussen de wolken en even later verdwijnen ze weer. Niet lang daarna verschijnt een zeer hoog vliegend driemotorig vliegtuig tussen de onweerswolken. De directeur van de Machinefabriek, de heer Visser, staat met zijn verrekijker naar de vliegtuigen te kijken.
Even later ziet hij iets uit het vliegtuig vallen en stuurt hij zijn personeel onmiddellijk naar binnen. Dit Engelse vliegtuig, een Vickers Wellington (ook als een Wimpy aangeduid) werpt enige bommen af. De eerste twee bommen komen terecht in Wijk C op het opslagterrein van Adriaan Volker, C 247. Met een fluitend geluid komen de bommen naar beneden om daarna met grote dreunen uit elkaar te spatten.
Door de luchtdruk sneuvelen vele ruiten in de omgeving.
Een ijzige stilte volgt na de inslagen. Gelukkig vallen er bij de eerste bommen geen doden of gewonden. Aan de politie wordt verzocht de werkkrachten te waarschuwen niet in de bomkraters te komen.

Inslagen op de Uitbreiding
Na de inslagen wordt luchtalarm gegeven. Daarna worden nog vijf andere bommen afgeworpen. Deze bommen komen terecht bij de Brugstraat, de Prins Hendrikstraat en de Julianastraat. Hierbij ontstaat veel schade aan woningen.

De Rode Kruissoldaat Jan Groenewold geeft als eerste hulp aan de slachtoffers. Na de oorlog krijgt hij voor zijn hulpverlening een onderscheiding. De gevolgen zijn verschrikkelijk. De brandweer en een ambulance van het Rode Kruis, een omgebouwde vrachtauto van de meelmalerij van de firma Kruit uit de Molenstoep, zijn snel ter plaatse om de gewonden te verzorgen. Met buurtbewoners worden de huizen op slachtoffers doorzocht. De bij de slachtoffers aangetroffen verminkingen doen de emoties hoog oplopen. Bij enkele zijn lichaamsdelen weggerukt. Er zijn vier doden en een aantal zeer zwaar gewonden. De zes jarige Annie Boer (geboren 27-05-1934) speelde achter het huis toen de bommem vielen. Haar jongere zusje Toos (2jaar oud)lag boven op bed. Annie werd dodelijk getroffen en haar moeder mevrouw Boer had een ernstige beenwond.

Geschiedenis-2503Het woningblok aan de Brugstraat tussen de Pr. Hendrikstraat en de Julianastraat wordt het ergst getroffen. De daken worden als het ware omhoog getild en de muren vallen naar buiten. Huisraad en inwoners worden naar buiten geblazen. Enige huizen aan de Pr. Hendrikstraat worden zwaar beschadigd. Eén woning is totaal vernield. Zeer veel ruiten en dakpannen worden tot op grote afstand vernield. De bomaanval heeft een geweldige chaos veroorzaakt. Later op de dag overlijden nog vier mensen aan hun verwondingen. In totaal zijn er acht doden te betreuren.

Aanval op de Sliedrechtse haven
Geschiedenis-2504
Geschiedenis-2505
Achteraf blijkt dat een Engels vliegtuig van de R.A.F. geprobeerd heeft een aantal rijnaken en andere schepen in de Sliedrechtse haven te bombarderen met het doel deze schepen tot zinken brengen. In de haven lagen ook enige baggerbakken en twee zelfvarende baggerschepen. Op vele plaatsen op de buitenuitbreiding worden granaatscherven gevonden. Dit is ook het geval op het schoolplein van school VI. Het onderwijzend persmeel weet de kalmte onder de kinderen te bewaren door ze onder de banken te laten schuilen. De bommen komen echter ver van hun doel verwijderd neer.

De omgekomenen zijn:
Marigje Monster-Vogel, geboren 24-09-1899, 40 jaar, wonend Brugstraat.
Sijgje van der Vlies-Koppelaar, geboren 03-10-1896, 43jaar, wonend Brugstraat.
Neeltje Struijk-de Landgraaf, geboren 17-10-1910, 29 jaar, wonend Prins Hendrikstraat.
Andries Cornelis Struijk, geboren 30-09-1900, 39 jaar, wonend Prins Hendrikstraat.
Maria P.van der Zwaan-Visser, geboren 07-04-1906, 34jaar, wonend Prins Hendrikstraat.
Adrianus Monster geboren 09-01-1925; 15 jaar, wonend Brugstraat.
Annigje Boer geboren 27-05-1934, 6 jaar, wonend Julianastraat
Maaike H. Boeren-Mellegers, geboren11-08-1900, 39 jaar, wonend Prins Hendrikstraat.

De gehele Sliedrechtse bevolking is door het bombardement en de enorme ravage geschokt. Op 11 juli worden alle omgekomenen in een gemeenschappelijk graf op de algemene begraafplaats te Sliedrecht begraven. Een groot deel van de bevolking is bij de ter aarde bestelling aanwezig om afscheid te nemen van deze onschuldige oorlogsslachtoffers. Voordat de stoet bij de begraafplaats aankomt, staan de acht kisten, bedekt met bloemen, bij de groeve opgesteld. Stuk voor stuk worden de slachtoffers met de grootst mogelijke eerbied in de graven neer gelaten.

De officiële genodigden zijn: burgemeester ir. H. Popping, de wethouders De Landgraaf en Van der Wiel, gemeentesecretaris De Haas van Dorsser , waarnemend commandant van de Luchtbeschermingsdienst dhr. Kraaijeveld en een viertal gewapende Duitse soldaten met hun Feldwebel (sergeant-majoor). Als eerste spreekt burgemeester Popping.
Hij vergelijkt deze dag met de eerste oorlogsdag en spreekt ongeveer deze woorden:

”De zon kwam op de eerste oorlogsdagen stralend op. Wij zijn toen, gezien de omringende gemeenten, er goed vanaf gekomen. Doch toen de strijd voor Nederland gestreden was, sloeg het noodlot op 8 juli 1940 in Sliedrecht toe. Wij kunnen dit niet begrijpen. Was dit niet te voorkomen? De krijgsverrichtingen kunnen wij niet beoordelen, maar toch vragen wij ons af, was de krijgshandeling om zo ’n klein doel van jongstleden maandag dit waard? Ik kan slechts de wens uitspreken dat de Grote Heelmeester aan de getroffen familieleden verzachting moge geven, zoals dezelfde Heelmeester weer tijden van rust en voorspoed over de gehele wereld kan schenken. Waarschijnlijk zijn de personen die het einde van deze gruwelijke tijden niet meemaken gelukkiger dan wij te noemen. Mocht de rust in de wereld spoedig weder keren, dan mogen we zeggen dat de getroffen inwoners van Sliedrecht niet tevergeefs geleefd hebben.Zij rusten zacht..”

Geschiedenis-2506
Juffrouw Doets

Na de burgemeester komt mejuffrouw Doets, voorgangster van de vrijzinnig hervormde kerk, aan het woord. Zij spreekt troostrijke woorden tot de familie Boer die voorgoed afscheid moet nemen van haar 6 jarige dochter, leerlinge van de zondagsschool. Een leraar van de Dordtse H.B.S. richt zich met troostende woorden tot de familie van zijn leerling Adrie Monster. Dominee Riekel uit Delft wijst in een korte redevoering op de vergankelijkheid van het leven. Familieleden van de slachtoffers spreken hun dank uit voor het beschikbaar stellen van eigen graven. Na de beëindiging van deze droeve plechtigheid verlaten de honderden belangstellenden, diep bewogen, de begraafplaats.

Door de heer R. Abma wordt een comité voor Hulp aan Slachtoffers gevormd. Dit comité doet een beroep op de bevolking om geld en goederen voor de oorlogsslachtoffers beschikbaar te stellen. Later, in 1944, neemt de hervormde predikant Ds. Kwant het initiatief tot oprichting van slachtofferhulp.

Geschiedenis-2507Vragen
Onder de bevolking ontstaan vragen over de aanwezigheid van gewapende Duitsers tijdens de begrafenis. Deze soldaten hielden beslist geen erewacht bij de overledenen. Het komt bij de bevolking wrang over dat het Sliedrechtse college van B. en W. aanwezig was met een aantal gewapende Duitsers. “Zouden de Duitsers ongeregeldheden verwacht hebben van de bevolking,” vraagt ieder zich af!
Tijdens de eerst gehouden Sliedrechtse gemeenteraadsvergadering worden de omgekomen dorpsgenoten staande herdacht. Over materiële hulp wordt niet gesproken! De Sliedrechtse bevolking spreekt nu schandelijk over de Engelsen; er werden maar lukraak met bommen gegooid. Dit komt de Duitsers maar al te goed van pas. Alle dagbladen moeten melding maken van deze wrede Engelse daad. Op aanplakborden verschijnen meldingen zoals:
“Vreedzame burgers blijft in huis. Engelse vliegers kennen geen genade”.

Haven een gevaar
Andere dorpsgenoten wijzen de bevolking op de Duitse daden. De Duitsers waren waarschijnlijk reeds vergeten wat zij twee maanden geleden in Rotterdam veroorzaakt hebben en wat zij van plan waren met Den Haag en Utrecht. Nog nooit zijn er zoveel verordeningen aangeplakt.

Gelukkig herstellen alle gewonden. Het bombardement heeft bij iedereen het besef gebracht hoe gevaarlijk de haven, met zijn schepen en baggermaterieel in het centrum, is gelegen. Indien mogelijk – men heeft de bevelen van de bezetter op te volgen – worden voortaan in de haven de voor de geallieerden als vijandig te beschouwen schepen geweerd. Ook niet gebruikt baggermaterieel wordt afgetuigd en naar de Biesbosch gebracht.

Hieronder een beeld van de vrijwel lege Sliedrechtse haven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Slechts nog wat kleinere vaartuigen zijn nog te zien…
Geschiedenis-2508
Gegevens Sliedrecht in Oorlogstijd: J. A. Batenburg.

Bewerkt door Bas Lissenburg
Mei (2008)

24 – De tweede wereldoorlog

In het verenigingsblad Over … Sliedrecht verscheen in nummer 31 het laatste verhaal van de heer C. J. Lips waarin hij de geschiedenis van Sliedrecht beschreef. Daarna hebben we besloten een vervolg te geven aan deze verhalen over de historie van ons dorp in een nieuwe reeks artikelen. We zijn nu aangekomen aan de jaren ’40.

Oorlogsdreiging
Sliedrecht is eind jaren 30 groter dan tegenwoordig. Wel dubbel zo groot! De helft van de gemeente ligt ten zuiden van de Merwede. Veel grienden, hooi- en weilanden met daar tussen vele wateren. Er is geen weg over land naar Dordrecht. Naar de paar boerderijen die er zijn, moet alles over water worden aangevoerd. Dit geldt ook voor ook de post en in noodgevallen voor de brandweer. Gewerkt kan er dan worden met een motorspuit. Die moet met een sleepbootje overgevaren worden. Deze moet echter wel eerst ergens vandaan worden gehaald. Het laat zich raden wat er in geval van een ernstige brand zal voordoen… . Binnen Sliedrecht is in 1939 het aantal brandkranen al 144 stuks. Dit komt mede door de nieuwbouw die buitendijks op gang is gekomen in het gebied rondom de Rembrandtlaan.

Geschiedenis-2401Extra kwetsbaar
Een dreigende oorlog werpt zijn schaduw vooruit. Mede hierdoor kan de brandweer beschikken over een ruim budget. Aanvallen vanuit de lucht eisen meer voorzieningen. Er wordt in 1939 een bedrag van fl 10.000,= uitgetrokken. Een voor die tijd zeer hoog bedrag waaruit o.a. gasmaskers en schuimblussers worden bekostigd. Onder de muziektent aan het Dr. Langeveldplein wordt in de betonnen kelder een commandopost ingericht. Het luchtruim wordt nauwkeurig in de gaten gehouden. Sliedrecht is, bij het uitbreken van een oorlog, ten opzichte van veel andere gemeenten extra kwetsbaar. De ligging aan de rijksweg en de spoorbaan zijn uitnodigend voor het vervoer van soldaten en oorlogstuig. De spoorbrug over de Merwede zal een mikpunt kunnen worden voor luchtaanvallen! Het aantal motorspuiten wordt uitgebreid tot drie stuks. De worden uit voorzorg gestald op verschillende plaatsen. Mocht er een verloren gaan bij een luchtaanval dan zijn de andere twee in ieder geval nog inzetbaar!

1940
Toeval of niet, maar juist op de dag dat de Duitsers hun buurland Polen aanvallen – 1 september 1939 – , wordt in Sliedrecht voor de eerste maal het gasmasker getest.
Frankrijk en Engeland verklaren de oorlog aan Duitsland. Nederland wil zich niet bemoeien met de oorlog, net zoals dat gelukt was in de Eerste Wereldoorlog. Het bleef dus “neutraal”. Het Nederlandse leger wordt wel gemobiliseerd. Alles wordt in orde gemaakt voor het geval dat ons land toch wordt aangevallen.
Geschiedenis-2402Het jaar 1940 kent een strenge winter. Elf jaar geleden (1929) kon men op een dichtgevroren rivier de Merwede voor het laatst schaatsen, ijszeilen en glijden met arrensleden. Nu is het weer zover. Veel pret! Maar er is ook een minder plezierige kant.Schepen moeten aan de kant blijven. Handelaren kunnen niet aan hun goederen komen en … het transport van kolen stagneert. En dat terwijl de kachel juist hoger opge-stookt moet worden!!

Gelukkig volgt op de strenge winter een zacht voorjaar. De oorlogshandelingen tussen de Franse en Duitse militairen worden heviger. Duitsland maakt zich op voor een verdere verovering van Europa..

Geschiedenis-2403Oorlog
Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers ons land binnen. Hoewel we al eens gewaarschuwd zijn voor een inval van de Duitsers, is ons land toch verrast. De Duitsers hebben veel modernere en nieuwere wapens dan de Nederlanders. Die hadden al een hele tijd geen oorlog meer gehad en hebben weinig geld betaald voor nieuwe wapens. De Duitse führer, Adolf Hitler, heeft een slim aanvalsplan. Zijn vliegtuigen vliegen gewoon over de Nederlandse soldaten heen. Uit de vliegtuigen springen de Duitse parachutisten. Deze soldaten moeten bruggen of vliegvelden veroveren, of moeten proberen om de Nederlanders van achteren aan te vallen.
Nederlandse militairen graven zich in aan de Merwesingel en laten de spoorbrug springen. Op deze manier hopen ze de Alblasserwaard tegen een inval van de Duitsers te beschermen. Veel Baanhoekers zoeken een veiliger plaats. Overvliegende bommenwerpers richting polder laten onze dorpsbewoners wel merken dat het ernst is!

Geschiedenis-2404
Mozes met de Stenen Tafelen der Wet komende van de berg Horeb en de hemelvaart van de profeet Elia.

Glas-in-lood
Merkwaardigerwijs besluiten de kerkvoogden in deze tijd gebrandschilderde ramen voor de Hervormde Kerk te laten maken. Glazenier Berg uit Dordrecht maakt een schets van twee grote ramen. Gulle giften maken de aanschaf mogelijk en de glazenier gaat aan het werk. Glazenier Berg wordt echter ook door de oorlog overvallen. Zijn huis ontsnapt niet aan de oorlogshandelingen in zijn stad. De reeds door hem gemaakte tekeningen voor de gebrandschilderde ramen in Sliedrecht gaan verloren. De ontwerper is echte een vakman. Hij heeft de nieuwe tekeningen van de glazen binnen korte tijd weer opnieuw gemaakt. Men neemt de gok de ramen te plaatsen en op 22 september 1940 sieren de nieuwe ramen de kerk. Gelukkig zouden de ramen ondanks de oorlogshandelingen gespaard blijven!

Geschiedenis-2405
ohannes dopende in de Jordaan en de prediking van Jezus, met op de achtergrond de kruisheuvel.

Geschiedenis-2406Capitulatie
Adolf Hitler heeft echter Nederland onderschat. Hij heeft gedacht Nederland wel te veroveren binnen 1 dag, maar het duurt nu al een paar dagen!
Op sommige plekken, zoals op de Afsluitdijk, blijven de Nederlanders doorvechten en geven niet op. Hitler stelt op 14 mei een ultimatum. Als Nederland zich niet binnen 2 uur zal overgeven, zal Hitler de stad Rotterdam met bommenwerpers bombarderen. Duizenden burgers zullen sterven. Koningin Wilhelmina heeft geen keuze, na lang aarzelen ondertekent ze een brief waarin staat dat Nederland zich over geeft. Maar ondanks deze verklaring wordt de stad Rotterdam toch nog gebombardeerd. !

Geschiedenis-2407Rookwolken
Vanuit Sliedrecht zijn de rookwolken in de heldere lucht boven Rotterdam te zien en is het geronk van de zware bommenwerpers, die terugkeren van hun aanval op weerloze burgers, te horen. De capitulatie volgt na het bombardement!
De Nederlandse troepen in Sliedrecht worden door de Duitsers krijgsgevangenen gemaakt. Op 15 mei trekken de eerste Duitse soldaten ons dorp binnen..

De Merwebode bericht over de eerste oorlogsweek op de volgende wijze:
Geschiedenis-2408Vrijdag 17 Mei 1940. – Beknopte uitgave wegens stagnatie postverkeer

Uitgever: A. van Wijngaarden – Sliedrecht – Tel. 39 – Postbus 17,
giro 47767. 54ste JAARGANG No. 6

Vrijdag 10 mei 1940. Mobilisatie – dagboek.

Omstreeks vijf uur in de morgen valt Duitsland ons land binnen. Duitse parachutisten landen in de omgeving van de Moerdijkbruggen.
Sedert vanmorgen vroeg het ronken van vliegtuigen ons gewekt heeft, leven wij in een soort roes. Wij zijn niet meer de nuchtere menschen van gisteren en eergisteren. Onze handen staan verkeerd voor ons werk. We kunnen alleen maar praten. Den heelen dag door staan de menschen op straat en in alle koppeltjes praat men nergens over, als over den oorlog. We worden pas even stil als we het bericht over den dood van het eerste slachtoffer hooren.
Maar zooveel andere onderwerpen vragen de aandacht, dat het gebeurde ons niet heel lang vermag vast te houden. Om acht uur is het uit met het samenkoppelen, want na dat uur mag niemand meer buiten, die er niets te maken heeft. Ramen en vensters worden overal afgeschermd en het binnenlicht wordt verzwakt. Het laatste dorpsnieuws is dat Wageningen geëvacueerd is. Dit bericht kan al niet meer rondverteld worden, want het is al op een laat uur. Alleen in kleine groepjes wordt nog wat nagefluisterd. Er is niemand die dezen nacht slaapt als anders. Zelfs de kleintjes zijn onrustig. Het is alles dubbel vreemd, nu de duisternis is ingetreden. We kunnen ons nog moeilijk realiseeren, welke gevaren ons boven het hoofd hangen, maar dat de gevaren angstwekkend groot zijn, gaan we in de donkerte van de nacht beseffen.
’t Is nu de tijd dat menig grootspreker klein wordt. In elk huis blijft wel iemand in de kleeren, om te waarschuwen, zoodra er gevaar dreigt, maar ook zij, die zich ontkleed hebben, met het voornemen rustig te gaan slapen, liggen te hanenwaken op bed.

Een week later schreef de Merwebode:

Sliedrecht van 10 — 16 Mei

Er ligt een week achter ons, zoo sensationeel en droef dat deze wel nimmer zal worden vergeten. Kijken we naar andere plaatsen dan hebben we in onze gemeente in een paradijs geleefd, ondanks de dagen en uren die in groote benauwenis zijn doorgebracht. Hoe menigmaal loeide de sirene en vluchtte men in huizen en schuilplaatsen, waar men toch ook niet veilig was. Een zucht van verlichting steeg op toen bekend werd dat de krijgsverrichtingen werden gestaakt.
Sliedrecht heeft bijkans alle inwoners van het plaatsje Doodewaard te gast gehad. De menschen, ruim 2000, waren Zondagmiddag met een groote kolensleep naar hier gekomen, na Vrijdag scheep te zijn gegaan.
Ook deze menschen hebben emotievolle dagen beleefd en waren wat dankbaar in Sliedrecht een tijdelijk onderdak te hebben. Nadat velen reeds per autobus naar huis zijn teruggekeerd, zijn ook de anderen per schip weer vertrokken.
We hebben vele geëvacueerden gesproken en zonder uitzondering roemde men het medeleven van de Sliedrechtse ingezetenen.

————–
Zaterdag tegen den avond is een bom nabij het viaduct in den Rijksweg over den Stationsweg terecht gekomen. Een geweldige krater ontstond en honderden ruiten zijn gesprongen. Zelfs groote winkelruiten in de Kerkbuurt sprongen door den geweldigen luchtdruk, ondanks het feit dat deze waren beplakt om trillingen te zooveel mogelijk te voorkomen. Gelukkig heeft dit projectiel geen persoonlijke ongelukken veroorzaakt.

————–
De bewoners van wijk D hebben Dinsdag benauwde uren meegemaakt. Hen werd namelijk meegedeeld, dat de spoorbrug zou worden opgeblazen en dat de huizen tijdelijk ontruimd moesten worden. Een der bogen is vernield en in stukken ligt deze spanning in het water. Door de explosie zijn honderden ruiten vernield, huizen gehavend, deuren ontzet, enz. Ook hierbij zijn gelukkig geen persoonlijke ongelukken voorgekomen.

—————-
Een aantal koeien dat onder Sliedrecht graasde is getroffen door mitrailleurvuur.

—————–
Gisteren is de Duitsche tijd hier ingevoerd. Daar in Nederland de zomertijd a.s. zondag begint, was het verschil nogal groot, immers de uurwerken moesten 100 minuten worden vooruitgezet. In Duitschland is het namelijk 40 minuten later dan in Nederland. En daarbij komen dan 60 minuten voor de reeds ingevoerde zomertijd in Duitsland.

————–
De scholen zijn Donderdag weer begonnen, zoodat van lieverlede het gewone leven terugkeert. Er was weer een postbestelling. De telefoon kon, althans voor het plaatselijk verkeer, weer gebruikt worden. De landman trok weer naar zijn akker, de arbeider naar de werkplaats of fabriek. Handelsreizigers vertoonden zich weer op de weg en de winkeliers leverden op de gebruikelijke wijze af.

————–
Werd Zondag alleen in een paar kerken een korte dienst gehouden, a.s. Zondag worden in alle kerkgebouwen weder op de gewone tijden de diensten gehouden.

————–
Donderdagavond omstreeks negen uur trokken de eerste Duitsche soldaten door ons dorp. Ongeveer tien met Duitsche soldaten bemande vrachtwagens kwamen langs.

Tenslotte nog dit:
Zeer velen hebben de laatste maanden en weken en voornamelijk deze week zich zeer verdienstelijk gemaakt hetzij met wacht, bode- en hulpdiensten, enz.
Laten we geen namen noemen of vereenigingen, want allen hebben eigenlijk meer gedaan dan van hen menschelijkerwijze verwacht kon worden. Vermelden we nog dat de Vakschool voor Meisjes ingericht was voor het Roode Kruis en dat velen daar behandeld werden. Daar weinig pasmunt in onze gemeente was, is vanwege het Gemeentebestuur hierin voorzien door uitgifte van noodgeld. Dit bleek een voortreffelijk oplossing!

Bewerkt door Bas Lissenburg.

23 – De jaren ’30

Geschiedenis-2301Het verkeer neemt toe
Zagen we lange tijd op en langs de Sliedrechtse dijk slechts handkarren, hondenkarren, paar-en-wagens e.d. met de komst van het gemotoriseerde verkeer neemt de drukte aan de dijk toe. Niet alleen de toegenomen snelheid, maar ook de omvang van met name de autobussen gaat problemen geven.

Eind jaren ’20 is dit ook de inspecteur van politie, de heer J. H. Tienstra, niet ontgaan. Hij vindt, dat het zo druk op de dijk is dat een maximumsnelheid van achttien kilometer per uur niet mag worden overschreden.
Veel panden staan nog al dichtbij de dijk of zelfs op de dijk. Verbouwingen en het terugzetten van de voorgevels is noodzakelijk om het toenemende verkeer doorgang te verschaffen. Een feit waarmee men destijds bij de bouw van de huizen geen rekening gehouden had.

Het wegdijk van de Sliedrechtse dijk geeft eveneens problemen. Verbetering hiervan is zeker noodzakelijk. Het College van Burgemeester en Wethouders onderschrijft dit en vindt dat de veelal stoffige of modderige dijk bestraat zou moeten worden. Voorlopig zou dit – als proef – moeten gebeuren in het gedeelte tussen de Oosterbrug en de Westerbrug. Het is niet naar ieders zin. Het raadslid S. H. den Hartog vindt dat de hele dijk bestraat moet worden. Iedere bewoner van het dorp heeft gelijke rechten. Uiteindelijk wordt – begin jaren ’30 – de gehele dijk geasfalteerd.

Geschiedenis-2302Middenstandsvereniging
In deze jaren is het aantal kleine zelfstandigen dusdanig toegenomen dat besloten werd tot oprichting van de Sliedrechtse Middenstandsvereniging (1926). Een der bekendste oprichters was G. den Dikken (1895- 1956). Hij was zowel voorzitter als secretaris.

Het Thalia Theater aan het Dr. Langeveldplein op de Uitbreiding is een grote aanwinst. In de zaal van de bioscoop kan men naast films bekijken ook uitvoeringen bijwonen.

Aannemingsbedrijven
De aannemingsbedrijven in Sliedrecht floreren. Een bekend aannemingsbedrijf in Sliedrecht in de jaren ’20 is de aannemersfirma Prins, Sliedrechts oudste bedrijf op dit terrein. Het wordt in 1925 een naamloze vennootschap. Dit gebeurt ook met de firma K. L. Kalis Wzn. en Co. Een jaar eerder neemt “De Hollandse Aannemings Maatschappij”, (H,A.M.), het materieel van de Aannemings Maatschappij, voorheen G. A. van Hattem te Sliedrecht, over. Verder is de Maatschappij tot uitvoeren van Openbare Werken Adriaan Volker in Sliedrecht actief. In april 1928 opent Volker een kantoor aan de Sliedrechtse dijk in het pand naast het huidige Baggermuseum. In dit pand woont dan Leendert Volker, de grote man van firma Volker in die tijd. Twee jaar later wordt ook de firma Johan Kraaijeveld een N.V. onder de naam Baggermaatschappij “Bos en Kalis”. Het kantoor van deze baggerfirma wordt gevestigd in het pand hoek Merwestraat / Middeldiepstraat.

Geschiedenis-2303Nieuw ziekenhuis
In 1929 schenkt van mejuffrouw Prins Visser bij testament haar grote huis nabij de kerk als onderkomen voor een ziekenhuis. Dit wordt de vervanger van Sliedrechts eerste ziekenhuis in de buurt van de Boslaan dat op 5 maart 1903 geopend werd. In 1926 is men al begonnen met een fonds bestemd voor nieuwbouw. Het nieuwe ziekenhuis krijgt een operatiezaal, een inrichting voor röntgenologie en een hoogtezonkamer. Hiermee hoopt men onder andere een ziekte als tuberculose te bestrijden.

Op 8 april 1931 opent dokter A. Prins de Baat het nieuwe ziekenhuis. In het gebouw zijn ook de wijkverpleging en het consultatiebureau voor zuigelingen ondergebracht. Veel onder één dak dus!
Onder de bezielende leiding van dokter A. Prins de Baat start in 1933 ‘Ziekenfonds voor Sliedrecht en Omstreken’ met 3.357 verzekerden. In het bestuur van het Ziekenfonds hebben de artsen A. Prins de Baat, D. Zijp en H. C. R. Folmer zitting. Andere leden zijn de apotheker J. Hoogland en de vakbondsleden A. B. Mijnster, P. Remans, H. Romers en M. van Wijngaarden. Voorzitter wordt Ir. A. Roorda. De administratie wordt gevoerd door J. Budding.

We zitten dan wel in de crisisjaren. Door een bijdrage van de gemeente kan de premie van f 0,22 per week met f 0,10 worden verlaagd.

Geschiedenis-2304Badhuis
Een verdere verbetering in de gezondheidszorg is de opening van een badhuis in de Middeldiepstraat. In 1929 wordt besloten tot de stichting. De opening is op 1 oktober 1930 en het publiek is vanaf de dag hierna welkom. Overige feiten aan het begin van de jaren ’30 zijn:

* De oprichting van de schietvereniging ‘Prinses Juliana’. In de eerst jaren werd geoefend in een timmerloods. Later vindt het schieten plaats in het B. V .L. gebouw (later bekend onder de naam Schuttershof) aan het Burgemeester Drijberplein.

* Eind augustus 1930 wordt de Vereniging voor Christelijk Onderwijs in Sliedrecht een nieuwe school rijker. Het is de Julianaschool aan de Merwestraat. Na de school bij het Middenveer, de zogenaamde Veereschool en de school in de Kerkbuurt-West, bekend onder de namen Kooijmanneschool en school Dek, genoemd naar de schoolhoofden, is het de derde voor de vereniging. De enkele jaren eerder gestichte school was daarvoor ondergebracht in het schoolgebouw tegenover de Grote Kerk.

* Begin 1931 overlijdt oud-apotheker J. S .F. v. d. Houte Willems. Hij was de grondlegger van het plan ‘Sliedrecht Vooruit’

* Op 27 april 1931 neemt burgemeester Drijber afscheid van Sliedrecht . In het splinternieuwe hotel ‘Bellevue’ aan de Merwede wordt hem door de gemeente een diner aangeboden. Aan het diner zitten onder andere wethouders P. Rijsdijk en A. W de Landgraaf aan. De heer Drijber krijgt als afscheidsgeschenk een zilveren theeservies met inscriptie.

Geschiedenis-2305
Lange rijen stempelaars

Crisistijd
Het leven voor de mensen in ons land is er niet gemakkelijker op geworden. Na de beurskrach van 1929 is er de tijd van de economische crisis. Veel werklozen, die in rijen staan te wachten voor het stempellokaal. Ook in de scheepsbouw en de industrie is het een en al misère. De baggeraars werkzaam aan de Afsluitdijk en de dijken van de Wieringermeerpolder vinden nog wel werk.

Crisistijd in Sliedrecht – Zwarte periode
Na de afsluiting van de Zuiderzee volgt er voor Sliedrecht en haar inwoners een zwarte periode. Reeds in juni 1932 bedraagt het aantal werkzoekenden 1008 personen.
Bekijken we het personeel dat werk zoekt in het baggerbedrijf, dan komen we per beroep tegen; grondwerkers 3; rijswerkers 28; steenzetters 10; uitvoerders 3; machinisten 26;
stokers 68; koks 17; bakschippers 73; dekknechten 203; kapiteins 13; molenbazen 16; stuurlieden 4; zuigerbazen 3; onderbazen 1; motorschippers 2.
Een aantal dat in de komende jaren sterk zal oplopen. In november 1933 telt men, alleen al in het baggerbedrijf, 700 werkzoekenden. Op 5 maart 1934 is de nood in genoemde bedrijfstak, gestegen tot: 880 personen.

Noodkreet
Al in juli 1932 gaat er vanuit het College van B & W een noodkreet richting directeur-generaal der Zuiderzeewerken, waarin erop aangedrongen wordt zoveel mogelijk Sliedrechtse ex-Zuiderzeewerkers in dienst te nemen in plaats van voormalige Zuiderzeevissers. Een standpunt dat de aangeschreven directie niet kon delen.
Het zou niet bij deze poging blijven. Burgemeester Popping liet nog diverse brieven uitgaan naar ministeries en baggerfirma’s. Helaas waren de antwoorden weinig zeggend en het resultaat nihil.
De hoop was gevestigd op de hervatting van de werkzaamheden. Het volgende geplande object was de inpoldering van de Noordoostpolder. Op 13 maart 1935 blijkt deze hoop de bodem te zijn ingeslagen.

Geschiedenis-2306Grote ellende
Het dagblad ‘Voorwaarts’ laat ons weten: ”Op zaterdag 28 mei 1932, ‘s middags rond één uur, begon voor de arbeiders van S1iedrecht de grote ellende en voor het bestuur van hun gemeente een grote zorg.
Ver over de duizend arbeiders: baggerlieden, steenzetters en rijswerkers uit Sliedrecht hadden aan de Zuiderzeeafsluiting meegewerkt en kwamen in groepen naar Sliedrecht terug.
Voor het jaar 1932 ten einde gelopen was, waren de Sliedrechtenaren van deelnemers aan een groots werk, stempelaars geworden
Eén hoop bleef er over: de inpolderingen zouden wel spoedig worden voortgezet en dan zou er weer volop werk komen. Die dijk was toch niet voor niets gelegd! De inpolderingen zijn tot nu toe niet voortgezet en vandaag is de vervulling van deze vooruitzichten veel verder verwijderd dan tot nu toe het geval scheen. De aankondiging van minister Colijn, dat het krediet voor de indijking van de Noordoostpolder zal worden ingetrokken, heeft in Sliedrecht bittere teleurstelling gewekt!

Onheilsbericht
Twee mensen spraken we die het lot der Sliedrechtse bevolking wel zeer ter harte gaat, burgemeester Popping en de sociaal-democraat De Landgraaf. Beiden toonden zich, door dit voor Sliedrecht zo onaangename bericht, wel heel erg getroffen.
Nog pas een paar dagen geleden (6 februari 1935) had het gemeentebestuur een adres aan de Ministerraad gezonden, waarin er vooral op werd aangedrongen de Noordoostelijke inpoldering toch snel uit te voeren, opdat er werk zou komen. Prompt (5 maart 1935) kwam het bericht uit Den Haag: met de belangen der gemeente zal rekening worden gehouden. Dat was het rechtstreekse antwoord.
In de memorie van antwoord betreffende de Zuiderzeefondsbegroting kwam een ander bericht: de post van twee miljoen voor de inpoldering wordt teruggenomen. Dit was het niet rechtstreekse antwoord, maar het was wel zo duidelijk!

Bittere teleurstelling
“Het is voor ons zo’n bittere teleurstelling, dat wij nu niet weten wat wij met de werklozen moeten doen” zei De Landgraaf, én als gemeente gaan wij er radicaal aan. Tot nu tot hebben we ons vrij van het rijk kunnen houden, maar nu worden wij absoluut armlastig.” Burgemeester Popping dacht er al weinig hoopvoller over. Drie jaar hebben we van maand tot maand de hoop gekoesterd dat het tot een aanbesteding zou komen. En telkens liep het weer op niets uit. Nu hadden we de de verwachting dat de aanbesteding toch in ieder geval nog dit jaar zou volgen en plotseling komt dit bericht!”

Verslagenheid
De verslagenheid in Sliedrecht is volkomen te begrijpen. Met het bericht van minister Colijn is alle hoop verdwenen. Nu is alles voorbij. Het buitenland wenst geen Nederlandse arbeidskrachten meer. In Nederland is minder emplooi. Het weinige werk dat restte, en vroeger door Sliedrechtenaren werd verricht, is overgenomen door arbeiders uit andere plaatsen. Bijna de helft van de 14.000 inwoners van Sliedrecht heeft rechtstreeks onder de werkloosheid te lijden.
De gemeente heeft zich toe nu toe staande weten te houden, dankzij de reserves en goed gefundeerde bedrijven, maar de reserves zijn nu zo ongeveer opgeteerd. Evengoed als de eigen huisjes, die de meeste baggeraars zich in de goede tijd hadden aangeschaft, zo langzamerhand zijn ‘opgegeten’.

Twee mogelijkheden
Twee mogelijkheden zouden Sliedrecht uitkomst kunnen brengen. De ene is herstel van de vroegere internationale verhoudingen, waardoor de arbeiders weer vrij in het buitenland zouden kunnen gaan werken. Een mogelijkheid welke nog lang op zich zou laten wachten!
Het uitzicht op de spoedige uitvoering van de Noordoostpolder was het enige, wat er nu nog overbleef. Er waren aantallen genoemd van vijfduizend arbeiders, die daarbij werk zouden vinden en in één slag zou dus een eind gemaakt worden aan de nood, die hier heerste. Ook dit vooruitzicht is nu vernietigd.

Geschiedenis-2307Strohalm
Eén hoop, een laatste strohalm om zich aan vast te klampen, heeft men hier oog, n.l. dat de intrekking van het krediet min of meer bedoeld is als stok om de volksvertegenwoordiging tot meer bezuiniging te drijven. Mochten de kamers de bezuinigingen aanvaarden, dan zou de inpoldering toch nog doorgang kunnen vinden.

Het wachten, tot een dergelijk besluit werd genomen, duurde tot 1936. Een reden voor het gemeentebestuur van Sliedrecht om maar weer eens aan de bel te trekken bij het Ministerie van Waterstaat. Het verzoek het aan te nemen personeel te betrekken via de S1iedrechtse arbeidsbeurs, werd door de minister afgewezen. Het zou, volgens hem niet billijk zijn tegenover andere gemeenten.
In 1937 gaat het gemeentebestuur er toe over aan het bureau van de arbeidsbemiddeling te Lemmer, Urk, Kampen en Vollenhove wekelijks een opgave te verstrekken van de in Sliedrecht ingeschreven werkzoekenden. De lijst, samengesteld op 25 juni 1937, telt zeer veel namen.

Verbetering in de toestand
Begin 1938 is het aantal steuntrekkers gedaa1d. Aan de arbeidsbeurs te Sliedrecht staan nog 425 mannen uit het baggerbedrijf ingeschreven. Op de 800 arbeiders van de Zuiderzee zijn slechts 50 mensen, met inbegrip van steenzetters en rijswerkers, uit Sliedrecht te vinden. Dit is te wijten aan het feit, dat de werken aan de Noordoostpolder waren opgedragen aan aannemers die niet te Sliedrecht woonden.
Eerst juli 1938 krijgen we een positiever bericht te horen. Burgemeester Popping is dankbaar gestemd te kunnen constateren dat uit opgave van een viertal bedrijven blijkt dat tamelijk veel personen uit Sliedrecht bij de werken aan de Noordoostpolder zijn geplaatst. Alleen de categorie bakschippers blijft de Sliedrechtenaren grote zorgen baren.

Hieronder treffen we het schrijven aan dat door burgemeester Popping gezonden werd aan de aannemingsbedrijven.
Geschiedenis-2308

Op 27 april 1931 neemt burgemeester Drijber afscheid van Sliedrecht. In het splinternieuwe hotel ‘Bellevue’ aan de Merwede wordt hem door de gemeente een diner aangeboden. Aan het diner zitten onder andere de wethouders P. Rijsdijk en A. W de Landgraaf aan. De heer Drijber krijgt als afscheidsgeschenk een zilveren theeservies met inscriptie. De opvolger van burgemeester Drijber is Ir. H. Popping.

Gechiedenis-2309Nieuwbouw
Begin jaren ’30 wordt Sliedrecht verrijkt met een aantal nieuwe gebouwen. Zo wordt op de hoek Oranjestraat – Middeldiepstraat in 1931 een nieuwe gereformeerde kerk met hoge toren gebouwd. Een kerk met 620 zitplaatsen. Vanuit de oude gereformeerde kerk bij de Zoutstoep wordt het in 1893 gebouwde en geheel gerestaureerde orgel overgebracht.Nadat in 1929 Mej. Prins-Visser haar woning, gelegen ten westen van de vroegere school 4 schuin tegenover de Grote Kerk, bij testament beschikbaar had gesteld voor een nieuw ziekenhuis, wordt dit in 1931 geopend door dokter Prins de Baat.

Voor de ouden van dagen wordt in 1934 het Hervormd Rusthuis aan de Stationsweg verbouwd en vergroot met een verdieping. De aanpassingen zijn een hele verbetering voor de oudjes. Eind 1936 worden er plannen gemaakt om tot de bouw van een brandweerkazerne te komen. De directie van de brandweer wil graag gaan bouwen aan het burgemeester Drijberplein. Gechiedenis-2310De plannen gaan niet door. Op de gewenste plaats wordt in 1937 het gebouw ‘Schuttershof’ geopend, een schietruimte voor de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (BVL).
De nieuwe burgemeester, Ir. H. Popping tracht het wonen in Sliedrecht te bevorderen. Woningbouwverenigingen gaan – vooral arbeiderswoningen – exploiteren. Baggeraars stoppen hun, veelal in het buitenland verdiende spaargeld, in een eigen woning langs de dijk, in een van de vele Sliedrechtse stoepen of een nieuwbouwwoning op de buitenuitbreiding.

Gechiedenis-2311Zwemmen
Iemand die in de jaren 30 wil leren zwemmen, probeert de kunst onder de knie te krijgen in de rivier. De vele zandplaten worden bij mooi weer goed bezocht! Ook ‘Overdiep’ is een gewilde plaats. De meeste jongens en meisjes leren in de zomermaanden zwemmen in het drijvende zwembad in de haven.

Boslaan
Een ziekte tast in 1932 de iepen van de Boslaan aan. Rentmeester A. Prins Thzn. Moet de bomen laten rooien. Esdoorns en populieren komen er voor in de plaats.
In 1935 probeert gravin Van Bylandt tevergeefs bij de Boschlaan een bordje ‘EIGEN WEG’ te laten plaatsen. Gelukkig gaat deze vlieger niet op. De Boslaan is al ruim 30 jaar een openbare weg in Sliedrecht. De klok is niet terug te draaien ondervindt de gravin. De Boslaan, beginnend bij de dijk en eindigend bij Tiendweg, blijft voor Sliedrecht een belangrijke wandelweg. De gravin behoudt wel het visrecht, zowel in het binnenwater als op de rivier. Ook het recht van vissen in het Klein- en Middeldiep wordt jaarlijks verhuurd. Per brief van 5 juni 1942 aan K. Bikker te Sliedrecht bevestigt de burgemeester nog eens nadrukkelijk dat de gravin dit recht bezat.

Gechiedenis-2312Eindelijk verlost van stof en modder
We zijn toegekomen aan het jaar 1933. De doorgangsweg door Sliedrecht, de dijk, is grotendeels onverhard. In het midden loopt een paadje voor de paarden die de kar trekken. Stof en modder zijn heel hinderlijk voor de weggebruikers. Tegen het stof wordt nog wel gesproeid, maar tegen de modder is geen kruid gewassen. De raad besluit eindelijk de gehele dijk asfalteren.
Ondanks de lasten die de verharding met zich brengt is men wel tevreden met de verbetering. Begonnen wordt er op de grens met buurgemeente Giessendam,wordt richting Papendrecht. In de zomer van 1933 is het al niet meer nodig om met de sproeiwagen najaar langs te komen. In de natte wintermaanden kunnen de huisvrouwen zich veel schrob- en boenwerk besparen!

De brandweer
Niet ieder is ingenomen met het nieuwe wegdek. De brandweer meent dat het asfalt te glad zou kunnen zijn. Met de slangenwagens wordt volop geëxperimenteerd. Gelukkig zijn zij ook prima bruikbaar op het asfalt wegdek.De autosproeispuit, de motorspuit en slangenwagen no. III krijgen vanaf 1933 een plaats in een loods aan de Industrieweg. De andere slangenwagens blijven gestald in kleine daarvoor gemaakte huisjes langs de dijk.

Om in noodgevallen goed te kunnen optreden volgen de brandweerlieden samen met het Rode Kruis en het Groene Kruis een serie lessen waarbij o.a. het gebruik van gasmaskers en oorlogsgassen aan de orde komen. De cursusleider is dokter D.Zijp, commandant van de Rode Kruis Colonne.

Elk jaar worden door de brandweer in de zomermaanden de schoorstenen van de Sliedrechtse woningen gecontroleerd. Bij de nieuwbouwwoningen van ‘Sliedrecht Vooruit’ blijkt dit op moeilijkheden te stuiten. Op verzoek van de brandweer en op last van B & W worden bij het verlenen van de bouwvergunningen aanpassingen verplicht gesteld.

De politie waarschuwt de brandweer bij het uitbreken van branden. Dit zijn de zogenaamde wekkerdiensten. B & W vindt dit niet langer tot de taak van de politie behoren. In oktober 1933 worden twee nieuwe wekkerlieden benoemd. Dit zijn J. de Keizer in wijk D en J. van der Wiel voor de Uitbreiding. Eerder was M. Kok de enige Sliedrechtse wekkerman. Ieder krijgt om zijn taak zo goed mogelijk te kunnen verrichten een telefonische aansluiting. In 1935 zou Kok vervangen worden door H. H. Baars.

Gechiedenis-2313Verkeer
In het verleden had men bij het bouwen van woningen en schuren langs de dijk niet al te krap gekeken. Voorgevels van de huizen stonden vaak zo goed als op de dijk. Ze vormen een grote hindernis voor het toenemende verkeer. Naast o.a koetsen, paard-en-wagens rijden er nu bussen en auto’s over de dijk. De onderlinge hinder wordt steeds groter.

De oplossing brengt het rijkswegenplan (1935) met het ontwerp voor een rijksweg, een autoweg langs Sliedrecht. Vanuit Rotterdam zal via Gorinchem de Betuwe bereikt worden. Een jaar later (1936) wordt begint de aanleg van de tweebaansweg.Voor Sliedrecht is de aanleg van de autoweg tamelijk ingrijpend.
Gechiedenis-2314Bij de kruising met de spoorbaan, de Stationsweg en de dijk op de grens met Giessendam moeten bruggen en viaducten een uitweg bieden. Sliedrecht zal met een op- en afrit bij de Stationsweg op de rijksweg worden aangesloten. Huizen en grond aan de rijksweg wordt onteigend. De nog nieuwe villa van architect Nieuwpoort valt onder de sloophamers!

De aanleg van de rijksweg is de nekslag voor de bootdienst van de Fop Smit. In 1935 komt er een einde aan de veerdiensten. Daarvoor was het treinverkeer al een grote concurrent geworden! Vanaf het Sliedrechtse station vertrekken 13 treinen per dag, zowel richting Dordrecht als Gorinchem. Niet alleen bij het Sliedrechtse station was het mogelijk om de trein te nemen. Bij Baanhoek is ook een halte waar men kan in- en uitstappen.
Wie op het Sliedrechtse station aankomt, kan zich met een autobus van de firma A. Hartog (later de M.E.G.G.A.) naar het centrum laten rijden.

Telefoon
Een andere vorm van verkeer vormen de telefonische verbindingen. Het aantal gebruikers groeit. In 1920 waren dit er nog slechts 79. Het telefoonnet was bovengronds. De draden waren bevestigd aan palen die overal langs de dijk stonden. Een betere oplossing is om de draden in de dijk te leggen. Dit betekent de eerste opbreking in de nieuwe asfaltlaag. De telefoondienst is voortaan dag en nacht en ook ’s zondags te bereiken. Een goede vooruitgang, maar de vele telefonistes moeten wel met allerlei stekkers voor een verbinding zorgen. Vaak een tijdrovende bezigheid!

Banken en scholen
Een van de instellingen van het Nut is de spaarbank. Jarenlang zou op diverse scholen het sparen hierbij ondergebracht zijn. Het oude raadhuis in de Kerkbuurt (nu Sliedrechts Museum) dient als onderkomen. In 1932 schenkt IJsbrand van Wijngaarden (hij woonde in het huis dat nu ten oosten van de oprit van de Geulstraat staat) een stuk grond naast zijn huis aan de stichting Nutsspaarbank. Hierop wordt een bankgebouwtje gebouwd. Het oude raadhuis krijgt nieuwe bewoners. Het wordt consultatiebureau voor zuigelingen en het Leger des Heils er onderdak.

Een andere instelling van het Nut is de Nutsvaktekenschool. Deze gaat in 1938 op in de vereniging Ambachtsschool voor Sliedrecht en Omstreken. Belangrijke personen bij dit initiatief zijn burgemeester Popping en de heer B. van Rees.
De school zal later bekend worden als de Lagere Technische School (L.T.S.). Latere namen voor deze school zijn: Burgemeester Poppingschool, De Grienden en thans Grienden College. De heer Van Rees is gedurende 35 jaren directeur van de school geweest. De door het Nut gestichte Vakschool voor meisjes is tot 1938 gehuisvest geweest in de voormalige school III aan de dijk (later gebouw de Korf). Van hier verhuist de school naar de plek bij de Boslaan. De plaats van de vakschool voor meisjes wordt vervolgens ingenomen door de jongens van de ambachtsschool.
Gechiedenis-2315Een andere bank in Sliedrecht is in deze tijd de Boerenleenbank. Deze was in 1918 opgericht met als doelstelling ‘de verbetering van het landbouwbedrijf’. De boeren konden een krediet verkrijgen en de gelden werden rentegevend en veilig belegd. Voorzitter van de coöperatieve vereniging is J. v.d. Berg Lzn., directeurkassier is J. van Bergeijk Sr.
De Boerenleenbank is gevestigd in een woonhuis bij De Wiel, genummerd A 344.
Verder is er in Sliedrecht de Rotterdamse Bankvereniging, directeur B. Kesnich. Deze bank was naar Sliedrecht gekomen na de overname van de Sliedrechtse Bankvereniging L. van Splunder.

Sliedrecht ten zuiden van de Merwede
Sliedrecht is in de jaren 30 groter dan tegenwoordig. Wel dubbel zo groot! De helft van de gemeente ligt ten zuiden van de Merwede. Veel grienden, hooi- en weilanden met daar tussen vele wateren. Er is geen weg over land naar Dordrecht. Naar de paar boerderijen die er zijn, moet alles over water worden aangevoerd. Dit geldt ook voor ook de post en in noodgevallen voor de brandweer. Gewerkt kan er dan worden met een motorspuit. Die moet met een sleepbootje overgevaren worden. Deze moet echter wel eerst ergens vandaan worden gehaald. Het laat zich raden wat er in geval van een ernstige brand zal voordoen… .
Binnen Sliedrecht is in 1939 het aantal brandkranen al 144 stuks. Dit komt mede door de nieuwbouw die buitendijks op gang is gekomen in het gebied rondom de Rembrandtlaan.

22 – Veranderingen

Veranderingen in ons dorp.
Na het overlijden van Sliedrechts burgemeester Ypey in 1917 werden de zaken tijdelijk, tot de benoeming van burgemeester Drijber, waargenomen door wethouder Johan Kraaijeveld.

Geschiedenis-2201Verbindingen met de Uitbreiding
De uitbreiding buitendijks was intussen een feit. Over het Kleindiep, een zijarm van het Middeldiep, dat een belangrijke vaarweg vormde, was in 1915 een vaste, stenen brug gebouwd. Deze belemmerde de doorvaart voor de schepen die o.a naar de langs het Kleindiep gevestigde hoephandelaren voeren.
Hierbij moeten we ons indenken dat het centrum van Sliedrecht destijds niet aan de Merwede lag. Tussen de dijk en de rivier lagen grienden en zandplaten. Na de verwezenlijking van de plannen van Sliedrecht-Vooruit (zie vorige uitgaven) ontstond hierop het deel van Sliedrecht dat nu bekend staat als de “Ouwe Uitbreiding”.
De bedrijven in het centrum waren per schip vanuit het oosten te bereiken via het Middeldiep, dat zich ter hoogte van de huidige brandweerkazerne vertakte in het Kleindiep. Via het westen kende het Kleindiep een directe verbinding met het Groote Diep, de Merwede.

Geschiedenis-2201aDe plannen, die gemaakt waren om in het westelijke deel van de Ouwe Uitbreiding een vaste brug over het Kleindiep aan te leggen, ondervonden nogal weerstand. Begrijpelijk, met de eerder genoemde belemmering. Door de gemeenteraad werd uiteindelijk gekozen voor een voetbrugje dat gemakkelijk bij doorvaart verplaatst kon worden.
In de volksmond heette de verbinding: “Het Kippebrugchie”. Niet te verwarren met de later op dezelfde plaats ter vervanging gebouwde Westerbrug.

Spaanse griep
Wie in het archief de rij boeken van overlijden te Sliedrecht bekijkt, valt direct het boek van 1918 op. De Spaanse griep maakte ook in ons dorp veel slachtoffers In de laatste maanden van 1918 verloren velen het leven. Onder hen o.a. gemeentesecretaris Damsté.

Bouwplannen
De wereldoorlog naderde zijn einde. Baggeraars, die in het buitenland werkzaam waren geweest, konden weer naar huis terugkeren.

Geschiedenis-2202Weekmarkt
In het dorp zat men intussen ook niet stil. Na de Kerkstraat was ook het Dr. Langeveldplein aangelegd. Hierop werd de eerste Sliedrechtse weekmarkt gehouden. Echter zonder succes. Na een paar jaar was het al gedaan met de markt.
Het oude raadhuis in de Kerkbuurt, thans Sliedrechts Museum, was al jaren te klein. Diverse keren was nieuwbouw aan de orde geweest. Uiteindelijk zou de nieuwbouw er toch komen. Burgemeester Drijber stelde het op de agenda van de raadsvergadering van 7 juli 1919 gezette punt: “Bouw van een nieuw raadhuis” weer aan de orde. Daarbij bleek dat het Dr. Langeveldplein de geschikte plaats zou zijn.
Een plaats is één ding, een gebouw is een tweede. Onder de architecten werd een prijsvraag uitgeschreven. Er werden liefst 86 plannen ingediend. De winnaars waren de architecten Friedhoff en Plantinga.

Geschiedenis-2203De Merwestraat zorgde voor de verbinding met de rivier de Merwede. Hier werd na het Bovenveer (Wijk A), het Middenveer (wijk B) en het Benedenveer (Baanhoek) een vierde stoombootveer aangelegd voor de Fop Smit boten. Spoedig volgde een verdere bouw, zoals het huis van de veerman en het café op de hoek met de Industrieweg dat velen zich nog wel herinneren als het café van Van Zessen, de latere eigenaar.

Langs de Industrieweg verschenen de eerste industriële vestigingen, zoals de meelfabriek van de gebroeders van Ballegooijen. Later bekend als de fabriek van scheepssluitingen van Van Beest. Nu staat het nieuwe gemeentekantoor op deze plaats.
Een ander bedrijf aan de Industrieweg was de scheepswerf ‘Kerkerak’. De op 7 juni 1918 opgerichte werf werd na enige tijd opgeheven. Velen onder u herinneren zich het Kerkerakterrein nog wel uit hun jeugdjaren. Bekend, vanuit de beginjaren, is tevens de Sliedrechtse Machinefabriek. Op de Uitbreiding zag men naast de gebruikelijke huizen diverse andere panden gebouwd worden; een abattoir, een badhuis, een bioscoop (Thalia Theater van de familie Koorevaar), scholen en bedrijfsgebouwen.
Een nadeel was, mede door van de komst van de fabrieken hier en in andere delen van het land, dat na 1920 de kwaliteit van het rivierwater achteruit ging, zo erg zelfs dat de zalm verdween.

Geschiedenis-2204Nieuwbouw
Langs de haven en de daar achter liggende wijk werden vanaf 1917 vele huizen gebouwd. Bekend zijn bij ieder de 40 ’Klophuizen’, gebouwd in opdracht van de scheepswerf. Een idee dat voor die tijd zeer vooruitstrevend te noemen is.

De 22e maart 1921 besloot de raad het bekroonde plan van het nieuwe raadhuis te laten uitvoeren.
Na een aanbesteding op 15 juni werd het werk gegund aan G. de Haan uit Dordrecht die met een bedrag van f 180.135,- de laagste inschrijver was.
Burgemeester Drijber legde op 7 november 1921 de eerste steen.
Op 29 maart 1923 werd door burgemeester Drijber bekend gemaakt dat men klaar was met bouwen. Het raadhuis werd officieel geopend op dinsdag 3 april. In het nieuwe onderkomen werden ook het politiebureau en het kantoor van de gemeenteontvanger gevestigd. Nog voor de opening was al eerder een muziektent op het Dr. Langeveldplein geplaatst. Het geld hiervoor was via een inzamelingsactie van de zang- en muziekverenigingen bijeengebracht.

Geschiedenis-2205Oosterbrug
In 1924 werd de oostzijde van de Ouwe Uitbreiding door middel van de Oosterbrug verbonden met de dijk.
De brug was afkomstig uit Breda, waar hij al door heel wat inwoners was gepasseerd. De brug was een draaiburg, zodat de scheepvaart gewoon door kon gaan. De aanleg van de brug kostte totaal f 38.680,-

Vervoer
Ook Sliedrecht maakte kennis met de autobussen. De noemden we in het begin nog omnibussen. De eerste ritten vonden slechts een paar keer per dag plaats. Geheel zonder gevaar waren de ritten niet. De bussen liepen, motorisch gezien, nogal eens in kwaliteit achter. Onderweg uitstappen en verder lopen, gebeurde regelmatig.
Bekende busondernemers uit die tijd waren:
1) Ravesteijn, een lijndienst met twee bussen vanaf Giessendam, via het   Papendrechtse veer naar Nieuw-Lekkerland.
2) De A.T.O. (Ned. Spoorwegen).
3) De firma Koevoets en de Jongste.

Geschiedenis-2206Aanvankelijk kreeg de A.T.O. het alleenrecht. Later (1929) kreeg, na enkele acties, Ravesteijns ‘Eerste Sliedrechtse Omnibus Onderneming’ (E.S.O.O.) dit privilege. Met de Fop Smit boten ging het niet zo best meer. De concurrentieslag met de autobus ging verloren. Alleen met mooi weer wilde men nog wel eens met de boot mee. Het vaarplezier stond dan voorop! Op 3 november 1935 kwam er een eind aan de veerdiensten van de boten.

De nog niet geasfalteerde, vaak stoffige of modderige, dijk kende een paardenpaadje, op z’n Sliedrechts gezegd ’t paerdespoor. Een enkel koetsje, boerenwagens, handkarren, hondenkarren, en zo nu en dan een autobus reden over de dijk. Nog lekker rustig dus… Een enkeling had zich al een auto aangeschaft. De verschijning ervan op de weg was een hele gebeurtenis! Voor de inwoners was het wel even wennen… Ook op de Stationsweg, waarvan de toegang werd verbreed met een westelijke oprit, kwam men zo nu en dan een auto tegen als gasten naar de trein werden gebracht.

Geschiedenis-2207De communicatie stond nog in de kinderschoenen. De dorpsomroeper nam de taak op zich van wat nu voorbehouden is aan Merwe-Radio en Merwe-TV. De bekendmakingen van burgemeester en wethouders kregen de bewoners via hem te horen. Door de uitbreiding van de gemeente was zijn taak groter geworden. Was zijn stem eerst slecht langs de dijk te horen, nu schalde zijn geluid ook over de Uitbreiding ‘Sliedrecht Vooruit’. Intussen werd de Huibert de Baatplaat steeds meer opgehoogd en klaargemaakt voor bebouwing met nieuwe woonhuizen. Het laatste deel dat volgestort werd, was de omgeving van de Merwesingel en de Hugo de Grootstraat.

21 – Begin van de 20e eeuw

Belangrijke zaken aan het begin van de 20e eeuw

Oranjevereniging
Oranjefeesten werden tot in het begin van de vorige eeuw door speciale comités georganiseerd. In 1911 werd door een ‘Commissie van voorbereiding voor de oprichting van een Oranjevereniging’ een vergadering uitgeschreven. De vergadering werd maar door 26 personen bezocht. Eigenlijk wilde men – gezien de geringe opkomst – al afzien van de oprichting van een Oranjevereniging. De onderwijzer Colijn redde de zaak. Hij wees erop dat er in Sliedrecht gewoonlijk weinig mensen bij elkaar kwamen als er een vereniging werd opgericht. Aan voldoende steun ontbrak het echter zelden… Na zijn betoog werd gestemd en met bijna algemene stemmen werd besloten een Oranjevereniging op te richten.

Het eerste bestuur bestond uit 9 leden: H. den Hartog, De Rouwe, Hokken, Colijn, Dusseljée, Schroevers, A. v .d. Berg, Bongers en J.C. van Drunen. Den Hartog werd de voorlopige voorzitter. De contributie moest zo laag mogelijk worden gehouden. Bij feestelijke gelegenheden zou men aan extra inkomsten kunnen komen door bij de festiviteiten entree te heffen. De leden zouden 1 gulden contributie moeten betalen. Voor donateurs werd een bedrag van 25 cent bepaald. Namens het laatste comité werden vlaggen, versieringen e.d. aangeboden.

Geschiedenis-2101Onafhankelijkheidsfeest in 1913
In 1913 was het 100 jaar geleden dat er aan de Franse overheersing onder Napoleon een einde kwam. Het feest werd op 27 en 28 augustus op grootse wijze gevierd.
De nieuwe Oranjevereniging combineerde het feest met de verjaardag van koningin Wilhelmina die op 31 augustus jarig was. Het bestuur van de Oranjevereniging bestond in 1913 uit: D. van Uitert, rijwielhandelaar (voorzitter), G.B. van der Vlies, schoenhandelaar (secretaris), De Rouwe, timmerman (penningmeester), H. den Hartog, C. Dusseljée, T. Nieuwpoort, H. v.d. Stelt, G. Sonneveld en E. Bakker Czn.
Daarnaast was er ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum een ‘Eere-Comitée’. Hierin hadden zitting: S. E. Ypey (burgemeester), dr. P. Langeveld, mr. K.A. Nederlof, IJ. v.d. Berg, L. van Haaften, A.A. Hofman, H. K. Nederlof, L. Splunder Jr., A.P. Volker en de dames van den Berg, van Maanen en Kruyff. Het feest werd bekostigd uit de advertenties in het feestprogramma en de vele droegen een steentje bij.

Geschiedenis-2102Vroeg op
Het feest ging al vroeg van start. ’s Morgens om halfzeven startte een rijwieloptocht van 40 jongens. De fietsers werden voorafgegaan door hoornblazers. Zij moesten iedereen wakker maken om tijdig – negen uur – bij de landing van Prins Willem aanwezig te zijn.
De Prins, in de persoon van E. D. Kalis, stapte bij het Benedenveer bij de spoorbrug aan land. Hij werd in een sloep vergezeld door acht 8 matrozen, een bootsman en hun commandant. Daar stond ‘de Scheveningse bevolking’, in klederdracht, ter verwelkoming gereed. Onder hun juichkreten stapte de ‘Prins’ op een ‘schelpenwagen’. Hierin werd hij naar de reeds opgestelde optocht geleid.

Geschiedenis-2103De stoet
Deze startte om half tien. De stoet trok van west naar oost en terug. Erebogen, vlaggen en gevelversieringen gaven Sliedrecht een feestelijk aanzien.

Voorop reden twee herauten. Die van Sliedrecht en de heraut van Nederland. Het muziekkorps van ‘Crescendo’ volgde.
De eerste wagen was een Oranjewagen. Daarop zaten jongelui gekleed in wit en oranje. Zij strooiden bloemen rond. Daarna kwam de Haagse schutterij, vervolgens een groep Scheveningers te voet met oranjelinten.

De groep van de eerder genoemde acht matrozen, voorzien van roeiriemen, en de bootsman die de Prins aan wal gebracht had, volgden. Hierna reed de schelpen-wagen met de Prins die omringd was door acht vissers in oliepakken. Hij werd gevolgd door een rijtuig met de vrouw van de Prins (mevr. A. A. Seret-Bos) met enige hofdames.

In een daarop volgende authentieke karos zaten de heren van het Drie-manschap. Zij stapten bij het raadhuis uit om de originele proclamatie van 1813 voor te lezen.

Na het Dordtse Fanfare Corps volgde een enorme stoet onder de naam ‘De Helden van Quatre-Bras en Waterloo’. Deze werd geopend door Engelse, Pruisische en Nederlandse infanteristen met veroverde Franse vaandels. Honderden verklede personen deden er aan mee.

Het eind van de stoet werd gevormd door een ‘Zegewagen’, voorstellende de vrede en de muziekvereniging ‘Juliana’.

De inwoners mochten vanaf de zijkant de stoet aanschouwen. Aansluiten was niet toegestaan! De stoet hield halt op een feestterrein aan de Parallelweg. Fotograaf A. Meyer zette hier degenen die dat wensten, in historische kleding op de foto.
Op het feestterrein werd geen sterke drank geschonken. Voor de liefhebbers was er een glaasje boerenjongens, een advocaatje of lichte wijnen. Het terrein was – verschil moest er zijn – ingedeeld in eerste en tweede klassen plaatsen…

Het feest ging door tot ver in de middag. Rond vier uur gaf de gymnastiekvereniging ‘Sport Staalt Spieren’ demonstraties op het feestterrein. Om acht uur volgde een concert- en bioscoopvoorstelling. We moeten hierbij wel denken aan een stomme film! Op de eerste van de twee feestdagen was ’s avonds een Bengaalse verlichting op de toren te bewonderen.

Tweede feestdag
De volgende dag was er de optocht van alle schoolkinderen. Voorafgegaan door een muziekkorps ging het richting feestterrein Hier begonnen om halftien de kinderfeesten. De volwassenen waren om twee uur aan de beurt. Voor de inwoners was er ‘s avonds om half acht een concert en een optreden van S.S.S. Dit werd gevolgd door diverse vertoningen.

Het grote feest werd afgesloten met een grandioos vuurwerk Het vuurwerk werd afgestoken vanaf een weiland ten westen van de Stationsweg. Tegen twaalf uur ging ieder naar huis. Op een enkele dronkenschap na, werd er geen wanklank gehoord. De vele goede herinneringen aan het feest zorgden ervoor dat er in Sliedrecht nog jarenlang over de gebeurtenissen werd nagesproken!

Geschiedenis-2104Oorlog
Een jaar later, in de zomer van 1914, werd het rustige leven echter wreed verstoord. Veel onrust veroorzaakte het telegram dat op het raadhuis aankwam. Een oproep tot mobilisatie!

De opgeroepen militairen vertrokken vanaf het station. Het tweede telegram, met de melding dat er oorlog was uitgebroken, verergerde de toestand. Aanplakbiljetten in het dorp brachten de inwoners van de onheilstijding op de hoogte.
Gevolgen van het een en ander waren: verlies aan arbeidskrachten door de mobilisatie, inkwartiering, en distributie van levensmiddelen.
Geschiedenis-2105Belgische vluchtelingen bereikten ons dorp. Zij waren onze kant uitgekomen omdat hun land zwaar te lijden had onder de Duitse inval! Het nieuws over de oorlog werd gevolgd via krantenberichten en foto’s in het tijdschriften. Nederland bleef echter neutraal. De plannen voor een uitbreiding, gemaakt door de vereniging ‘Sliedrecht Vooruit’, zoals beschreven in de twee voorgaande verenigingsbladen, konden worden uitgevoerd.

Sliedrecht Vooruit
De aanbesteding van de haven, het ophogen van terreinen en overige werken, werden op 11 november 1914 door B. en W. aanbesteed. Het werk werd aan de laagste inschrijver, de firma T. den Breejen van den Bout gegund tegen de prijs van f 170.000, – . De stenen boogbrug over het Kleindiep werd een maand later, op 16 december, aanbesteed. Deze brug gaf toegang naar de terreinen van de uitbreiding. De toegangsweg kreeg als naam: Kerkstraat. Dit werk werd verricht door de firma. Zanen Czn. te Ammerstol voor een bedrag van f 13.284, – .

Geschiedenis-2106Panden in de Kerkstraat
Een van de eerste panden die aan de nieuwe Kerkstraat gebouwd werden, was dat van N.V. Boekhandel Gebr. Luyt. D. Brasser was er de directeur. A.M. van Dorth de bedrijfsleider. Een ander pand aan de Kerkstraat was o.a. bestemd voor het G.E.B. In Sliedrecht was het mogelijk om vanaf 8 maart 1916 een elektrisch peertje het huis te laten verlichten. Het nam de plaats in van de gaslampen.
Het Gemeentelijk Energie Bedrijf (G.E.B.) werd samen met het bureau Gemeentewerken van de gemeente Sliedrecht gehuisvest in dit pand. De directeur vond ook woonruimte in het groots opgezette pand.
Thans is in dit gebouw een notariskantoor gevestigd. De Belgische ingenieur G. C. Guermonprez, een oorlogsvluchteling, werd de eerste directeur van zowel het G.E.B. als van gemeentewerken. Onder zijn toezicht werd vrijwel de gehele uitbreiding – buitendijks – volgebouwd.

Geschiedenis-2107Scheepswerf De Klop
In 1916, tijdens Wereldoorlog 1, werd de in 1913 te Zuilen, provincie Utrecht, gestichte scheepswerf ‘De Klop’ bij het fort ‘De Klop’ overgebracht naar Sliedrecht.

De werf was in Zuilen tot stand gekomen door toedoen van Joh. Kraaijeveld en drie broers Van Noordenne. Scheepswerf ‘De Klop’ werd naar het nieuwe terrein in Sliedrecht overgebracht.
Sliedrecht was een ketelmakerij en een machinefabriek, gevestigd aan de Industrieweg, rijker. De directeur van de werf werd de heer H. van Seventer.

Een minpunt in deze jaren was het overlijden van burgemeester S.E. Ypey. De op 30 december 1916 overleden burgemeester werd op 2 januari 1917 in Den Haag begraven. De Sliedrechtse wethouders Joh. Kraaijeveld en J .L. A. van Haaften en de gemeentesecretaris J. J. Damsté woonden de begrafenis bij.

20 – Uitbreidingsplan

De totstandkoming van Sliedrechts Oude Uitbreiding buitendijks

 

Geschiedenis-2001
De Kerkeplaat in lang vervlogen tijden

Uitbreidingsplan Sliedrecht
Eerder  lieten we U met de plannen van “Sliedrecht Vooruit” ten aanzien van de uitbreiding van Sliedrecht kennismaken.

Op grond daarvan benoemde de Raad een commissie, welke de plannen aan een nader onderzoek moest onderwerpen en vervolgens diende te kijken naar de mogelijkheden voor de gemeente Sliedrecht.
In de Merwebode van 30 november 1912 troffen we onderstaand verslag aan:

Verschenen is het Rapport der Raadscommissie ter zake de motie “Sliedrecht Vooruit”, d.d. 26 Augustus 1912.
In de Raadsvergadering van 15 Mei 1911 werd met algemene stemmen aangenomen een voorstel van den heer Johs. Kraaijeveld, luidend.”De Raad der gemeente Sliedrecht besluit: eene commissie te benoemen om te onderzoeken wat er gedaan kan worden ten einde Sliedrecht te geven, datgene wat besproken is in de laatst gehouden vergadering van “Sliedrecht Vooruit”.

Dit naar aanleiding eener door de vereeniging “Sliedrecht Vooruit” met algemeene stemmen aangenomen motie luidend als volgt.

“De openbare vergadering der vereeniging “Sliedrecht Vooruit”, gehouden op 28 april 1911 in het lokaal van den heer O. den Boer – gehoord de uiteenzetting van een schema tot een plan tot uitbreiding der gemeente Sliedrecht, door den secretaris der vereeniging, spreekt den wensch uit,
dat de gemeente dit plan in behandeling zal nemen en zal onderzoeken of het voor uitvoering vatbaar is en dat zij in het bevestigend geval de middelen zal beramen om tot uitvoering te geraken”.

Geschiedenis-2002Men besloot, zoals uit het voorgaande bleek, deze motie ter kennis te brengen van de gemeente en de burgerij.
In de daarop volgende raadsvergadering werden de heeren P.Langeveld, A. Prins Thz., L. van Haaften, E. van Noordenne en A. P. Volker Pz., tot leden der bovengenoemde Raadscommissie benoemd.

In hare eerste vergadering, gehouden op 23 Juni 1911, waarin tot voorzitter der commissie bij acclamatie de heer P. Langeveld werd aangewezen, werd uitvoerig de haar opgedragen taak om te onderzoeken in hoeverre de plannen van “Sliedrecht Vooruit” voor uitvoering vatbaar zijn, besproken, die naar hare meening ernstige overweging en een degelijk en uitgebreid onderzoek verdienden.

Algemeen deelt de commissie het gevoelen van de vereeniging ” Sliedrecht Vooruit ” dat de uitbreiding van Sliedrecht moet gezocht worden zonder eenigen twijfel buitendijks.
Blijkens het plan der vereeniging “Sliedrecht Vooruit” om het geheele Middeldiep tot eene breedte van 100 meter bij eene lengte van 1100 meter uit te baggeren en het opgezogen zand op de Kerkeplaat te brengen, zal worden verkregen:

1e een haven;
2e een terrein gelijk aan de Kerkeplaat, groot pl.m. 75000 vierkante meter.

Hoewel het groote nut hiervan inziende meent de commissie met het oog op het woningvraagstuk in deze gemeente, dat havenaanleg niet voorop moet worden gesteld doch dat in de eerste plaats met de belangen van de volkshuisvesting rekening gehouden moet worden en dat deze belangen dringend eischen een uitbreiding buitendijks.Met het oog op de uitbreiding der gemeente kwam het de commissie ook minder wenschelijk voor de haven te projecteeren op de wijze als door ” Sliedrecht Vooruit ” is geschetst , omdat daardoor slechts een klein gedeelte buitendijks voor bebouwing in aanmerking komt en een groot gedeelte buitendijks gelegen terreinen voorgoed door een breede haven van het overige gedeelte van de gemeente zou worden afgesneden. De commissie heeft overwogen een haven te ontwerpen met voldoende bergruimte, die gemakkelijk van alle zijden toegankelijk is.

Dringend bestaat evenwel de behoefte aan geschikt bouwterrein; dat alhier woningnood bestaat, behoeft niet te worden aangetoond, is van algemeene bekendheid. De in den polder (binnendijks) gelegen gronden zijn daarvoor geheel ongeschikt; geen gezonde woningbouw is daar te verkrijgen met ’t oog op den afvoer van water en fecaliën; de drassige bodem is veel te laag om een behoorlijk rioleerstelsel in te voeren, vandaar dat de buitendijks gelegen terreinen zijn aangewezen voor uitbreiding, waar plaats is voor 4 à 5000 zielen en de gemeente de eerste 25 jaren zal zijn geholpen.

Waar art. 28 der Woningwet aan onze gemeente de verplichting oplegt tot het vaststellen van een uitbreidingsplan acht de commissie het daarom noodzakelijk thans tot de vaststelling van een uitgebreid plan over te gaan en tevens om tot aankoop of onteigening van al de in het plan begrepen gronden te besluiten.
Het gemakkelijkst valt toch de uitbreiding te regelen waar de gemeente een groot grondbezit heeft en dus zelf de bouwterreinen voor exploitatie in gereedheid kan brengen.
De commissie heeft na verschillende besprekingen een schets ontworpen van een uitbreidingsplan, omvattend behoudens enkele perceelen de geheele Kerkeplaat en de Huibert de Baatsplaat.
Een nadere uitwerking van het plan werd gedaan door de heer C. F. Sepmeyer, hoofdopzichter van gemeentewerken te Dordrecht.

Het plan omvat:
Eene wijk voor het bouwen van arbeiderswoningen, een villapark, handels- en industrieterreinen en den aanleg van een haven.
Geschiedenis-2003De gronden benoodigd voor de uitvoering van deze werken zijn gelegen buitendijks, tusschen het Kleine Diep en de rivier de Merwede.
De bedoeling van de commissie is voorlopig het middengedeelte het eerst in uitvoering te brengen, door onmiddellijk de geheele haven in orde te maken, de Kerkeplaat in haar geheel voor bouwterrein in te richten, het gedeelte van een villapark langs den hoofdweg gelegen op te hoogen en een weg aan te leggen door de handels- en industrieterreinen, zonder deze terreinen op te hoogen, terwijl toch de onteigening zich uitstrekt over het geheele straks aangegeven plan.
Beschrijving van het plan. De hoofdtoegangsweg naar de aan te leggen terreinen en haven is ontworpen in het verlengde van de Stationsweg vanaf den dijk loodrecht op den stroomlijn van de rivier.
Hierdoor wordt een korte verbindingsweg vanaf de rivier (aanleg stoombooten) naar het centrum der gemeente verkregen.
Vermits de stroom in het Kleine Diep niet onderbroken mag worden, heeft de commissie geoordeeld, dat een brug ter breedte van 8 m voldoende is.
De hoogte van de brug is ontworpen 4 m plus N.A.P., zijnde het profiel, waartoe alle voor bouwterrein bestemde gronden zullen moeten worden opgehoogd. om voortdurend watervrij te liggen.

Wijk Arbeiderswoningen
De wijk voor het bouwen van arbeiderswoningen wordt begrensd ten noorden door het Kleine Diep, ten zuiden door de haven en ten oosten door den hoofdweg. Zij beslaat met de wegen en pleinen eene oppervlakte van circa 8,5 ha en is verdeeld in 11 bouwblokken, 2 pleinen en een paar plantsoentjes. De hoofdwegen hebben een breedte van 15 m, de overige een breedte van 12 m. Deze wegen zijn alle gedacht steenslagwegen te zullen worden met Quenast tegeltrottoirs en hardsteenen trottoirbanden.

Plein
Onmiddellijk vanaf den hoofdweg bevindt zich een plein ter grootte van 71 are; door de zeer gunstige ligging van dit plein is het voor allerlei doeleinden bruikbaar. De afstand van dit plein tot de Ned. Herv. Kerk bedraagt ca. 120 m.
Het tweede plein, dicht bij de havenmonding ontworpen, is groot 17,5 are en kan gebruikt worden voor opslag en voor te lossen en te laden scheepsgoederen enz.
De bouwblokken zijn niet lang en ter breedte van minstens 35 m geprojecteerd, zodat ruime toetreding van licht en lucht mogelijk is. De gezamenlijke grootte van deze bouwblokken bedraagt ruim 4 ha.
Voor afvoer van faecaliën, wasch- en regenwater is een rioleering aangenomen van eivormige cement-riolen.
Aanbeveling verdient het, dat de gemeente in deze wijk een zekere oppervlakte reserveert voor den bouw van een school.

Geschiedenis-2004Villapark
Een terrein bestemd voor villa’s of andere meer kostbare huizen, is gedacht ten oosten van den hoofdweg en wordt ten noorden begrensd door het Kleine Diep en ten zuiden en oosten door de rivier de Merwede.In deze wijk is een park aangenomen met wandelwegen, waterpartijen, een fontein, enz., dat een publiek wandelpark ook voor de gemeente Sliedrecht aanbeveling verdient, behoeft wel geen nader betoog.
Het geheele terrein voor het villapark is met wegen, waterpartij en park groot ca. 18 ha en is verdeeld in 20 bouwblokken.
De wegen zijn geprojecteerd ter breedte van 20 m voor genoemde hoofdweg en den weg langs de rivier, en 15 m voor alle overige wegen; deze wegen zijn ook alle bedoeld verhard te zijn met steenslag en aan beide zijden te zijn aangelegd met trottoirs van Qeunast-tegels. Op het plan zijn langs de hoofdwegen de voortuintjes aangegeven.
Voor eersten aanleg zouden alleen in aanmerking komen de terreinen onmiddellijk grenzende aan den hoofdweg. Deze hoofdweg is geprojecteerd ter breedte van 20 m met wandelpad of plantsoen in het midden, 2 rijwegen van 6 m en trottoir ter breedte van 2,5 m.

Handels- en industrieterreinen
Ten zuiden van den geprojecteerden haven bevinden zich op het plan de handels- en industriegebieden, grenzende aan de rivier en aan den hoofdweg.
Deze terreinen zijn gunstig voor allerlei doeleinden gelegen, daar ze onmiddellijk aan de rivier of de haven grenzen; de totale te verhuren of te verkopen oppervlakte bedraagt ruim 13 ha. Midden door deze terreinen is een weg aangegeven ter breedte van 15 m. Deze weg loopt van den hoofdweg naar de invaart van de haven.
Op het plan is verder nog aangegeven ten westen van de haven eene uitbreiding voor arbeiderswijk en voor handels- en industrieterreinen.

Geschiedenis-2005Haven
De haven is ontworpen ongeveer in ’t midden van bovengenoemde terreinen.
Hierdoor kunnen de handels- en industrieterreinen aan beide zijden aan het water gelegen zijn en de arbeiderswijk direct aan de haven grenzen.
De invaart der haven, in zuidwestelijke richting geprojecteerd, maakt het mogelijk dat te allen tijde de schepen gemakkelijk kunnen binnenkomen, terwijl bij uitvoering van het eerste gedeelte geen brug noodig blijkt om alle terreinen te bereiken, behoudens de hiervoren genoemde brug.
De haven heeft een lengte van 565 m bij een breedte van 100 m; de invaart is 300 m lang en 50 m breed. De totale oppervlakte grond, benoodigd voor den aanleg van deze haven en monding bedraagt ca. 7,5 ha; aan oppervlakte voor ligplaats van schepen, komt – gerekend bij een waterstand van N.A.P. – beschikbaar 6,5 ha.
Voor de bodemdiepte der haven is aangenomen 3,50 + N.A.P. en voor voortdurende doorstrooming van de haven is een sluisje in den noord-oosthoek onder den hoofdweg geprojecteerd, dat in verbinding staat met het Kleine Diep.
In den noord-westhoek is open doorgang geprojecteerd, welke tevens een vaargeul vormt tusschen het Kleine Diep en de haven, bij latere uitvoering van het geheele plan is het nodig deze geul te overbruggen.

Beplanting
Het ligt voor de hand, dat bij de aangenomen breedte van de straten en pleinen eene beplanting kan worden aangebracht; hierbij dient alleen nog opgemerkt te worden, dat het aanbeveling verdient bij de keuze der boomsoorten met de breedte der straten rekening te houden.
De overgelegde kostenberekening, waaruit blijkt dat voor kosten van onteigening, het in orde maken van de haven, het opspuiten en in orde maken van de voorlopig tot bouwterrein bestemde gronden, het leggen van een weg door de handels- en industriegebieden, renteverlies gedurende de eerste jaren, geraamd worden op 635.000 gulden heeft de commissie tot de conclusie gebracht, dat de kosten voldoende zullen gedekt worden door de opbrengst van verkoop of in erfpacht geven van de beschikbaar geworden zeer gunstig gelegen terreinen.
Een grondbezit aldaar van 62 ha heeft voor de gemeente eene groote waarde.
De vraag of het plan met het oog op de kosten voor uitvoering vatbaar is, wordt mitsdien door de commissie bevestigend beantwoord.

Op vorenstaande gronden heeft de commissie de eer aan den Raad met volle vrijmoedigheid voor te stellen:
1e. Na het verstrijken van den termijn van de ter visie ligging bedoeld bij art. 28 der woningwet vast te stellen het ontwerp-uitbreidingsplan voor de Gemeente Sliedrecht.
2 e. Aan te koopen of te onteigenen al de in het plan begrepen perceelen gelegen buitendijks tusschen het Kleine Diep en de rivier de Merwede en omvattende de geheele Kerkeplaat en de geheele Huibert de Baatsplaat.

Aan U de mogelijkheid zelf eens na te gaan op welke wijze het plan in de loop der jaren in Sliedrecht verwezenlijkt werd of op een aangepaste wijze uitgevoerd is.

19 – Oude Uitbreiding

De totstandkoming van Sliedrechts Oude Uitbreiding buitendijks

Geschiedenis-1901
Achterste rij van links naar rechts: J. D. Wetsels rijksontvanger), C. Groustra (hoofdonderwijzer), A. L. Luyt (boekhandelaar), Danielse (gem. secretaris), P. Langeveld (arts), J. V. Disselkoen (hoofdonderwijzer), F. Janse (hoofdonderwijzer) .
Voorste rij van links naar rechts: A. Prins de Baat (arts), E. D. G. Frahm (hoofdonderwijzer), Ds. Dr. J. W. Lieftinck (predikant), W. van der Schuijt (hoofdonderwijzer) en
P. Scheltema ( arts).

Debatingclub
In de vorige eeuw waren er nogal wat debatingclubs. Ook in Sliedrecht hield een dergelijk gezelschap zich bezig met de “kunst van het spreken.”

Leden waren o.a. alle schoolhoofden, de artsen, een apotheker, de rijksontvanger, de gemeentesecretaris en een boekhandelaar. Voorzitter was dominee Lieftinck.
Regelmatig kwamen nieuwe gespreksonderwerpen ter tafel, die door de Sliedrechtse gemeenteraad werden overgenomen.
Een idee van dokter Langeveld was wel heel opvallend. Hij stelde voor de Huibert de Baatplaat in te polderen en op te hogen. Het zou een belangrijk terrein kunnen zijn voor de industrie en de woningbouw. Het idee kreeg de steun van apotheker Van den Houte Willems en de latere wethouders Joh. Kraaijeveld en C.M. van Rees.

Rond de eeuwwisseling kreeg het plan van dokter Langeveld meer gestalte. Via advertenties in de Merwebode werd de bevolking opgeroepen om zich beschikbaar te stellen om Sliedrecht vooruit te helpen. Naast de oprichting van de vereniging “Sliedrecht Vooruit”, leidde het plan mede tot de verwezenlijking van de uitbreiding buitendijks. Deze is nu bij de ouderen onder ons nog wel onder de naam “Sliedrecht Vooruit” bekend. Behalve de heer Langeveld waren de heren Van den Houte Willems en de wethouders Kraayeveld en Van Rees voorvechters van de uitbreiding buitendijks van Sliedrecht. Naar ieder van deze mannen is een plein of straat vernoemd. Kennelijk wilde het aanvankelijk niet al te best vlotten met de vereniging “Sliedrecht Vooruit”. Duidelijk komt dit tot uitdrukking in een schrijven dat we via de heer J. v. d. Sluys in handen kregen. De bevolking werd hierin opgeroepen tot het massaal bijwonen van een vergadering, waarop ieder in de gelegenheid werd gesteld van de ideeën kennis te nemen.

Hieronder volgt de uitnodiging, zoals die destijds letterlijk werd gesteld.

Ten einde iedereen in de gelegenheid te stellen, zooveel mogelijk geheel op de hoogte dezer belangrijke aangelegenheid te komen, roepen wij bij deze alle ingezetenen van Sliedrecht op, die den ouderdom van 20 jaar hebben bereikt, tot eene

O p e n b a r e V e r g a d e r i n g

Voordracht met lichtbeelden door den Secretaris.
Onderwerp: De toekomst van Sliedrecht, zoowel in verband met nieuwe plannen voor spoorwegverbindingen, als met de uitbreiding der gemeente buitendijks.

Het Bestuur
De inleiding van boven afgedrukte uitnodiging luidde als volgt:

” Sliedrecht Vooruit ”

L.S.

Onze vereeniging telt thans 180 leden.– Van alle ingezetenen van Sliedrecht, die den leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, hebben zich slechts 180 aangemeld als lid van onze vereeniging.
Moet daaruit worden opgemaakt, dat de groote rest niets voelt voor de vereeniging “Sliedrecht Vooruit”? Neen, toch zeker. Het moet eerder toegeschreven woorden aan den sleur om “eerst de kat eens uit den boom te kijken, eerst eens af te wachten wat “Sliedrecht Vooruit” doet of zal doen.
Welnu, op de algemeene vergadering van 30 Maart 1911 heeft het Bestuur het programma van onze vereeniging duidelijk uit laten komen en bewijzen gegeven hoe het de zaken aanpakt.
Is dit geen reden om lid onzer vereeniging te worden? Moet de kat nog langer uit den boom worden gekeken? Moeten de schouders nu nog worden opgetrokken en moet er geluisterd worden naar stemmen, die evenals een grammofoon altijd hetzelfde liedje zeggen, n.m.l. “Het zal toch wel op niets uitdraaien, daar komt toch niets van”?
De contributie als minimum f 1,– per jaar, behoeft toch waarlijk niet af te schrikken. Twee centen per week kan ieder nog wel betalen. Want men vergete niet: bij onze vereeniging gaat het niet om de contributie. Bij andere vereenigingen is gewoonlijk de kas noodlijdend, moeten er leden geworven worden, om den penningmeester in staat te stellen alles te kunnen betalen, maar bij onze vereeniging is dat niet noodig.
Onze kracht schuilt niet in een groote kas, maar in een groot aantal leden, die door dat lidmaatschap toonen het doel onzer vereeniging te steunen.
Eerst wanneer wij een groot aantal leden bezitten, kunnen besluiten, op onze vergaderingen genomen, van gewicht zijn. Dan geeft zo’n besluit een ruggesteun aan gemeenteraadsleden, die voorstellen tot verhooging van de welvaart van onze gemeente in debat willen brengen.
Voelt men dat het ’t verlangen van de kern van onze ingezetenen is, dat er iets tot stand zal komen, dan wordt het den heeren op ’t Raadhuis gemakkelijker gemaakt. Dat moet ons streven zijn. Hoe grooter die kern, hoe grooter de kracht.
Daarom wekken wij ieder lid op voor het algemeen belang, voor Sliedrecht’s belang, ijverig zijn best te doen om leden te werven. Maar daarbij moet het niet blijven. Men moet ook toonen, dat men belang stelt in onze pogingen.
Velen denken: ik betaal mijne contributie, het Bestuur zal de zaken wel opknappen. Dat is een verkeerd idee. Neen, ook het Bestuur wil gesteund worden door de leden. Wanneer de bestuursleden veel tijd beschikbaar stellen om plannen te ontwikkelen, dan is het toch waarlijk niet te veel gevergd, dat de leden twee of driemaal ’s jaars een paar uur ’s avonds bij wijze van uitspanning de algemeene vergaderingen bezoeken. Eerst dan krijgen besluiten, op die vergaderingen genomen, beteekenis.
Vooral thans, nu er zo’n voorname zaak aanhangig is, n.m.l. de uitbreiding der gemeente Sliedrecht, moet ieder lid tegenwoordig zijn op vergaderingen, tenzij hij door ernstige redenen verhinderd is.
Wij hebben gemeend in ’t belang der goede zaak goed te doen om het behandelde op de vergadering van 30 maart j.l. in druk den leden aan te bieden.

Waar ging het om?
Onderwerp van bespreking was het hieronder geschetste gebied.

Geschiedenis-1902
1881 Kaartje omgeving Sliedrecht

Bekijk het kaartje uit 1881 eens. De rode kronkellijn geeft de Sliedrechtse dijk met de bebouwing daarlangs aan. In de rivier De Merwede bevinden zich een aantal platen. Dat zijn de Huibert de Baatplaat, het Kerkeplaatje en het Molenplaatje. Langs de dijk slingert zich het Kleindiep. Ten noorden van de Huibert de Baatplaat vinden we het Middeldiep. Op de drie platen is sprake van enige vorm van bebouwing.

Hieronder een deel van de lezing welke door de opgekomen ingezeten in de zaal van de heer O. de Boer, gelegen bij het Middenveer, werd aangehoord.

Geschiedenis-1903
De oostzijde van het plan

Voordracht over een schema tot uitbreiding van de gemeente Sliedrecht, gehouden op de Algemeene Vergadering van 30 Maart 1911, door den Secretaris onzer Vereeniging, den Heer J.A.F.van den Houte Willems.

Mijne Heeren!

Onder de vele onderwerpen, waaraan Uw Bestuur hare aandacht heeft geschonken, is het plan tot uitbreiding van Sliedrecht zeker wel het voornaamste.

Mijne Heeren, het doel dezer bijeenkomst is uitsluitend Uw aandacht vestigen op een schets van een plan tot uitbreiding van Sliedrecht, waarmede Uw Bestuur ten zeerste is ingenomen.

Er moet over dit plan gesproken worden. Het moet ’t onderwerp worden van ’t discours tusschen alle inwoners van Sliedrecht, omdat iedere ingezetene er belang bij heeft, dat zijne gemeente vooruitgaat.

Het moet eene zaak worden van zo’n algemeene bekendheid en — naar ik hoop — van instemming, dat degenen, die aangewezen zijn de belangen onzer gemeente te behartigen, het in overweging zullen nemen en er over zullen delibereeren of het voor uitvoering vatbaar is en zoo ja, hoe het uitgevoerd zal moeten worden. Wanneer eenmaal de algemeene opinie vóór dit plan van uitbreiding is, dan twijfelt Uw Bestuur niet of ernstige en nauwkeurige berekeningen zullen worden gemaakt.

De verdere behandeling ligt niet op den weg van onze Vereeniging. Mijn taak is dus hoofdzakelijk te trachten U duidelijk uiteen te zetten:
1-e hoe noodig het voor de welvaart onzer gemeente is, dat ze uitgebreid wordt.
2-e dat de uitbreiding volgens een schets, zooals ik U straks zal laten zien, alleszins verdiend nauwgezet te worden overwogen. Alvorens U nu de teekeningen die straks op ’t doek zullen worden geprojecteerd, nader toe te lichten, zij het mij vergund U ’t één en ander in herinnering te brengen.
Ik zeg met opzet in herinnering te brengen, want hetgeen ik nu vertellen zal is voor U volstrekt niet nieuw. Toch meende ik, dat het zijn nut kon hebben het te releveeren.

Allereerst een brokje geschiedenis
Wanneer wij eens nagaan, wat de voornaamste bronnen van welvaart zijn geweest voor Sliedrecht, dan komen, behalve ’t landbouwbedrijf, op industrieel gebied in aanmerking:
1-e Het aanemersbedrijf.
2-e De werfindustrie.
3-e De hoepelindustrie.
4-e De biezendrogerij.

Wat het eerste punt, het aannemersbedrijf, betreft is het een feit, dat Sliedrecht over de geheele wereld bekend staat als de geboorteplaats der grootste aannemers op ’t gebied van waterwerken en grondverzet. Overal! In Europa, in Indië, in China, in Noord- en Zuid-Amerika, in Egypte, zijn of waren Sliedrechtsche aannemers en Sliedrechtsche arbeiders met hunne onafscheidelijke baggermolens, zuigers en bakken.
Gerust kan men zeggen, dat Sliedrecht de bakermat is van de aannemers op waterbouwkundig gebied.

Een Latijnse spreuk zegt: “Tempora mutanter et nos mutamus in illis,” dat wil in het Hollandsch zeggen: de tijden veranderen en wij veranderen met hen. Zoo is het ook met de aannemers en de aannemerij gegaan.
Een 30 jaren geleden kon een aannemer met betrekkelijk klein bedrijfskapitaal werken. Molens van f 30 à 40.000 behoorden almee tot de grootste; houten bakken van 40 à 50 el waren toen al reuzenbakken; zuigers met groote capaciteit bestonden toen nog niet. Maar de tijden veranderden, de werken eischten grooter materieel, meer machinerie, minder handenarbeid.
De industrie sloeg haar arendsvleugels uit en construeerde molens en zuigers, die alleen een groot kapitaal vertegenwoordigen; houten bakken van 50 el werden vervangen door ijzeren van 80, 90 en 100 el, ja nog grooter.
De Sliedrechtse aannemers gingen met hun tijd mede en vergrootten hun bedrijfskapitaal, maar de uitbreiding van haar gemeente bleef achterwege.

Wanneer het werk was afgeloopen en het materieel tijdelijk moest worden opgeborgen, bleek Sliedrecht daarvoor geen ruimte te bezitten. Het Middeldiep werd door aanwas hoe langer hoe ondieper; van ’t thuisbrengen d.w.z. naar Sliedrecht van zuigers, molens en groote bakken was geen sprake.
Het lag voor de hand dat, wilden de aannemers hun materieel, zoolang het niet werd gebruikt, op een veilige plaats leggen, in hunne woonplaats daarvoor plaats moest worden gemaakt. Het is een feit dat wat het meest voor de hand ligt, gewoonlijk wordt voorbijgezien.
Naburige gemeenten, die ’t financiëele voordeel inzagen om plaats te maken voor dat materieel, aarzelden niet om de werken daarvoor noodig in uitvoering te brengen.
Het gevolg daarvan was, dat de aanneemers gretig daarvan gebruik maakten en hun materieel daar onderbrachten, waar zij ’t goedkoopst en ’t best terechtkonden, en als een vanzelfsprekend gevolg daarvan, verlieten zij ook voor een groot deel deze gemeente.
Het moet dan ook alleen aan bijzondere omstandigheden, misschien gehechtheid aan hun geboortegrond, worden toegeschreven, dat wij nog ’t voorrecht hebben, flinke kapitaalkrachtige aannemers te mogen rekenen onder onze ingezetenen.
Niet alleen dat ’t materieel niet op Sliedrecht kwam, wat desnoods nog gerekend kan worden als een stilstand in welvaart voor de gemeente, maar ook het personeel dat bij dit materieel behoorde en grotendeels bestond uit geboren Sliedrechters, verhuisde naar die plaatsen, waar het het materieel kwam te liggen.
Machinisten, zuig- en molenbazen met hunne gezinnen verlieten deze gemeente en dit feit ressorteert niet onder stilstand, maar onder achteruitgang. Het spreekwoord: “Stilstand is achteruitgang”, werd dus in dit opzicht ten volle bewaarheid, want overduidelijk is het dat die verplaatsing van huisgezinnen mindere welvaart aan neringdoenden bracht.
Laten we ’t spreekwoord: “Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald”, hier niet uit ’t oog verliezen.

Het tweede punt op industrieel gebied, wat ik zooeven noemde, is het bedrijf van de scheepswerven. Het spreekt van zelf, dat dit bedrijf gelijken tred moest houden met de aannemerij. ’t Oude materieel moest van tijd tot tijd worden gerepareerd en nieuw en grooter worden aangemaakt. Zij, die zoo gelukkig waren een werf te bezitten, direct aan de rivier gelegen en over terrein konden beschikken om hunne werven te vergrooten, konden met hun tijd meegaan,
Aangezien nu evenwel een groot gedeelte van Sliedrecht ingesloten ligt door zandplaten en aanwas, konden maar zeer weinigen daarvan profiteeren; bovendien brachten de aannemers hun groot materieel toch maar hoogst zelden naar Sliedrecht, omdat het na reparatie niet was op te bergen. Het gevolg hiervan was, dat bijna al het groote materieel iet op Sliedrecht kon worden aangemaakt en ook niet worden gerepareerd en dus in andere gemeenten aan vreemde en niet aan Sliedrechtse firma’s moest worden opgedragen.
Dat dit enorm bijdroeg tot mindere welvaart van Sliedrecht is zoo duidelijk, dat het geen verder toelichting behoeft.

Over ’t 3e en 4e punt, de hoepelmakerij en de biezendrogerij, zal ik kort zijn. U allen weet, beter nog dan ik, dat ook deze takken van industrie lang niet meer die omvang hebben van vroeger. Maar dat de hoepelmakerij zeer zeker gebaat zou zijn met het plan van uitbreiding, zooals U straks zult zien, is onbetwistbaar.
Ik zou U nog veel meer in herinnering kunnen brengen, o.a. de vraag kunnen stellen, waarom toch de belastingcijfers hier zoo hoog zijn, vergeleken bij vroegere jaren, wat zeer zeker ook een factor is dat gegoede ingezetenen deze gemeente hebben verlaten, doch veel liever wil ik daarvan afzien en de kardinale vraag ter berde brengen, n.m.l.:
Wanneer Sliedrecht plannen maakt voor uitbreiding, moet dan ’t oog gericht worden naar ’t Zuidwesten of naar ’t Noordwesten, m.a.w. buitendijks of binnendijks? En dan meenen wij, in verband met hetgeen ik U heb medegedeeld, volmondig te mogen antwoorden:
De uitbreiding van Sliedrecht moet zonder eenigen twijfel gezocht worden buitendijks.

Niet binnendijks heeft de aannemer en zijn aanhang van scheepswerven en machinefabrieken ruimte noodig om op den duur hier te kunnen blijven wonen en zijn zaken uit te breiden. De polder die binnendijks ligt, heeft voor ’t landbouwbedrijf geen uitbreiding der gemeente aan die zijde noodig voor de uitoefening van haar beroep, maar wel buitendijks, aan den waterkant.

Geschiedenis-1904
Middeldiep in een lang verleden

Daar is uitbreiding hoogst noodig en waren de toestanden daarvoor ongunstig, moest die uitbreiding gepaard gaan met reuzensommen, dan zou dit een beletsel kunnen zijn. Maar men behoeft waarlijk zoo’n prima technicus niet te zijn op ’t gebied van havenwerken, om te zien dat als ’t ware de haven reeds gereed is, dat men niet anders te doen heeft dan te baggeren en ’t opgezogen zand te gebruiken om de gronden op te hoogen.

Niet alleen dat men daardoor een bevaarbaar water krijgt, maar ook een uitgestrekte vlakte van grond, die op ’t oogenblik betrekkelijk weinig waarde heeft, zal daardoor een waardevol bezit worden voor de gemeente, in dier voege dat zij de gemeente zoodanig zal vergroten, dat ze een centrum krijgt van behoorlijke afmetingen in lengte en breedte, waar plaats is voor een markt, voor woonhuizen, plantsoenen, enz.

Voordat ik nu overga U een schets in beeld te laten zien, wenschte ik nogmaals den nadruk er op te leggen, dat het niet op den weg van onze vereeniging ligt om nauwkeurige berekeningen te maken, evenmin om de middelen aan te geven op welke manier particuliere eigendommen moeten worden verkregen. Daarvoor zijn andere corporaties aangewezen.Het Bestuur Uwer vereeniging wil U alleen laten zien wat ’t beste oordeelt.

Een globale berekening heeft ons echter tot de slotsom gebracht, dat de kosten van aanleg ruim gedekt zullen worden door de aanwinst van grond, die zoowel voor bouwterrein, als voor industrieele doeleinden kan worden rendabel gemaakt dat rente en aflossing ruimschoots zullen vloeien uit de baten, die de gemeente Sliedrecht zal kunnen ontvangen uit havengelden en uit verkoop van grond voor bouwterrein of uit de canon voor erfpacht.

Vervolgens werden enige lichtbeelden vertoond, waarbij de hoofdschotel werd gevormd door een tweetal tekeningen. Hierbij stond op de eerste de toestand afgebeeld van vóór de uitbreiding en op de tweede de situatie, zoals men zich voorstelde de uitbreiding te realiseren.

Het Middeldiep zou tot een breedte van 100 meter bij een lengte van 1100 meter worden uitgebaggerd. Het opgezogen zand zou op de Kerkeplaat worden gebracht.

Geschiedenis-1905
Schets van de westzijde

Hierdoor zou de gemeente Sliedrecht krijgen:
1. Een haven.
2. Een terrein gelijk aan de Kerkeplaat, groot 75.000 ca, waarop ruimte vrij zou komen voor o.a. een markt, een raadhuis, fabrieken, woningen, plantsoenen, enz.
Een verbinding met de Stationsweg zou later volgen. Het plan zou voor de eerder beschreven problemen een oplossing zijn, waardoor de welvaart voor Sliedrecht zeker gesteld zou zijn.

In de hierboven beschreven vergadering van vereniging ” Sliedrecht Vooruit ” werd met algemene stemmen de volgende motie aangenomen :

“De openbare vergadering der vereeniging “Sliedrecht Vooruit”, gehouden op 28 april 1911 in het lokaal van den heer O. de Boer
— gehoord de uiteenzetting van een schema tot een plan tot uitbreiding der gemeente Sliedrecht, door den secretaris der vereeniging, spreekt den wensch uit, dat de gemeente dit plan in behandeling zal nemen en zal onderzoeken of het voor uitvoering vatbaar is en dat zij in het bevestigend geval de middelen zal beramen om tot uitvoering te geraken;
— besluit deze motie ter kennis te brengen van de gemeente en de burgerij.”

Een volgende keer komen we terug op het plan tot uitbreiding van Sliedrecht, wanneer we het door het gemeentebestuur overgenomen idee publiceren!

18 – Naar de 20e eeuw

Sliedrecht rond de wisseling naar de 20e eeuw.

Gemeentelijk zaken.

Ambachtsheerlijkheid
In 1900 was Leendert Martinus Prins rentmeester van de ambachtsheer de graaf van Bylandt.

Op 18 juli 1902 overleed de graaf van Bylandt. Zijn enige nog levende dochter Marie Alexandrine Otheline Caroline, freule van Bylandt werd nu de ambachtsvrouwe van Sliedrecht.

Zij woonde in Den Haag. Tot haar andere bezittingen in Sliedrecht behoorden o.a. De Boschlaan en grote stukken hooi-, wei- en griendland. Het land werd per jaar verhuurd aan de plaatselijke boeren. De overeenkomsten werden gesloten in een plaatselijke herberg. De gravin ging later ook tot verkoop over.

Verder werd door de gravin het jacht- en visrecht over grienden en weilanden verhuurd aan jagers en vissers. Zowel de vele vogels, de vissen en andere dieren brachten voor de jagers en vissers heel wat op!

Raadhuis
De nieuwe burgemeester,Ypey, zorgde ervoor dat op een aantal punten orde op zaken werd gesteld. Hij werd hierbij gesteund door gemeentesecretaris E. A. Daniëls. Bij de beter voorbereide vergaderingen van de gemeenteraad werd meer openheid verleend richting de pers.

De burgemeester had ook toen al problemen met relletjes. Drankmisbruik, vooral op zaterdagavond, was hiervan de oorzaak. Vaak was het zo erg dat het College van B & W op zaterdagavond bijeen moest komen.

De gemeenteraad speelde met de gedachte in augustus 1905 het ontvangerskantoor en politiebureau te kopen. Deze waren gevestigd ten oosten van het raadhuis. De grond waarop de gebouwen stonden meende men te kunnen gebruiken voor de uitbouw van het raadhuis.

De kosten vielen echter hoger uit dan men beraamd had. Het geheel bleef steken op een prijsverschil van f 10.000,00.

Geschiedenis-1801Begin van de Kerkstraat
Later werden ideeën geopperd een nieuw raadhuis te bouwen naast het postkantoor op de Stationsweg. Ook dit plan ging niet door.

In 1909 was er weer sprake van nieuwbouw. Ditmaal op een plaats tegenover de kerk waar nu de Kerkstraat is. Weer ging het niet door.

Geschiedenis-1802
Groeneveldeschool of School 1
(in 1898 nog school 2)

Onderwijs
Met ingang van 1 november 1897 kreeg E. D. G. Frahm, hoofd van de openbare school III wegens ‘lichamelijke ongesteldheid’ eervol ontslag na een diensttijd in Sliedrecht van meer dan 30 jaren.
In 1898 telde Sliedrecht de volgende scholen:

Openbare lagere scholen:
School I (wijk A 351); (Zie afbeelding hierboven). Schoolhoofd F. Janse.
School II (wijk A 623); schoolhoofd B. J. Groeneveld.
School III (wijk B 461); schoolhoofd K. Groustra.
School IV (wijk C 46); schoolhoofd W. v. d. Schuyt.
School V (wijk D 88) ; schoolhoofd J. V. Disselkoen.

Bijzondere scholen:
Hervormde school (wijk A 763); schoolhoofd P. van Aalten
Gereformeerde school (wijk B 252), schoolhoofd J. Bokhout.

Schoolhoofd Willem van der Schuyt overleed op 10 april 1900 op de leeftijd van bijna 46 jaren. Veel schoolhoofden verwisselden van school. Van de Schuijt werd als hoofd van school IV opgevolgd door Jacob Vincent Disselkoen, het hoofd van school V. Meester Frans Janse ging als hoofd van school I naar school V. In zijn plaats werd T. Hoekstra als hoofd van school I benoemd.

Verreweg de meeste scholen stonden in de wijken A en B. Daar woonden langs de dijk en in de stoepen met arbeiderswoningen de meeste schoolgaande kinderen.

Baggerdorp
Inmiddels was Sliedrecht het baggerdorp bij uitstek. Landelijk, zowel internationaal als zodanig bekend. Bekende namen zijn o.a. Volker, Kalis, Bos, Van Noordenne, Prins, Van Hattem, Van de Wetering, Van Hattum, Seret, Van Haaften en Schram.

De baggervloot was rond 1900 zo groot dat Sliedrecht nog maar beperkt als thuishaven dienst deed. De baggermolens en zuigers vonden een plaats in het Middeldiep en de brede uitloop van het Klein-Diep in de Merwede. Vaak lag het materieel ook wel in Dordrecht, Rotterdam of Gorinchem. Veel andere bedrijven profiteerden van de grote bloei van het baggerbedrijf. We noemen hierbij de scheepswerven Van Rees, Baars en Lanser. De laatste was te vinden op ‘De Plak’ aan het Middeldiep. Veel kruiwagens vonden hun weg naar de bouwputten. De grote vraag naar rijshout bleef.

Geschiedenis-1803Stationsweg
In 1899 werd de Stationsweg over 810 meter van een bestraat paardenpad in het midden voorzien. De eerste bebouwing langs de weg begon. Eerder was al een nieuw postkantoor aan de Stationsweg gebouwd.

Een ander belangrijk gebouw aan de Stationsweg was de goederenloods. Jaarlijks moesten jongemannen er loten voor de Nationale Militie.

De loods werd hiertoe met opzet gebruikt. Ze lag nogal veilig ten opzichte van de cafés. Echter, elk jaar werden in de maand van de keuring weer enige jongelui wegens openbare dronkenschap gearresteerd.

Feest
In 1898 werd het inhuldigingsfeest van Koningin Wilhelmina op grootse wijze gevierd. Burgemeester Ypey was erevoorzitter van het feestcomité.

Op 6 september 1898 waren om half acht vreugdeschoten te horen. In de kerken werd een dienst gehouden. Om half elf waren de kinderen aan de beurt. Onder leiding van schoolhoofd W. v. d. Schuyt werd, met begeleiding van het fanfarecorps ‘Crescendo’, voor het raadhuis een zanghulde ten gehore gebracht. Een grote optocht met vele wagens vol historische taferelen trok langs de versierde huizen en onder verschillende erepoorten door. Het raadhuis was feestelijk verlicht met vetpotjes. Deze stonden in de raamkozijnen en in de dakgoten. Ook diverse woningen waren op dergelijke wijze verlicht. Met een schitterend vuurwerk kwam er een eind aan de feestdag.

Vertier
Wat betreft amusement was er in ons dorp weinig te doen. Bij feestelijke gelegenheden werden comités opgericht. Zij schotelden de bevolking een feestprogramma voor.

We noemen hierbij o.a.:
Het huwelijk van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik in 1901;
De herdenking van de 300e geboortedag van Michiel de Ruyter in 1907;
De geboorte van Prinses Juliana in 1909;
De eeuwherdenking van de bevrijding van de Franse bezetting in 1913.

De feestelijkheden werden met grote optochten gevierd. Voor de plaatselijke elite waren er de uitvoeringen van ‘Het Nut’, dat in 1910 zijn honderd jarig bestaan als Sliedrechtse afdeling vierde. Verder zorgde de in 1892 opgerichte Harmonievereniging ‘Crescendo’ van tijd tot tijd voor een vrolijke noot.

Geschiedenis-1804Kermis
Jaarlijks was er kermis in het dorp. Hier keek men een heel jaar naar uit. Veel spaarcenten werden voor de kermis opzij gelegd. Ieder kwam wel een kijkje op het kermisterrein nemen.

Vooral op zaterdag was de toeloop groot. De buitenafwerkers kwamen vrijdag massaal met de trein thuis. Een dag later waren zij te vinden op het kermisterrein. Er werd heel wat gedronken op zo’n kermisavond. Ongeregeldheden en vechtpartijen bleven niet uit.
De vóórpret begon al met het opbouwen. De jeugd liep uit naar het spooremplacement om de speciale goederentrein te begroeten, die puffend en stoomblazend aankwam. Men keek de ogen uit naar het afladen van de vele attributen. De salonwagens kregen een plaats onderaan de helling van de Stationsweg en vol belangstelling keek men toe tot welke atmosfeer de stoommachine van de carrousel moest worden opgevoerd.
Overal in de Kerkbuurt werden – meestal op particulier terrein – de attracties opgebouwd.

Augustusmaand
Er waren behalve de stoomcarrousel, een poffertjeskraam, schommels, een schiettent, de tent van de Dikke Dame, het theater, de Kop van Jut, de oliebollenkraam, de hoge glijbaan en de centdraaimolen voortbewogen door één paard.

De koekkraam van Bouwman stond voor het kantongerecht naast het raadhuis, een andere stond tegenover stalhouderij Stienus. In zijn stal kon men koekslaan, een attractie die velen aantrok. De rijtuigen waren een week elders ondergebracht. Men zou door de drukte toch niet kunnen uitrijden. Het rad van avontuur stond ook in deze buurt.

Maar niet alleen de Kerkbuurt vierde het zomerfeest in de augustusmaand. Draaiorgels trokken langs de dijk. Venters met papieren mutsen en molentjes trokken rond. In de cafés werd muziek gemaakt en boven in de sociëteit aan het Middenveer was een café-chantant. Het hele dorp was in kermissfeer. Draaimolens waren immers ook nog verspreid over Baanhoek en De Kaoi.
Het was gewoonte kermisgeschenken te geven.

Geschiedenis-1805Feest in de Kerkbuurt (1913)
Vooral koeken met suikeren opschriften vonden gretig aftrék. In 1913 werd zo’n kermis voor het laatst gehouden. Het volgende jaar werden de vermakelijkheden nog wel opgebouwd, maar door het uitbreken van de oorlog en de daarmee samenhangende mobilisatie ging het feest dat jaar niet door.

Bezwaren
Uit kerkelijke kringen kwamen steeds meer bezwaren tegen deze vorm van vermaak: geldverspilling, verwildering van de jeugd, gevaar voor de volksgezondheid en de zaterdagse ongeregeldheden. De voorstanders wezen op het eeuwenoude gebruik, op de inkomsten voor allerlei personen wanneer alle buitenafwerkers een tijdje gezamenlijk thuis waren en de ongeregeldheden kwamen alleen op zaterdag voor. Trouwens dat was niet alleen op de kermiszaterdag, ze kwamen eveneens voor op Koninginnedag en Oudjaar. Vechtpartijen tussen buurtgroepen was zelfs een soort ’traditie’. Toch is de kermis in zijn ouderwetse vorm nooit meer teruggekomen.

17 – Eind van de 19e eeuw

Sliedrecht aan het eind van de 19e eeuw
Met schout Gerardus van Hattem kreeg Sliedrecht zijn eerste burgemeester. Zoon Jan Adrianus volgde hem op. Nu komen we toe aan de periode van Burgemeester Jan Adrianus van Haaften.

Nadat burgemeester Jan Adrianus van Hattem, zoals we in de vorige verhaal konden lezen, zijn ambt had neergelegd, nam wethouder Jacob Kalis zijn taken waar. Hij werd hierbij geholpen door wethouder Hendrik Seret.
De opvolger van Van Hattem was Jan Adrianus van Haaften, geboren in Sliedrecht op 21 april 1849. Hij werd in 1884 benoemd tot de nieuwe burgemeester van Sliedrecht.

Gezinsstaat van Jan Adrianus van Haaften.

Jan Adrianus van Haaften, geboren te Sliedrecht op 21 april 1849, zoon van Jan Wouterszn van Haaften en Adriaantje Jansdr Kivit.

Hij is getrouwd te Sliedrecht op 21 mei 1874 met Janna Cornelia Schram de Jong, geboren te Sliedrecht op 19 juli 1848, dochter van Hendrik Schram de Jong en Teuntje van Wijngaarden.

Uit dit huwelijk:
1 Adriana, geboren te Sliedrecht op 9 maart 1875.
2 Jan, geboren te Sliedrecht op 19 april 1876.

Geschiedenis-1701
Oude opname van de Stationsweg

Spoorweg en spoorbrug
De aanleg van de spoorbaan had langer geduurd dan waar men vanuit was gegaan. De oorzaak hiervan waren de vele grondverzakkingen van de slappe veenbodem.
In 1885 werd een proefrit gemaakt over de nieuwe spoorbrug te Baanhoek. Dit gebeurde met een rij locomotieven. De rit was geslaagd en op dinsdag 14 juli 1885 kon de spoorlijn officieel geopend worden!
De opening werd op feestelijke wijze gevierd. Veel vlaggen waren uitgestoken. De feestelijkheden, opgeluisterd door het muziekcorps van het Regiment Jagers, speelden zich af in de buurt van het nieuwe station en op de Stationsweg.
Ministers en andere autoriteiten arriveerden met de trein. Zij werden begroet door burgemeester van Haaften. Het volksfeest duurde tot ver in de middag. Typisch voor die tijd mochten alleen de jongens aan de spelen, zoals zaklopen en mastklimmen deelnemen.
De bijna 1000 meter lange Stationsweg was in de eerste jaren staatseigendom. Het was oorspronkelijk een onbestrate grindweg. Op de nieuwe begraafplaats aan de Stationsweg, aangelegd in 1885, werd in 1887 burgemeester J.A. van Hattem begraven.
’s Avonds ging het feest verder in de theetuin van H. v. d. Vlies. Te genieten viel o.a. van een concert en een vuurwerk.
De trein zou een geduchte concurrent worden voor de boten van de firma Fop Smit. Met de trein was men immers eerder in Dordrecht en Rotterdam. Met de postwagen was het al helemaal snel gedaan.

Gezondheidszorg
Met de gezondheidszorg was het nog steeds slecht gesteld. Het drinkwater werd uit de nog redelijk schone Merwede gehaald. De fecaliën kwamen meestal rechtstreeks in de sloten of de rivier. Slechts een enkele woning had een beerput. Geen wonder dat voor besmettelijke ziekten gevreesd werd. De kindersterfte was groot. Een ziekenhuis kende Sliedrecht niet.

Wel was er ergens op het huidige Baanhoek een huisje waar men aan ernstige ziekten lijdende personen isoleerde. In 1886 werd deze woning vervangen door een ´pesthuisje´ dat te vinden was bij de nieuwe begraafplaats aan de Stationsweg. Men noemde het ook wel ´het lijkenhuis`, omdat er overleden drenkelingen werden ondergebracht. Een echt ziekenhuis zou er pas in de beginjaren van de 20e eeuw komen.

Geschiedenis-1702Waterleiding in het dorp
Pas in 1886 begon men met de aanleg van een waterleiding. Centrale plaats vormde de watertoren op het terrein van de Zaai. Op de waterleidingbuizen in de dijk werden ook brandkranen aangesloten. Onder grote belangstelling werd, onder leiding van brandweercommandant Jacob Luyt, op 7 februari 1887 proef gespoten.

Niet langer was men aangewezen op sloot- en rivierwater. De slangen en spuiten werden opgeslagen, in over de gemeente verspreide, gebouwtjes. De brandweerlieden controleerden, uit vrees voor brandgevaar, in 1887 ook de schoorstenen.

Gemeenteraad
In Sliedrecht werd het nieuws gebracht door twee nieuwsbladen. ´Het Nieuwsblad voor Sliedrecht en omstreken`, opgericht in 1869, uitgegeven bij de firma Luyt, was een liberaal getinte krant. Vanaf 1887 verscheen het rechtse blad ´De Merwebode`, opgericht door Aart van Wijngaarden.

Nieuws werd o.a. gepubliceerd over de raadsvergaderingen. De gemeenteraad van 1887 bestond uit de heren: (vrouwenkiesrecht bestond nog niet, laat staan dat vrouwen verkiesbaar waren) Prins Azn., Joh. A. Bakhuizen, W. M. v. Haaften, M. C. de Jong, W. M. Schram, Corn. Roskam, Jacob Kalis, Hendrik Bos, Arie Vermaes, Hendrik Seret, Jan C. van Hattum, G.A. van Hattem en Leendert Volker Azn. Men kon spreken van een kleine liberale (linkse) meerderheid.

De raadsleden hadden meer vrijmoedigheid dan hun voorgangers mede dankzij een uitbreiding van het kiesrecht. De mannen moesten enige opleiding hebben en tot de betere stand behoren.

Onderwijs
Naast de openbare scholen kwam er een gereformeerde school. In 1889 werd deze achter de toenmalige gereformeerde kerk bij de Zoutstoep geopend. De eerste steen werd gelegd door een zoontje van dominee J. R. Dijkstra. Het gebouw telde drie leslokalen. Er waren 126 leerlingen. De heer J. Bokhout was het eerste schoolhoofd.

In 1891 werd er een tweede bewaarschool in ons dorp gesticht door het departement Sliedrecht van de Mij. tot Nut van het Algemeen. De aanneemsom bedroeg f 4.248,00. Het schooltje stond waar nu de vrijzinnige kerk staat. De voormalige kleuterschool aan de Oranjestraat kan als de opvolger beschouwd worden.

De eerste school van de Vereniging voor Christelijk Onderwijs werd in 1893 gebouwd en in april 1894 in gebruik genomen. Hij stond op de plaats waar scheepswerf Boer aan de Rivierdijk gevestigd was. Nu is daar het appartementencomplex `Merweburgh`.

Kleindiep, Middeldiep en Groote Diep
In het centrum van Sliedrecht lag voor de dijk een grote uiterwaard. Deze gronden buitendijks werden doorstroomd door verschillende geulen en zijgeulen.

De Merwede werd ook wel ´Het Groote Diep` genoemd. Dwars door de grienden stroomde het Middeldiep en langs de dijk kronkelde het Kleindiep. Aan het boveneind was het Kleindiep een zijarm van het Middeldiep. Aan het benedeneind stroomde het ter hoogte van het ´Plaatje van Volker` weer uit in de Merwede.

Geschiedenis-1703
Middeldiep
Geschiedenis-1704
Kleindiep

 

Er waren drie griendplaten: de Huibert de Baatplaat tussen het Groote Diep en het Middeldiep Ten noorden daarvan de Kerkeplaat en de kleine Molenplaat. Deze werden van elkaar gescheiden door het Molengat, dichtbij de toenmalige korenmolen ‘de Kievit’. Alle drie de platen liepen bij hoog water onder. Houten duikers onder kaden zorgden ervoor dat het regenwater naar de Merwede kon weglopen. De platen waren schaars met slechts een paar houten schuren bebouwd. De bekendste was de opslagruimte van een zalmvisser op de Huibert de Baatplaat. Zalmvissen op de rivier loonde in die jaren nog. Gras en griendhout vormden de begroeiing. Bij hoog water kwam het water tot aan de Merwededijk. Huizen gebouwd aan de buitenkant van deze dijk kregen dan vaak het water binnen. Dikwijls kon men dit voorkomen door te ´kisten`. Hierbij werden houten kistplanken voor de deuren en ramen geplaatst.

Voor het vervoer waren de geulen heel belangrijk. Het gemeentestuur vond het noodzakelijk dat de wateren van het Middeldiep, het Kleindiep en andere plaatsen waar schepen kwamen, zoals bij het Zaaigat, goed op diepte werden gehouden. Het onderhoudsbaggerwerk gebeurde met de handbeugel. De bagger werd in de rivier De Merwede gelost. Dit alles gebeurde op kosten van de gemeente.

Desondanks kwam er toch steeds meer modder op de bodem van de geulen te liggen. Dit was zorgelijk voor de hoepelmakerijen die aan het Kleine Diep en de daarbijbehorende gantels lagen. De vaarweg werd steeds ondieper en de hoepmakersschuren waren steeds moeizamer te bereiken. In 1882 werd de hulp van de regering ingeroepen om bij te dragen in de onderhoudskosten. Het verzoek werd ingewilligd en de vaarweg naar de schuren werd goed op diepte gehouden.

Het Kleindiep en Middeldiep hadden nog een andere functie. Het vervoer gebeurde doorgaans met handkar en per paard en wagen. Over het water ging het met aken. Deze waren afgeladen met allerlei materialen. Dit waren o.a. spaanders, bestemd voor de ovens van de vele bakkers die Sliedrecht telde. Hooi (van en voor de boeren), huisraad bij een verhuizing, enz. Zelfs werd de roeiboot wel gebruikt om bij elkaar op visite te gaan.

Belangrijke plaats
In 1883 stond de gemeente een stukje grond naast het raadhuis gratis af ’tot stichting van een nieuw gebouw voor het kantongerecht alhier. Het zou voor rijksrekening gebouwd worden’. Het raadslid Van Hattum betoogde ‘dat nu wij de grond gratis hebben afgestaan, schade door den bouw aan het raadhuis ontstaan voor rekening van het Rijk diende te komen’.

Omstreeks 1889 was mr. Jan Carel Tack kantonrechter. Hij woonde te Papendrecht. Notaris P. C. Bos te Papendrecht daarentegen woonde in Sliedrecht waar hij geboren was. Toen kon men dus al van ´forensen`spreken. Het bracht wel een onnodig gerij van koetsen en koetsjes met zich mee.

Niet alleen uit het kantongerecht blijkt dat Sliedrecht in die jaren een belangrijke plaats was. Als een der weinige dorpen van allure had men nu ook een eigen apotheek van de firma J.H. Hamacher en J.C. Keur. Tot ver in de omtrek werden pillen en poeders rondgebracht per rijtuig. Dit gebeurde ook op de in gebruik rakende fiets en vaak ook nog lopend.

Zondagsrust
Aan het handhaven van de zondagsrust werd streng de hand gehouden. De post werd echter wel op zondag bezorgd. Wel werd op 2 juli 1887 bekend gemaakt dat er gelegenheid bestond om de dienst der posterijen op zondag te verlichten. De mensen konden hun naam op het postkantoor opgeven als ze op zondag geen post wensten te ontvangen. De ambtenaren en bestellers zouden hierdoor minder hoeven te werken op zondag, de dag die door God Heilig is genoemd.

Armoede
In de winter kwam het werk op verschillende plaatsen vaak stil te liggen. Losse werklui op boerderijen, in de grienden, en op het baggerwerk leden dan armoede.

Gelukkig kon men in de hoepmakerij soms wat bijverdienen. Het hoger personeel op de baggerwerktuigen had geen reden tot klagen. Zij konden zelfs sparen voor de oude dag of een woninkje. De prijs hiervoor was dat ze vaak vele maanden buiten Sliedrecht vertoefden. Als je Sliedrecht vergelijkt met andere plaatsen in Nederland, kwam ons dorp er niet slecht af.

Geschiedenis-1705Groei
De bevolking groeide. Langs de dijk, binnendijks, was praktisch alles volgebouwd. Aan de buitenkant werd op vele plaatsen eveneens gebouwd. Om ruimte te scheppen kwamen er steeds meer stoepen met voornamelijk arbeiderswoningen bij. Denk maar eens aan De Bossche Stoep, de Piet Rijsdijkstoep, de Korverstoep, het Orleans, de Kikkersteeg, de Leeuwenkuil, de Poelenstoep, de Salonstoep en de vele andere stoepen.

Ook buitendijks kende men enkele steegjes: De Pepersteeg, vlak nabij waar later de Oosterbrug zou komen, de Kwitantiesteeg (bij het ziekenhuis), de Molensteeg en de Kroonstoep (eigendom van de familie Kroon) bij korenmolen de Kievit.

In de kleine stoepwoningen woonden doorgaans zeer grote gezinnen. Vader en moeder sliepen beneden in de bedstede, waar ook het jongste kind een plaatsje in de krib had. De andere kinderen sliepen gezamenlijk op de zolder. Buiten was de plee. Meerdere gezinnen maakten hiervan gebruik. Het regen- en afwaswater liep gewoon in de sloten langs de stoepen. Binnen de huisjes was geen aanrecht. De ‘vaat’ werd afgewassen op de ‘vatenbank’, die buitenshuis of in het aflaat stond.

De voordeur bleef meestal gesloten. Over een smal paadje ging men naar de achterdeur, waar de klompen in het ‘klompenhok’ achterbleven. Op kousenvoeten – nog vaak een typisch Sliedrechtse gewoonte – ging men naar binnen. De stoepen stonden door zijsteegjes soms met elkaar in verbinding. Meestal had men wel een tuintje, waar als de portemonnee het toeliet, kippen en konijnen werden gehouden. Op maandag hing overal het wasgoed buiten te drogen. De kousen werden gedroogd op de ‘kousenmik'(stokken in een plank gestoken.)

Geschiedenis-1706Boschlaan
Graaf van Bylandt, ambachtsheer van Sliedrecht, eigenaar van ‘Het Bosch’, en het gemeentebestuur tekenden in 1888 een overeenkomst. In ‘Het Bosch’ werd voor het publiek een Boschlaan als wandelweg opengesteld. Deze liep vanaf de dijk tot aan de Tiendweg.

Vanaf juni 1888 werd de 1150 meter lange Boschlaan vaak op zondag en mooie zomerdagen als wandelweg gebruikt. Reizigers konden via De Boschlaan de trein bereiken. Vanaf de Tiendweg maakten ze vervolgens gebruik van het zogenaamde Wandelwegje naar het station. Een belangrijke vooruitgang. De tiendweg was eerder slechts te bereiken via de Tolsteeg, de Stationsweg en de Zwijnskade. Het mooiste gedeelte van de Boschlaan was de zogenaamde ‘krom’, waar later de eerste Sliedrechtse banken geplaatst zijn. Velen hebben daaraan nog prachtige herinneringen!!!

Feest
Op 12 mei 1889 was koning Willem III veertig jaar vorst over ons land. Ook in Sliedrecht werd dit feit gevierd. Burgemeester van Haaften hield voor de raad een feestrede.

Per telegraaf werden de wensen aan de koning overgebracht. Op veel plaatsen gingen de vlaggen uit.

De eigenlijke viering vond plaats op 15 mei. De schoolkinderen werden op getrakteerd. Op de openbare scholen kreeg men bolussen en koekjes. De kinderen van de gereformeerde school smulden van de krentenkoeken en chocolade. ‘s Middags was er voor de schoolkinderen een goochelvoorstelling. Die werd gegeven in de goederenloods bij het station. Voor de ouderen werden lichtbeelden vertoond.

Geschiedenis-1707Problemen rond burgemeester
In het gemeentehuis kreeg burgemeester van Haaften ruzie met de pers tijdens de raadsvergadering. De krantenschrijvers vonden dat ze hun zijn werk niet goed konden doen. Staande voor de balie in de raadszaal was het moeilijk aantekeningen te maken. Een drietal raadsleden vroeg een spoedvergadering aan. Tijdens het debat bemoeide het Sliedrechtse publiek zich met de discussie. Door de grote opkomst van de toehoorders werden de verslaggevers in het nauw gedreven.

Burgemeester Van Haaften kon nu niets anders dan de pers binnen de balie te laten komen. Een eenmaal gegeven voorrecht terugdraaien is moeilijk en daarom bleef het voortaan zo: de pers mocht voortaan altijd binnen de balie. Gescheiden van het publiek.

Al spoedig hierna kwam de burgemeester in een moeilijke situatie. Hem werden allerlei zaken, terecht of ten onrechte, aangewreven waardoor zijn de positie van burgemeester onhoudbaar werd. In 1895 trad hij af. Jacob Kalis werd, zoals eerder, weer loco-burgemeester, totdat een opvolger nog datzelfde jaar zijn intrede deed. Het werd S. E. Ypey. Voor het eerst een niet uit Sliedrecht zelf voortgekomen burgemeester.

16 – Groei in veel opzichten

Burgemeester Gerardus van Hattem werd opgevolgd door zijn zoon Jan Adrianus als burgemeester van Sliedrecht. Deze werd geboren op 20 maart 1811 te Sliedrecht. Hij was het zesde kind in het gezin. Jan Adrianus trouwde niet. In 1840 was hij al benoemd tot burgemeester van de gemeente Wijngaarden. Op 11 januari 1844 werd hij dit te Sliedrecht.

Geschiedenis-1601
Het witte Maranathagebouw dat ooit als school diende.

Onderwijszaken
Een van de eerste zaken waarmee de nieuwe burgervader te maken kreeg was de vestiging van een derde school. Die zou komen in het gebouw dat nu bekend is onder de voormalige naam Maranatha. In 1844 besloot de gemeenteraad het gebouw van de voormalige wolspinnerij van Marinus Verschoor aan te kopen. Dit gebouw, nu nog voor een gedeelte aanwezig, diende ooit ook als synagoge.
In maart 1845 vond de aanbesteding voor de verbouw plaats en al in augustus van dat jaar zouden de eerste lessen gegeven kunnen worden. Het zou echter enige tijd langer duren dan gepland eer de kinderen in het gebouw naar school konden gaan.
Er ontstond een probleem tussen het Rijk en de gemeente Sliedrecht over de benoeming van de onderwijzer aan de school. Aan sollicitanten was er geen gebrek. Een dertiental personen stond in de rij om aan de slag te gaan. Sliedrecht had een voorkeur voor de heer Teunis Dorland, op dat moment ondermeester aan de school bij de kerk. Het raadsbesluit de heer Dorland te benoemen werd door hogere instanties geschorst.

Geschiedenis-1602
Het kantongerecht, links op de voorgrond.

Wat speelde op dat moment namelijk?
In 1840 was het Kantongerecht in Sliedrecht gevestigd. Vanuit de regering werd er op aangedrongen ook een gevangenis aan het gebouw te verbinden. De Sliedrechtse raad wenste hieraan niet mee te werken. Zo ontstond een probleem. Geen nor, geen onderwijzer. Aan deze strijd kwam pas op 3 februari 1848 een eind.
Aan de school werd benoemd Marie Jozef Michael Dullburg Schlieff. De opening van de school vond op 3 april 1848 plaats.
Maria Jozeph Michael Dullburg Schlieff, hoofdonderwijzer.
Hij was gehuwd met Bastiana van de Sijde. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.
Uiteindelijk kwam er tevens een nor onder het Kantongerecht, evenals onder het 5 jaar later gebouwde Raadhuis in de Kerkbuurt. Beide gebouwen zijn thans in gebruik van het Sliedrechts Museum. Sliedrecht was zodoende drie scholen rijk, welke te vinden waren aan het benedeneind (Tolsteeg), het midden (bij de kerk) en aan het boveneind (Maranathagebouw).

Geschiedenis-1603
Het gebouw van de Frahmeschool
in de 21e eeuw.

De vierde school werd in 1860 aan de oostkant van de Kerkbuurt gebouwd. De opening hiervan vond plaats op 2 januari 1861. Schoolhoofd werd de heer E. D. C. Frahm.

Genealogie van Elias Detlev Gerhard Frahm, hoofdonderwijzer, geboren te Aorde Pruissen Duitsland op 15 juli 1833. Hij was gehuwd met Lutgera Begemann, geboren te Stevensweert op 18 juli 1835, overleden te Sliedrecht op 11 maart 1883, dochter van Christoph George Sigismund Begemann en Emilie de Wit.
Uit dit huwelijk zijn acht kinderen geboren.

Naar Sliedrechts gebruik in die tijd kreeg de school in de volksmond al gauw naar de naam van het schoolhoofd, de “Frahmeschool”. Naast het lager onderwijs werd aan deze school ook meer uitgebreid lager onderwijs (M.U.L.O.) gegeven. De school was slechts toegankelijk voor kinderen waar schoolgeld voor werd betaald… ! Jaren later heeft het gebouw, dat er nu nog staat, gediend als ambachtsschool.
De oude school bij de kerk werd vervangen door een school aan de overzijde van de dijk. Een gedeelte van dit gebouw, bekend onder de naam C12, was later o.a. gymnastieklokaal en is nu in gebruik bij muziekvereniging Crescendo.
In 1868 stichtte men de eerste bewaarschool. Het was een initiatief van de broederschap der Vrijmetselaren.

Ouderwets
Langzamerhand was de school bij de kerk te ouderwets en veel te klein geworden, waarop de gemeente ging denken over de bouw van een nieuwe school (1870). Men ging over tot aankoop van een stuk grond schuin tegenover de kerk. In 1874 was de school gereed. Ook meester Van der Hoeven verhuisde mee naar de nieuwe onderwijzerswoning.

Cornelis Johannis van der Hoeven, hoofdonderwijzer, geboren te Schiedam op 7 december 1821, overleden te Rotterdam op 24 november 1881. Hij was gehuwd met Christina Nederhouw, geboren te Rijswijk op 1 november 1823, overleden te Vlissingen op 11 september 1911.
Uit dit huwelijk zijn 11 kinderen geboren.

Voor het eerst (1874) in de geschiedenis van het Sliedrechtse onderwijs werd er aan de schoolkinderen geen les meer gegeven in de onmiddellijke nabijheid van de kerk. Een gymnastieklokaal en de bibliotheek van het Nut namen de plaats in van de oorspronkelijke bewoners.

Aannemers
Het aantal aannemers groeide in de periode van Jan Adrianus. Zij hadden veel rijshout nodig. De grienden langs de rivier de Merwede en die van de Biesbosch waren de belangrijkste producenten. Het hakken van het griendhout was een zwaar karwei. Veel griendwerkers vonden later werk als vlechter van zinkstukken. Hiervoor moest men huis en haard vaak voor langere tijd verlaten. Dit was men echter wel gewend. Bij het werken in de grienden was men ook de gehele week van huis…
Bij de aannemers uit deze tijd treffen we de namen Bos, Van Haaften, Van Hattem, Kalis, Schram, Seret, Prins, Visser, Volker en Van de Wetering aan.

Klepschouw en stoombaggermolen
De werken werden zowel in eigen land als in het buitenland uitgevoerd. Vaak werd samengewerkt met arbeiders uit andere plaatsen bij de aanleg van vaarten en sloten. Hierbij werd gebruik gemaakt van de baggerbeugel en de schouw. Werkzaamheden vonden onder andere plaats bij de Nieuwe Merwede en de Haarlemmermeer.
Het was een hard leven. Een uitvinding van Adriaan Volker was de klepschouw. Hij wist hiermee de concurrenten voor te blijven wat betreft het lossen van de grond.

Genealogie van Adriaan Volker. Aannemer, geboren te Sliedrecht op 14 juli 1827, overleden aldaar op 29 november 1903, begraven aldaar op 3 december 1903, zoon van Leendert Tijszn Volker en Lena Cornelisdr Schram.
Hij is getrouwd te Sliedrecht op 12 juli 1855 met Aagje Boer, Winkelierster, geboren te Sliedrecht op 7 juni 1824, overleden aldaar op 26 oktober 1866.
Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren.
Hij is hertrouwd te Sliedrecht op 1 februari 1872 met Willemeijntje van Wijngaarden, geboren te Sliedrecht op 29 september 1825, overleden aldaar op 23 februari 1910, begraven aldaar op 26 februari 1910, dochter van IJsbrand van Wijngaarden (griendbaas) en Jannigje de Baat.

Werken waar Volker in de beginjaren bij betrokken was, waren de aanleg van kribben en strekdammen in de rivier de Merwede. Het onderhoud van het Voorns Kanaal werd uitgevoerd met een handbaggermolen. Bij de onderhoudswerkzaamheden van het Kanaal door Zuid-Beveland werd in 1864 gebruik gemaakt van een stoombaggermolen. In 1866 werd gewerkt aan de peilers van de spoorbrug over het Hollands Diep. In latere tijden waren het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg grote klussen die aangepakt werden.

Baggerdorp
Langzamerhand concentreerde de Sliedrechtse aannemerij zich in een paar bedrijven. Het benodigde kapitaal om de werken aan te pakken was hiertoe de noodzaak. Sliedrecht werd bekend in binnen- en buitenland als hèt baggerdorp. In het baggerwerk was goed te verdienen, maar de offers die men moest brengen waren ook groot. Lange dagen maken! Lange tijd van huis! Zelden thuis bij moeder de vrouw…!

Geschiedenis-1604Fop Smitboten
Naar de baggerwerken ging men aanvankelijk met de postkoets. Later, sinds 1844 met de raderboten van Fop Smit. Er was een dienst Gorcum – Dordrecht – Rotterdam. Op- en afstappen in Sliedrecht was mogelijk. Er waren sinds 1869 twee aanlegsteigers.
Een die bekend staat als het Middenveer. Recht tegenover de verbouwde pand van de Sociëteit. De andere was op Baanhoek, het benedenveer. Later zou er nog een steiger bijkomen op het boveneind, het bovenveer. Ongeveer ter hoogte van de huidige plaats van de Synagoge. Weer later kwam er nog een bij aan het eind van de Merwestraat.
Niet alleen de baggeraars, maar ook allerlei venters en schooljongens maakten gebruik van de raderboten. Het was er altijd een drukte van belang. Gesjouwd werd er met dozen, kisten en koffers.

Bevolking en kerk
Jan Adrianus zag zijn dorp groeien. Ook in economisch opzicht waren de tijden niet slecht te noemen. De kerk werd te klein. Geld voor een uitbreiding was er niet. Er waren zelfs plannen een tweede kerk te bouwen. De Ambachtsvrouwe zou hiervoor de grond cadeau moeten doen… .
De plannen werden niet uitgevoerd. Men vreesde een tweedeling in de kerk. Men besloot toch tot uitbreiding van de bestaande kerk. In 1849 werd de uitbreiding aan de noordzijde hiervan aanbesteed. P. de Landgraaf klaarde de klus voor f 8.800,= .
Bovenmeester De Groot van de school bij de kerk ging met pensioen. Hij werd op 1 januari 1847 vervangen door meester Van der Hoeven. Deze werd ook aangesteld als koster, voorzanger, voorlezer en klokkenluider. In 1852 verviel het baantje van voorzanger.

Hoe dit zo kwam?
In 1852 was er voor de aanschaf van een kerkorgel voldoende geld in kas. De bouw werd opgedragen aan de firma C.F.A. Nabers en Zonen te Deventer. De kosten: f 6.750,- . Na veel gepraat over en weer kwam het instrument op de nieuwe noordgalerij te staan. Het orgel had de taak van voorzanger overbodig gemaakt!
Trouwens in deze tijd werd de kerk verblijd met enkele giften. We noemen: een zilveren doopvont, een kanselbijbel en engelen die op het genoemde orgel werden geplaatst.
In 1853 had de dominee de oude pastorie verlaten. Het huis verkeerde nog in een redelijke staat. Besloten werd het te verbouwen tot rusthuis. In de volksmond genoemd “Het Oude Mannen- en Vrouwenhuis”.
Twee jaar later, in 1855, kwam er een volledige scheiding tussen kerk en gemeente. De gemeente kreeg het beheer over de kerktoren, de dorpsschool en de onderwijzerswoning. De kerk ging hiermee, zij het wel enigszins gedwongen, akkoord. De onderhoudskosten van genoemde gebouwen waren te hoog geworden.
Op 13 februari 1863 brak er brand uit in de pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk. Dominee van der Lee kon ternauwernood aan de vlammen ontsnappen. Alles verbrandde…

Geschiedenis-1605
Interieur Gereformeerde Kerk Kerkbuurt

Afscheiding in de kerk
De afscheiding begon in 1834 in het Groningse Ulrum. Een aantal mensen had de
Nederlands Hervormde Kerk verlaten. Enige tijd later vond ook in Sliedrecht een afscheiding plaats.
In eerste instantie werden kerkdiensten gehouden in Giessendam. Ruim 40 personen uit Sliedrecht woonden geregeld de diensten bij. Het duurde tot 1853 eer er in Sliedrecht een zelfstandige gemeente der Afgescheidenen kwam. In de Piet Rijsdijkstoep werd een kerkje gebouwd. Hier werden de diensten gehouden.
Dominee Chr. Steketee werd de eerste predikant. Hij bleef niet lang in Sliedrecht. Al in 1859 vertrok hij naar elders.

In het najaar van 1869 sprak men van de Christelijk Gereformeerde Gemeente. De eerdere naam, Christelijk Afgescheiden Gemeente, verdween hiermee.
Op zondag 23 november 1873 werd een nieuw kerkgebouw aan de oostzijde van de Kerkbuurt ingewijd. Het gebouw in de Piet Rijsdijkstoep was al snel te klein gebleken.

Gemeentelijke zaken
Al snel na de komst van burgemeester Jan Adrianus van Hattem werd het ambt van burgemeester en notaris gescheiden. In 1846 werd N. F. van Steenbergen tot notaris benoemd. Van Hattem, die wel gemeentesecretaris bleef, kon zich vanaf dit moment meer bezig houden met het besturen van het dorp.
De nieuwe gemeentewet van 1851 betekende ook voor Sliedrecht: verkiezingen en een gekozen gemeenteraad. Gekozen werden: Kornelis Bos, Arie Dekker, Kors Hartog, Jan van Haaften, Giel Hoogendoorn, Arie Prins, Adriaan Prins en Jan Roskam. Pieter Visser en Kornelis Schram waren de eerste gekozen wethouders. De burgemeester maakte eveneens deel uit van de raad.

Nieuw raadhuis
Jan Adrianus was als burgemeester begonnen in een raadhuis dat niet meer was dan een aangepast woonhuis. Het stond in Wijk C, nu Molendijk. Het gemeentebestuur bestond toen nog uit acht personen. De raad was in 1851 dus uitgebreid met drie personen. Dit zal zeker ook te maken hebben gehad met de groei van de gemeente. In Sliedrecht woonden toen bijna 5600 personen. Een groter raadhuis werd een grote wens. Het kostte 9.000 gulden en het werd gebouwd door aannemer A. van der Lind. In 1853 werd het gebouw in gebruik genomen. Nu doet het gebouw dienst als Sliedrechts Museum.
De burgemeester-secretaris had de steun van één klerk en een wat jonger hulpje. De raadzaal werd ook gebruikt als trouwzaal en secretarie.
De burgemeester had een kamer voor zichzelf, net als de in later tijd aangestelde gemeentebode. Gewerkt werd er de eerste tijd bij kaarslicht. Rond 1855 werden de kaarsen vervangen door gasverlichting. Het duurde nog tot 1860 eer de kerk zover was dat de gaslampen hun intrede deden.

Geschiedenis-1606
Huis van burgemeester Van Hattem.

De burgemeester woonde in het huis van zijn ouders naast de kerk. Later was deze woning pastorie. In het onderhuis van het raadhuis waren ook enige tijd het secretarie en het politiebureau ondergebracht. Het laatste verhuisde later naar een pand dichtbij het raadhuis. Het onderhuis werd hierna bewoond door de gemeentebode. Onder de vloer van het woonhuis was ook nog een nor met tralies voor de ramen te vinden.

Burgemeester Jan Adrianus van Hattem was geliefd bij de bevolking. Men kende veel waarde toe aan zijn oordeel bij conflicten. Zijn 25 jarig ambtsjubileum in 1869 ging niet ongemerkt voorbij.

Burgemeester J. A. van Hattem vernieuwde het pand. Tijdens de verbouw woonde hij tijdelijk in het nieuw gebouwde raadhuis in de Kerkbuurt. Het pand is in 1904 afgebroken.

Te krap
Al gauw werd duidelijk dat het raadhuis te krap gebouwd was. De raadzaal diende ook als trouwzaal. Bij een huwelijk diende de ambtenaren hun werk neer te leggen tot het huwelijk voltrokken was. Ook gemeenteontvanger moest uitwijken. Hij verliet het gebouw en vestigde zich elders in de gemeente.
Hij was naast gemeenteontvanger ook brievengaarder. Zijn werkplaats was in die tijd tegelijkertijd postkantoor. Het eerste in Sliedrecht. Het hulppostkantoortje was er in Sliedrecht al vanaf 1850. In 1867 werd ons dorp op het Nederlandse telegraafnet aangesloten.

Probleem
Een probleem hierbij was de inkwartiering van het telegraafkantoor op de bovenverdieping van de Frahmeschool in de Kerkbuurt. In de school heerste blijkbaar een enorme rust, want de vloeren dienden belegd te worden met matten om geluidsoverlast te voorkomen. De telegrafist werd te kennen gegeven zo weinig mogelijk bewegingen te maken die het onderwijs in de school stoorden…

Postkantoor
De telegrafist op zijn beurt sloeg onmiddellijk terug. Bij de schoolcommissie komt zijn brief aan, waarin hij klaagt over de verregaande ongeregeldheden, welke plaats vinden op de school in wijk B. Na onderzoek bleek dat een school en een telegraafkantoor niet binnen één gebouw konden functioneren. De gemeenteraad werd geadviseerd uit te kijken naar een andere ruimte voor het telegraafkantoor. Op 1 oktober 1872 werd het hulppost- en telegraafkantoor een volledig post- en telegraafkantoor.

Ziekten
Omstreeks 1870 werd ons dorp intussen bewoond door 7000 personen. Tien jaar later waren dit er al bijna 8900. Ons dorp kende in die tijd een sterke immigratie van mensen die zich in Sliedrecht vestigden in verband met de baggerij. Deze groei vond plaats ondanks het nog zeer hoge sterftecijfer. De slechte hygiënische omstandigheden, zoals het ontbreken van leidingwater, waren de oorzaak van veel sterfgevallen. Longontsteking, tering, pokken en cholera waren gevreesde ziekten.
Dokter Jan Giltay en zijn collega Jan Luyt stonden vaak machteloos. In de jaren 1871-1872 heerste de pokkenepidemie in Nederland voor het laatst.

Geschiedenis-1607
De brug wordt getest

Spoorweg
In 1881 vond de aanbesteding plaats van de aanleg van de aarden spoorbaan tussen Baanhoek in Sliedrecht en Gorinchem. Het werk werd gegund voor het enorme bedrag van f 2.450.000,- . Het vele zand, opgezogen uit de rivieren, werd met zandtreintjes voorzien van kipkarren aangevoerd. De veenbodem zorgde voor problemen.
Vooral bij de oprit naar de Baanhoekspoorbrug was dit het geval. Verzakkingen en oppersingen waren aan de orde van de dag. Het werk viel zwaar tegen. De aannemers Bolier uit Scherpenisse en Seret uit Sliedrecht zorgden voor de bouw van de landhoofden en de pijlers voor de spoorbrug. De stalen brug werd gemaakt door de firma Kloos & Zonen te Alblasserdam.

Zwaar
Op latere leeftijd begon de burgemeestersbaan en het gemeentesecretariaat Jan Adrianus te zwaar te worden. Op zijn verzoek kreeg hij ontslag als gemeentesecretaris. De heer Bekker werd de eerste secretaris nieuwe stijl.

De brand in de pastorie in 1863 was kennelijk toch nog ergens goed voor geweest. Bij de toegesnelde burgemeester had die een diepe indruk achtergelaten. Hij is er jaren mee bezig geweest, maar het uiteindelijke resultaat was de oprichting in 1881 van de vrijwillige brandweer in Sliedrecht. Geen luxe, als men zich Sliedrecht in die tijd voor zich kan halen met de vele houten schuren en de rieten daken.
De eerste oppperbrandmeester was Kornelis van Wijngaarden, een plaatselijke aannemer. Negen brandmeesters en achttien spuitgasten stonden hem bij. Men had drie handspuiten tot zijn beschikking. In elk van de drie wijken was er een ondergebracht. De eisen voor de bewoners werden aangescherpt. Preventief werden jaarlijks de schoorstenen aan een onderzoek onderworpen.
De oprichting van het korps was het laatste wapenfeit van burgemeester Van Hattem.

Afscheid
In 1884 nam hij afscheid van de gemeente Sliedrecht. In 1887 overleed hij. Velen toonden door hun aanwezigheid bij de begrafenis hun waardering voor Jan Adrianus van Hattem.

15 – Dorp in een Koninkrijk

In periodiek 31 verscheen het laatste verhaal van de heer C. J. Lips waarin hij de geschiedenis van Sliedrecht beschreef. In dit nummer pakken we de draad op en vervolgen de historie van ons dorp in een nieuwe reeks van artikelen. Intussen hebben we de Franse tijd achter de rug en stappen met schout Van Hattem het nieuwe koninkrijk binnen.

Sliedrecht, Dorp in een Koninkrijk
Na de Franse overheersing ging schout Gerardus van Hattem met veel energie aan de slag.

Ons land was, onder koning Willem 1, een koninkrijk geworden. De Franse titel maire voor bestuurder van het dorp verdween uit het spraakgebruik. Pas in 1825 zou echter de functie van burgemeester worden ingevoerd. Schout, en dus later burgemeester, Van Hattem werd bij het besturen van Sliedrecht bijgestaan door een viertal schepenen.
In 1817 besloot men over te gaan tot een dagelijks bestuur. Naast de schout die ook gemeentesecretaris was, kende het College twee wethouders. Deze werden in die tijd assessoren genoemd. Verder kende het College nog een vijftal leden.
Een gemakkelijke tijd was het voor het nieuwe bestuur van het dorp niet. De naweeën van de Napoleontische tijd lieten zich nog goed voelen.

Geschiedenis-1501
Hoepels

Weer op poten
De activiteiten waarvan het dorp economisch afhankelijk was waren: het werk in de grienden en de waterbouwkundige activiteiten. Die hadden tijdens de Franse overheersing een enorme terugslag gehad. Alles moest op alles worden gezet om deze voor Sliedrecht belangrijke zaken weer op poten te zetten.
Onderhoud aan sluizen, wegen en oevers vormden hierbij een belangrijk onderdeel. Aangepakt werden o.a. het Noordhollandskanaal en kanalen in Zeeland. Dichter bij huis het Kanaal van Steenenhoek (1818).
Ook de rijshouthandel had hier baat bij. Na het vertrek van de Fransen was het weer mogelijk hoepels naar Engeland en Schotland uit te voeren.
Centrum van de hoepcultuur was de omgeving van het Kleindiep.

Begraafplaats
De doden werden in de kerk of op het kerkhof bij de kerk begraven. In de kerk begraven werd door een hogere instantie in de toekomst uitgesloten. Het kerkhof dat op de plaats lag waar nu de oprit van de Stationsweg naar de dijk is, was te klein. Zeker als men vooruit keek! Na een overleg met het kerkbestuur in 1819 werd voor het bedrag van 700 guldens een stuk grond aangekocht. De aanleg van de begraafplaats zou nog eens 1600 guldens kosten.

Het terrein was te bereiken via een stoep tegenover de drukkerij v. Wijngaarden in de Kerkbuurt. Pas in 1820 werd de nieuwe begraafplaats in gebruik genomen. Het kerkbestuur nam de plicht op zich het kerkhof te onderhouden, maar daar tegenover stonden de inkomsten die het begraven en de opbrengst van het snoeihout opleverden.
De eerste die begraven werd was Cornelia van Vliet, echtgenote van Dirk Stuij.

Dirk Stuij, hij was gehuwd met Cornelia van Vliet.
Uit dit huwelijk:
1 Teuna, gedoopt te Bleskensgraaf op 31 augustus 1788.
2 Jan, geboren te Sliedrecht op 23 april 1791, begraven aldaar op 13 mei 1791.

Teuna Dirksdr Stuij, gedoopt te Bleskensgraaf op 31 augustus 1788, overleden te Sliedrecht op 19 oktober 1864. Zij is getrouwd te Sliedrecht op 19 augustus 1813 met Adriaan Arieszn Kop, geboren te Sliedrecht op 27 mei 1786, gedoopt aldaar op 4 juni 1786, overleden aldaar op 29 april 1847.

Dat was later dan men voor ogen had gehad. In 1820 waren de dijken op een aantal plaatsen in de Alblasserwaard weer eens doorgebroken. De nieuwe begraafplaats stond hierdoor onder water. Een enorme tegenslag voor Sliedrecht en omgeving. De schade was groot. De slachtoffers hoefden een geringer bedrag aan belasting te betalen.
Het 25-jarig ambtsjubileum van schout Van Hattem in 1821 werd mede als gevolg van de door de watersnood heersende armoede op sobere wijze herdacht.

Een aantal jaren later (1825) vereiste de kerktoren de aandacht. Het bovengedeelte was dringend aan vervanging toe. De gemeente betaalde tweevijfde deel van de kosten en het kerkbestuur de rest. Het betrof vrijwel gehele vernieuwing van het bovengedeelte. Een aantal maanden later kon de klok weer geluid worden.
In 1826 werd er toch weer iemand in de kerk begraven. Dit nog wel op de plaats waar de voorzanger altijd stond. Het was de oude schoolmeester Leendert de Groot voor wie een uitzondering werd gemaakt.

Burgemeester Van Hattem zat zeker niet stil. De oude vergaderzaal van ´Het Rechthuis’, een herberg nabij de kerk, werd in 1827 ingeruild voor een eigen ruimte.
Voor de papieren van de secretarie en de gemeentekas was nu meer ruimte. Er was zelfs een rampenplan ontwikkeld. In geval van nood moest het allerbelangrijkste in zakken worden gestopt en naar buiten worden meegenomen.

Buiten zorgden ´s nachts klapwakers voor de veiligheid op straat. Dat dit niet geheel afdoende was, blijkt wel uit de vermelding van inbraken. Er werd zelfs een burgerwacht geïnstalleerd. Hiernaast kende Sliedrecht ook nog eens een schutterij. Gewapende burgers moesten in geval van nood het dorp verdedigen, de orde handhaven en soms wachtdiensten verrichten.

De kerk werd verlicht met kaarsen. In 1835 kwam hieraan een eind. Olielampen namen de plaats in van de kaarsen.
Een jaar eerder had zich op kerkelijk gebied in Sliedrecht een afscheiding voorgedaan. Deze groep, de ´Gereformeerden` zouden pas in 1856 een eigen predikant begroeten. Klik voor meer historie aangaande de kerk de pagina kerkgeschiedenis aan. (www.historie-sliedrecht.nl)

De afscheiding van België van het Koninkrijk Nederland had tot gevolg dat Nederlanders daar minder gezien waren. Dit ging ook op voor aannemers van openbare werken. Een strop voor Sliedrecht! Een hevige storm boven het Haarlemmermeer bracht soelaas. In 1839 werd besloten het meer droog te malen. Werk aan de winkel voor de Sliedrechtenaren.

De Sliedrechtse aannemers zagen een nieuw arbeidsveld liggen en op alle aanbestedingen waren ze aanwezig! Reeds op 8 februari 1840 had de aanbesteding plaats van ‘het graven van een kanaal vanaf de trekvaart van Haarlem naar Leiden’. Vele Sliedrechtenaren schreven in, aannemer werd Arie Visser Azn. uit Sliedrecht. Het werk werd hem gegund voor f 140.000, -. De bedragen waren voor die tijd meteen al aanzienlijk. Er was dan ook inmiddels voldoende werkkapitaal in het dorp aanwezig om op alle werken in te schrijven. Arie Prins Czn. werd een deel van het aanleggen van de ringvaart gegund.
Heel wat Sliedrechtse werklieden konden daar ter plaatse hun boterham verdienen. Vaak verbleef men de hele zomer in de buurt van het werk. In de herfst keerde men pas weer terug naar het eigen dorp. Het werk in de grienden wachtte… !

Gerardus van Hattem – Schout en eerste burgemeester (1771- 1846)
We kijken tot slot van dit deel met u terug op het leven van burgemeester van Hattem.

Gerardus van Hattem werd in 1796 in de tijden van de De Bataafsche Republiek de opvolger van Staas van Diggelen, een collaborateur voor de Fransen. Gerardus was geboren in Giessendam op 21 november 1771. Zijn vader was daar dokter, chirurgijn zoals ze dat toen noemden. De nieuwe schout van Sliedrecht bleek zowel in de Franse tijd als in de periode van het koninkrijk onder Willem 1 uit het goede hout gesneden te zijn.
Kenmerkend voor van Hattem waren zijn tolerantie, zijn liberale gedachten en zijn trouw aan de kerk.
Wapenfeiten uit de beginjaren waren o.a. het afhandelen van de zaak Van Diggelen en het presenteren van een rekening aan de regering in Den Haag. Het ging hierbij om het verhalen van de kosten van de legering van de Franse troepen in 1795.

Op de leeftijd van ruim 29 jaar trouwde Gerardus in mei 1801 in Oud-Beijerland met Adriana van Driel, een dochter van de schout in genoemde plaats. Het echtpaar kreeg 12 kinderen. Vijf kinderen stierven jong tot zeer jong.

In 1806 kreeg dorpsbestuur, municipaliteit genoemd in de Franse tijd, een andere naam: Gemeente.

In 1807 werd de schout krachtens een nieuw kerkelijk reglement tevens het hoofd van het kerkbestuur.

In 1810 werd ons land ingelijfd door Frankrijk. Sliedrecht werd een Frans dorp.
Van Hattem werd voortaan aangesproken met het Franse woord ´maire`.
Gelukkig beheerste hij de Franse taal goed. Dat kwam prima uit daar veel zaken voortaan in het Frans geschreven moesten worden.
Bij het aannemen van zijn nieuwe functie had hij ruggespraak gehouden met diverse inwonenden, een verdenking van collaboratie was wel het laatste dat hij kon gebruiken!
Willem van Eck en Leendert de Groot, wezen hem erop dat hij het beste zelf de kar kon trekken. Bij een ander moest men maar afwachten hoe deze zich zou opstellen.
Beide personen boden Van Hattem hun diensten aan. Dat was niet altijd eenvoudig.

Men denke hierbij maar eens aan het feit dat jongelui werden opgeroepen voor de loting om dienst te nemen in het Franse leger van Napoleon.
Tijdens de terugtocht der Fransen in oktober/november 1813 werd Sliedrecht geplunderd. Van Hattem werd zelf ook getroffen. Niet alleen zijn wijnkelder was geheel leeg geroofd, maar ook zijn huis – het huidige atelier – was al voorbereid om opgeblazen te worden. Gelukkig hebben de Franse hun daad niet kunnen uitvoeren. Zij moesten in allerijl ons dorp verlaten.

Eind 1813 keerde de rust enigszins weer. Van Hattem bleef aan, nu weer als schout. (Pas in 1925 kreeg hij de titel van burgemeester). In 1817 werd het college van schout en schepenen vernieuwd. Willem van Eck en Leendert de Groot werden nu wethouders.

Als schout moest Gerardus ook onderzoek doen en beslissingen nemen in allerlei geschillen. We hebben het dan o.a. over burenruzies, roverijen, te laat sluiten van de herbergen, het gebruik van valse gewichten, straatschenderij en vernieling.
Later werd deze taak door een ander waargenomen. Dat was in 1827 bij de invoering van kantongerechten. De burgemeester werd als vrederechter opgevolgd door mr. Schenkelberg van Nierop, onze eerste kantonrechter. Een echt kantongerechtsgebouw zou er pas in 1838 komen. Voor die tijd werd dan hier, dan daar recht gesproken.
Een raadhuis was er al eerder. In 1828 werd een woning als zodanig ingericht aan de huidige Molendijk.
Beide gebouwen heeft Van Hattem nog mogen meemaken. In de laatste jaren van zijn burgemeesterschap liet zijn gezondheid steeds meer te wensen over. In 1844 werd hij opgevolgd door zijn zoon Jan Adrianus. Lang heeft Sliedrechts eerste burgervader niet van zijn pensioen mogen genieten. Op15 april 1846 overleed hij te Sliedrecht.

Nog even alles op een rijtje
Gerardus van Hattem, geboren te Giessendam was een zoon van Jacob Hattema. Gerardus werd gedoopt te Hardinxveld op 24 november 1771.
Jacob was gehuwd met Cornelia Pietersdr de Rijk, geboren te Giessendam, gedoopt te Neder Hardinxveld op 27 juni 1738.Deze was een dochter van Pieter de Rijk en Pietertje Cornelisdr Groeneweg.

De broers en zuster van Gerardus waren:
1 Cornelis, gedoopt te Neder Hardinxveld op 3 april 1768.
2 Johannes, gedoopt te Neder Hardinxveld op 14 mei 1769.
3 Pietertje, gedoopt te Neder Hardinxveld op 29 mei 1774.
4 Pieter, gedoopt te Neder Hardinxveld op 5 mei 1776.
5 Marinus, gedoopt te Neder Hardinxveld op 30 november 1777.
6 Maria, gedoopt te Neder Hardinxveld op 18 juli 1779.
7 Pieter, gedoopt te Neder Hardinxveld op 16 januari 1785.

Gerardus is in ondertrouw gegaan te Oud Beijerland op 8 mei 1801. Hij is daar ook getrouwd op 24 mei 1801 met Adriana van Driel. Zij is geboren te Oud Beijerland op 11 oktober 1780 en daar gedoopt op 15 oktober 1780. Adriana overleed te Sliedrecht op 10 juli 1847.

De kinderen van Gerardus en Adriana waren:
1 Jacobus, geboren te Sliedrecht op 25 maart 1802.
2 Jan, geboren te Sliedrecht op 29 november 1803, begraven aldaar op 1 augustus 1804.
3 Adriana, geboren te Sliedrecht op 30 mei 1805.
4 Cornelia, geboren te Sliedrecht op 14 februari 1808, begraven aldaar op 6 november 1808.
5 Cornelia, geboren te Sliedrecht op 3 november 1809.
6 Jan, geboren te Sliedrecht op 20 maart 1811.
7 Kornelis, geboren te Sliedrecht op 31 december 1812.
8 Louisa, geboren te Sliedrecht op 18 januari 1814.
9 Petrus, geboren te Sliedrecht op 17 juli 1815.
10 Kornelis, geboren te Sliedrecht op 23 februari 1817
11 Kornelia, geboren te Sliedrecht op 22 maart 1818, overleden aldaar op 22 maart 1818.
12 Kornelia, geboren te Sliedrecht op 29 juli 1824.

Gerardus van Hattem is overleden te Sliedrecht op 15 april 1846.

 

14 – Einde van de Franse tijd

In de vorige aflevering vertelde de heer Lips over de regententijd
in de 18e eeuw en de Franse tijd.
Ditmaal zijn de gebeurtenissen aan het eind van de Franse tijd aan de beurt.

Inleiding
Gelukkig kunnen we veel informatie halen omtrent de novembergebeurtenissen van het jaar 1813 uit een boekje van de Sliedrechtse predikant A. de Koning, waarin hij het beleg van Gorinchem en het daarbij gebeurde in de omtrek beschrijft. We nemen er enkele gedeelten uit over, aangevuld met van elders verkregen gegevens.

Het jaar 1813 
Einde van de Franse tijd
Het was op de 18e van de slachtmaand (november 1813) dat wij getuige waren van de zekerheid van de berichten die ons het vertrek van de Franse ambtenaren van elders mededeelden. Zoals het ook gebeurde met de tollenaren die ons sedert enige tijd waren toegezonden. Zij maakten dat ze wegkwamen. Verscheidene grote en minder aanzienlijke heren, gendarmes en douanen, benevens een menigte anderen zagen wij door Sliedrecht rijden en wandelen of liever rennen en lopen naar het naburige Gorcum. Het was goed te zien hoe weinig zij zich bemoedigden met het gezang van een dronken douanier “toujours regnera Napoleon le Grand”.

Oranje boven
De verschijning van nog enige vluchtelingen die ’s avonds in ons dorp aankwamen, tegelijk met enkele ingezetenen, die de heuglijke tijding van de omwenteling uit Den Haag meebrachten, veroorzaakte voor het eerst weer het lang gesmoorde “Oranje Boven”. Het werd door het volk uitgeschreeuwd en tevens werd de klok geluid. De voorzichtigheid hield nog de lang gewenste vlag van de toren tot groot geluk van de ingezetenen van ons dorp, zoals zal blijken uit de volgende passage.

Gedurende de volgende dag (19 november) hield de doortocht van de Fransen aan. Onze blijdschap hierover daalde echter aanmerkelijk en kromp eindelijk geheel tot ongerustheid in, vooral toen wij niet meer de vlag zagen wapperen van de Dordtse toren. Een slecht teken ….
Onvergetelijk is voor elke ingezetene van Sliedrecht de avond van zondag 21 november. Een vals gerucht verblijdde het volk. “Bij Gorcum”, riep men, “waren de Fransen de rivier overgetrokken naar Brabant”. Men liet zich in de eerste vervoering van de vreugde niets zeggen. Naar waarschuwingen werd niet geluisterd. De klok moest geluid worden en de vlag gehesen. Het laatste gebeurde echter, zoals vermeld, niet.

Onverwacht bezoek
Tegen elf uur kregen we in Sliedrecht een onverwacht bezoek van de voorhoede van het Franse leger. Het was op weg naar Dordrecht. Tegen twee uur in de nacht verliet het leger ons dorp. Dit nadat het de herbergen geplunderd had en de soldaten hun moed en dapperheid door het afpersen van wijn, bier, sterke drank en eten beloond hadden. Veel ruiten van de huizen van de geen kwaad vermoedende en gerust slapende inwoners werden vervolgens ingeslagen. Zelfs de wijnkelder van de predikant en het huis van de maire (burgemeester) van Hattem moest het ontgelden.
Door de duisternis kon men de troepen en hun geschut niet zien. Niemand waagde zich op de dijk. Men hoorde slechts aan het daveren van de huisdeuren en het rinkelen van de glazen dat er nieuwe troepen doortrokken en zij deden voor hun vooruit getrokken spitsbroeders in eten en drinken en stelen en slaan niets onder.
Alles bij elkaar was het een troepenmacht van 263 man of beter gezegd een gemengde groep van gendarmes, douanen en Brabantse Gardes. Alle dorpen aan de Merwededijk, zoals Giessendam, Sliedrecht en Papendrecht ondervonden hun kwalijke gedrag. Alleen Hardinxveld bleef plunderingen bespaard. Het meest had men te lijden van de douanen. Deze zeiden dat men hun als schelmen had bejegend en dat ze nu ook tonen zouden dat ze het waren.

De Fransen in Dordrecht
Het doel was Dordrecht waar men in de nacht van 20 op 21 november een brief uit Gorinchem ontvangen had. Hierin werd een rekwisitie (vordering) geëist tot een waarde van f 100.000,=. Geleverd dienden te worden o.a. 193.500 kilo tarwe en 43.924 liter jenever. Het laatste wellicht om wat moed in te drinken. Met het oog op de weerloosheid van de stad, waarin slechts 8 schutters en 30 vrijwilligers waren, moest men wel toegeven. De levering zou op 24 november moeten plaatsvinden. Te Papendrecht aangekomen wilde de bende zich van de veerpont meester maken, doch de Dordtse burgerwacht belette dit met enkele schoten. Uit wraak voor dit verzet gaf de Franse bevelhebber Clerge bevel om de stad te beschieten. Onder het gebulder van het geschut maakten de Fransen zich van de stad Dordrecht uiteindelijk meester.
De Fransen brachten een onrustige nacht in Dordrecht door. Zij voelden zich niet op hun gemak tussen de vijandige bevolking, die haar mening niet onder stoelen of banken stak. Door valse geruchten, als zouden de Pruisen en Kozakken in aantocht zijn, werden de Fransen ongerust en beloofden zelfs dat zij, indien men hen ongemoeid liet vertrekken, niets kwaads meer tegen de stad zouden ondernemen. Hun bedoeling was aanvankelijk geweest om, evenals in Utrecht, een aantal aanzienlijke burgers als gijzelaars mede te nemen. Van dit plan kwam nu natuurlijk niets terecht.

Geschiedenis-1401Aftocht met gevolgen
De Fransen lieten eerst het mortier en de kruitwagens naar Papendrecht overzetten. Toen de duizenden Dordtenaren, die getuige wilden zijn van de aftocht, begonnen op te dringen, losten de Fransen een schot, dat helaas aan iemand het leven kostte. Het was dus niet met vredelievende gevoelens, dat de Fransen over Papendrecht en Sliedrecht naar Giessendam terugtrokken. Allereerst koelden ze hun woede in de woning van predikant Van Steenbergen te Papendrecht. Zij mishandelden niet alleen de huisgenoten, maar stalen ook het geld dat bestemd was voor de begrafenis van de echtgenote van de predikant die enige dagen tevoren was overleden… . Om verdere mishandeling te ontlopen moest dominee Van Steenbergen met zijn oude moeder en vier kinderen de polder invluchten.

Sliedrecht weer in last
Te Sliedrecht was de ontzetting niet minder. Ofschoon men zich in ons dorp over de gevolgen van hetgeen aangericht was door de muitende Franse soldaten bekommerde, had men maandag 22 november toch rust kunnen vinden. Maar dan werd dinsdagmorgen (23 november) plotseling vernomen dat de Fransen uit Dordrecht weer naar Gorcum terugtrokken. Verscheidene ingezetenen, door het eerder gebeurde gewaarschuwd en bang geworden, hadden al de vlucht genomen en opgeborgen wat zij wegstoppen konden. Aan de ene kant, omdat het zeker was dat het aantal Fransen in Gorcum dat hier zou doortrekken dagelijks toenam en aan de andere kant was het zo dat men van de Fransen bij een ontruiming van Holland, overal waar zij doortrokken, vernieling en mishandeling te vrezen had. Het redden van lijf en goed gebeurde met grote haast. Vooral nu men hoorde dat de Fransen weer terugkwamen.
Langs de Merwededijk tussen Dordrecht en Gorcum schenen zij hun wrevel en kwaadaardigheid op de ingezetenen op alle mogelijke wijzen te willen bekoelen. Slechts weinige huizen bleven verschoond van enige vorm van narigheid. Met woest geweld persten zij de inwoners eten en drank af die zij gulzig verslonden en verzwolgen. Als men niet of niet gauw genoeg met spijs of drank klaarstond, roofden en plunderden en vernielden de Franse soldaten de deuren die niet snel genoeg geopend werden en werden de ruiten aan stukken geslagen. De schade, aan velen toegebracht, was groot maar ieder was dankbaar blij dat niet alles verwoest was en het kwaad niet nog erger was.

Geschiedenis-1402
Dordrecht beschoten vanuit Papendrecht

Gevechten in Papendrecht
De Fransen trokken op Giessendam terug vanwaar commandant Clerge een dreigbrief naar Dordt zond met de mededeling dat hij binnenkort weer voor de stad zou komen. Inderdaad kwamen op de avond van die rampdag (23 november)400 Franse gardesoldaten te Sliedrecht aan om daar ingekwartierd te worden. De predikant werd geprest hun gids te zijn en hen naar het wachthuis te geleiden.
Dordrecht beschoten vanuit Papendrecht

De ingezetenen van Sliedrecht die nog niet gevlucht waren, hielden hun huisdeuren gesloten. Gelukkig wist de predikant te voorkomen dat de deuren opengeslagen of ingeschoten werden. Op het horen van de hen zo wel bekende stem werden alle deuren gewillig geopend en werd erger voorkomen.
Intussen was er te Dordrecht een aantal vrijwilligers aangekomen die zich onmiddellijk naar Papendrecht lieten overzetten om daar bij de kerk post te vatten. Tevens waren de kanonneerboten, nors. 131 en 133, voor de stad gearriveerd, die op de rivier stelling namen.

Geschiedenis-1403
Centraal het woonhuis van de familie Van Hattem.

De komst van 2 à 300 Oranjerieën was helaas door het innemen van Woerden verhinderd.
In de nacht van 23 op 24 november waren hier wel 800 man aan Fransen doorgetrokken. Deze vonden echter op de Papendrechtse dijk de vrijwilligers tegenover zich, die echter voor de overmacht moesten wijken. Na een korte tegenstand bij de kerk en de veerdam ontaardde de terugtocht in een smadelijke vlucht. De kanonneerboot vuurde zo heftig op de vijand op de dijk dat een kanonwagen aan stukken werd geschoten maar kon niet voorkomen dat de Fransen hun geschut op de veerdam in stelling brachten en Dordrecht begonnen te bombarderen. Dominee De Koning was op de Sliedrechtse toren geklommen en zag dit schouwspel met angst en beven aan.

Burgemeester en dominee onder vuur
Te Dordrecht zat men niet stil. De kanonneerboot nr. 131 beantwoordde het vuur totdat de voorraad kruit was uitgeput. Het laatste schot werd gedaan door de zeeofficier H. Merkus die het kanon dusdanig richtte dat de Fransen een groot aantal doden en gewonden kregen en de aftocht bliezen. Volgens sommige berichten had men bij het laatste schot een koevoet gevoegd, die later nog jaren bij J.Hello te Papendrecht werd bewaard. Ten tweede male kregen wij hier een terugtocht van woedende Fransen te verduren. Het zwaarst moest nu de woning van burgemeester(maire)G.van Hattem het ontgelden. Dit huis bevond zich naast de kerk. Later diende het als pastorie. In 1904 volgde de afbraak van het gebouw. Het was dus niet het huis tegenover de kerk, nu bekend als het “Atelier”, zoals in andere bronnen beweerd werd. Deze woning was er in de Franse tijd nog niet …!

Lange tijd hield de burgemeester de soldaten in bedwang door zijn koelbloedigheid maar na een stoot met een bajonet te hebben afgeweerd, moest hij tenslotte de vlucht nemen. Dominee De Koning, die naar zijn vriend kwam kijken, ontving een slag met de kolf en ontkwam ook nauwelijks. Toen de rovers weg waren, vond men de vloer met kruit bestrooid. Kennelijk was het de bedoeling geweest het huis in de lucht te laten vliegen.

Varkens en koeien
De 26e november kwamen er 700 man met 3 stukken geschut en een kruitwagen uit Gorcum om in de omliggende dorpen vee te rekwireren (vorderen). Zij konden echter niet meer dan 3 varkens krijgen wat aan Dominee De Koning de aardigheid ontlokte dat het garnizoen van Gorcum nu met 3 varkens vermeerderd was… .
Op 30 november kwam er opnieuw een uitval uit Gorinchem. Ruim 900 man met twee kanonnen en een kruitwagen kwamen de eis tot leverantie van vee kracht bijzetten. Nu ontkwam Sliedrecht niet. Tot die tijd had de burgemeester niet veel haast gemaakt met de levering. Het dreigen, roven en vernielen door de Fransen noodzaakte nu wel tot een spoedige levering. Sliedrecht leverde 40 koeien, terwijl er ook 120.000 pond hooi geëist werd.
De Fransen rukten tot Papendrecht op, waar zij op een batterij stootten. De bezetting, bestaande uit kanonniers en enkele vrijwilligers, zag zich na enkele schoten genoodzaakt terug te trekken voor de overmacht, maar de Fransen werden voor de stad zo warm door de batterij op het Riedijkse Hoofd en door de kanonneerboten beschoten dat zij met een verlies van 14 à 16 doden moesten terugtrekken.

Prijs verklaard
Te Giessendam werd halt gehouden om versterking uit Gorcum af te wachten voor een nieuwe aanval op Dordrecht. Daarbij was ook besloten, dat Sliedrecht “prijs verklaard was”, d.w.z. het zou evenals Woerden en Bodegraven verwoest en uitgemoord worden. Reeds was de versterking uit Gorcum op weg toen daar een bericht aangaande het verlaten van de stad Utrecht door de Fransen en de inwoners van Sliedrecht zodoende op het laatste moment van de ondergang werden gered. De reeds op weg zijnde Franse troepen werden ijlings naar Gorcum teruggeroepen. De situatie veranderde nu heel spoedig. Op 5 december zagen wij hier de eerste Kozakken die de vorige dag in Dordrecht aangekomen waren. Zij trokken langs de dijk naar Giessendam waar de Fransen de grienden invlogen. Spoedig was er nu geen Fransman meer buiten Gorcum. De rollen waren nu omgekeerd en de Fransen werden in Gorcum belegerd en beschoten. Duizenden en duizenden soldaten trokken door Sliedrecht. Het eerst de woeste Kozakken die in de buitenlucht sliepen en hun paard zo uitstekend bereden dat zij er een geheel mee schenen. Zij aten de boter met hele kluiten en versmaadden een vetkaars niet. Niets was voor hun veilig en men deed er ook verstandig aan vrouw en dochters binnen te houden.

Vrijer ademhalen
De 8e december werden er in Sliedrecht 47 schuiten en 10 boten gevorderd om troepen over te zetten naar Werkendam om zo Gorcum geheel in te sluiten. Het waren vooral de Pruisische en Russische troepen die Gorcum belegerden, terwijl de Russische prins Maritschkin het opperbevel zou voeren. De prins kwam op 8 december in een met vier paarden bespannen koets door Sliedrecht teneinde de leiding van het beleg op zich te nemen. Op 1 februari 1814 begonnen de onderhandelingen en op 5 februari 1814 volgde de capitulatie van Gorcum. Eerst toen kon men in onze gemeente vrijer ademhalen..

Hiermee is een einde gekomen aan het verhaal dat de heer Lips schreef over de geschiedenis van Sliedrecht. Wellicht dat er wat onvolkomenheden genoteerd zijn, maar welke geschiedschrijver heeft wel voor de volle 100% de waarheid geschreven? In ieder geval zijn we de heer Lips dankbaar voor alle bijdragen die we konden publiceren en die u wellicht een beter beeld hebben gegeven van de “Geschiedenis van Sliedrecht.”

13 – Regententijd

Geschiedenis-1301
Het pachtersoproer
Het volk komt in opstand tegen de heffingen van de belastingen.

De verarming die in 1672 was begonnen, zette zich ook in de 18e eeuw voort. Vooral de steden werden er door getroffen, terwijl men op het platteland naast kwade ook nog goede jaren telde.
In 1733 gingen de Staten van Holland er toe over om een groot gedeelte van de belasting, die door de steden opgebracht werd, op het platteland te verhalen. In dat jaar werd namelijk de verponding, onze tegenwoordige grondbelasting, opnieuw geschat en het gevolg was, dat de dorpen nu het leeuwenaandeel moesten dragen. De boerderijen die vroeger van belasting waren vrijgesteld, werden alle aangeslagen. De heersende regentenaristocratie zorgde er wel voor zelf niet al te zwaar belast te worden.

Koopsom
Daarbij kwam nog dat op het platteland een bestuursapparaat gehandhaafd werd dat verre boven het normale en boven de draagkracht van de plattelandsbevolking uitging. Als we de klachten uit die tijd mogen geloven, dan was het in de Alblasserwaard hiermee nog erger gesteld dan elders. Men had eenvoudig de hoge salarissen uit de Gouden Eeuw onverminderd gehandhaafd. De regenten trokken daar groot voordeel van. Niet dat ze zelf die betrekkingen wilden bekleden……. Wanneer er echter een postje openviel, waren er zoveel liefhebbers, dat de regent die de “toerbeurt” van het vergeven had, een aanzienlijk bedrag als koopsom kon bedingen. Hoe hoger het salaris was, des te hoger de koopsom. Daarom was van de zijde van de regenten nooit verandering te verwachten. Tegen deze grieven konden de plattelanders alleen de hulp van Oranje inroepen. Zelf hadden ze geen stem bij de Staten van Holland.

Krijgsdienst
Een ander bezwaar van de plattelanders was de krijgsdienst. In de 80-jarige oorlog had men huis en haard met mannenmoed verdedigd en vriend en vijand verbaasd doen staan. Een ding wilde men echter niet: buiten het eigen dorp dienen. In 1672 was dat al eens misgelopen en burgemeester Hallinog uit Dordrecht zag zijn huis en buitenhuis geplunderd en verwoest. De plattelandsbevolking schreef die voor hen hatelijke bepaling altijd toe aan de vijanden van de Prins van Oranje, al ging het bevel daartoe van de Prins zelf uit. Men kon nu eenmaal een hatelijke maatregel niet toeschrijven aan de persoon, die men liefhad.
Echte soldaten waren de Nederlanders nooit en de krijgsdienst was veracht. In 1650 klaagde een militair dat zijn familie hem niet wilde kennen omdat hij soldaat was. In 1672 sprak een vreemd soldaat het vrij uit dat er geen kerel in Holland was, die voor zijn vaderland wou opkomen.
In 1672 was het nog tot een tijdelijk herstel van de wachten langs de Merwede gekomen, maar daarna was alles verwaarloosd. In 1747 besloten de Staten van Holland om de mannen van het platteland onder de wapenen te brengen Ze moesten leren met de wapens om te gaan, te exerceren. Dit alles in het belang van de defensie van het Vaderland als de noodzaak dit zou eisen. Door de spoedige vrede van Aken in het voorjaar van 1748 kwam er niet veel van terecht.

Keezen en Oranjeklanten
In deze tijd beginnen zich grote onenigheden onder de bevolking te vertonen, die als de twisten van Patriotten en Prinsgezinden of ook wel als die van Keezen en Oranjeklanten, bekend zijn. Het lagere volk en de boeren op het platteland waren Oranjegezind. Die Oranjegezindheid ontaardde ook wel eens in het zich onttrekken aan onaangename lasten van overheidswege opgelegd. Was men het met een bepaling niet eens, dan maakte men oproer en greep dan naar het Oranjevaandel.

Prins Willem V
Naast de Oranjeklanten had men de oude Regentenpartij die antistadhouderlijk was en geen veranderingen wenste. Het was toch altijd zo goed onder hun bewind gegaan. Hoofdzaak was echter hun eigen belang. In opkomst was ook een nieuwe partij die de nieuwe denkbeelden voorstond en waarvan de aanhang grotendeels uit het ontwikkelde deel van de burgerij bestond. Jammer genoeg ging deze groep, toen Willem V niet de juiste man voor zijn tijd bleek te zijn, tot de antistadhouderlijke partij over. Zeer verderfelijk was ook het heulen van de Patriotten met de Fransen. Het heeft het einde van de republiek verhaast. Eigen belang en baatzucht zijn de fouten die door alle partijen en door alle standen in de Republiek gemaakt zijn. De straf was de jarenlange verdrukking onder het Franse juk.

Geschiedenis-1302
Van der Cappellen, één van de leiders van de Patriotten,
met zijn gezin.

Patriotten
De Patriotten brachten de nieuwe inzichten op maatschappelijk en geestelijk gebied naar voren en werden zoals alle brengers van nieuwe ideeën verafschuwd en verafgood. Toch waren hun ideeën, ontdaan van alle bombast, bestemd om te zegevieren.
Een der leerstellingen van deze groep was, dat het vaderland door de eigen burgers verdedigd moest worden i.p.v. door vreemde huurlingen. Bij deze maatregel, die tegenwoordig vanzelf zou spreken, ontmoetten zij geweldige tegenstand, niet in het minst op het platteland waar men gedeeltelijk terecht, maar ten dele ook uit lafhartigheid, voorgaf bevreesd te zijn, dat die corpsen tegen Oranje gebruikt zouden worden.

Oproer in Sliedrecht
Sliedrecht geleid door zijn Oranjegezinde heer S. P. Collot d’Escury was Oranjegezind, evenals Alblasserdam, Giessendam, Hoornaar, enzovoort. In Papendrecht hadden de Patriotten het bestuur in handen. Of een dorp Oranjegezind was, kon men constateren uit het feit of dat dorp een adres stuurde aan de Staten van Holland tot herstel van de Prins als bevelhebber van het Haagse garnizoen. De Patriottische dorpen en steden zonden een adres tot hulpverlening aan de steden Hattem en Elburg, die door de troepen van de Prins belegerd werden.
In 1784 werd door de Staten van Holland besloten dat alle volwassen mannen in Holland zouden deelnemen aan een loting “voor de derde man”, d.w.z. een derde deel van hen zou moeten dienen.
Toen men op de 24 januari 1785 te Sliedrecht in de kerk tot een loting zou overgaan, ontstond er een geweldig geschreeuw. Men riep dat men niet voor de Staten wilden exerceren, maar wel voor de Prins.
Zij eisten een Oranjevaandel van den schout. Men sloeg op koperen bekkens en riep: “Vivat Oranje en de Prins boven”. De menigte nam al meer en meer toe en men was al bezig met andere dorpen te onderhandelen over een gemeenschappelijke aanval op de Patriotten. Toen evenwel de Patriotten in Papendrecht zich bewapenden en er het gerucht rondging dat de Dordtse Vrijcorpsen bijeengeroepen waren ging men spoedig uiteen. Kort daarop volgde een geruststellende publicatie van de Staten van 27 januari 1785 waarin beloofd werd dat geen tocht of wacht buiten het dorp gedaan behoefde te worden. Op 19 augustus volgde een amnestie voor allen die aan het oproer schuldig waren. Toen de Patriotten meer en meer de overhand kregen, werden tegen de Oranjegezinde dorpen allerlei onaangename maatregelen getroffen. Sliedrecht kreeg als garnizoen twee afdelingen huzaren van den Rijngraaf van Salm, die vele baldadigheden bedreven en op kosten van de burgerij van Sliedrecht ingekwartierd werden.

De Franse tijd
Al feller en feller werd de betreurenswaardige partijstrijd en het kwam zelfs zo ver dat men zich tegen elkaar wapende. Voor het tot een treffen kwam, werden de boeren in de Alblasserwaard van Giessendam tot Dordrecht op onverwachte wijze op 11 september 1787 van hun wapens beroofd door de Patriottische vrijcorpsen. Spoedig kwam er toen een einde aan de verdrukking van ons dorp Toen Prinses Wilhelmina, de vrouw van Willem V, zwaar beledigd werd door de Patriotten, riep zij haar broer, de koning van Pruisen te hulp. Op 18 september 1787 kwamen de Pruisische troepen hier aan. Het Pruisische corps onder Winsingrode kwam langs de Waaldijken tot Gorinchem, waar de Patriotten nog enige weerstand boden, maar dat op 17 september aan de Pruisen overging. Op 18 september trokken ze langs de dorpen Hardinxveld, Giessendam, Sliedrecht en Papendrecht om Dordrecht te gaan bezetten.
Hadden de Oranjeklanten in 1787 de vijand binnen het land geroepen, in 1793 en 1795 deden de Patriotten hetzelfde door het inroepen van de Franse hulp.
Evenwel werd in 1793 de verdediging van Nederland beter georganiseerd dan in 1787. Op het Hollands Diep lag een aantal kanonneerboten, terwijl de killen en gaten in den Biesbosch door kanonnen bestreken werden. Zo vormde de dijk van Gorinchem tot Dordrecht a.h.w. de tweede verdedigingslinie. In Sliedrecht bevond zich batterij nr. 11, genaamd de Jonge Prins, benedendijks over het zgn. Vissersgaatje, gemonteerd met twee ijzeren twaalfponders en batterij nr. 12 genaamd de Stadhouder over het zgn. Venusgaatje, eveneens gemonteerd met twee ijzeren twaalfponders. Voorts werden er twee korte drieponders te Sliedrecht in reserve gehouden.
In 1795 kwamen de Fransen terug en men hoort niet veel van de aangelegde batterijen, doordat de Fransen allerwegen over het ijs het land binnentrekken. Zoo kwam dan het einde van de trotse Republiek, een einde verhaast door zelfzucht en eigenbaat bij alle groepen der bevolking.

Geschiedenis-1303Een fluwelen revolutie
In 1795 vonden grote veranderingen plaats in ons dorp. Al het oude werd met een pennenstreek afgeschaft. Grote schrik heerste er bij vele bewoners voor de komst van de Fransen. Velen verlieten het dorp. Ze sloten hun woningen en vestigden zich elders, bevreesd als zij waren voor de wraak van de tegenpartij. Tenslotte is dat erg medegevallen. De Fransen, die al niet meer de echte revolutionairen van 1787 waren, hebben belet dat de Hollanders tot uitspattingen overgingen en zo werd het in 1795 een fluwelen revolutie, waarbij niemand een haar gekrenkt werd. Sliedrecht kreeg garnizoen van de 164-e halve brigade Franse scherpschutters onder Holbee, welke troepenmacht bij de burgers werd ingekwartierd. Ter vermijding van botsingen en ongelukken werden voor enige dagen alle jacht-, bout-, en schietgeweren ingenomen.

Wij zijn thans zover in de geschiedenis gekomen, dat wij de gebeurtenissen van 1795 op behoorlijke afstand zien en ze dus naar hun waarde kunnen beoordelen. Voor Sliedrecht was het jaar 1795 een jaar van grote verbeteringen. Elke verandering kon alleen maar een verbetering zijn in een bestuur waar zoveel misbruiken heersten.

Hoofdplaats
Allereerst werd Sliedrecht nu een gemeente in plaats van de drie heerlijkheden (Naaldwijk, Niemandsvriend en Lockhorst). Er kwam een bestuur van schout en 7 schepenen, terwijl door de stemgerechtigde burgers een Municipaliteit of Gemeenteraad verkozen werd. De heer van de heerlijkheid werd van alle invloed op het bestuur uitgesloten. In later tijd werd ook het gedeelte van de gemeente over de Merwede met Sliedrecht verenigd, wat in de 19e eeuw tot bloei van het dorp heeft bijgedragen.
Sliedrecht werd in 1795 de hoofdplaats van het District nr. 48, Lek en Merwede, een positie die het krachtens belangrijkheid en inwoneraantal (2495) dan ook toekwam.
Ook het polder- en kerkbestuur werd anders geregeld en naar de geest van de tijd werd aan de burgerij hier ook de invloed verzekerd die het toekwam.
In het algemeen kan men zeggen, dat Sliedrecht in 1795 de voorwaarden bekwam, waarop de groei en bloei van de gemeente in de 19e eeuw gegrondvest is.

Natuurlijk waren er ook schaduwzijden. Het begon al met inkwartiering, rekwisitie van paarden, vee en graan. De burgerij moest nu zonder morren in de gewapende burgerwacht dienst doen, zelfs een plaats in het leger vinden, iets waar men op het platteland nimmer aan gewild heeft.
Toch kon men nu in Sliedrecht veel meer doen dan vroeger. Niettegenstaande een groot bedrag aan oorlogskosten van 1793 (3 à 4000 gulden) kon men in 1807 overgaan tot het bouwen van een nieuw schoolgebouw, waartoe door twintig van de rijkste ingezetenen elk een bedrag van f 200,= werd voorgeschoten.

Na 1808 wordt het stil in Sliedrecht. De nieuwe stand van zaken, in 1795 met zoveel animo begroet, bleek ook zijn schaduwzijden te hebben en onder de druk van het Franse bestuur werd de toestand op economisch gebied steeds slechter. Na 1808 werd er in Sliedrecht niet veel meer aan bestuurszaken gedaan. Het lopende werd afgedaan door Gerard van Hattem, eerst als schout en secretaris en later als maire, en na het vertrek van de Fransen als burgemeester. Het is te begrijpen, dat men in Sliedrecht, evenals elders, hartgrondig naar een verandering in de toestand begon te verlangen.

12 – Rampen in de Waard

Dijkbreuken en Overstromingen I
Geschiedenis-1201De Alblasserwaard, aan drie zijden omgeven door grote rivieren en aan de vierde zijde bedreigd door het opperwater wanneer en in Gelderland een overstroming heeft plaats gehad, heeft altijd veel te lijden gehad van geweldige overstromingsrampen.
Het grootste gevaar schuilde in de Merwede. Door de St. Elisabethsvloed was de Biesbosch ontstaan en deze vormde eeuwenlang een prachtige overlaat van het te hoge opperwater.
Wanneer het water door ijs of op andere wijze in de Merwede opgehouden werd, kon het door de killen in de Biesbosch gemakkelijk het Hollands Diep bereiken.
Een bedenkelijk gevolg van deze veranderde afwatering was het ondieper worden van de rivier de Merwede zelf, want verwijding van het bed veroorzaakt steeds verondieping en vernauwing op andere plaatsen van het bed.

De stad Dordrecht was er steeds op uit geweest het bed van de Merwede op diepte te houden voor de scheepvaart. De stad trachtte reeds in de 15e en 16e eeuw te komen tot afsluiting van de killen bij Werkendam, maar de tegenwerking van Gorinchem en van de Alblasserwaard hadden dat steeds verhinderd en terecht, want behoud van het land gaat boven behoud van scheepvaart.

Ondieper
Tenslotte zou echter de zienswijze van Dordrecht de juiste blijken te zijn, ook voor het behoud van het land. De Merwede was omstreeks 1585 reeds zozeer verondiept, dat men op oude kaarten uit die tijd talrijke zandbanken in de rivier ziet, terwijl de schepen in de Biesbosch varen. In de 17e eeuw kon het gebeuren, dat men van Dordrecht naar Papendrecht kon waden en in de 19e eeuw was de rivier hier en daar zo ondiep dat Koning Willem I met een roeiboot op de Merwede vast bleef zitten.
Afsluiting van de killen in de Biesbosch zou een sneller stromen van de rivier en dientengevolge verdieping hebben veroorzaakt, terwijl een overlaat voor afvoer bij watersnood had kunnen zorgen.

Geschiedenis-1202
IJs in de Merwede bij Gorinchem

De verondieping maakte het mogelijk dat in de winter, wanneer het ijs op de bovenrivieren losraakte er zich geweldige ijsdammen in de Merwede vormden, die tot de grond raakten. Het water vond dan geen uitweg meer en de dijken moesten vroeg of laat bezwijken. Was de rivier dieper geweest, dan had het water er onderdoor kunnen lopen en op den duur de ijsdam kunnen breken.Het gevaarlijkste punt was altijd de dijk bij Hardinxveld, waar ook in de 17e eeuw de overstromingen en doorbraken waren geweest.
Daar lag bovendien de dijk op een slechte ondergrond, zodat men sprak van een zinkdijk.
In 1698 en 1703 waren in die dijk “notabele sinckingen” dus grote verzakkingen geweest en men vreesde toen reeds het ergste.

Geschiedenis-1203
IJsdam

IJsdam
Op 5 januari 1709 begon het plotseling geweldig te vriezen, zodat in vier dagen de rivieren geheel toe raakten, maar nadat die strenge vorst ongeveer drie weken geduurd had, sloeg het weer even plotseling om en raakten de rivieren los.
Toen het in het begin van februari weer begon te vriezen ontstond er een geweldige ijsdam lopende van de droogten voor Sliedrecht tot Hardinxveld toe, terwijl alle killen eveneens door het ijs afgesloten waren. Voorbij Dordrecht passeerde er nagenoeg geen druppel water, terwijl men in Gorinchem met schuiten door de straten voer.
Op 22 februari braken dijken in de Betuwe, zodat het water ook voor de Diefdijk kwam, waardoor de Linge sterk begon te wassen. Tot overmaat van ramp zonk ook de dijk van Hardinxveld voor een groot gedeelte weg, zodat er slechts een stuk van 1 1/2 voet breedte op de oude hoogte bleef staan. Van de 12e tot de 13e maart kon men het nog gaande houden met kistingen en rijspakkingen maar toen begon het water over de dijk te lopen. Direct werd last gegeven de klok van Hardinxveld te luiden en een lantaarn aan de toren te hangen, wat het sein was voor de bewoners van de Alblasserwaard om zichzelf en het vee te bergen.

Vele plannen
ad het gat een diepte van 26 voet en er stond zulk een geweldige stroom, dat een dieplood van 10 pond er als een kurk uitdreef. Allerlei plannen werden gemaakt om het gat te dichten.

Geschiedenis-1204
Bekading van een dijkgat

De dijkbazen van Sliedrecht, Giessendam en Hardinxveld putten zich uit in het bedenken van nieuwe werkwijzen. Rijswerk, heien van palen, het laten zinken van een schip enz., enz.Merkwaardig is, dat men ook al het plan maakte om het gat door middel van een zinkstuk te dichten; een bewijs dat dit werkstuk toen hier reeds inheems was. Alle pogingen waren tevergeefs. Het gat werd zelfs 56 voet diep en men moest wachten tot de Waard gedeeltelijk vol was om de wiel te kunnen dichten. Dit geschiedde door het binnendijken van de wiel, wat een uitgave van f 11.400 vorderde. Van de binnengespoelde aarde en zand werd niet minder dan 7000 schuiten aan de teen van de dijk gestort.

Intussen was de Alblasserwaard bijna geheel vol water. De sluizen, die eerst toe gestempeld waren werden nu opengezet, maar toch bleef er dien zomer 3 a 3 1/2 voet op het land staan, omdat de bemaling niet sterk genoeg was om het water in korte tijd weg te malen. Geholpen door droogte en oostenwind in de winter van 1709 op 1710 gelukte het eindelijk om in maart 1710 de Waard weer droog te krijgen.
Ruim elf maanden had ze gedreven en het vee was gevoerd met liezen, biezen en vlotgras, dat men onder water sneed en op horden droogde.
De toestand was dan ook zeer kritiek en er was geen geld om de belastingen op te brengen. De Staten van Holland gaven voor zes jaar vrijdom van verponding (grondlasten) en voor vier jaar vrijdom van Hoorngeld en Oorgeld (belasting op koeien en paarden). In 1713 was men nog zo arm dat de Staten nogmaals vrijdom van belastingen moesten geven en wel tot 1717 toe. In het algemeen was de toestand in de 18e eeuw voor de Alblasserwaard zeer ongunstig en eerst de moderne machines zouden enige meerdere zekerheid geven.

Dijkbreuken en Overstromingen II
Tegen de dijkbreuken tengevolge van ijsdammen, was slechts één middel, nl. het maken van een inlaat, zoals men dat in 1595 met de Nieuwe Wolpherschen dijk gedaan had. Daartoe werd dan ook in 1738 overgegaan, door het leggen van de Groenendijk tot Steenenhoek. De bedoeling hiervan was, om als er een ijsdam gevormd zou zijn, het water tussen de Oude Buitendijk en de Groenendijk als door een overlaat af te voeren.
Er bleef echter een ander gevaar waar moeilijker tegen op te treden was; dit was het gevaar van overstroming in het Gelderse. Het water kwam dan voor de Diefdijklinie te staan. Deze linie werd gevormd door de Diefdijk en de Noorder-Lingedijk. Bij een grote overstroming in de Betuwe, volgde meestal een doorbraak van de Noorder-Lingedijk, waardoor het water dan voor de Zouwe- en Bazeldijk kwam te staan.

Verbannen
Dit gebeurde ook in 1726, terwijl toen de zaak voor de Alblasserwaard nog verergerd werd doordat op 3 april de Zouwe- en Bazeldijk doorgegraven werd. Op die dag kwam een aantal gewapende Gelderse boeren onder aanvoering van een zekere Klaas Meijertzen en werd de dijk te Meerkerk bij de Hoenderwiel doorgegraven, terwijl dit ook bij de Bazeldijk gebeurde bij de grote en kleine wiel.
Dit duurde zolang totdat soldaten arriveerden om de misdadigers te verdrijven, waarbij er één het leven liet. Klaas Meijertzen werd later voor zijn leven verbannen en zijn goederen werden verbeurd verklaard.

Voormolens
Geschiedenis-1205Om het water spoediger kwijt te zijn liet men in 1739 naast de bestaande watermolens aan het Elshout een gelijk aantal nieuwe voormolens oprichten, waardoor men nu tweehoog kon malen en dus het ingevloeide water spoediger kwijt was. Dit bewees zijn nut in 1740-1741 toen na een doorbraak van de dijk bij Ameide een doorbraak van de Noorder-Lingedijk volgde.
De schade van de Alblasserwaard was zeer groot, alleen al voor Sliedrecht f 61.561,=. Het werd langzamerhand in de Alblasserwaard een grote ellende en armoede. Men wist bijna niet hoe men zich in leven moest houden en velen spraken er over om de rampzalige Waard maar te laten drijven.

Muisjaar
Daarbij kwam nog dat in 1740 er een muisjaar was, waarbij miljoenen muizen het gras bij de wortels afvraten en er in 1744 een geweldige veepest met een ontzettende sterfte kwam. Dit gevoegd bij een hernieuwde overstroming in 1744 toont wel aan hoe diep men hier in de nood zat.

Geschiedenis-1206
Lodewijk Napoleon

Veel is er van alle zijden gedaan om die nood te verzachten en daarbij bleef Dordrecht niet achter. Grote sommen geld, stalling, voedering voor het vee en huisvesting voor de mensen werd in ruime mate verstrekt. Gelukkig kwam er na 1744 geen overstroming meer in de Alblasserwaard.
Eerst in 1809 kwam er weer een overstroming. De strenge winter van dat jaar veroorzaakte een ijsdam bij Sleeuwijk.

Niettegenstaande alle moeite en kosten, en hoewel de verdediging van de dijken door de persoonlijke aanwezigheid van koning Lodewijk Napoleon zo energiek mogelijk werd aangepakt, kon men de Waard niet droog houden. Het was wel een mooie daad van de koning, dat hij als eerste vorst in ons land zulk een belang in het lot van de inwoners van de Alblasserwaard stelde.In nacht en ontij was hij op de been om ieder, zowel Hoogheemraad als eenvoudige arbeider, met een bemoedigend woord aan te wakkeren.Bij die gelegenheid vertoefde Lodewijk Napoleon meermalen in ons dorp o.a. op 30 januari 1809.

Steigerzolders

Geschiedenis-1207
Steigerzolder
Geschiedenis-1208
Steigerzolder

Na de doorbraak bracht men het vee zoals vanouds over Papendrecht in Dordrecht, van waaruit men het over het omliggende land distribueerde o.a. nam men belangeloos in Groote Lindt 200 koeien op.
Na de overstroming zat men in Sliedrecht niet stil en men bracht daar zo spoedig mogelijk boten over de dijk om de mensen in de waarden uit hun huizen en het vee van de zogenaamde steigerzolders af te halen.
De koning gaf ook het goede voorbeeld voor de leniging van de nood door het geven van een koninklijke gift van 20.000 francs, terwijl in Dordrecht een commissie, ingesteld door het Departement van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, een bedrag van f 17.254,= bijeen bracht. Het was dan ook voor de eerste maal, dat geheel Nederland deelde in de nood van zijn medeburgers. Uit alle delen van het land kwamen de gelden toestromen en in totaal werd in binnen- en buitenland een bedrag van f 985.000,= bijeengebracht.

Baggermateriaal
Na 1809 heeft men de Diefdijklinie nog aanmerkelijk versterkt, maar ook dit baatte niet en in 1820 stond de Alblasserwaard voor de laatste maal geheel blank. Het water werd toen als gewoonlijk door hulpgaten geloosd. Langzamerhand kwam ook het inzicht, dat men aan overlaten e.d. weinig had, wanneer die niet van voldoende diepte waren. Men ging nu meer letten op de verbetering van de loop der rivieren en op verdieping van het bed. Toen ook de technische vooruitgang zich demonstreerde in het betere baggermateriaal was het gevaar voor de Alblasserwaard geweken en naar wij hopen definitief.

Een vrome wens, geuit aan het eind van jaren ’40, die helaas niet bewaarheid werd. Denk maar aan de watersnoodramp van 1953 en aan de problemen rond het bovenwater van enige jaren geleden.

11 – Armoede en Twist

In dit hoofdstuk kan u lezen over zaken als:
Armoede en ruzies na 1672;
een ongewenste predikant;
de kerkbrand van 1762;
de herbouw van dit gebouw.

De gebeurtenissen in het jaar 1672 hadden een ontijdig einde gemaakt aan de bloeiperiode in de Gouden Eeuw. De handel stond door de oorlog grotendeels stil en de industrie ging door de beschermende en beperkende maatregelen van de andere landen voor een groot gedeelte te niet. De werkeloosheid deed haar intrede.

In zekere zin vertoont het tijdvak van 1672-1700 veel overeenkomst met de crisistijd in de dertiger jaren van de 20e eeuw, zowel in oorzaak als gevolgen.
De prijzen van het vee en van de zuivelproducten daalden onrustbarend. Vele boeren konden hun schulden niet meer betalen en verloren hun land, waarop zij dan pachters werden.

Het hennepland, dat zulke schatten opgeleverd had, werd vrijwel waardeloos. De vraag naar hennep voor touw verminderde geweldig door het achteruitgaan van de scheepvaart.

Ook in Sliedrecht
De bevolking van Sliedrecht, die in de 17e eeuw geweldig was toegenomen, verkeerde in zeer moeilijke omstandigheden. Diakenen konden het werk van de armenverzorging niet meer aan. Het was nodig een armmeester aan te stellen die hen in hun werk behulpzaam kon zijn. Vertrek uit het dorp was ook niet mogelijk. Men mocht zich elders niet vestigen of men moest een brief medebrengen, dat ingeval van armoede, Sliedrecht hen zou onderhouden. Ook moest de armmeester van Sliedrecht nauwkeurig toezien dat zich geen personen uit andere gemeenten in het dorp vestigden. Op straffe van hoge boete was het verboden huizen aan vreemden te verhuren of hen te herbergen.

Geschiedenis-1101
Kaartje omgeving Sliedrecht circa 1650.
Rechtsboven Gorkum aan de Merwede.
Links op de kaart Dordt.
Sliedrecht vinden we tussen de W en de A van het woord (Alblasser)waert.
Het land ten zuiden van de Merwede is reeds teruggewonnen na de verwoesting door de St.Elisabethsvloed.
Veel water is er nog te vinden ten oosten van het
Eiland van Dordt in de de Verdronken Waert van Zuid-Hollandt (De Biesbosch).

Naar Oost-Indië
Het werd steeds moeilijker om aan de kost te komen en velen wisten niet beter te doen, dan als matroos naar Oost-Indië te varen, vanwaar echter het de meesten nooit terugkeerden.
Een lichtzijde was de algemene verarming in de Nederlanden. Hieruit sproot voor stad en land de noodzakelijkheid van grotere zuinigheid voort. Daardoor werd het meer en meer gewoonte de stads- en landswerken aan te besteden. Hiervan heeft Sliedrecht naar vermogen geprofiteerd. De toestand was hier nooit zo slecht als in de andere Alblasserwaardse dorpen.

Overvloedige maaltijden
De achteruitgang van de boerenstand maakte het ook noodzakelijk dat het beheer van de Alblasserwaard op veel bescheidener basis gebracht werd. Daar hadden de Heren Hoogdijkheemraden niet veel zin in. Zij wilden koste wat het kost hun hoge traktementen en overvloedige jaarlijkse maaltijden behouden. Toen in de rekening voor 1673 weer dezelfde bedragen opgenomen waren, protesteerden alle gecommitteerden van alle dorpen in de Alblasserwaard daartegen.
Zij oordeelden dat de traktementen van Hoogdijkheemraden, penningmeester, landmeter, bode, enzovoort, volgens het reglement van 1661 vastgesteld, “al te hooge” waren, zelfs in een goede tijd, “ende verre boven die van de naburen”.
Zij eisten dat er een redelijke aanpassing toegepast werd. Door bemiddeling van Zijne Hoogheid de Prins van Oranje en de Staten van Holland trachtten zij dit te bereiken. Het verzet hielp al heel weinig. De zaak bleef slepende tot 1677. Toen beslisten de Staten van Holland dat het reglement van 1661 moest blijven in”sijn vigeur”. Het moest worden gehandhaafd, ook wat betreft de veel te hoge traktementen.

Een grenspaal
Ook in Sliedrecht zelf deed zich de noodzakelijkheid voor van een zuiniger beheer. Doordat het dorp uit drie heerlijkheden met elk met een schout, secretaris, bode, enz. bestond, werden de kosten veel te hoog. Dit liet zich vooral in een tijd van teruggang gevoelen.
Na 1672 werden dan ook plannen voor een zuiniger beheer gemaakt. Wat kon meer voor de hand liggen, dan door gemeenschappelijk beheer de kosten zo laag mogelijk te houden? In 1676 werd daartoe een conceptreglement opgesteld dat echter door het verzet van de afzonderlijke heren nooit van kracht geworden is. Vooral Mr. Jan Teding van Berkhout, die in 1675 Heer van Over-Sliedrecht werd, was een lastig heer. Dit blijkt wel uit de aanhef van het reglement voor Over-Sliedrecht in 1676 door hem opgesteld.

Hij schrijft dan het volgende:
“Jan Teding van Berkhout, Heer van Sliedregt etc. doen kond allen ende eenen iegelijk, diet zoude moogen aangaan, dat wanneer wij aan de Heerlijkheid van Sliedregt geraakt bennen, bevonden hebben, dat in dezelve regeering, regtbank en finantie, niet minder er was al goed ordre, reglement en menage, maar ten contrarie in alles een notoire confusie en verkwistinge hetwelk veroorzaakt, dat nog de wel geinentioneernde van de gerechte nog de goede ingezetenen van dezelve plaats, daar met rust, vreede eenigheid en genoegen kunnen woonen en derhalve ons ernstig verzorgt hebben, daarin te willen voorzien, hetwelk wij alleen haar niet hebben willen weigeren, maar goedgevonden hebben, deze naar volgende ordres te statueeren enz”.

Hij zocht de oorzaak van de “disorde en confusie in de schadelijke gemeenschap, die hier mede in vele zaken gepraktiseerd is met twee nog andere naburige Heerlijkheden”. Door zijn toedoen werden dus de drie heerlijkheden, die al aardig samengegroeid waren weer geheel gescheiden. Onder meer eiste en verkreeg hij dat de gehele administratie en alle rechtelijke registers gescheiden werden.
Ook raakte hij spoedig in een conflict met de andere Heren. In 1675 had hij op eigen gezag een grenspaal tussen zijn heerlijkheid Lockhorst of Over-Sliedrecht en de heerlijkheid Naaldwijk geplaatst, wat een protest uitlokte van Mr. Adriaan van Blijenburg.

Deze verbood hem om:
“Op sijn Ed. Eijgen authoriteijt gedurende de absentie tenminste niet buyten kennisse ende sonder speciale last en consent ende toestemminge te stellen ofte doen stelen eenige pael ofte palen tot limiet scheiding”.

De grenzen tussen Naaldwijk en Over-Sliedrecht waren blijkbaar zeer onduidelijk, want in 1684 ontstond er weer een geschil over land in het Coorweer waarvan beide eigenaars van de heerlijkheden de overdracht opeisten.

Een ongewenste predikant
In 1670 was Ds. Franciscus Wijngaerts overleden, na de kerk van Sliedrecht sedert de jare 1664 gediend te hebben. De kerkenraad maakte zich als vanouds op om een nieuwe predikant te beroepen en te kiezen. Het was altijd haar recht geweest om de “electie” (verkiezing) van de predikant te doen en aan de Heer van Lockhorst of Over-Sliedrecht was het slechts toegestaan om deze verkiezing goed te keuren. Dit noemde men toen approbatie. Zo was het in 1645 gegaan toen Ds. Casparis de Carpentier naar Amersfoort vertrokken was en zo, dacht men, zou het nu ook weer gaan.
In dit geval had men echter buiten de ambachtsheren gerekend. Deze vreesden dat alles weer grotendeels buiten hen om zou geschieden en hadden een minnelijke schikking getroffen. Op 13 februari werd Ds. Noach Francken op hun voorstel door Gecommitteerde Raden van Holland (wij zouden nu spreken van Gedeputeerde Staten) bij provise gezet in de kerk van Sliedrecht. Hij diende de kerk waar te nemen zonder voorlopig bevestigd te worden. Dit laatste had men wel weg kunnen laten. Het bevestigen van een predikant was geen taak van “politieke”, d.w.z. de wereldlijke macht. Het moest geschieden door de classis van Zuid-Holland. Deze weigerde echter hardnekkig tot bevestiging van Ds. Noach Francken over te gaan, daar er al heel spoedig klachten kwamen over zijn ergerlijk en onstichtelijk leven. Op de classisvergadering van 1674 dacht men er zelfs over om hem op behoorlijke wijze uit de kerk te removeren (verwijderen). Maar zover ging de macht van de Classis ook weer niet en zo bleef de zaak Francken slepende tot diens dood in 1678.

Een onstichtelijk leven
Waaruit mag toch wel het ergerlijke en onstichtelijk leven van Ds. Noach Francken bestaan hebben? Ds. Francken was eerst vlootpredikant geweest en als zodanig vinden wij hem in 1666 op het schip van de vice-admiraal De Liefde. Hier schijnt hij voor de schrik wel eens ’n extra oorlam genomen te hebben als de Engelse kogels hem al te na om het hoofd floten en zo kwam hij tot een groter gebruik van geestrijk vocht als wel voor een predikant oorbaar was. Schulden waren er het gevolg van, zodat in 1674 Ds. Francken zelfs een vierde deel van zijn jaarlijks traktement aan zijn schuldeisers moest afstaan, alvorens hij het verdiend had. Natuurlijk had dit alles ook zijn weerslag op het leven in het dorp.

Tweestrijd
In korten tijd hadden zich twee partijen gevormd. Een partij stond onder leiding van een schoolmeester Andries van der Sluijs, die eigenlijk handelde op gezag van en gesteund door Joost Boon, schout van Niemandsvriend, die een grote haat tegen Ds. Francken had opgevat. Het was al begonnen voordat hij in Sliedrecht was, want toen had Joost Boon al het praatje rondgestrooid dat Ds. Francken niet kon prediken en dat hij het zelf wel zo goed kon doen. Het laatste was allerminst waar, want Ds. Noach Francken was een zeer goed redenaar en daarom wilden de lidmaten wel een en ander van hem door de vingers zien.
Schout Boon vervolgde als het ware de predikant en probeerde hem voortdurend in zijn werk te tarten. Zo stelde hij eens aan de andere schouten voor om Ds. Francken achterna te rijden toen deze op weg was met andere predikanten naar Dordrecht. In de Sliedrechtse herberg “Den Engel” zou men proberen hem dronken te maken. Ook had Schout Boon getracht Cornelis van de Graaff, Schout van Naaldwijk, onmogelijk te maken door Andries van der Sluijs een brief te doen schrijven, die in handen komen moest van de Ambachtsheer. Toen was de maat vol.

Het veld ruimen
Op zondag 13 november 1672, na de voormiddagpredikatie, werd de schoolmeester in de Kerkenraad geroepen en een verhoor afgenomen. Schout Cornelis van de Graaff vroeg aan hem “of zijn ampt niet was het school waer te nemen ende op het leeren van de kinderen te passen, zonder met de kercke ofte het geregte te bemoeyen”.
De schoolmeester kon moeilijk anders dan “ja” antwoorden en logende hardnekkig zich met het gerecht bemoeid te hebben. Toen zeide een van de ouderlingen: “Haelt nu sijn eijgen brief uijt Uw sack”, waarop men de schoolmeester een brief met zijn eigen handtekening toonde waarop deze beschaamd het hoofd moest buigen.
Nu zag de tegenpartij haar kans en ging allerlei oude koeien uit de sloot halen. Lang vergeten ruzies tussen ouders en de schoolmeester. Verhalen over het ergerlijk leven van diens dochter, nota bene stammende uit het jaar 1659, enz. Het gevolg was, dat de schoolmeester op zijn oudere dag het veld moest ruimen.
Dit ging velen in het dorp toch wel wat te ver, want Andries van der Sluijs was ene goede schoolmeester geweest en in de dienst vergrijsd.
Een inwoonster van Sliedrecht beweerde dan ook dat diegenen die de schoolmeester weggejaagd hadden hem wel terug zouden halen en in het schoolhuis zetten en vertolkte daarmede de wens van vele inwoners.
Anderen waren echter van mening, dat men dan wel gek moest zijn en waren zo verbitterd dat ze wensten dat in dat geval het schoolhuis op de Tiendweg zou staan en dat het dan in de brand gestoken zou worden.

Gunstige verklaring
Intussen zag het er voor Ds. Noach Francken ook niet erg gunstig uit. Men had hem terecht en ten onrechte bij de classis danig beklad. Het was daarom nodig dat er ook eens iets goeds van hem gezegd werd.
Op 17 en 18 december 1672 legden ruim 250 lidmaten van de kerk van Sliedrecht een gunstige verklaring voor hem af. In deze verklaring zeiden zij, dat Ds. Francken elke zondag tweemaal en ook ’s woensdags in de kerk behoorlijk gepredikt had met “leeringen, vermaninge en bestraffinge ende onderwijsinge”.
Zo bleef dan de balans in evenwicht totdat de dood, die aan alle conflicten een einde maakte, het leven van Ds. Noach Francken afsneed in het voorjaar van 1678.

Geschiedenis-1102
Dorpsgezicht 18e eeuw

De kerkbrand van 10 maart 1762
Er heeft te Sliedrecht altijd maar één kerk bestaan. Ofschoon er drie heerlijkheden waren, was er toch maar één kerkdorp. Voor de Hervorming sprak men van één parochie.
De kerk, die zeer oud is, was in de Roomse tijd gewijd aan Petrus, of zoals men toen zei St. Pieter. Dit wijst erop dat Sliedrecht ontstaan is als vissersdorp. St. Pieter was de patroon of schutsheilige van de vissers.
In 1572 werd de kerk van beelden en altaren ontdaan en door de Hervormden in gebruik genomen. In 1624 heeft de kerk een droevig lot ondergaan. Een kerkbrand teisterde het gebouw.
De kerk werd door de groei van de gemeente van tijd tot tijd uitgebreid. In 1749 werd bijvoorbeeld een groot stuk aan de noordzijde aangebouwd. Twee jaren later werd de toren voorzien van een nieuw Horlogerie (uurwerk) en drie koperen wijzers.

Baron S.P. Callot d’Escury de toenmalige Heer van Sliedrecht meldde rond de kerk en de brand van 1762:

* “Op heden de 10e Maart 1762 des avonds omtrent negen uur is in de kerke te Sliedrecht door middel van een stoof ene brand ontstaan, waardoor in de tijd van een uur het geheel in de asse gelegt is. Diezelfde avond werd de godsdienst in dezelve kerke nog gedaan door onzen predikant de Wel Eerwaarden Heer Dirk van Leeuwen, predikend uit Mattheus 15 van vers 21-28 inclusiv.”

* “Deselve kerk was lang 94 en breet 44 voeten, doch zijnde ’t Choor, dat een vierde part van de kerk uitmaakte, geheel smal en van achteren spits toelopenden, zijnde ’t Choor in ’t Oost maar 12 voeten breet en in ’t begin 24 voeten.”

* “Ook dezelve kerk was voorzien van drie schone koperen kronen, de welke door de felle vlammen zijn gebersten en aan stukken gesprongen, zodat men dezelve, gelijk ook van een menigte koperen kandelaars genoegzaam niets is terechtgekomen.”

* “Voorts hing in dezelve kerk ’t wapen van sijn agt quartieren van de Hoog Edel Geboren Heere Adriaan Dingeman van der Burch, Heeren van Naaltwijk, overleden 11 Juni 1739. Nog het wapen met sijn agt quatieren van de Hoog Edel Geboren Vrouwe Charlotte Elisabeth van der Burch, Vrouwe van Naaltwijk, gemalinne van de Hoog Edel Geboren Heer Jonkheer Simon Petrus Baron Collot d’Escury, Heeren van Naaltwijk in Sliedrecht, overleden 31 Augustus 1755. Nog het wapen met sijn 16 quartieren van de Hoog Edel Geboren Heer Mr. Johan van den Burch, Heer van Sliedrecht en Currihil, overleden 45 December 1758. Alsmede in de glazen het wapen van Blijenburg, sijnde geweest de vorige Heeren van Naaltwijk, welke (wapenen) alle verbrand zijn.”

Vuurzee
Was dus de oorzaak niet met zekerheid te zeggen, wel wist men de reden van de spoedige uitbreiding, zoals blijkt uit een ander verhaal van de brand, dat luidt:

“Kunnende tot reden hiervan strekken, dat op vele plaatsen in de kerk de banken tot in de nok waren opgetrokken, waardoor de vlam direct alles overwon en dit Godshuis in een vuurzee veranderde, ja niets spaarde. De koperen kronen, kandelaren enzovoort zijn gesmolten en tot pulver verteerd. De Wapenborden van de Ambachtsheren en vrouwen uit de huize van Blijenburg waarmede de kerk versierd was, zijn verteerd. Zerkstenen van ongemene dikte zijn gesprongen, en niets dan 4 muren is overgelaten, niettegenstaande de vlijt en ijver die de inwoners, door middel van brandspuiten, ter bescherming aanwendden.”

De jammer en het hartzeer van de burgerij was onbeschrijfelijk en overtrof al ’t geen men er van kan zeggen. De vlammen schenen alles verwoesten. Ook de nabij staande woningen van de predikant en de schoolmeester en andere met riet gedekte huizen waarop al vuurspranken vielen. Doch door Gods goede voorzienigheid gebeurde een zeer gepast toeval, te weten dat het dak van de kerk plotseling instortte. De vlammen werden hierdoor gestuit en richtten geen verdere schade aan. Zelfs niet aan de toren waarvan de planken in de galmgaten reeds aan het branden waren. De inwoners blusten met behulp van de brandspuiten de vlammen en de rondom staande huizen ondervonden niet het minste nadeel van de kerkbrand.
Vier dagen daarna hield de predikant op de puinhopen van de verbrandde kerk een toepasselijke rede over Leviticus 10:3: “Doch Aaron zweeg stil”.

Herbouw van de afgebrande Nederlands Hervormde Kerk

Geschiedenis-1103
S.P. Collot d’ Escury

Na de brand van de kerk werden de godsdienstoefeningen gehouden in een houten loods die echter niet alle ingezetenen kon bevatten, zodat de overigen genoodzaakt waren voor de open vensters te blijven staan.
Onder aanmoediging van de heer van Sliedrecht, Mr. Simon Baron d’Escury, werden pogingen in het werk gesteld om tot herbouw van de kerk te geraken.
Sliedrecht was toentertijd een dorp van omstreeks 2600 inwoners, maar de “in en opgezetenen, hoezeer talrijk, bestonden echter meest uit vissers en arbeiders in grienden, en dus niet van vermogen om zware schattingen te dragen”.
Daarom werd Martinus Snep, schout en secretaris van Naaldwijk en Lockhorst, gemachtigd om aan de Staten van Holland een rekest te richten.
Hij deed het verzoek ten laste van de heerlijkheden een som van f 14.000,= te mogen lenen en een gelijke som van f 14.000,= te mogen ontvangen uit het Comptoir Generaal der Kerkelijke Middelen.
Op 4 maart 1763 kreeg men van de Staten octrooi om een som van f 17.000 te lenen tegen 3 pct. onder verschillende voorwaarden.

Heffingen
Naar de goede gewoonte van die tijd werden ook direct de middelen aangewezen waaruit de rente en een aflossing van minstens f 500,= konden betaald worden. Die middelen zouden bestaan uit de grondbelasting, 100e en 200e penning (een vermogensbelasting) die anders door de Staten van Holland geheven werden. Verder kwamen er extra heffingen op het koren, de slacht, het bier, enzovoort. Tevens werd het stoelengeld in de kerk, het recht op het trouwen e.d. verhoogd. Tenslotte kwam er nog een hoofdelijke omslag bij. Al deze middelen waren echter nog nauwelijks voldoende voor rente en aflossing zodat men in 1780 nog verlenging voor de verschillende heffingen moest vragen.
Het oorspronkelijke plan tot herbouw zou f 28.800,= kosten, maar werd op advies van de landarchitect Pierlink teruggebracht tot f 21.000,= door weglating van alle overtollige ornamenten en het laten staan van een gedeelte van de zuid- en oostmuur. Bovendien werd de kerk, in plaats van een voet hoger dan de dijk, slechts 2 voet en 8 duim hoger dan de oude kerk. Hierdoor zou ze bij overstroming van de dijk in het water komen te staan.

Herbouw
Volgens het bestek zou de nieuwe kerk 89 voet lang en 60 voet breed worden. Bij de toren en aan de oostzijde 235 voet breed, terwijl de oude kerk 94 voet lang en 44 voet breed was.
De aanbesteding van het buitenwerk had 13 en 19 april 1763 plaats. Onder de inschrijvers komen voor Maas van Spanje en Arij Balte Bos uit Sliedrecht. De laagste inschrijver, f 21.099,= , was Jan Cranenborg te Vianen aan wie volgens het octrooi van de Staten van Holland het werk gegund moest worden.
Reeds op 8 juni van het volgende jaar was men zo ver dat de eerste en tweede steen gelegd konden worden in het noordwesten bij de toren. De eerste steen werd gelegd door S.P. Baron Collot d’Escury, heer van Sliedrecht, en de tweede steen door zijn echtgenote Vrouwe A.M. Dellafaille.

Voldoening
Op 11 december 1763 had na de voltooiing van het buitenwerk de eerste godsdienstoefening plaats. Bij deze gelegenheid werd de nieuwe predikant Ds. Ph. van Duuren van Sloten, bevestigd door Ds. W.J. Kalkoen van Gorinchem.
Ofschoon er van het binnenwerk nog niets klaar was, werd er nadien toch voortdurend kerk in gehouden. Men had er meer plaats dan in de houten loods, die na de brand als noodkerk diende.
Nadat op 4 januari 1764 het binnenwerk was aanbesteed, werd de kerk op 19 mei 1764 door Ds. van Duuren ingewijd met een leerrede over Genesis IV:26. In de namiddag hield de vorige predikant Ds. Joh. Krom, die naar Tiel vertrokken was, er een opwekkende rede over Job V: 17 en 18.
Men kan zich de vreugde voorstellen van de Sliedrechtse bevolking toen men weer een doelmatig kerkgebouw had dat door de vergroting nu aan alle kerkgangers plaats bood.
De voldoening was des te groter wanneer men bedacht dat het gebouw geheel uit eigen middelen en uit vrijwillige gaven van de ingezetenen tot stand gekomen was en dat men niet, zoals toen de gewoonte was, een bedeltocht door het land had moeten organiseren.
Ook de toren is bij deze gelegenheid onderhanden genomen en van nieuw metselwerk in ’t bovengedeelte voorzien.

10 – De verdere geschiedenis der Heerlijkheden

Eerder hebben we uiteengezet hoe het dorp Sliedrecht bestond uit drie heerlijkheden: Naaldwijk, Lockhorst en Niemandsvriend.

De eerste twee grensden ongeveer bij het kerkgebouw (thans hoek Stationsweg) aan elkaar. Lockhorst grensde aan Papendrecht, terwijl Niemandsvriend geheel omsloten werd door Lockhorst.

Aan het hoofd van elk der heerlijkheden stond een heer die feitelijk het gehele bestuur in zijn heerlijkheid in handen had. Hij benoemde een schout die het dorp in zijn naam bestuurde. De heer was een man van gezag die door allen gevreesd werd. De heer benoemde de predikant, de schoolmeester, de chirurgijn enz. enz. en had zodoende een overwegende invloed op het kerkelijk en maatschappelijk leven.

In het algemeen kan men zeggen dat Sliedrecht het met zijn heren niet zo slecht getroffen heeft, al was het ook niet altijd pais en vree. Op het platteland was men in het algemeen steeds zeer Oranjegezind geweest. Zo ook in Sliedrecht. Het was een ramp wanneer er op een dorp een heer was met andere gevoelens. Vooral later in de 18e eeuw. In Sliedrecht waren in de 17e eeuw de geslachten Van Blyenburgh en Van der Burch eigenaren van de heerlijkheden. Juist deze families waren zeer Oranjegezind. Leden van deze geslachten fungeerden als trouwe helpers van Willem III in Engeland en tijdens zijn veldtochten in België. In de 18e eeuw was het de familie Collot d’Escury die het dorp in de oude geest bestuurde en hier de eendracht wist te bewaren in tegenstelling met andere dorpen waar door de onderlinge ruzies grote schade veroorzaakt werd.

Naaldwijk
Geschiedenis-1001De heerlijkheid Naaldwijk begon aan de grensscheiding met Giessendam en liep tot het Kerkweer. Ze was 620 morgen groot en werd in de 17e eeuw en later gehouden voor “allodiaal” goed. Men dacht toen dat het land nooit door de graaf in leen gegeven was. Eerder in ons verhaal lieten we echter weten dat het een leen was van de heren Van Voorne. Het behoorde in 1432 nog aan Aelbrecht van Naaldwijk. Later kwam het – waarschijnlijk doordat de heer de spade op de dijk stak, omdat het dijksonderhoud hem te zwaar viel- aan de “Gemene Ingelanden” van de Alblasserwaard.

Te Dordrecht, in de St. Jorisdoelen, werd het land geveild uit naam van de “Gemene Ingelanden” en gekocht door Jhr. Adriaan van Blyenburgh, schout van Dordrecht, ridder van de Orde van St. Michel en waardijn van de Munt van Holland, gesproten uit het geslacht van die naam, dat in de vrijwording van ons land in 1572 zulk een belangrijke rol heeft gespeeld.
Hij werd opgevolgd door Mr. Jacob van Blyenburgh Adriaensz (1630-1633), die dezelfde titels en ambten als zijn vader had. Zijn opvolger, broer Adriaen, was een dapper man die zich in de vele oorlogen van Prins Willem III tegen Lodewijk XIV herhaaldelijk onderscheiden heeft. In 1674 nam hij deel aan een slag waarbij Prins Willem III verslagen werd. Van Blyenburgh wist echter door het vormen van een wagenburcht het verlies van de pakkage en van de krijgskas te voorkomen.
Uit zijn huwelijk met Levina de Vries werden niet minder dan 16 kinderen geboren. In haar testament had zij aanvankelijk haar zoon Adriaan tot opvolger benoemd. Echter al haar kinderen -op een na- kwamen voor haar te overlijden, zodat zij in een van haar latere testamenten klaagde dat van al haar kinderen haar niet anders overgebleven was dan haar dochter Charlotte Elisabeth, die gehuwd was met Mr. Johan van der Burch. Bovendien wilde het ongeluk dat zij voortdurend in onmin leefde net die schoonzoon. Deze maakte schulden en dronk en zoals men het toen uitdrukte: “Een wittebroodskind was, dat men het best naar Oost of West kon schikken (sturen)”. Uit haar vele testamenten, er zijn er minstens vijftien bekend, blijkt het ongenoegen dat deze schoonzoon haar bezorgde. Na haar dood heeft zij aan hem en haar dochter niets anders nagelaten dan het vruchtgebruik, ook wat betreft de heerlijkheid Naaldwijk. De gehele erfenis moest onverdeeld blijven tot na het overlijden van Mr. Johan van der Burch, wat op 14 Maart 1732 op het huis Blyenburgh in Sliedrecht geschiedde. Na zijn dood werd zijn erfenis niet aanvaard wegens de grote schulden, vooral aan wijnhandelaars.
Zijn dochter, Charlotte Elisabeth van der Burch bracht Naaldwijk door huwelijk aan Simon Petrus, baron Collot d’Escury, die de drie heerlijkheden van Sliedrecht verenigde.

Oversliedrecht
Geschiedenis-1002De heerlijkheid Oversliedrecht strekte zich uit van de kerk westwaarts tot aan Papendrecht toe en omsloot ook de heerlijkheid Niemandsvriend, waarover later.
Oversliedrecht was in 1394 door het huwelijk van Agnes van de Merwede met Adam van Lockhorst in de familie Lockhorst gekomen en daarin gebleven tot 1631.

Via het huwelijk van Geertruyd van Lockhorst met Jhr. Nicolaas Schagen van Matenesse, kwam de heerlijkheid in 1675 -na verkoop- in handen van Johan Teding van Berkhout. Deze was lid van de Vroedschap van Amsterdam en een gewaardeerd medewerker van Prins Willem II, die hij ook naar Engeland volgde. Het leven aldaar schijnt echter voor de Hollandse dienaren van de Prins veel te kostbaar geweest te zijn en zodoende ging de heer Teding van Berkhout onder zware schulden gebukt. Dit noodzaakte hem zijn heerlijkheid Oversliedrecht in 1693 weer te verkopen.
Koper was Adriaen Dingeman van der Burch, vroedschapslid te Dordrecht, en zijn opvolger was Mr. Johan van der Burch, Heer van Kurrihil in Engeland, die in 1758 te Zaltbommel overleed. De boedel werd slechts onder recht van boedelbeschrijving aanvaard. Bij de verkoping van de eigendommen kocht Simon Petrus Collot d’Escury op 3 januari 1759 Oversliedrecht en verenigde zo Naaldwijk en Oversliedrecht.

Handjeklap
Een contract van correspondentie is een overeenkomst waarbij onderscheiden regeringsleden overeenkomen door het uitbrengen van hun stemmen te bewerken, dat hun bloedverwanten of vrienden in de regeringsbetrekkingen gekozen werden. Het gevolg hiervan was dat de zo zeer gevreesde en noodlottige familieregering ontstond, waaraan eerst de revolutie van 1795 een eind maakte.
Tot heden toe vond men dergelijke contracten van correspondentie alleen in de steden. Bij mijn onderzoek naar de geschiedenis van Sliedrecht was ik (de heer Lips) zo gelukkig de hand te kunnen leggen op een dergelijk stuk betreffende de geschiedenis van de drie heerlijkheden in ons dorp.
Op 12 december 1744 verschenen voor de notaris Pieter van Well te Dordrecht, Heer Simon Petrus Collot d’Escury, Heer van Naaldwijk in Slijdregt en Mr. Johan van der Burch, Heer van Niemandsvriend, Schepen in Wetten en Oud-Raad van Dordrecht.
Zij kwamen overeen, dat wanneer de drie Heren van Sliedrecht hun stem moesten brengen, hetzij op de rekening van de Alblasserwaard, hetzij bij de verkiezingen van Hoogdijkheemraden van de Alblasserwaard, zij hun stemmen op een persoon zouden uitbrengen. Bij verschil van mening besliste het lot.
Het doel was meer profijt te trekken. Immers allengs was bij de verkiezingen het bederf van de stemmenkoperij ingeslopen. Het voordeel blijkt ook duidelijk. Zonder blikken of blozen staat er dat men de revenuen, van het aanstellen van Hoogdijkheemraden komende, elk voor de helft zou genieten.
Wat nog erger was, men wilde met deze acte bereiken dat de stem van de heer van Oversliedrecht waardeloos werd en deze dus ook geen revenuen kon trekken. Alleen maakte men er de bepaling bij dat dit contract niet zou gelden zolang de toenmalige heer van Oversliedrecht, Mr. Johan van der Burch van Courrihil nog leefde. Tenslotte heeft het contract niemand schade gedaan. Zoals wij reeds lazen, kocht S. P. Collot d’Escury zelf in 1759 de heerlijkheid.

Niemandsvriend
Geschiedenis-1003Niemandsvriend was altijd het minst belangrijke van de drie heerlijkheden en het werd geheel door Oversliedrecht omsloten. Bovendien was het nog in twee helften verdeeld. Het gebeurde zelfs eenmaal dat er een eigenaar van een vierde gedeelte was.
De ene helft was allodiaal of gewoon particulier bezit, terwijl het andere gedeelte weer een leen was van het bekende huis Nijenrode in Utrecht.
Bovendien trachtten de twee grotere heerlijkheden Niemandsvriend nog van de weinige rechten te beroven. Zo had het in de 17e eeuw nog met Oversliedrecht evenveel stemmen als Naaldwijk bij de verkiezing van kerkelijke ambten, maar in de 18e eeuw verklaarden de andere heren, dat Niemandsvriend over de Kerk niets te vertellen had. De inwoners dienden wel de godsdienst in de kerk waar te nemen.
Eigenaars waren in de 17e eeuw de Heren Van der Burch, welk geslacht eindigde in de 18e eeuw met Mr. Johan van der Burch die in 1771, op zijn buitenplaats Weizigt aan den Spuiweg te Dordrecht, overleed.
Daarna werden nog genoemd diens halfzuster Sophia Adriana Houeff en haar man Mr. Hendrik Onderwater, totdat tenslotte ook Niemandsvriend aan het geslacht Collot d’Escury kwam.
Na 1795 verloren de heerlijkheden hun belang. Daarvoor kwam de burgerlijke gemeente in de plaats. Eerst gekozen door de koning en later door de kiesgerechtige inwoners zelf. Onder het nieuwe en meer democratische bestuur zou ons dorp eerst tot volle ontplooiing komen. De heerlijkheden kwamen in de 19e eeuw tenslotte aan het geslacht van Bijlandt.

09 – Hoe het Sliedrecht vergaat in de 17 eeuw

Problemen rond de rivier de Merwede
Doordat het meeste water zich een weg gebaand had door de Biesbosch, was de rivier de Merwede in de loop der jaren aanmerkelijk ondieper geworden. Daar had zich een aantal killen gevormd, die vanaf Werkendam naar het Hollandsch Diep voerden. Door de mindere watertoevoer was de Merwede zelfs zo ondiep dat men op sommige tijden bijna van Dordrecht naar Papendrecht door de rivier kon waden.
De stad Dordrecht, die groot belang bij het blijven bestaan van een goede waterweg had, had op allerlei wijze getracht de zuidelijke oevers van de Merwede in stand te houden en daar -na de St. Elisabethsvloed- weer land te winnen. Daarbij werd ze uitstekend geholpen door Sliedrechters die op genoemde oever voortdurend land aanwonnen voor riet- en griendcultuur.

Dijkdoorbraak
De Merwede werd weer in haar oude bed van voor 1421 (St-Elisabeths vloed) gedrongen. Natuurlijk was dit niet zonder bedenkingen voor de ondiepten in de Merwede. Toen de killen in de Biesbosch ondieper begonnen te worden en versmalden, werd het een kwestie van buigen of barsten. Het ging voor de eerste maal mis op 30 december 1658.

Geschiedenis-0901
De Wiel te Sliedrecht, gevolg van een dijkdoorbraak

Een plotseling invallende dooi was de schuldige. Bij Hardinxveld was een grote ijsdam gevormd die door de geringe diepte tot de bodem van de rivier reikte. Het gevolg was een gewelddadig opkomen van het water dat tenslotte over de dijk liep, een wiel vormde en de Alblasserwaard onder water zette.
Groot was de schrik onder de bewoners, die een overstroming slechts bij overlevering kenden. In een mensenleeftijd was zoiets niet meer voorgevallen. Groot waren ook de ellende en de armoede die er uit voortvloeiden. De arme boeren die niet alleen hun stalling, maar ook hun hooi verloren hadden, wisten met hun beesten geen raad.

Jacob van Oudenhoven, predikant te Nieuw-Lekkerland, zegt in zijn strafpredikatie van 1659: “Men verkocht ze niet. Men gaf ze weg, het smeer (vet) en de huid zouden voor deze meer gegolden hebben als enige voor drie of vier beesten kregen. De prijs was 3, 4 of 5 gulden voor een koe, die anders 50 of 60 gulden waard was.”

De rechter grijpt in
Toen kwam het Gerecht van Dordrecht tussenbeide. Het verbood dat baat zoekende mensen voor geringe prijs het vee, toebehorende aan de ingezetenen van de Alblasserwaard, – onlangs door Gods rechtvaardig oordeel geïnundeerd (onder water gezet) – opkochten om dit naar Brabant en Vlaanderen te voeren.
De geladen schepen werden aangehouden en gingen in de Dordtse Kil voor anker. In de stad Dordrecht werden in allerijl stallen in gereedheid gebracht en “vourage” (voer) voor het vee gekocht. Bovendien werd de brouwers verboden hun buisstel (spoeling) te verkopen. Zij moesten het tegen een lage prijs aan de arme boeren ter beschikking stellen.

Problemen bij de ontwatering
De grote moeilijkheid was om het ingevloeide water weer kwijt te raken. Het stond wel ongeveer 10 voet hoog bij Alblasserdam. Zo lang het gat bij Hardinxveld open bleef, moest men de sluizen bij Alblasserdam en Elshout zorgvuldig gestempeld (met balken gesloten) houden. Anders zouden de sluizen er geheel uitspoelen. Nadat men het gat in de dijk bij Hardinxveld gedicht had, moest men eerst verder benedenwaarts hulpgaten in de dijk maken. Toen daardoor het water zover afgevoerd was dat de binnendijken net boven water kwamen, moesten de molens het verdere werk doen. Maar ook dit liep geweldig tegen. Windstilte zorgde er voor dat de molens niet altijd konden malen. Hoog water voorkwam dat de boezems niet konden lozen. Het gevolg was dat de Alblasserwaard gedurende een groot deel van het jaar 1659 onder water bleef en pas in de herfst droog begon te vallen. Op 26 november 1659 werd een algemene dank-, vast- en biddag gehouden voor het weer droog komen van de Waard.

Geschiedenis-0902
Zie de stenen op de muur. Deze geven de de waterhoogte aan bij
de overstromingen.
Geschiedenis-0903
1740 , 1809
en 1819

De armoede was groot
In 1663 herhaalde zich de overstroming bijna op dezelfde manier. Weer was het een ijsdam die de dijk deed doorbreken. Nu dichtbij Gorcum. Deze vloed was nog een voet hoger dan die van 1659. Men had in de dijk bij de Lek vier hulpgaten gemaakt om te voorkomen dat het water in het westen van de Waard over de dijken zou stromen en deze zou vernielen. Daarbij kwam nog dat, toen men het gat in de Merwededijk gedicht had, de afkraging van dit gat op 11 maart 1663 jaar wegzonk en er dus als ’t ware een dubbele overstroming plaats had.
Ook nu bleef het water, tot grote schade van de eigenaars die zich nog nauwelijks van de verliezen van 1659 hersteld hadden, het gehele jaar op het land staan. De armoede was zo groot dat de Staten van Holland gedurende twee jaren een vermindering van f 60.000,- op de verponding toestonden om zo aan de geleden schade althans enigszins tegemoet te komen. Op allerlei manieren heeft men na die tijd getracht verder onheil te voorkomen. Men maakte de dijken sterker en hoger, maar men kon de hoofdoorzaak; namelijk de ondiepte van de Merwede en de killen bij Werkendam niet wegnemen. Daarom zullen we in de geschiedenis van de Alblasserwaard nog herhaaldelijk van overstromingen (1709 tot 1820) vernemen. Eerst in later tijden zouden de baggermolens uitkomst brengen.

De gevolgen van de oorlog met Frankrijk (1672)
Ons vaderland had in 1672 de boosheid van de Franse  koning Lodewijk XIV opgewekt. Om zijn eer te wreken verklaarde hij ons op 10 april 1672 de oorlog en marcheerde met een leger, zoals toentertijd nog nooit in de geschiedenis gezien was, naar de grenzen van onze republiek. Ieder dacht dat het leger zijn weg zou nemen over de Veluwe. Door het verraad van een boer trok het Franse leger bij een doorwaadbare plaats bij Lobith over de Rijn. Voordat men het hier kon inschatten, waren de troepen al in de Betuwe.

Geschiedenis-0904
De Franse trekken bij Lobith over de Rijn

Grote angst langs de Merwede
In de plaatsen langs de Merwede heerste grote angst. Men kon zeker verwachten dat de vijand zijn weg via Gorinchem naar Dordrecht zou nemen en zodoende ook door Sliedrecht zou trekken. De legers leefden toen nog van het afstropen van het platteland dat ze passeerden. Het zal duidelijk zijn dat men bang voor zo’n leger was.De Staten van Holland hadden op 8 april 1672 besloten dat er een onderzoek ingesteld zou worden naar de mogelijkheid om door het inlaten van water Holland onneembaar te maken. Naar aanleiding van dit besluit kwam men tot de uitvoering van de “Hollandsche Waterlinie”.
De Franse trekken bij Lobith over de Rijn
Reeds in juni 1672 was men in de Alblasserwaard bezig met de voorbereidende werkzaamheden. Door het openzetten van de uitwateringssluizen en het doorsteken van de dijken moest het water tot deze inundatie (onderwaterzetting) verkregen worden uit de rivieren: de Merwede, de Linge en de Lek. Het eerste werk dat gedaan moest worden, was het weggraven van de hoge buitendijkse gronden. Toen de sluizen geopend werden en het water door een noordwestenwind wassende was, dacht men dat de inundatie in korte tijd voltooid zou zijn.

Het land onder water
Spoedig ondervond men tegenkanting van de boeren die voorgaven dat de stad Gorinchem in zulke slechte staat was, dat men daar toch de vijand niet tegen kon houden en dat hun landen door de inundatie nodeloos bedorven zouden worden. In dit verband moet men ook het verzoek van de Alblasserwaard aan de Staten van Holland, om van inundatie verschoond te mogen blijven, zien. In plaats van de versterkingen aan de dijken en de grachten te werken, bezetten zij gewapend de poorten van Gorinchem. De door de Staten van Holland benoemde lieden konden de bezetters niet tot rede brengen De boeren bleven de wacht houden op dijken en wegen en verhinderden het uitvoeren van de inundatie. Dit duurde tot den 19-e juni. Het Staatse leger onder leiding van veldmaarschalk Wirtz was intussen in de stad gekomen. Enkele oproerkraaiers en belhamels werden opgepakt en later terechtgesteld.

De volgende dag werden verschillende sluizen geopend en scheen de inundatie van alle landen ten oosten van de dijk langs de Zouwe spoedig tot stand te zullen komen. De boeren in de Alblasserwaard, die alleen het eigenbelang op het oog hadden, tapten echter aan de andere kant weer zoveel water af dat op 3 juli het water in de Boven-Alblasserwaard nog niet hoger stond dan de bovenkant van de sloten. Dit deed Wirtz besluiten om de sluizen van Elshout en Ammers te stempelen en de Lekdijk en de Merwededijk beneden Gorinchem door te steken.

Grote schrik
Het doorsteken van de Merwededijk veroorzaakte onder de boeren van de Alblasserwaard – zich de toestanden van 1659 en 1663 nog herinnerend – een grote schrik. Immers, bij een hoge waterstand hadden zij de ergste gevolgen te duchten. Aan veldmaarschalk Wirtz stelden zij daarom voor alleen de Boven-Alblasserwaard (De Overwaard met de polder Streefkerk) onder water te zetten, Door middel van het openen van de sluizen van Elshout, Ammers en Giessen zou de Beneden-Alblasserwaard (De Nederwaard met Papendrecht, enz.) droog kunnen blijven voor de berging van hun vee. Wirtz nam dit voorstel aan.

De boeren hielden zich echter niet aan hun woord en gingen nu de Overwaard aftappen via de Nederwaard. Daarom liet Wirtz de Merwededijk uiteindelijk toch doorgraven. Toen in juli door een westenwind het water buitengewoon werd opgestuwd, kwam er zoveel water binnen “dat elckeen begoste te schreyen” dat het water ook in de Nederwaard zou binnendringen. Wirtz liet daarop weer een kade in de dijkdoorsnijding maken. Zo bleef de Nederwaard van inundatie vrij. Op den duur bleek echter dat de kaden niet voldoende sterk waren om het water uit de Nederwaard te houden en daarom bepleitten de Gedeputeerden van Dordrecht in de Staten van Holland om die kaden te mogen verhogen en wel van Giessendam tot Elshout. Hiermee zouden elfduizend morgen land van water vrij gehouden kunnen worden. Weldra kwam de verhoging tot stand. De uitvoering vond plaats door daggelders. Aldus hadden we in onze omgeving gelukkig geen al te zware gevolgen van de waterlinie.

Geschiedenis-0905
Situatie van onze omgeving omstreeks 1672

Oorlogsgevaar
Intussen was het oorlogsgevaar dichtbij. De Fransen hadden in korte tijd bijna heel ons land tot aan Utrecht bezet. Ze probeerden nu een aanval op Gorinchem, maar Wirtz trad flink op en wist hen te weerstaan. Niettegenstaande de lafhartigheid van een aantal officieren dat bij de eerste nadering van de vijand de vlucht nam. Wirtz liet de beul van Haarlem komen die hen na vonnis terechtstelde.
Op 18 augustus 1672 volgde een tweede aanslag op Gorinchem waarbij verraad in het spel was. Ook ditmaal mislukte de poging de stad in te nemen. De boer die de Fransen de weg gewezen had, werd opgehangen.

Ontevredenheid
In 1672 was er onder de ingezetenen van de Alblasserwaard grote ontevredenheid. Een archiefstuk uit die tijd zegt, “Verscheyde mumuratien ende inobedientie (ongehoorzaamheid) ontstaan jegens de Heeren Dijkgraven en Heemraden, mitsgaders tegen Schouten en gerechten”. De bevolking dacht dat nu de Prins verheven was tot de waardigheden van zijn voorvaderen er ook in het bestuur ten plattelande, waar men toch zo voor het Oranjehuis geijverd had, verandering gebracht zou worden. Hierin kwam zij toch bedrogen uit. De Prins aan wie verzocht was aan de “confusie” (verwarring) een einde te maken, liet de zaak ten plattelande zoals die tot die tijd geweest was. Enkele heren speelden de baas en de boeren hadden niets te vertellen. Om het vaderland te verdedigen waren er ook heren benoemd om de huislieden (de boeren) onder de wapenen te brengen. Deze waren over dit feit zo boos dat ze vernielingen aanrichtten.

08 – Aan de 80-jarige oorlog komt een eind

“Bergverkoopers” en nieuw gevaar voor Sliedrecht
De stad Geertruidenberg die, zoals we in een eerdere uitgave lazen, in 1573 door de Prins veroverd was, had in 1588 een Engelse bezetting. Doordat de Engelsman Leicester echter uit de Nederlanden vertrokken was, kwamen de huursoldaten in dienst van de Staten van Holland, die door het geldgebrek van diezelfde Staten sinds lang geen soldij ontvangen hadden, in maart 1588 in opstand en begonnen de vaart tussen Holland en Zeeland te bemoeilijken. Op verzoek van de Staten van Holland gingen toen Dirck Gerbrandsz. Stoop en Mr. Joos de Menin, pensionaris van Dordrecht, vanuit die stad naar Geertruidenberg om de muitelingen tevreden te stellen met de belofte dat Dordrecht borg zou staan voor de betaling van de achterstallige soldij. Toen de bezetters nog niet wilden luisteren, belegerde Prins Maurits de vesting in maart en april 1589, maar hij moest door het wassen van het water en door de komst van Parma het beleg opbreken. De meinedige bezetting verkocht Geertruidenberg vervolgens op 10 april 1589 aan Parma tegen betaling van 15 maanden soldij.

Geschiedenis-0801
Situatie 1589
Na de “Bergverkooperij” kwam Sliedrecht weer in de gevarenzone te liggen.
Ten zuiden van de stippellijn lag het door de Spanjaarden beheerste gebied.
De gele pijl geeft aan dat de aangrenzende plaatsen, waaronder Sliedrecht, bloot stonden aan Spaanse plunderingen.

Dit schandelijke bedrijf, het verkopen van Geertruidenberg of kortweg Den Berg aan de Spanjaarden, is in de geschiedenis bekend geworden onder de naam van “Bergverkooperij”. De medeplichtigen werden “Bergverkoopers” genoemd en allen eerloos en vogelvrij verklaard. Velen lieten later aan de galg het leven. Door dit feit heersten de Spanjaarden opnieuw over de Biesbosch.
Hoewel men door het bestaan van een geregelde burgerwacht beter tegen aanvallen bestand was dan in de eerste jaren van de opstand, was het gevaar voor Sliedrecht na de “Bergverkooperij” weer dreigender geworden. De vijand was beter toegerust en kwam met galeien en grote schepen om te roven en gijzelaars mee te nemen. Herhaaldelijk werden aanslagen beraamd.

Een vergadering in herberg Den Engel
Uit deze tijd stamt ook het volgende verhaal rond het wegblijven van personen van de wacht. Een feit dat in deze gevaarlijke omstandigheden allerminst geduld kon worden. Weliswaar stond op het wegblijven een boete, maar men trachtte die te ontgaan door te zeggen dat men ziek was geweest. Ook waren er geschillen gerezen tussen Sliedrecht en Wijngaarden over het dienen op de wacht.
Op 1 maart 1592 hield de oud-kapitein van de wacht, Jan Humensz., een zitting in de herberg Den Engel en liet daar “ontbieden degeene die op de schildwacht verbeurt hadden ten tijde dat hij capiteijn was om met dezelve te accordeeren, ten eijnde de waerdinne tevreden te stellen”. Hij wilde dus een overeenkomst met de schuldenaars maken om vervolgens van de boetes de verteringskosten te betalen. Er werd bepaald dat men “des anderen daechs daeraen, als namentlicken den tweeden der voorseijde maent Martii” dus op 2 maart bijeen zou komen in de herberg Den Engel, of zoals men toen zeide “ten huyse van Jan Thonisz. staende opten Hoogen Dijck opten Westenhouck van de Tollestege”.
Daar vergaderde inderdaad Jan Humensz. als kapitein met zijn luitenant en rotmeesters, benevens den schout van Wijngaarden en nog vele andere personen om de geschillen bij te leggen. Zij konden het evenwel niet eens worden en bleven zitten twisten.
Op een bepaald moment zag men de predikant Arnoldis Wassenburgh voorbijgaan. Men riep hem binnen en vroeg hem om aan het geschil een einde te helpen maken.

De dominee als scheidsrechter
Ds. Wassenburgh vertelde later voor het gerecht in Dordrecht hoe zich alles toegedragen had. Hij was bij een “sieck ofte crancke vrouw geweest ende meende naer huys te gaen” toen de bovengenoemde personen “op hem begeert dat hij een weynick tyts bij henlieden soude willen sitten, daar zij aldaar twistich waerren noependen de siecke op de schildwachte verbeurt, om dezelve saecke te helpen vereenigen”.
Men wilde dus de predikant als man van de vrede, als scheidsrechter hebben, een rol waarin de dominees van Sliedrecht zich altijd bijzonder onderscheiden hebben. In dit geval zag de predikant echter geen directe oplossing en hij gaf ten antwoord “dat hij geen middel daerinne en sach ten waere, dat zij de saecke ten beijden zijnden aen mannen stelde ende dat hij alsdan gaerne tusschen beijden middelaer wesen wilde”.
Ds. Wassenburgh was een voorzichtig man en hij wilde liever een soort commissie benoemd zien die rustig over het geval zou kunnen nadenken en beslissen.

De dominee ontvoerd
Zover zou het echter niet komen, want er stonden heel andere dingen te geschieden. De Spanjaarden verschenen plotseling met twee schuiten gewapende manschappen en voerden het gehele gezelschap, met den predikant en de waard incluis, naar Geertruidenberg en wierpen de gevangenen daar in de gevangenis. Toen begon het geweten van den waard te spreken.
Ds. Wassenburch verklaarde later dat de waard “in de gevanckenisse tot Geertruijdenberge aldaer openbaerlicken (in het openbaar) geseijt heeft, dat hij (n.l. de waard) wel van eenige gewaertschout was, dat dan viant off eenige schuijten opt waeter was, maer dat hij sijne gasten niet en wilde waerschouwen, vreesende dat zij met gelach soude deurloopen”.

Uit vrees voor het verlies van het geringe bedrag dat de aanwezigen verteerd hadden, had de trouweloze waard hen niet gewaarschuwd, hoewel hij volgens eigen verklaring van het gevaar bekend was, daar “eenige visschers hem seijden, datter ten voerszijden tijde twee schuijten ofte jachten met volck opt waeter waren ende dat hij hem verzien zouden” (dat hij maatregelen tot beveiliging zou nemen). Daar zat nu het gezelschap in de Spaanse kerker in Geertruidenberg te zuchten tot men in Sliedrecht en elders het geld voor hun rantsoen (loskoopprijs) had bijeengebracht. Gemakkelijk ging dat nog niet, want het tarief, dat varieerde naar de belangrijkheid en het bezit van de persoon, was speciaal voor hervormde predikanten erg hoog.

Hoge losprijs
Voor minder dan f 1000,- kon men toen vrijwel nooit een predikant loskopen. Sliedrecht zelf was te arm om een dergelijk bedrag bijeen te brengen. Gelukkig had Ds. Wassenburgh nog goede vrienden die voor hem in de bres sprongen. Ds. Johan Uittenbogaert, hofprediker van Maurits en de classis van Zuid-Holland riepen de tussenkomst van Prins Maurits in en door diens bijstand geraakte hij spoedig daarop weer in vrijheid. Reeds in december 1592 vinden we Ds. Arnoldus Wassenburgh weder in Sliedrecht, blijkens een door hem gedaan verzoek aan zijn collega in Dordrecht om twee personen uit Sliedrecht daar in de echt te verbinden. Dit avontuur liep voor de predikant nogal gunstig af. Het gebeurde namelijk ook wel dat de Spanjaarden de niet geloste gevangen ophingen om zo van hen verlost te worden. Zo waren onder andere een aantal schippers van Breda bestemd om opgehangen te worden. Terwijl ze reeds onder de galg stonden, werden ze op voorspraak van de burgers van Geertruidenberg gered.

Het gevaar voor Sliedrecht geweken
Men kan zich de vreugde van de Sliedrechtenaren licht begrijpen, toen zij in het najaar van 1592 Prins Maurits aanstalten zagen maken voor een belegering van Geertruidenberg in het komende voorjaar van 1593. Daarbij kwam dat Parma, de geniale aanvoerder van de Spanjaarden, overleden was en de Spanjaarden, mede daardoor, in het defensief gedreven waren. Gedurende de winter van 1592-1593 werd zoveel mogelijk de toevoer van levensmiddelen naar Geertruidenberg afgesneden en op 27 maart 1593 verscheen tot grote schrik van de vijand Prins

Geschiedenis-0802
Prins Maurits

Maurits plotseling voor de stad.
Gemeend werd dat de prins een aanval op Den Bosch in de zin had, maar hij liet Geertruidenberg, zowel aan de land- als de waterzijde, zo nauw insluiten dat er geen muis in of uit kon. Aan de waterzijde legde Maurits een halve maan van oorlogsschepen, verbonden door sterke kabels. Binnen die ring voeren snelle jachten, die elk ogenblik de wallen verontrustten. Deze insluiting verdroot den Spaanse veldheer Mansfelt zozeer dat hij door een trompetter liet vragen waarom Maurits zo beschanst lag en waarom hij zich niet als een flink veldheer aan een veldslag waagde. De Prins antwoordde hierop dat hij een “jonck heer” was en gaarne een oud krijgsman zoals Mansfelt wilde worden. Op 24 juni 1593 werd Geertruidenberg bij verdrag aan de Prins overgegeven. Deze verovering van Geertruidenberg was voor de Republiek van groot belang, omdat daardoor het binnenlands verkeer te water weer helemaal vrij was. Voor Sliedrecht was daardoor het eigenlijke gevaar in de 80-jarige oorlog geweken. De gedenkpenning, die toen geslagen werd, met als voorstelling een boer rustig zijn land ploegende achter het legerkamp van Maurits was duidelijk van toepassing op de toestand in ons dorp. De vreugde in het land was algemeen en niet in het minst in Sliedrecht dat zo nauw bij de situatie te Geertruidenberg betrokken was.

Geen klokkengebeier
Overal beierden de klokken, behalve in Sliedrecht, want tijdens de troebelen waren op één of andere wijze de klokken verdwenen. Waarschijnlijk waren ze door de Spanjaarden geroofd. Nog in 1598 zat men hier zonder klok.
De vreugde uitte zich niet alleen in het luiden der klokken en branden van pektonnen, maar door de Staten van Holland werd een algemene dank-, vast- en bededag uitgeschreven “om Godt voor al Zijn weldaden te danken en te loven en ook van harte te bidden dat Zijne Goddelijke Majesteit hoe langer hoe meer gelieve Zijne Genade over deze landen voort te doen duren en deselve met Zijne machtige hand bij te blijven”. Wij kunnen begrijpen hoe Sliedrechts bevolking destijds naar het kerkgebouw stroomde en hoe Ds. Wassenburch, die de Spaanse dwingelandij zo aan den lijve ondervonden had op die bededag uit het hart gesproken moet hebben. Sliedrecht had verder in de 80-jarige oorlog niet veel meer te lijden van de vijand, althans we vonden nergens iets daaromtrent.
Toch zal men ook hier wel met blijde gevoelens de gebeurtenissen in 1608 gevolgd hebben. Het was namelijk in het voorjaar van 1608, dat de afgezanten van de koning van Spanje over Breda en Geertruidenberg naar Holland kwamen. Op 30 januari waren ze te Geertruidenberg. Daar het toen geweldig vroor, had men een vloot van 190 bootjes en schuitjes onder andere van het Schippersgilde te Dordrecht en van de vissers van Papendrecht en Sliedrecht op schenen gezet en zo in ijsschuitjes veranderd. Met deze sierlijk opgetuigde vloot werd het gezantschap over de Biesbosch naar Dordrecht gebracht. De onderhandelingen duurden lang, maar tenslotte werd in 1609 het 12-jarig bestand gesloten. Dit maakte een eind aan een bange periode in de geschiedenis, niet in het minst in de geschiedenis van ons dorp.

Sliedrecht in de Gouden Eeuw

Landbouw en veeteelt
Na al het geleden leed in het begin van de 80-jarige oorlog, brak nu een tijdperk van grote bloei voor Sliedrecht aan. Het aloude bedrijf van veeteelt en landbouw floreerde uitmuntend. Men had een goede afzet van kaas naar Dordrecht, dat met zijn garnizoen en grote scheepvaart heel wat gebruiken kon. Bovendien had men het geluk dat zich in Dordrecht de blekerij op grote schaal ontwikkelde en voor die blekerij gebruikte men karnemelk, die uit de Alblasserwaard werd aangevoerd. De namen Melkpoortje en Karnemelksteiger in de stad Dordrecht herinneren nog aan deze tijd. Een bijproduct dat elders vrijwel geen waarde had, was zodoende van groot belang geworden. Voorts teelde men in Sliedrecht veel hennep voor de touwslagerijen. Dit gebeurde op de zogenaamde hennepwerfjes die op de klei dichtbij de dijk lagen. Bovendien trof men hier touwslagerijen aan. In het algemeen kan men zeggen dat de landbouw in die tijd lonender was dan de veeteelt en dat men elk stukje land dat voor landbouw geschikt was ook daarvoor gebruikte.

Geschiedenis-0803
Zalmvisserij in de Merwede

Visserij en vogelarij
Naast deze bedrijven was ook de visserij van grote betekenis. Zalm en steur werden hier in geweldige hoeveelheden gevangen. De vis werd op de vismarkt gebracht. In 1610 / 1611 kwamen in 10 ½ maand 8921 zalmen en 81 steuren op de markt. In 1626 niet minder dan 214 steuren. De zalm was in die tijd zo overvloedig dat de dienstboden bedongen dat ze niet meer dan tweemaal per week zalm wilden eten. De overvloed was te groot voor eigen gebruik en daarom werd veel zalm gezouten en gerookt uitgevoerd. Ook in Sliedrecht vindt men in deze tijd een aantal rookhuizen vermeld.
Naast de visserij en nauw daarmede verbonden bloeide de vogelarij, d.w.z. het aanleggen van vogelkooien (eendenkooien) en het vangen van allerlei gevogelte. Vele vogelkooien werden reeds in 1543 door Sliedrechtenaren aangelegd op bijvoorbeeld het Dordtse eiland. Men kan hier wel spreken van een typisch Sliedrechts bedrijf, want bijna alle kooilieden, die we op het Dordtse eiland, de Hoeksche Waard en de Biesbosch aantroffen, waren van Sliedrecht afkomstig.

Biezendrogerij
Nog een typisch Sliedrechts bedrijf was de biezendrogerij en handel in dit materiaal. In de 17e eeuw gebruikte men voor de stoelzittingen bijna uitsluitend biezen.
Ons land aan het eind van de 80-jarige oorlog in het midden van de Gouden Eeuw
Biezen werden geteeld op de opkomende platen in de Maas en in de Biesbosch. Reeds in de 17e eeuw vonden we de pachters van rietgorzen uit Sliedrecht tot zelfs bij Rhoon. De biezen werden op de kanten van de dijk gedroogd en verhandeld. Van mattenvlechterij en stoelenmatterij wordt geen melding gemaakt. Door al deze bedrijven was de welvaart van Sliedrecht geweldig toegenomen.

“Sliedrecht groot, Alblas rijk”
Kon men voorheen met een spreekwoord zeggen: “Sliedrecht groot, Alblas rijk”, in de 17e eeuw begon dit te veranderen. Reeds omstreeks 1620 heeft Sliedrecht Oud-Alblas een heel eind ingehaald. Zo betaalde ons dorp in dat jaar bij de 500-e penning (d.i. een belasting van f 0,20 op de 100 gulden) een somma van welgeteld f 514,- tegen Oud-Alblas f 655,- terwijl Sliedrecht vroeger altijd minder dan de helft van het bedrag van Oud-Alblas betaalde. Sliedrecht was al in 1627 de andere dorpen ver vooruit. (Papendrecht betaalde zo’n f 352,-, Alblasserdam f 336,-). In 1674 was Sliedrecht Oud-Alblas over het hoofd gegroeid in vermogen. In dat jaar schatte men voor het Familiegeld, een belasting per hoofd, het dorp Sliedrecht op een kapitaal van f 240.650,- en Oud-Alblas op f 221.700,-. Deze feiten demonstreren wel heel duidelijk de vooruitgang van Sliedrecht in de Gouden Eeuw. Door geen enkele ramp getroffen, er waren tussen 1593 en 1658 geen belangrijke overstromingen en de vijand was definitief weggetrokken, had ons dorp zich regelmatig ontwikkeld tot het welvarendste van de Waard. Van die weelde werd gepast gebruik gemaakt. Men bouwde zich geriefelijk ingerichte woningen, kleedde zich beter dan de boeren van de andere dorpen, doch vergat daarbij niet ook goed te zorgen voor land en dijk. De predikanten vonden de weelde echter verderfelijk en lieten niet na er tegen de prediken.

07 – De Spanjaarden in de Alblasserwaard

Geschiedenis-0701
De bestorming van Alkmaar, waar de victorie begon

De Spanjaarden hadden in 1572/73 verschillende steden veroverd. Haarlem was na een dappere verdediging weer in Spaanse handen gekomen. Van dit beleg, dat in de winter 1573/74 plaatsgreep, had Alva zijn les geleerd. De Spaanse nederlaag bij Alkmaar bewees, dat wanneer men met geweld alle Hollandse steden zou willen innemen, een tienmaal zo sterk leger nodig zou zijn. Daarom dacht Alva een nieuw stelsel tot onderwerping uit dat hij in een brief aan de Spaanse koning, Philips II, als volgt uiteenzette:

 

Geschiedenis-0702
Alva

Ik ben thans bezig om de troepen op welgekozen kwartieren te leggen, waar zij beletten kunnen dat de Geuzen de hulpmiddelen van het platteland tot zich trekken. De rebellen zullen op die manier in hun steden opgesloten zitten en van honger vergaan. In een winternacht, als de sloten en singels dicht liggen, gelukt het misschien ze te verrassen en te overrompelen”.Een der “welgekozen” kwartieren zou in de Alblasserwaard liggen. Het verlies van Geertruidenberg in 1573 had de Spanjaarden geheel uit de Merwedestreek verdreven en toch was die voor de Spanjaarden belangrijk om de handel naar Duitsland te kunnen belemmeren.
In de zomer van 1574 verschenen hier plotseling de Spaanse soldaten aan de dijk en zij dwongen de bewoners van de Alblasserwaard tot het verrichten van graafwerk voor een schans te Hardinxveld. Het is te begrijpen dat Sliedrecht, als een der buurdorpen, van die Spaanse troepen veel te lijden heeft gehad.

Graafwerk
In allerijl werd nu, op voorstel van de Prins Willem van Oranje, de dijk van de Alblasserwaard bij Papendrecht en bij Elshout (nabij Kinderdijk) doorgegraven. Met dit werk werd 13 augustus 1574 een begonnen. De Spanjaarden hadden de dijk in bezit vanaf het gat ten oosten van de kerk van Papendrecht tot Hardinxveld, waaronder het gehele dorp Sliedrecht. Ze voelden zich niet erg op hun gemak, want aan weerskanten stond het water nu tot de dijk, terwijl de Dordtse oorlogsschepen de nog onvoltooide schans beschoten.

Op voorstel van de Prins werden maatregelen genomen voor een betere beveiliging van Sliedrecht. Aan Dordrecht werd op 8 oktober 1574 opgedragen ” om schepen tot bewaring van het Houten Hoofd te Sliedrecht te schikken “.

Uiteindelijk gelukte het om de Spanjaarden uit Hardinxveld te verdrijven. Op 25 november 1574 was de schans weer in handen van de Prins. De knechten (soldaten) waren echter onwillig bij de schans te blijven. Aan Gorinchem, dat er groot belang erbij had de manschappen te laten vertrekken, werd toegestaan de schans te demolieren. Op 2 december 1574. werd door de Staten van Holland besloten dat de schans geslecht zou worden en dat de materialen zouden dienen voor het stoppen van de Wolfertse dijk. De mannen uit de Alblasserwaard, die door de vijand gedongen waren tot het opwerpen van de schans, moesten ook zorgen voor de afgraving.

Men redeneerde dus: “Wie de schans gemaakt heeft, moet hem ook maar afbreken! ” De dorpen moesten daartoe een belasting van “een stuiver op de morgen” heffen. Voortaan zouden er voortdurend oorlogsschepen bij Sliedrecht moeten liggen om te voorkomen dat de vijand nieuwe schansen op zou werpen.

Sterk te water en binnen de stadsmuren
In het algemeen was men in de 80-jarige oorlog tegen de Spaanse soldaten, toen de beste ter wereld, slecht opgewassen. Daarop waren twee uitzonderingen; de vloot en de steden.
De Watergeuzen, voor geen kleintje vervaard, hadden in 1572 het bevel over talrijke schepen op de rivieren en stromen op zich genomen. (Een schip onder de voet maakte van de in het landgevecht onbedreven Zeeuw een leeuw). Daardoor was de Prins oppermachtig te water. Men kan gerust stellen dat dit in de eerste jaren van de 80-jarige oorlog de beslissende factor is geweest.

De burgerij, ongeschikt om te velde te dienen, had haar grote defensieve waarde in de belegeringen van Haarlem en Leiden bewezen en de Spanjaarden gaven het op, zoals we boven eerder lazen, de steden door beleg of bestorming in te nemen.

Een plan van de Prins van Oranje
De Prins van Oranje en zijn medewerkers ontwierpen nu een schitterend plan om ons land van de Spaanse tirannie te verlossen. Op alle belangrijke punten waren door de Spanjaarden schansen en redouten aangelegd om de scheepvaart te bewaken. Goed bewapende galeien en cromstevens zorgden voor de afsluiting van de rivieren.

Zo was men in 1574 en 1575 ook bezig met het maken van dergelijke schansen bij Krimpen aan den IJssel en bij Elshout. Het gehele jaar had men aan de schans te Krimpen gewerkt. Aan het einde van het jaar verschenen plotseling prinsgezindenden voor Krimpen, waar ze onder aanvoering van Hierges, de schans bemachtigden.

De geschiedschrijver E.van Meteren schrijft hierover: “Crimpen bij de Spaengiarden ghesterckt, bij de Hollanders belegert ende ingenomen. Alzo sij met den legher nederwaerts van Schoonhoven ware ghekomen, hebben Crimpen een dorp met twee schansen ingenomen ende seer ghesterckt, waermede sij niet alleen de rivieren stopten, maer meijnden daer langs in Swijndrecht ende in de ander eijlanden drooge voets te gheraken, oock int Eijlandt van Voren om den Brielle ende Dordrecht in te neemen. Ende in den winter met hulpe van de ijse aenenslagen op Geertruijdenberghe, Gorcum ende Bommel te maken, de Mase ende Rhijn te vermeesteren, hoewel de wateren niet bij ijsganck te passeeren waren sonder schepen.”

Op 2 juli 1575 was met de aanleg van de schans bij Elshout begonnen en waren alle arbeiders, die bij Delfshaven aan het werk waren, daarheen overgebracht. Wel een bewijs dat men grote haast met de aanleg had. Door de inneming van deze schans kregen de Spanjaarden toch weer invloed in de Alblasserwaard. Het verlies van deze schans was dan ook een bedenkelijke zaak voor de veiligheid van Holland Dit temeer daar de Spanjaarden ook een schans te Kinderdijk aanlegden en zo de IJssel, Lek en Noord beheersten! Maar de Prins zat ook niet stil. Hij zond Frederick Ottens als Commissaris Generaal om schansen aan te laten leggen in de Riederwaard tegenover Krimpen en ” stopte” de Lek door het laten zinken van grote schepen.

In de Alblasserwaard werd Jacob Blok belast met het in allerijl aanleggen van een schans te Papendrecht. Daartoe werd de dijk aan de zijde van Kinderdijk op twee plaatsen doorgraven. Op 29 augustus 1575 werd met het werk aangevangen en op 21 september was men reeds zover dat men een wachthuis kon bouwen.
Omdat men niet zo spoedig het nodige hout kon krijgen, brak men in Dordrecht het tolhuis en het tolhoofd aan de Riedijk af en gebruikte de afkomstige materialen in Papendrecht.
De gaten in de dijk werden uitgediept om zodoende de oorlogsschepen in de Waard te kunnen brengen, o.a. een grote caeghschuijt, benevens 40 à 50 andere schepen.

In het begin was men niet erg gelukkig want: “Ten tijde als alle de vloote van de schepen ende schuijten d’eersten reijse (voor de eerste maal) deurt ’t gat van Papendrecht werden getrocken omme te beleggen de schansen van Crimpen, ’t Elshout ende Kinderdijk”, waren die schepen op drift geraakt en door de eigen bemanning geplunderd en dat terwijl de schippers een loon van een rijksdaalder voor lijf en schuit en de knechten een bedrag van 16 stuivers voor hun lijf genoten.

De Prins van Oranje zette echter alle energie op de herovering van de schansen, wel wetende wat hieraan gelegen was. De geschiedschrijver Bor meldt ons: “De oorloghe in deze tijt op het heetste was en die van Hollandt ende Zeelandt seer benaut ende gheperst waren. Se niet en wisten waer sij hen te wachten hadden, want aen alle quarieren hadden sij genoegh te doen. Doch de goede toesicht ende naersticheijdt van den Prince dede soveele dat hij ( de vijand ) soo wel in de Dordtsche Waert als ander plaatsen tot sijnen vermete niet en conde comen.”

Geschiedenis-0703
Willem van Oranje

Gevaar voor eigen leven
De Prins kwam in eigen persoon naar Dordrecht en bevond zich op 4, 8 en 17 februari met gevaar voor eigen leven in het beleg der schansen.
De schepen werden opnieuw door het Papendrechtse gat gesleept en in de Alblasserwaard werden, volgens Bor, 21 vaandels soldaten, 100 paarden en 3000 boeren bijeengebracht.
Op 4 februari 1576 schrijft de Prins aan zijn broer Jan den Ouden, dat hij gedurende acht dagen, drie schansen, die de vijand op de rivieren Lek en Maas tussen Dordrecht en Rotterdam bezet hield, belegerd had. Vooral met het nemen van Schoonhoven had hij zich veel moeite gegeven. Als God ons de gunst geeft die schansen te veroveren, zo schrijft hij, zal dat een grote verbetering voor onze scheepvaart zijn.
Op 21 februari 1576 gingen de drie schansen bij een verdrag aan Filips van Hohenlohe, de Staatse bevelhebbber, over, waarbij de vijand alle geschut moest achterlaten. De Spanjaarden beschouwden dit als een groot verlies daar hun nu grotendeels de pas was afgesneden om Holland tot onderwerping te brengen.

In een brief van 4 april 1576 schrijft de Prins aan Jan den Ouden:

” Het heeft God intussen behaagd, ons de genade te schenken de schansen in onze handen te brengen, waarvoor wij wel grote stof hebben om Hem te loven, omdat die forten van groot belang zijn om een groot gedeelte van het land in die kwartieren te bewaren. Wij werken nu met man en macht om ze te versterken, opdat de vijand er zich niet meer in zal nestelen.”

Het Geuzenlied zong over dit roemruchte feit:

“Oudewater werd heel in ’t sant verbrant.
Maer int bolwerck te Crimperkerck
Haelden sij weder schant. (schande)

Lang bleef het feit in de herinnering leven en men sprak in de Waard nog vele jaren daarna over ” Ten tijde als de Spanjaarden in ’t Elshout kwamen”, als men het over jaar 1575 had.

De toestand in Sliedrecht in de jaren 1575-1577

Geschiedenis-0704
Sliedrecht, circa 1575

Door de schans en de gaten in de dijk bij Papendrecht was Sliedrecht aan de westzijde voldoende beveiligd. Uit het noorden kon men niet aanvallen, want de Waard stond blank. Aan de zuidzijde beheersten de Dordtse oorlogsschepen de Merwede. Alleen aan de oostzijde was het niet pluis.
Al waren de Spanjaarden uit Hardinxveld verdreven en al lagen er oorlogsschepen bij het Houten Hoofd, toch bleef het daar een onveilige hoek, zoals uit het volgende verhaal zal blijken.
Sliedrecht, circa 1575
Omstreeks Kerst 1575, dus nog tijdens de strijd om de schansen te Elshout en Krimpen, was Thielman Dircksz, een inwoner van Sliedrecht gehuurd een schuit met rogge, die men ’s nachts niet aan de Sliedrechtse wal durfde te laten liggen, naar de uitlegger (d.i. het oorlogsschip dat voor Werkendam lag) te brengen. Op de terugweg voer de knecht van de schuit weer mee, terwijl er ook een matroos van de uitlegger aan boord gestapt was.

“Het was perriculoes (gevaarlijk) ende onveilig de wegen te gebruycken omme te voet te gaen”.

Men kon dus over de Merwededijk beoosten Sliedrecht niet zonder gevaar lopen.
De knecht van de schuit met rogge was door het voortdurend gevaar roekeloos geworden. Op de vraag van Thielman of hij bedongen had dat, als hij gevangen zou worden genomen, men losgeld voor hem zou betalen, had de knecht geantwoord: ” Neent, ick ben al zoe veel overcoemen, ick sal hier oeck wel deur komen.”

Toen zij een eindweegs gevaren hadden kwamen de twee knechts op het ongelukkige idee om een weddenschap aan te gaan, dat zij sneller naar Sliedrecht zouden lopen als de schipper zou kunnen varen. Zij zeiden tegen Thielman: ” Wij en moegen hier niet blijven zitten, wij sellent eer gaen, dan ghij varen.”

Thielman had hierop geantwoord: “Goede mannen blijft bij mij, ende vaert met mij. In die ledige huysen leggen papoupen, blijft daarom hier, want gij zult mogelijk gevangen genomen worden.”

De knechts zetten echter hun wil door en gingen aan land. Thielman vervolgde alleen zijn weg naar Sliedrecht en kwam daar aan “behoudens lijfs” , terwijl hij later vernam dat de knechts door de “papouwen” gevangen genomen waren.

Dit verhaal geeft wel heel scherp de onveiligheid aan, niet allleen over water, maar ook op de Merwededijk! De bevolking had grotendeels hun woonsteden verlaten en in de ledige huizen loerden de Spanjaarden, hier smalend “papouwen”of “papoupen” genoemd, of ze niet iemand gevangen konden nemen om hen tegen een flink losgeld weer vrij te laten.

Al waren de Spanjaarden in februari 1576 uit de Alblasserwaard verdreven, toch was de veiligheid te water nog zeer gering. Geschiedschrijver M. Balen vermeldt in zijn Beschrijvinge van Dordrecht over Cornelis de Witt, grootvader van de gebroeders de Witt, het volgende:
“Op de leste April 1576 reysende in commissie (opdracht) van den Staat naar Geertruidenberg, opten Biesbos, waar hij gevangen werd door de vrijbuyters dienende onder Monsieur Dragon (Mondragon), onder welke drie overgeloopen Dordtsche Borgers waren, op welkers lijve yder Honderd Dalers was gesteld, met welke hij (C. de Witt) sprak en conditioneerde dat se hem buyten hechtenis soude helpen”
Ze brachten hem de tweede mei te Dordrecht en verkregen van de Prins pardon en van De Witt de beloofde penningen.
Eerst na de muiterij van de Spanjaarden op Schouwen, de Spaansche Furie te Antwerpen en de Pacificatie van Gent kon men hier weer enigszins op adem komen.

De wijk naar elders
De toestand was bijna hulpeloos geweest. Het vee was op last van de Prins op een andere plaats in veiligheid gebracht. Een groot deel van de bevolking had naar elders de wijk genomen. De Sliedrechtse vissers hadden zich buiten de Vuilpoort te Dordrecht neergezet en visten van daaruit op de Merwede. Ook vele andere Sliedrechters hadden hun geboortegrond verlaten en zich in Dordrecht, Gorinchem, zelfs in Schoonhoven en Rotterdam gevestigd. Telkens kan men in de huwelijksregisters te Dordrecht lezen over personen uit Sliedrecht: ” Geboren te Sliedrecht maar meestentijds hier gewoond.”
Have en goed had men echter achtergelaten en het land dat onder water stond, had voor hen toch geen waarde.
Toen men in 1577 op kosten van de Staat weer herdijkt had, geloofden velen niet, dat de toestand veranderd was en bleef men rustig in de steden wonen en kwam men ook de verplichtingen van dijkonderhoud niet na. Ook de ambachtsheren hadden hun heerlijkheden verlaten. Het land was aan de gemene ingelanden van de Alblasserwaard vervallen.
Om aan deze ongewenste toestand een eind te maken lieten schout en heemraden van Sliedrecht te Dordrecht, Gorcum van de puien van de raadhuizen afkondigen dat alle kosten, ook over de ingelanden buiten het dorp woonachtig, zouden worden omgeslagen en dat deze ingelanden verplicht waren een vertegenwoordiger in het dorp aan te stellen!

De verdediging van de Alblasserwaard

Geschiedenis-0705
Alblasserwaard en Biesbosch 1575

Sliedrecht lag in de 80-jarige oorlog op één der gevaarlijkste plaatsen of zoals men het toen uitdrukte aan de frontieren van Holland. Dat was lang geen prettige situatie en men had hier voldoende ondervonden welke onheilen een onverhoedse vijandelijke aanval kon veroorzaken.
Het is dan ook geen wonder dat men na 1577, toen de Alblasserwaard weer droog gekomen was, maatregelen ging nemen om herhaling te voorkomen.
De Staten van Holland zorgden ervoor, dat de rivier de Merwede op een geweldige manier beveiligd werd. Aan de zuidzijde had men de vesting Loevestein, die aanmerkelijk versterkt werd, en het bemuurde Woudrichem, dat talrijke nieuwe bolwerken kreeg. Daarop volgden de Muggenschans nabij het Sleeuwijkse veer en de schans van Werkendam. Jammer genoeg moest tussen Werkendam en Dordrecht een groot hiaat in deze verdedigingslinie blijven, omdat er toen nog meer water dan land was. Wij vinden hier slechts vermeld een reduit bij Crayenstein (Ronduit) en het Bontjesreduit op de Kop van het Land op het Dordtse eiland.
Door het ontbreken van versterkingen juist tegenover Sliedrecht was hier een grote maas in het net, waar de Spanjaarden van tijd tot tijd doorslopen om een aanval op de Alblasserwaard te doen.
Aan de noordzijde lag de sterke vesting Gorinchem en van daaruit in Hardinxveld en Giessendam een aantal reduiten. Verder lagen er wachtschepen op de Merwede o.a. bij het Houten Hoofd van Sliedrecht en recht voor de Kerk. Ook bij de reduiten lagen oorlogsjachten en in Dordrecht was een zeer snel schip gestationeerd, dat de vijand eventueel op de wateren van de Biesbosch kon na zitten.

Een burgerwacht te Sliedrecht
Toch bleef de Biesbosch tegenover Sliedrecht het zwakke punt in dit verdedigingsstelsel en daarom was het dubbel nodig dat men hier steeds op zijn hoede was.
De verdediging van de Alblasserwaard werd door dijkgraven en heemraden dorpsgewijs geregeld en zo kregen we hier in Sliedrecht ook een burgerwacht met kapitein, luitenants, sergeant-majoors en rotmeesters of korporaals. Iedere ingezetene van Sliedrecht, zowel Sliedrechter als vreemdeling, moest dienen, tenzij hij boven 60 jaar of Doopsgezind was. In het laatste geval moest men, evenals de weduwen, een maandgeld betalen.
Elk lid van de burgerwacht moest op aanwijzing van de kapitein, al naar hij gegoed was, voorzien zijn van wapenen, die hij op eigen kosten moest onderhouden. Wie bijvoorbeeld een roer of bosse had moest altijd drie ellen lont, een half pond buspoeder (kruit) en 12 loden (kogels) bij zich hebben. Elke nacht werd door een gedeelte van de manschappen gewaakt in de daarvoor gemaakte wachthuizen en wie ziek of afwezig was, moest een plaatsvervanger stellen. De rest moest steeds de wapenen gereed houden en wanneer de klok luidde of de trommels geroerd werden, moest ieder zich welbewapend naar de loopplaatsen spoeden, die onder meer bij de kerk en het logement van de kapitein waren.
Zo kon men het wonderlijk verschijnsel zien dat de boerenbevolking, die nooit de wapenen gedragen had, thans wacht hield en marcheerde als de schutters in de stad.
In het begin was dat voor de boeren zeer vreemd en men moest allerlei bepalingen maken om ongevallen te voorkomen. Het gebeurde namelijk wel dat men zogenaamde ereschoten loste en dat men vergat zijn geweer te ontladen. Dat daardoor ongelukken ontstonden is begrijpelijk. Daarom mocht men geen ereschoten lossen, dan nadat men zijn roer in bijzijn van enige van zijn rotgezellen beproefd had.

Flinke boete
Op allerlei handelingen van de burgerwachten was boete gesteld. Werd iemand slapende op wacht aangetroffen dan verbeurde men zijn geweer, dat hij voor drie gulden mocht lossen (terugkopen). Kwam hij te laat, of ging hij te vroeg weg, een boete wachtte hem. Vergat de rotmeester zijn “losse” (leus, wachtwoord) of deelde hij het mee aan zijn gezellen, hij verbeurde drie gulden en zo ging het ook met vechtersbazen die op wacht vochten en met dieven, die hout en rijs van de bevolking stalen om hun wachthuizen mee te verwarmen.
Toch was het nuttig dat de boeren gewapend waren, want ten plattelande werd men voortdurend door allerlei gespuis lastig gevallen. Er was dan ook bepaald dat:”De huisluiden (boeren) zich tegen alsulcke ruyters, soldaten, vrijbuiters, vagebonden, bedelaars, kaesjagers of anderen zouden mogen verweren en wanneer iemand van dit gepuis gekwetst, aangeschoten of doodgeslagen werd, dan zou daarvoor geen wraak of recht gedaan worden!”

Vernuftig seinsysteem
Men had op de Sliedrechtse dijk een vernuftig seinsysteem gemaakt. Op onderlinge afstanden en bij de wachthuizen evenals op de wachtschepen had men grote masten met lantaarns geplaatst. Kwam nu de vijand, dan werd op de plaats waar men onraad bemerkte de lantaarn aangestoken en aan de mast op en neer gehaald. De andere seinmasten werden dan ook verlicht, maar moesten hun licht stil laten hangen. Direct daarop werden de trommels in alle wachthuizen geroerd, de kerkklok begon te luiden en dit gelui werd door de andere dorpen overgenomen en zo stond in korte tijd een groot leger gewapende boeren aan de dijk. Bij grote aanvallen hadden de Alblasserwaard en het land van Arkel elkaar hulp toegezegd.
Meestal waren het slechts aanvallen van één of twee scheepjes met vrijbuiters en dan was het alarmeren van Sliedrecht alleen al voldoende. Wijngaarden was verplicht op het eerste sein van onraad Sliedrecht bij te staan en zijn gewapende mannen naar de dijk te zenden. Dit verdedigingssysteem bleef gedurende de gehele 80-jarige oorlog bestaan en heeft toen herhaaldelijk zijn noodzakelijkheid bewezen.

06 – De Hervorming in de Alblasserwaard

Koeper Potgen
Toen Luther in Duitsland de nieuwe leer gepredikt had, konden de nieuwe ideeën in deze streken niet lang onbekend blijven. In Sliedrecht liggende aan de Merwede, de voortzetting van de Rijn, moeten de nieuwe denkbeelden die a.h.w. met ’t Rijnwater de rivier afzakten, wel spoedig bekend zijn geweest. Reeds in 1523 werd in deze streken gepredikt door ene Cornelis Woutersz., alias Koeper Potgen. Na diens verbanning horen wij niet veel meer van de “Lutherse heresie”.

Wederdopers
Spoedig hoort men van een andere ketterse sekte namelijk die van de Wederdopers. Het streven van de Wederdopers heeft niet alleen een religieus karakter gehad, maar raakte ook de maatschappelijke vraagstukken van die tijd.

Geschiedenis-0601
Wederdopers in opstand

Het had vooral in het begin een communistische inslag. De slechte tijden hadden de middeleeuwse industrie voor een groot deel vernietigd en het had van de lakenwevers in de grote steden, vooral in Leiden, bedelaars en in het gunstigste geval marskramers gemaakt. Bedenken wij nu, hoe juist in de grote steden onder de industriearbeiders en vooral in Leiden de Doperse leerstellingen aanhangers hadden gevonden, dan begrijpt men dat daarvoor deze nieuwe leer een grote verspreiding kreeg!
De overgang tot de nieuwe leer werd ook nog in de hand gewerkt, doordat de Doopsgezinden zich niet in de eerste plaats toelegden op de stichting van kerkelijke gemeenten, maar meer de nadruk legden op een godvruchtig leven en goede werken.
In de bedelaars en de landlopers van die tijd moesten wij dus de evangeliepredikers zoeken en het verwondert ons niet, dat toen Karel V in 1531 maatregelen tegen de bedelarij ging nemen, hij ook daarin begreep de zorg voor godsdienstig onderricht in de Roomse leer.

Aanslag der Wederdopers
Na de uitspattingen van Jan van Leiden te Munster werd door de regering streng ingegrepen en vielen er vele Wederdopers als slachtoffers. De rest bleef als Doopsgezinden in het geheim de nieuwe leer toegedaan. Slechts zo nu en dan hoort men van martelaars; een van hen was Adriaantgen Jansdr., een vrouw uit Molenaarsgraaf die in 1572 te Dordrecht om het geloof verbrand werd.
Toch zou de Hervorming in de Alblasserwaard een bijzonder karakter krijgen en wel door de volgende gebeurtenissen. Hendrik van Brederode, nazaat van het edel geslacht van Brederode, dat steeds een rol in de geschiedenis van de Alblasserwaard gespeeld heeft en reeds in 1277 voorkomt, bezat als vaderlijk erfdeel de steden Vianen en Ameide met de onderhorige dorpen.
Jong, moedig en voortvarend was hij op 28-jarige leeftijd aanvoerder van een legerkorps onder Karel V. Al vroeg was hij als zoveel edelen onder de invloed van de Hervorming gekomen en openhartig als hij was, had hij niet geaarzeld er openlijk voor uit te komen. Het meest is hij bekend geworden door de aanbieding van het smeekschrift der edelen, dat door hem aan de landvoogdes werd overgereikt.

Hendrik van Brederode
Zijn residentie Vianen werd zodoende een bakermat der Hervorming in deze streken. Er bevonden zich daar op een ogenblik niet minder dan drie calvinistische predikanten, die zich onledig hielden met het schrijven van Calvinistische boeken, die in Vianen door een drukker gedrukt werden en gretig hun weg vonden in de Nederlanden. Ook liet hij openlijk de hervormde godsdienst in zijn gebied prediken.
Hendrik van Brederode had zich door de hervormden laten overhalen om ’t bevelhebberschap op zich te nemen van het leger, dat de consistorie op de been zou brengen.
Hij begaf zich daarom naar Vianen en liet de werftrom roeren. Van heinde en verre stroomden de soldaten naar Vianen en spoedig had hij 3000 man op de been.
Zo scheen een ogenblik alsof de Alblasserwaard het centrum van de opstand tegen Spanje zou worden. Brederode was de man, die ons land nodig had. Vergeefs poogde Lodewijk van Nassau een betere samenwerking tussen hem en prins Willem van Oranje tot stand te brengen.
In 1567 vertrok Brederode naar Amsterdam en overleed kort daarna. De gevolgen van het verblijf van de Calvinistische predikanten waren echter niet uitgebleven. Een groot gedeelte van de bevolking had de nieuwe denkbeelden aangenomen. In 1566 was er een kerk buiten Gorinchem en de vervolgingen tussen 1566 en 1572 hebben de nieuwe leer niet kunnen uitroeien. Toen ook de Hervorming hier ingevoerd werd, was het in streng Calvinistische zin.

DE 80-JARIGE OORLOG

Geschiedenis-0602De Beeldenstorm van 1566
Het waren bange tijden, die nu volgden. De mare ging, dat men alom de beelden afgeworpen had en dat men in het openbaar de nieuwe leer predikte.
Hier bleef men voorlopig nog van de ongeregeldheden gespaard. In Dordrecht en omgeving had men “De Beeldenstorm” weten te voorkomen en de landvoogdes had daarvoor haar bijzondere erkentelijkheid betuigd. Later heeft men bij de invoering van de Hervorming de beelden, de altaren, enz. uit de Sliedrechtse kerk verwijderd, zonder dat er van ongeregeldheden sprake was.

Waarschuwing
Toch was het hier in de buurt ook bijna zover gekomen, want in 1567 was een zekere Jacob Fransz. Raidt uit Antwerpen in de Grote Kerk te Dordrecht binnengedrongen en had daar de beelden stuk geslagen. Hij werd echter ter dood veroordeeld en wanneer men naar Papendrecht liep kon men het ontzielde lichaam zien bengelen aan de Dordtse galg op de Zwijndrechtse zijde van de Noord.
Een en ander was een duidelijke waarschuwing voor de dorpen in de Alblasserwaard om zich voorlopig rustig te houden. Dit was vooral nodig, omdat de met zoveel hoop verwachte inval van de Prins van Oranje in 1568 deerlijk mislukte.

Loevestein
In 1570 zou het gevaar nader komen. De prins had een groots plan gemaakt om het vaderland van Alva’s tirannie te verlossen…
Tot dit plan behoorde ook de overmeestering van slot Loevestein en Dordrecht. Herman de Ruiters aanslag op Loevestein gelukte aanvankelijk wel, maar het is bekend hoe spoedig hij het onderspit moest delven voor de toesnellende Spanjaarden. Ook de aanslag van Jan Gijsbertsen Coninck op Dordrecht mislukte en hij moest daarvoor later te Brussel het leven op de brandstapel laten.
Aan de mislukking was ook niet vreemd de tweede Allerheiligenvloed van 1 november 1570, waardoor het verkeer ten zeerste belemmerd werd en waardoor de gezonden hulp te laat kwam.

Watergeuzen
Het jaar 1572 zou de beslissing brengen. De Watergeuzen namen Den Briel in en de geusgezinde Dordtenaren riepen de Geuzen naar hun stad, die ze op 23 juni bij verdrag in handen kregen, gevolgd op 29 juni door Gorinchem.
Met dat al was de tijd tussen 1 april en 23 juni een tijd van grote onzekerheid geweest. De rivieren werden door de Watergeuzen onveilig gemaakt en de schepen durfden niet meer zonder geleide voorbij Sliedrecht te varen. Ze bleven aan de Engel liggen om daar afgehaald te worden door een gewapende caegschuit.
Het woord van de Dordtse schout Jan van Drenckwaert, dat de Geuzen meer kwamen om te halen, dan om te brengen werd in de eerste tijd bewaarheid.
Een van de Geuzenkapiteins, een zekere Govert Wor, wiens vader Cornelis Wor, behalve hem nog twee zonen als kapitein bij de Geuzen had, opereerde in de Alblasserwaard. Hij nam Vianen en het huis ter Liesveld in en maakte zich aan grove uitspattingen schuldig. In een akte op het archief van Dordrecht wordt verteld hoe hij schout Cornelis Jansz. te Alblas mishandelde en hoe hij door Alblas liep met een bloot rapier (degen) in de ene en een vlok hooi en een brandende lont in de andere hand, roepende: “Ik moet een, vijf, zes huysen alhier in brant setten, eer ick deech dal hebben”.

Geschiedenis-0603
Kaartje omgeving 1570

Spanjaarden
Ook de Spanjaarden waren niet beter, want een zeker Spaans kapitein had van de hofsteden, koeien, paarden, schapen, varkens en huisraad geroofd en dat elders verkocht. Zo had men hier van beide zijden te lijden, terwijl de Spanjaarden ons bovendien te water vanuit Geertruidenberg benauwden.
Toen Dordrecht en de omliggende plaatsen naar de Geuzen overgingen nam het Spaansgezinde deel der bevolking de vlucht. De Geuzen noemden ze smalend:”De Glippers”.
De rijken vertrokken meest naar Brussel, maar de minder gegoeden, waaronder veel arme schuitenaars (schippers), begaven zich naar Geertruidenberg en gingen aldaar in dienst van de Spanjaard.

Mensenroof
Toen begon het gruwzame bedrijf van mensenroof. Reeds in 1572 vindt men vermeld, dat een aantal gewezen Dordtenaren in een schuit op de Biesbosch op de loer lagen, verwachtende “beuijt”. Dat ze ook werkelijk buit behaalden bewijst het volgende verhaal: Een zekere Pieter Willemsz., een lakenbereider van Delft, was, waarschijnlijk varende op de Merwede, door de “kidnappers” van Geertruidenberg gevangen genomen en gevankelijk Geertruidenberg binnengebracht. Daar zuchtte hij met zijn stadsgenoot Cornelis Jansz. Pottebakker in het riool (gevangenis) zonder veel uitzicht daar ooit weer uit te geraken, want men eiste een zwaar losgeld en werd dit niet betaald, wachtte de galg.
De cipier van de Gevangenpoort Adriaan Pauwelsz. liet zich echter verbidden en had ze naar eigen verklaring op de eerste zondag in mei 1573, omtrent ’s nachts om 11 uur, uit de gevangenis willen laten.
Maar … oh … snode dankbaarheid. Cornelis Jansz. weigerde zijn aandeel in het bedongen loon te betalen en daarom wordt Pieter Willemsz. alsnog gegijzeld en dit is de reden, waardoor wij deze episode, die zo treffend de onveiligheid van het platteland demonstreert, kunnen navertellen.

Prins Willem van Oranje
Het gevaar voor de Alblasserwaard in het algemeen en voor Sliedrecht in het bijzonder was zo groot, dat Prins Willem van Oranje persoonlijk naar Dordrecht kwam om plannen tot een betere beveiliging te maken. De Alblasserwaard heeft namelijk in de opstand een grote rol gespeeld, want wie de Waard bezat kon met geringe moeite het hart van Holland binnendringen. De Prins maakte daarom het plan Geertruidenberg te veroveren, wat op 31 augustus 1573 aan Poyet gelukte. Daardoor kon de vijand althans niet elk ogenblik over de Biesbosch met schepen een aanval wagen.

05 – De Gelderse Oorlog

Gelderland is het laatste gewest der zeventien Nederlanden geweest dat aan het Bourgondische huis kwam. Het duurde tot 1543 eer het bij het verdrag van Venlo het hoofd voor Karel V in de schoot legde. Reeds in 1473 was Karel de Stoute er als hertog gehuldigd en reeds toen scheen het pleit beslecht, maar de trotse Bourgondiër liep te hard van stapel in de beknotting van de rechten van adel en steden, zodat de Geldersen spoedig weer in opstand kwamen en het nog 70 jaar zou duren eer ze definitief onderworpen werden. De oorlog met Gelderland werd voor een groot deel uitgevochten op de grenzen van Holland en daarom hadden ons dorp en de gehele Alblasserwaard ook zo ontzettend van die oorlog te lijden. De vijand kwam in benden onverwachts opzetten en brandschatte de dorpen. Vaak kwam een dorp er slecht af als er niet spoedig genoeg de geldmiddelen gevonden konden worden om de eiser tevreden te stellen. Onverbiddelijk kraaide de rode haan en werden gijzelaars meegenomen die men later slechts tegen hoog losgeld kon loskopen.

Geschiedenis-0501
Kaartje met situatie ± 1500
Ten zuiden van Dordt zijn de gevolgen van de St. Elisabethsvloed goed te zien

De Geldersen komen
Na de terugkomst van Hertog Karel van Egmond in Gelderland (1492) werd de oorlog hervat. Met wisselend geluk streed men om Leerdam dat herhaaldelijk door één van de partijen ingenomen werd. In 1504 zou het voor de Alblasserwaard menens worden. De Geldersen vielen onverwacht door het land van Vianen de Dordtse Waard (zo werd de Alblasserwaard toen meest genoemd) aan om die te plunderen. De stad Dordrecht had een dergelijke inval reeds voorzien en men was bezig een blokhuis tegen de Geldersen te bouwen. Er wordt niet vermeld waar dit gelegen was, maar hoogstwaarschijnlijk was het onder Hardinxveld waar ook het blokhuis in latere jaren was.
Het blokhuis was nog niet geheel voltooid toen het door de Geldersen aangevallen werd en bovendien vertoefden er slechts 12 of 13 man, onder de Dordtse Hopman Jan Bloxem, die zich zo dapper mogelijk verdedigden, doch het natuurlijk tegen de overmacht niet konden bolwerken. Vooral toen de Geldersen drie wagens met hooi voor het blokhuis brachten en deze aanstaken om zo de verdedigers door de rook te verdrijven. Toen dat gelukt was rukten zij voort in de richting van Sliedrecht en Dordrecht. Ondertussen was de mare van de komst der Geldersen ook te Gorinchem doorgedrongen en Heer Floris van IJsselsteyn, die daar met troepen lag, stuurde per schip voetknechten en ruiters om de vijand tot terugtocht te noodzaken. Deze terugtocht ontaardde al spoedig in een ordeloze vlucht. De Geldersen bleven met hun voeten in de vette klei van de door aanhoudend nat weer doorweekte dijk zitten en ontdeden zich, om des te sneller te kunnen vluchten, van hun schoeisel. Later werden door de inwoners meer dan 1000 paar schoenen en soflootsen (schoenklompen) uit de klei getrokken. Door deze mislukte poging waren de Geldersen niet afgeschrikt, want zij keerden het volgend jaar weer terug en “heerden, ruyten, roofden en branden opten Hollanders”. Zij brandschatten zelfs tot voor de poorten van Dordrecht. Maar het ergste zou nog komen.

De Geldersen komen terug
Met afwisselend succes was de Gelderse oorlog slepende gehouden. Men was hier na 1505 vrijwel van overlast verschoond. In het laatst van 1511, toen niemand meer een aanval verwachtte, omdat men in die tijd alleen ’s zomers vocht, kwam plotseling de vijand opdagen. Eerst hadden de mannen van Karel van Gelre in de Meierij van Den Bosch geplunderd en direct daarop waren ze door het land van Altena gekomen om op 13 November 1511 Woudrichem in te nemen. Woudrichem was een stad van de heer van Hoorne en de Geldersen wilden hem straffen, omdat hij na 1504 naar de Bourgondische partij was overgelopen. Hendrik van Nassau, slotvoogd van Loevestein en Floris van IJsselstein te Gorinchem trachtten onmiddellijk Woudrichem te heroveren, wat echter mislukte door de geringe medewerking der omwonenden. Overal heerste de grootste ontsteltenis, want elk ogenblik kon men nu een aanval op Holland verwachten, waarbij de Alblasserwaard het eerst aan de beurt zou zijn. Ieder was op eigen lijfsbehoud bedacht en trachtte eigen land en stad in staat van tegenweer te brengen. Dordrecht zorgde ook voor de beveiliging van de Alblasserwaard te water en te land. Te water betekende dit een wel bewapende vloot van rivierschepen die bemand met een kapitein en een aantal knechten dienst deed op de Merwede en een werkzaam aandeel had in het beleg van Woudrichem. Op 27 februari 1511 (wij zouden al 1512 schrijven, maar men begon toen het nieuwe jaar eerst met Pasen) werd Anthonis Rootbeen met nog 4 andere schippers “bij den heeren van der stede… aengenomen om te dienen voer Woudrichem”.
Op 2 Maart 1512 werd Woudrichem eindelijk ingenomen en moesten de Geldersen er van afzien om aan deze zijde Holland binnen te vallen. Nu probeerden ze of het niet wilde lukken om langs de Lek, verder van het gevaarlijke Dordt af, in Holland te komen. Gelukkig was men hier ook op bedacht geweest en zond men zo snel mogelijk ook daar schepen heen. In een rekening van dien tijd staat: “Alzoe in April anno XII (1512) hier tijdinge gecomen was, hoe dat Karel van Egmond (d.i. de hertog van Gelderland) zekere vergaderinge van knechten vergadert had om te comen in Zuydholland ende daer eenen opslach te doen. Waarom die Heeren van der stede pinsy op hebbende om dat te wederstaan, uutgesonden hebbend dese drie nagescreven schippers met haren schepen in die Leck”, enz.

Voorzorgsmaatregelen
Ook te land had men goede voorzorgsmaatregelen genomen. De stad had een aantal “cappiteynen ende knechten” aangenomen “tot beschermenisse van den Lande” en “tot beschermenisse van den Alblasserwaert”. Onder hen komt o.a. voor Heer Jan Wena, heer van Ghiessenburch. Deze troepen lagen in een sterk blokhuis, dat bij Hardinxveld gebouwd was en in het stadje Nieuwpoort. Daardoor had men de twee grote toegangswegen over de dijk naar de Alblasserwaard afgesloten, wat nodig was, omdat men nooit wist van welke zijde de Geldersen aan zouden vallen. Toch had de vijand kans gezien de Alblasserwaard binnen te komen, waarschijnlijk door de binnenwegen in het hart van de Waard, die men niet zo goed kon verdedigen. In januari 1512 stroopten ze tot ver in de Dordtse Waard tot tegenover Dordrecht, waar zij een aantal zowel gewapende krijgsknechten, als weerloze huislieden (boeren) doodsloegen. Zelfs in Den Haag begon men een aanval te vrezen. In mei 1512 herhaalde de vijand zijn aanval. In een brief van 2 mei 1512 waarschuwde Jan van der Aa, drossaard van Gorinchem, de kapitein Adriaan van Gorichem, die te Nieuwpoort lag, dat de Heer van Gelre in aantocht was naar Schoonhoven en Nieuwpoort en dat hij op zijn hoede moest zijn. Ook de stad zond toen weer oorlogsschepen op de “waerscuwinge hier gecomen van den Geldersen die in groote menichte vergadert waren”. Maar de Hertog van Gelre had altijd de keus van de plaats van aanval en zodoende was het een voortdurend heen en weer trekken van troepen, terwijl de vijand tenslotte zijn slag sloeg op een onbewaakte plaats.
Op Sinte Katharinendach anno XII (25 november 1512) was het weer nodig dat kapitein Adriaen van Gorinchem, die toen te Hardinxveld lag, met zijn knechten tot bewaernis van den Waert gezonden werd in die Nyiepoort bij Schoenhoven om die te bewearen tegen de Geldersen. Het mocht niet veel baten, want op 27 april van het jaar 1513 moesten “die heeren van der stede alsoetlant van Zuythollant dagelijks zeer beschadicht wert van den Geldersen” nog weer een nieuwe kapitein Ulrich van Basel met 72 knechten aannemen om die Geldersen te resisteren (weerstaan) tot defensie van den Alblasserwaard.”
Alle waakzaamheid van kapiteins en soldaten kon niet beletten, dat de vijand te water zijn slag sloeg met platboomde vaartuigen, vanaf Bommel de Waal en Merwede afzetten en hier jammerlijke verwoestingen aanrichtten. Het ergste gebeurde in de zomer van 1513.
Op de “25-sten dach in Julio op Sinte Jacobsdach Anno XII waren die Geldersen metter macht in den Alblasserwaert” gekomen “en bornden (branden) en roefden aldaar”. In allerijl zond Dordrecht weer schepen en krijgsvolk, maar het was al te laat om de vijand af te weren. Bleskensgraaf werd op die ongeluksdag geheel platgebrand. De kerk met torens en twee torenklokken, twee watermolens en alle huizen op één na werden een prooi der vlammen.
Na dezen verwoestende aanval had Dordt het aantal schepen nog aanmerkelijk uitgebreid en zo bereikte men dat “de hertog van Sassen, bevelhebber van Gelre in 1514 over de stroomen niet conde comen” met zijn knechten van wie men “dachten dat zij in den Alblasserwaert ende in Zuythollant gecomen soude hebben”. Na de definitieve aftocht van de Geldersen kon men in de Alblasserwaard de schade gaan berekenen, die in de laatste jaren geleden was. In de informatie voor de verponding van 1514 komen daaromtrent belangrijke gegevens voor. Er staat o.a. in de Alblasserwaard: “Dese dorpen zijn al meest verbrant, gepilleert (verwoest) ende beroert geweest ende gestelt in verdinghe (afkoop van brandschatting) van den Geldersen, gelijck breeder blijckt bij de (afzonderlijke) informacie, daromme zij dese lasten niet draghen en mogen maer sullen moeten verlicht wesen elck naedat hij beschadicht is geweest” Zoo had elk dorp in de Waard zijn bijzondere klachten en schaden.

Sliedrecht kwam met de schrik vrij
In Sliedrecht was men er nog vrij goed afgekomen, wel had men 2000 schilden moeten leenen upt lichaam ende tot laste van den dorpe”, maar gelukkig bleef het bij schade in geld. Dat was echter toch nog een grote last voor het dorp, want men moest jaarlijks geven “den penninck veertienrenten” d.w.z. dat men ruim 7 1/2 pct. rente moest betalen. Dat de kerk in deze tijd door de Geldersen zou zijn verbrand berust op een misverstand. De post, die onmiddellijk voorkomt na het bedrag van 2000 schilden der schatting spreekt van een bedrag van 2,5 rente d.w.z. 12 gulden per jaar, ter casse van tupmaicken van huerder kercke. Er is hier dus sprake van een geldsom, die men geleend heeft voor het herstel der kerk. Voor een bedrag van ongeveer 100 gulden kon men ook in dien tijd geen kerk bouwen. Andere dorpen hadden veel meer geleden. Het kleine Wijngaarden had de laatste 3 jaar wel 5000 schilden betaald aan rantsoen van gevangenen en afgebrande molens. Ook de molens van Ottoland, Laag Blokland, Goudriaan en Bleskensgraaf waren afgebrand. Giessendam en Giessen-Oudkerk hadden 42 inwoners weg zien slepen waarvan er 2 doodgeslagen werden.
Bovendien betaalden ze wel 12.000 guldens aan losgeld. Op Hardinxveld, waar het Dordtse blokhuis gestaan had, was de vijand wel het meest gebeten. Bij de aftocht werden daar 180 van de rijkste inwoners gevankelijk weggevoerd. Het ergste had Bleskensgraaf geleden. De bevolking woonde daar in keetjes en was zo arm, dat naar men verklaarde de meeste inwoners als “zij het een broot up hebben, dat zij niet weten, waar zij dat ander halen sullen”.
Zo was er door de Geldersen oorlog veel ellende en armoede in de Waard gekomen en het zou jaren duren eer de schade ook maar gedeeltelijk was ingehaald.

Dijkbraken en overstromingen in de 16e eeuw
Voorlopig kreeg Sliedrecht geen kans om zich van de in de Gelderse oorlog geleden verliezen te herstellen. Door de oorlogen waren de dijken in zeer slechte staat van onderhoud. Vele heren hadden de spade op de dijk gestoken en vele eigenaars hadden hun landen als “vluchtlanden” voor de dijk laten liggen. Het is dan ook geen wonder dat men in deze tijd van een groot aantal dijkbreuken hoort. Op 21 oktober 1468 en 1 november 1470 was de Waard reeds bij stormvloed ondergelopen, welke ramp gevolgd werd door doorbraken in 1496 en 1497. Na een korte onderbreking begon de serie doorbraken weer in 1523 met het doorbreken van de Diefdijk, terwijl in 1530 en 1532 de Merwededijk bij Papendrecht doorbrak. In 1552 moesten we het zelfs tweemaal in een jaar ontgelden, want op 14 januari en 14 november van dat jaar brak de Merwededijk door. In 1565 volgde nogmaals een doorbraak van de Diefdijk.
De grootste ramp was echter de doorbraak op 1 november 1570, de zogenaamde. tweede Allerheiligenvloed. De Merwededijk brak bij Papendrecht door en zodoende stond alles hier blank.
Sommige schrijvers beweren dat men na de Allerheiligenvloed het water jaren in de Alblasserwaard hield staan in de strijd tegen de Spanjaarden, maar dit is niet juist. Hoogheemraden van de Waard hadden direct de handen ineen geslagen om het gat in de dijk te dichten. Dit blijkt duidelijk uit een akte van 7 april 1571, waarin o.a. staat , dat ze ” den oncosten van de dijckage gevallen op ’t gat ofte inne gebroecken dijck binnen de heerlijckheijt van Papendrecht gedaan hadden op de mergentalen ende niet op de hoeven ” d.w.z. men had de onkosten door de ingelanden per morgen laten betalen en niet per hoeve, zoals voordien.
Na aanvankelijk succes bij de herdijking volgden diezelfde winter op 11 februari 1571 doorbraken van de Linge-, Dief- en Merwededijken, die de Waard zo arm en berooid maakten dat haar krachten uitgeput waren en men er over ging denken het land maar te laten drijven. De Staten van Holland kwamen daarom de inwoners tegemoet en scholden hen op 5 december 1571 hun aandeel in de bede, bedragende 3585 ponden kwijt, teneinde hen in de hoge kosten van herdijking tegemoet te komen.
Over de inundatie tijdens het verblijf der Spanjaarden in de Alblasserwaard zal in het vervolg van ons verhaal: de Spaanse Tijd, gesproken worden.

Geschiedenis-0502
Oud beeld van De Wiel.
Deze is bij een dijkdoorbraak ontstaan.

 

 

04 – St. Elisabethsvloed

Geschiedenist-0401
St. Elisabethsvloed

De opkomst van de aannemerij is sterk bevorderd door de St. Elisabethsvloed, 18 November 1421, waarbij 72 parochiën verdronken en de Biesbosch ontstond. Het was een ramp zonder weerga, die echter de toekomst van Sliedrecht ten zeerste zou beïnvloeden. Tegenover Sliedrecht lag, Craijensteijn en juist ten westen van dit kasteel had men ruim vóór 1421een grote inlage in de dijk moeten maken. Daardoor was een groot stuk voorland ontstaan, dat door aanslibbing hoger was komen te liggen dan de Groote Waard. In 1421 was dat land reeds zo hoog, dat het niet, zoals de veenlanden, weggespoeld werd.
Dit stuk land kwam later aan verschillende eigenaars in Sliedrecht, die voor het recht van aanwas jaarlijks 6 pond Vlaams d.i. f 48.= moesten betalen. Uit het bezit van bovengenoemde plaat is de latere polder Craijensteijn voortgekomen. Van Craijensteijn uit hebben de Sliedrechtenaren stap voor stap nieuw land aangewonnen. Ook achter de relicten (restanten) van de oude dijk had aanwas plaats.
Telkens leest men van nieuwe rietplaten en grienden achter Craijensteijn. Het daar geteelde griendhout werd steeds door de Sliedrechtenaren verhandeld en verwerkt, zodat ze in dit gedeelte van de aannemerij een bijzondere vaardigheid kregen.
De ramp van 1421 had ook de vraag naar rijshout geweldig doen toenemen. Zo moest Dordrecht, om niet ten onder te gaan, overal geweldige rijsdammen en hoofden aanleggen b.v. het Riedijkse hoofd, het Groothoofd, het hoofd buiten de Vuilpoort, enz. enz. Het gebeurde ook meermalen, dat Sliedrecht en de andere dorpen in de omgeving niet voldoende rijshout konden leveren en dat men zelfs naar Gelderland moest reizen voor het gezochte artikel.

Grondwerkers
Bij de havenuitdiepingen van Dordrecht in de 15-e eeuw komen we ook grondwerkers uit Sliedrecht tegen. Merkwaardig is, dat in 1485 de grondwerkers, die tevens met paard en wagen werkten, bijna allen uit Sliedrecht kwamen. Hier ging dus de Sliedrechtse boer, van huis uit aan dergelijk werk gewoon, met paard en kar er op uit om elders geld te verdienen. Reeds in deze tijd kwam men bij de verschillende grote werken meer Sliedrechtenaren tegen, dan arbeiders uit andere gemeenten.
Stad en platteland verleenden elkaar in de middeleeuwen bij grote werken bijstand. De stad gaf geldelijke bijstand bij overstromingen en bedijkingen, terwijl de dorpen in Zuid-Holland aan de havenuitdieping moesten medebetalen of anders mannen moesten inzetten. Sliedrecht verkoos meestal het laatste. In 1461 moest het dorp 4 man leveren of 72 gulden betalen. Zij betaalden maar 4 gulden en 8 stuivers “ende voir d’ander hebben sij gedient” staat er in de rekening. Andere dorpen gaven de voorkeur om in geld te betalen b.v. Bleskensgraaf, dat eveneens 4 man moest leveren, doch wel 21 gulden betaalde.
Wanneer er aanbestedingen waren, werd Sliedrecht nooit vergeten. Telkens leest men in oude stadsrekeningen van Dordrecht, dat er brieven van aanbestedingen gedragen werden “tot Slydrecht ende tot Ghiessenkerck”. Ook bij het besteden “van zeecker aertwerck uijt te graven aen de Spoyepoorte” te Dordrecht waren de Sliedrechtenaren aanwezig, evenals in veel later tijd bij het graven van de Kalkhaven. Men kan dan ook stellen dat ze zich naast landbouw en veeteelt onderhielden “mit spitten ende delven”.

Een eigen weg
Het is erg opmerkelijk, dat bij de ontwikkeling van het dijken en de aannemerij elk dorp een eigen weg ging. Sliedrecht kreeg, zoals reeds vermeld werd, een bijzondere kennis van rijswerken als gevolg van het onderhouden met rijs van de eigen schoordijken.
Papendrecht ging weer een heel andere weg. Door de talrijke wielen, die daar tijdens de veelvuldige doorbraken ontstonden kreeg men bijzondere kennis van het wederbedijken van die wielen. Zelfs tot in Zeeland werden de Wielendijkers uit Papendrecht gehaald.
De stad Dordrecht had van oudsher veel sluizen o.a. een schutsluis in ’t Spui. Tevens werd het eikehout, voor de sluizen benodigd, daar verhandeld. Eén en ander was oorzaak, dat in Dordt veel “meesters van Sluiswerken” voorkwamen.

Dijkwerkers
Het is een feit, dat juist uit de omgeving van Dordrecht zoveel mensen in Zeeland gingen werken. Dat had een bijzondere oorzaak. Uit een vonnis van Filips II van 1561 en uit andere stukken uit die tijd blijkt, dat de Zeeuwen en in het bijzonder de bewoners van Westkapelle te Dordrecht hun hout, rijs en steen kwamen kopen.
De bewoners van Westkapelle, die aan hun dijk werkten, waren van een geheel ander slag dan de Zeeuwen. Ze kenmerkten zich door een forse lichaamsbouw, blond haar en blauwe ogen. Zij huwden steeds onder elkaar en bemoeiden zich weinig met de eigenlijke Zeeuwse bevolking. Men heeft vele gissingen gemaakt over de afkomst van deze dijkwerkers, en ze zelfs wel van Deense vissers af willen laten stammen. Het is echter juister om aan te nemen, dat de dijkmeesters afkomstig waren uit de streek, waar ook de materialen voor de dijk gehaald werden. Waar nu gebleken is, dat men voor de Westkapelse zeedijk de materialen uit Dordrecht en omgeving haalde, moeten we ook aannemen, dat de dijkwerkers uit de streek langs de Merwede, dus ook uit Sliedrecht afkomstig waren.
Hiervoor pleit niet alleen hun type (blauwe ogen, blond haar) , maar ook hun organisatie bij het werk. Men was in Westkapelle n.l. georganiseerd in ploegen, die men daar “benden” noemde en deze organisatie herinnert sterk aan het ploegenstelsel, dat men in onze streek reeds in de middeleeuwen vond. Hoogstwaarschijnlijk hadden we te doen met een nederzetting van dijkwerkers uit Sliedrecht en omgeving en wel van voor 1527. Mogelijk is de onveilige toestand tijdens de Gelderse oorlog in die tijd ook niet vreemd geweest aan deze verhuizing.
In de 17de eeuw kwam er nog iets anders bij. In 1623 was n.l. Mr. Jacob Cats pensionaris van Dordrecht geworden. Cats was afkomstig uit Zeeland en had zich na 1611 bezig gehouden met het bedijken van grote complexen van landen in Zeeuws-Vlaanderen, die tijdens de troebelen door de eigenaars verlaten waren. Toen Vader Cats in Dordt kwam wist hij daar al spoedig de lieden van het grootkapitaal, o.a. Jacob de Witt, de vader der gebroeders de Witt, voor die bedijking te interesseren.

Financiering grote werken
De moeilijkste afdeling van de aannemerij was de financiering van grote werken en het dekken van het risico verbonden aan dergelijke werken. In de eerste eeuwen was het onmogelijk, dat Sliedrecht zelf deze afdeling der aannemerij zou kunnen ondernemen. De verschillende oorlogen (Gelderse oorlog, 80-jarige oorlog) hadden het dorp op ontzettende wijze verarmd.
Voorlopig kwamen de aannemers d.w.z. degenen, die het werk financierden uit de steden. Dit was b.v. het geval bij het bedijken van de Grote Wiel onder Papendrecht in 1578, toen Maerten Verhooch of van der Hoch uit Delft het werk aannam, maar het liet uitvoeren door Maerten Dircksz, schout van Papendrecht, met volk uit Papendrecht en Sliedrecht. Slechts kleinere werken bleven over. Bij de financiering van deze werken volgden de dorpen, althans in de 17de eeuw, een verschillend systeem.
In Sliedrecht was het vaste gewoonte dat men het geld bij dorpsgenoten leende. Dit was van het grootste belang, want daardoor bleven kapitaal en rente in het dorp en dat maakte velen hoe langer hoe meer onafhankelijk. Andere dorpen leenden bij de geldschieters in de steden en werden daardoor meer afhankelijk van het stadskapitaal.
Het beeld van de aannemerij in Sliedrecht is er een van gestadige groei. Lang heeft het geduurd eer men werken van enige omvang kon ondernemen, maar tenslotte zegevierde men ook in financiële zaken.

Bedijking van de Alblasserwaard
Zoals reeds eerder vermeld werd, waren in onze omgeving voor 1105 de grotere polders, die nu nog de afzonderlijke polders in de Alblasserwaard vormen, reeds ingedijkt. Deze polders moesten aan drie of vier zijden waterkerende dijken hebben, wat natuurlijk zwaar op het land drukte.
De Zwijnskade, eigenlijk Zijdewindsekade, was oorspronkelijk de oostelijke buitendijk van de polder Sliedrecht. Zij brak in die tijd ook door, want de bekende knik in de kade is zeer duidelijk een inlage bij een wiel uit die tijd.
Het verlangen om tot een meer omvattende inpoldering te komen moet dan ook wel algemeen geweest zijn, temeer daar men bezuiden de Merwede reeds de Groote- of Zuidhollandse Waard had ingedijkt. Twee dingen waren voor zulk een inpoldering nodig. Ten eerste moest het rendabel zijn om het minder vruchtbare veen, alleen geschikt voor veeteelt, in te dijken en ten tweede moest er een macht zijn die altijd twistende adellijke heren van de heerlijkheden tot samenwerking bracht.

“Der keerlen God”Onder de regering van Floris V zouden deze beide voorwaarden in vervulling gaan. In de eerste plaats had, juist in de jaren voor 1277, een geweldige uitbreiding van de bevolking van Dordrecht plaats. Door allerlei voorrechten hadden de Hollandse graven van Dirk VII tot Floris V de opkomst der steden bevorderd. Door vrijdommen van tollen (1250), in ’t bijzonder de uitbreiding van vrijdom tot wol en laken in 1278, werden de Vlaamse lakenbereiders naar Dordrecht gelokt. Vooral daardoor werd het een grote stad met een uitgebreide bevolking. De naaste omgeving moest, behalve voor graan, dat vanuit de Oostzee-landen werd ingevoerd, zorgen voor de levering van allerlei levensbehoeften als vlees, zuivelproducten, enz. Daardoor steeg de waarde van het land en werd het lonend ook veenlanden in te dijken. Behalve op de steden steunde Floris V in zijn strijd tegen de adel ook op het platteland. Veel, zeer veel heeft hij gedaan voor de plattelands-bewoners. Hij heeft daaraan ook zijn toenaam: “der keerlen God”, d.w.z. de god van de boeren, te danken. De macht van Floris V was ook zo groot, dat hij de grote heren tot samenwerking kon dwingen. 31 Maart 1277 was een gewichtige datum voor de Alblasserwaard, toen nog het land tussen Lek en Merwede geheten, want op dien dag gaf Floris V een charter, waarin de eerste omgaande bedijking geregeld werd, hoewel slechts een gedeelte van het tegenwoordige grondgebied daarin begrepen was.
Twee dijken
In het oude perkamenten stuk wordt gesproken van twee dijken. De westelijke dijk liep langs de Matena, die voordien uit twee buiten-poldertjes: Noord-, en Zuid-Matena bestond, maar nu bij de polder Sliedrecht kwamen. Dit deed men, omdat men dan de westelijke dijk van de Matena door ophoging geschikt kon maken voor buitendijk. Aan het einde van de Matena maakte de dijk een knik en ging vandaar naar een thans niet meer bestaande dam in de Alblas. Blijkbaar durfde men een afdamming bij het tegenwoordige Alblasserdam toen nog niet aan.
Van die dam in de Alblas liep de buitendijk ten westen van de Donk naar de Strevelandse polder, waarvan men weer de westelijke dijk als buitendijk gebruikte. Feitelijk was dus hier de gehele bedijking niets anders dan een verbindingsdijk of zijdewinde tussen de uiterste punten van bestaande polders Streveland en Matena. Tegenwoordig heet die buitendijk van 1277 Matenase Scheikade, Peilkade en de Zijdeweg. Heel goed kan men het karakter van buitendijk van de Zijdeweg herkennen, want op kaarten uit de 19-e eeuw en ter plaatse ziet men nog heel duidelijk een tweetal wielen achter die weg. Daar zijn dus een paar doorbraken geweest toen de Zijdeweg nog buitendijk was. De oostelijke dijk liep van Ameide zuidwaarts en werd Ameider Zijdewinde genoemd, tegenwoordig Zouwendijk.
Hij liep van Ameide naar “den Donck”, d.i. Hoog Blokland en gebruik makend van die natuurlijke hoogten, die met dijken aangevuld werden, naar de Horrendam, een dam in de Giessen bij Hoornaar. Vandaar ging hij langs de reeds bestaande dijken ten noorden van de Giessen. Uit het feit, dat hier slechts van twee dijken of zijdewinden sprake is en de dijken langs de Lek en Merwede, die toch bij een rondgaande bedijking niet gemist kunnen worden, niet genoemd zijn, blijkt duidelijk dat die dijken en dus ook de polders Sliedrecht, enz. reeds bestonden. Bij de bedijking van 1277 behoorde dus nog niet het westelijk gedeelte van de Alblasserwaard met Papendrecht, Alblasserdam, Donkersloot enz. Voor 1320, mogelijk reeds in 1298, werd de Alblas afgedamd en toen in 1365 ook het gedeelte tussen Giessendam en Gorinchem er bij kwam was de Alblasserwaard in haar tegenwoordige grootte aanwezig. Alleen verloor men in 1373 de polder en het dorp Donkersloot, welk gebied thans in het eiland IJsselmonde ligt. Uit de bedijking van 1277 trok Sliedrecht het voordeel dat het zich nu slechts aan een zijde behoefde te verdedigen tegen de Waterwolf, nl. aan de Merwedezijde. Die zijde was al gevaarlijk genoeg, want 12 jaar later waren de dijkkosten al zo hoog dat de heer van de heerlijkheid Over-Sliedrecht ze niet wilde aanvaarden, maar ze ten laste van het dorp liet (1289).

Een grote last
Het dijkonderhoud was wel een grote last voor de bewoners, maar het verzekerde ook een betere dijkverzorging want nu onderhielden de direct belanghebbenden hun eigen dijk, terwijl anders afgewacht moest worden of de heer genegen en in staat was zijn plicht te doen. Het betere onderhoud is wel één van de grootste oorzaken van het feit, dat in 1421 niet de Sliedrechtse dijk, eigenlijk de gevaarlijkste, bezweek, maar de dijk van de Groote- of Zuidhollandse Waard. Omstreeks deze tijd is waarschijnlijk in de polder Sliedrecht een grote verandering ingevoerd. Vroeger was het land verdeeld in hoeven. De gezamenlijke hoeven zorgden voor de dijken, waarbij elke hoeve een bepaald stuk dijk onderhield. Doordat nu slechts een der vier dijken waterkerend werd was een nieuwe regeling nodig. Wat er toen geschiedde zou men het best met ruilverkaveling kunnen vergelijken. De polder werd nu verdeeld in weren, d.w.z. elk stuk land, onverschillig van de oppervlakte zou zich voortaan uitstrekken van “de Wingertsche halve kaedesloot tot het schoor van de Merwede toe” Elk weer moest het onderhoud dragen van de dijk aan het hoofd van dat weer gelegen. Bij de verschillende bedijkingen was door de graaf bepaald, dat wie minder dijk zou te onderhouden krijgen elders andere dijkvakken zou moeten aanvaarden. Daardoor kwam het dat Giessendam, Wijngaarden, enz. bepaalde “slagen” van de Sliedrechtse dijk moesten onderhouden. De polder Sliedrecht had daarentegen weer verplichtingen bij het onderhoud van de Zouwe en Bazeldijken en van de dijk onder Alblasserdam.

“Heeringdragen”
Dit riep een merkwaardige oude gewoonte in het leven nl. het “heeringdragen” op de dijk, waarbij men natuurlijk niet aan haring dragen moet denken. Het heering dragen werd gedaan door schout en schepenen van de dorpen en wel op de dijken, die ze elders moesten onderhouden.
Het dorpsbestuur moest nl. bij de schout, van wie er dijken ter plaatse aanwezig waren, door het heering dragen erkennen dat zij verplicht was tot het onderhoud van die dijk.

18 November 1421 De Sint Elisabethsvloed
Grote gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit, zo ook bij de ramp van 18 November 1421 die, omdat ze in de nacht voorafgaande aan de naamdag van de Heilige Elisabeth plaats greep, naar de heilige is genoemd. Men heeft de St. Elisabethsvloed aan verschillende oorzaken toegeschreven., zoals het slechte dijkonderhoud tengevolge van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, het uitmoeren van het veen in de nabijheid van de zeedijken, enz. Onze grote rivieren voeren in hun loop grote hoeveelheden zand mee, dat zich in haar benedenloop afzet. Voorheen meende men dat dit zand tenslotte de zee bereikte, maar uit recente studiën is gebleken dat het zand van de Merwede niet verder kwam dan Puttershoek en zich tussen Gorinchem en Puttershoek als het ware steeds ophoopte. De Merwede verhoogde dus voortdurend haar bedding en deze kwam tenslotte hoger te liggen dan het land er omheen. De rivier liep dus juist uitgedrukt over een heuvelrug van zand. Om dit euvel te verhelpen kon men twee wegen inslaan, nl. de dijken verhogen of het zand wegbaggeren. Het laatste paste men later toe, maar daar men vroeger de hulpmiddelen voor een dergelijk werk niet bezat, moest men wel tot het middel van dijkverhoging overgaan. Het was a.h.w. een wedloop. Wie zijn dijk het meest ophoogde en het sterkst maakte, was het best beveiligd. Uit de gebeurtenissen voor 1400 blijkt duidelijk hoe groot het gevaar toen reeds werd. Voor 1365 waterde een groot gedeelte van het land tussen Lek en Merwede af bij het latere Giessendam.
Zelfs de polder Langerak bracht er sedert 1281 zijn water heen. Het blijkt echter dat de waterstanden van de Merwede in 1366 zo hoog waren geworden dat een goede waterlozing daar niet meer kon plaats vinden. Aan de belanghebbende heren en dorpen werd nu vergunning verleend om een watergang te graven naar het Elsschot, waar de vloeden lager afliepen. Dit is de thans nog bestaande uitwatering van de Overwaard. In 1369 volgde de Nederwaard die de watergang aanlegde van de Alblas naar het Elshout en het Nieuwe Waterschap stichtte. Andere oorzaken van de hoge waterstanden op de Merwede waren ook nog de bedijkingen van Hardinxveld tot Gorinchem tussen 1280 en 1330 en de afdamming van de Oude Maas bij Heusden, waardoor al het water van de Maas op de Merwede werd gebracht.

Onrustige tijden
Nu had men het onheil nog wel kunnen voorkomen door goed onderhoud der dijken, maar daartoe waren de tijden te onrustig. De Hoekse- en Kabeljauwse twisten beleefden in deze streken hun hoogtepunt.
Wij behoeven slechts te herinneren aan het beleg van Gorinchem (1409), het beleg van Dordrecht en de verwoesting van het Huis te Merwede, beide in 1418. Ook in de Alblasserwaard was het onveilig, want in 1406 was men zo ver gekomen, “dat men gheen recht in de Alblasserwaert en doet”. Geen wonder dat men in deze tijd van talrijke doorbraken gewag maakt. De eerste, die van de zuidelijke Merwedijk, had plaats in 1374. Daarop volgden er in 1376, 1377, 1379 en 1396. Die van 1376 was bij Werkendam, waar ook in 1421 de grote doorbraak zou plaats grijpen. Herhaaldelijk moest van hogerhand ingegrepen worden om de onderhoudsplichtigen te dwingen om de wielen in te dijken. Opmerkelijk is, dat geen enkele maal van doorbraken aan de Noordzijde van de Merwede gesproken wordt. Dit was een gevolg van de meer democratische inrichting van het bestuur en het dijkbeheer in de Neder- en Alblasserwaard. Wanneer in de Alblasserwaard de heren hun dijkplichten niet nakwamen, nam het gemene land van de Alblasserwaard de goederen van die heren over en zorgde zelf voor het dijkonderhoud. Zo namen ze op 7 augustus 1421 de goederen van het geslacht Giessen nl. Molenaarsgraaf, Alblas, Alblasserdam, Kinderdijk, enz. van de graaf over, omdat die van Giessen de spade op de dijk gestoken hadden en hun land voor de dijk hadden laten liggen.

Belangrijke gevolgen
De ramp van 1421 zou voor Sliedrecht belangrijke gevolgen hebben. In de eerste plaats waren velen naar de overzijde van de Merwede gevlucht en bleven daar wonen in de hoop dat te eniger tijd hun land herdijkt zou worden. Toen dat niet gebeurde, zochten ze andere bronnen van bestaan als vogelarij, visserij, enz.
Al heel vroeg was Sliedrecht een dorp dat, gerekend naar de grootte in morgens, veel meer inwoners had dan de andere dorpen in de Alblasserwaard. Een oud spreekwoord zegt dan ook: “Sliedrecht groot, Alblas rijk”. In de tweede plaats zou het verdronken land het gebied opleveren, waarop Sliedrechts welvaart gebouwd is. Vanzelfsprekend was het gevaar voor de Alblasserwaard na 1421 veel groter geworden. Men moest nu de stormen, opgezweept op de grote watervlakte van de Biesbosch, zoveel hoger opliepen tot verhoging van de dijken overgaan. In 1425 was van men daarmede bezig, want toen kregen alleen die in de “dijkagie” van de Alblasserwaard werkzaam waren een vrijgeleide van Graaf Jan van Beieren. De 15e eeuw is een eeuw geweest van doorbraken van de dijk. Jhr. Teixeira de Matthos telde aan het eind van de 15e eeuw en begin der 16e eeuw niet minder dan 13 doorbraken en overstromingen. Gelukkig dat de stad Dordrecht zich steeds behulpzaam toonde bij het herdijken en zich daarvoor grote geldelijke opofferingen getroostte.
Zo wendde de stad zich in 1483 tot Maximiliaan en Philips van Oostenrijk, met de bede om een regeling van het dijk- en waterschapsrecht, omdat: “de Alblasserwaert onder de vaorsz. supplianten gelegen in ’t quartier van Zuyt-Hollandt in groote vreese ende sorge dagelijcks is, overmits de last van de water ende quade dijcken” en “dat men die sonder groote provisie niet houden en mag, soo dat wel van grooten noode is met alre haest daerinnen te voorsien”.
Men vreesde in deze tijd zelfs, dat men de Alblasserwaard op de duur niet zou kunnen houden, maar met vereende krachten is dat toch gelukt.

03 – Sliedrecht Benoorden de Merwede

We steken de Merwede over en komen dan toe aan de oudste geschiedenis van onze gemeente aan de noordzijde van de Merwede. Zeer schaarse berichten staan ons hier ten dienst en met dit weinige moeten we trachten ons een beeld te vormen hoe het er in deze tijden toegegaan is.
Dit gebrek aan bronnen vindt zijn oorzaak in het feit, dat in onze gemeente behalve dan het oude tolhuis, nooit een middeleeuws kasteel gestaan heeft. De Heren van Sliedrecht waren meestal de heren van De Merwede en van Crayesteyn en die woonden in hun kastelen aan de zuidzijde van de Merwede. Na het stuk van 1064 (1140), waarin over Menkenesdrecht gesproken wordt, vernemen wij nooit meer iets van die naam.

Geschiedenis-0301
Kaartje met de situatie in ± 1300

 

Ons dorp ligt dan nog zowel aan de noord als de zuidzijde van de rivier.

 

Over-Sliedrecht
De zuidzijde van de Merwede met het daargelegen Sliedrecht was zo belangrijk geworden, dat men het dorp aan de noordzijde als geheel aanduidde met de naam, d.w.z. tegenover Sliedrecht. Ook sprak men wel van het dorp als gelegen bij de tol van Niemandsvriend, omdat de tol, waarover later, in dat ambacht lag. De naam Over-Sliedrecht heeft het echter gewonnen, als naam voor het gehele dorp. Men sprak van Niemandsvriend in Over-Sliedrecht, van Lockhorst in Over-Sliedrecht en van Naaldwijk in Over-Sliedrecht. Na de St. Elisabethsvloed 18 November 1421, toen het dorp aan de zuidzijde met de kerk verdween, erfde Over-Sliedrecht weer de naam en heette na die tijd kortweg Slydrecht (Uitgesproken: Sliedrecht). Het ambacht Lockhorst kreeg toen de naam Over-Sliedrecht. De eerste maal dat van ons dorp gesproken wordt met de naam Over-Slydrecht is in een acte van 1203, waarbij het klooster Heysterbach op het eiland van Dordrecht gesticht wordt door graaf Dirk VII en zijn gemalin Aleydis. Het klooster kreeg toen als schenking van de stichters o.a. de visserij in de Merwede bij Over-Slydrecht. De eerste maal, dat ons dorp met de naam Slydrecht voorkomt is op 22 November 1369, toen bij de regeling van het Nieuwe Waterschap genoemd werden: Herbaren van Liesvelt, Willem van Naeltwijck en Jan van de Merwede, met haren drie ambachten van Sliedrecht.

Heer van Voorne
Het gehele dorp van een leen van de graaf van Holland aan de Heer van Voorne. Hoe deze heer van Voorne aan dit en andere lenen in deze omgeving o.a. Merwede en het gebied om de Nieuwe Kerk bij Dordrecht, gekomen was, wordt nergens vermeld.
De heren van Voorne waren, evenals die van Putten, Brederode en de Lek de grootgrondbezitters in deze streken. Zij hebben wellicht bij de eerste verovering en ontginning door de Hollandse graven een rol gespeeld of bij de herovering door Dirk V, omstreeks 1075. Zij zullen voor hun hulp naar de geest des tijds met land en heerlijkheden beloond zijn. Het is ook mogelijk, dat zij het eerst verworven hebben in de moeilijke jaren na de dood van Willem II, die in 1256 bij Hoogwoud sneuvelde en slechts een 2-jarig zoontje Floris V naliet. Floris V stond aanvankelijk sterk onder de invloed van de hogere adel, die natuurlijk wel zorgde daarbij zelf niet tekort te komen. Eigenlijk is het leven van Floris V één strijd geweest om aan die invloed te ontkomen. Men weet, dat het met een moord, door dezelfde adel gepleegd, eindigde. Hoe dan ook de heer van Voorne aan het bezit gekomen was, een feit is dat Albrecht, heer van Voorne, het op het einde der 13de eeuw in bezit had en in drie delen als leen uitgaf. Ook na hem is het steeds in het huis Voorne gebleven tot 1371 toen zijn kleindochter Machteld van Voorne kinderloos overleed en geheel Voorne aan Holland kwam.

Liefdesgeschiedenis
Dat Floris V het huis Voorne zo ongestoord in het bezit van deze uitgestrekte goederen in Holland liet, terwijl hij andere heren, zoals Amstel, Woerden, enz. van alles trachtte te beroven, vindt zijn oorzaak in een liefdesgeschiedenis. Kort voor 1280 was de charmante en geestige Zuid-Nederlandse edelvrouwe Catharina de Durbury gehuwd met een reeds oude heer Aelbrecht van Voorne. Zij was de dochter van Gerard de Durbury en door haar moeder een kleindochter van hertog Hendrik I van Brabant. Zij schonk in 1281 haar man een zoon: Gerard van Voorne, en reeds spoedig daarop, in 1287, was zij weduwe. Zij stond bekend als een buitengewone schoonheid en als een vrouw van hoofse manieren. De bedaagde kroniekschrijver Willem Procuratoer noemde haar in 1322, toen ze al oud was een buitengewone, schone vrouw.

Floris V
Reeds kort na de dood van haar man schijnt de jonge elegante weduwe in intieme verhouding gekomen te zijn tot Floris V, die zeer toegankelijk was voor het vrouwelijk schoon. Omstreeks 1290 schonk hij haar de goederen van het uitgestorven geslacht Teijlingen. Nu lag het slot Teijlingen zeer dicht bij het prachtige slot Vogelesanck, waar Floris V bij voorkeur vertoefde en dat maakte de omgang met haar “lieven heer en neef”, zoals het in een charter van die tijd staat, veel gemakkelijker, dan wanneer zij in het afgelegen Brielle of Geervliet vertoefde. Haar zoon Gerard van Voorne, “het kind van Voorne”, werd later schildknaap bij Floris V en was als zodanig ook bij diens gewelddadige dood aanwezig. Catharina de Durbury huwde na de dood van Floris V, in 1297 met Wolfert van Borselen, die toen eigenlijk het land regeerde voor de minderjarige graaf Jan I. Zij was ook aanwezig bij het treurspel, dat zich 1 Augustus 1299 te Delft afspeelde. Wolfert van Borselen wilde nl. de jonge graaf naar Zeeland voeren, doch de burgers van Delft beletten dit en zetten hem en zijn schone vrouw gevangen in het Steenhuis, d.i. de gevangenis te Delft. De woedende menigte eiste zijn dood en Wolfert van Borselen werd aan haar armen ontrukt, op straat gesmeten en evenals later de gebroeders de Witt, door het grauw verscheurd. Na Wolferts dood bewoonde Catharine de Durbury weer het slot Teijlingen en zelfs wist deze middeleeuwse Cleopatra de nieuwe Henegouwse graaf Jan II te boeien, zodat ook deze haar in het bezit harer goederen liet. Zij overleed in 1328 in hoge ouderdom, het geluk smakend alle bezittingen, ook Sliedrecht, op haar zoon te hebben zien overgaan. Evenwel zou Sliedrecht toch aan de Hollandse graaf komen, want Gerard van Voorne had slechts een dochter: Machteld van Voorne, die later voorkomt in de leenregisters als “minre vrouwe van Voorne”. Bij haar kinderloos overlijden in 1371 kwamen al haar goederen, dus ook Sliedrecht aan graaf Willem IV. De heren van Voorne beleenden nu Over-Sliedrecht in drie gedeelten (Niemandsvriend, Lockhorst of Over-Slydrecht en Naaldwijk) aan verschillende heren.

Niemandsvriend
Te beginnen met Papendrecht af, komt eerst het ambacht Niemandsvriend, dat zo genoemd was naar een middeleeuwse sterkte aan de Merwede, waar de graven van Holland tol hieven. Het ambacht wordt meestal vermeld als: “Het ambacht bi der tolne van Niemandsvriend”. Het was het kleinste van de drie en volgens Oudenhoven slechts 206 morgen groot. Niemandsvriend was niet alleen het kleinste, maar ook het armste en minst belangrijke van de drie ambachten. De dijk van Den ENGEL tot Baanhoek, was grotendeels een schoordijk en dus zeer kostbaar in onderhoud. Vandaar dat Niemandsvriend nog al eens van heer verwisselde. Als oudste heer wordt vermeld, in 1277 in het charter van de indijking van de Alblasserwaard, Theijlings Colekijn. Met deze Colekijn heeft men nooit goed raad geweten; de één noemde hem een lid der familie Teijlingen, de ander een leenman van dat geslacht. Van Bheineck Leijssius geeft in zijn inleiding op de inventaris van het archief van Sliedrecht een andere oplossing. Van het charter van 1277 zijn n.l. verschillende afschriften bekend, die merkwaardig genoeg juist in het eerste gedeelte van de naam verschillen. Hij stelt nu voor te lezen: Everdeijs Colekijn en dat zou dan dezelfde wezen als Colijn Everdeijsz van Alblas. Naar deze Colijn heette het ambacht lange tijd Colijnsambacht; zo b.v. in een brief van 28 juli 1303, waarbij een huis in Colijnsambacht in Over-Slydrecht aan de Duitse orde geschonken wordt. Toch komt dan ook de naam Niemandsvriend geregeld voor, want in 1311 geeft heer Nicolaas van Putten land in leen aan Van den Molenaer, gelegen in Niemandsvriend. In 1311 wordt vermeld het veer van Niemandsvriend in Mattheus Colijnsambacht. Aan deze Matthijs Colijnsz hebben we wat meer houvast. Hij was in 1328 schout van Geertruidenberg en maakt dan een geldbedrag aan zijn vrouw gevestigd op een erve en land in Sliedrechterambacht over. In 1369 bij de stichting van het Nieuwe Waterschap is Herbaren van Liesvelt heer van Niemandsvriend. Na die tijd komt de naam niet meer voor in de leenregisters van de graaf van Holland. Vermoedelijk heeft de graaf toen hij in 1371 alle goederen van Machteld van Voorne kreeg het met een aantal andere heerlijkheden aan de toenmalige heren in persoonlijk bezit afgestaan.

De Tol vam Niemandsvriend
Het recht van tolheffing was oorspronkelijk een keizerlijk recht, want de grote rivieren, waren van oudsher keizerlijk domein. De Hollandse graven hadden zich dat recht in de elfde eeuw onwettig toegeëigend en lieten het zich na die tijd nimmermeer ontnemen. Nadat de oudste graven met zoveel succes tollen bij Dordrecht en Geervliet gesticht hadden, waardoor zij de handel van en naar Vlaanderen en Engeland controleerden, sloten zij ook hun grenzen aan de oostzijde af. Hierdoor kwamen de tollen bij Moordrecht op de Hollandse IJssel, de Ammerstol op de Lek, Niemandsvriend aan de Merwede en Almsvoet op de Maas. Zodoende kon geen enkel schip in Holland komen of het moest tol betalen. Het best kan men die tolhuizen vergelijken met de tegenwoordige kantoren der douane, waar de in- en uitvoerrechten betaald moeten worden, met dit verschil, dat een tolhuis in de middeleeuwen tevens een sterk kasteel moest zijn, om tegen aanvallen te land en te water beschermd te wezen. De schippers probeerden natuurlijk zoveel mogelijk de bestaande tollen te ontduiken, door snel voorbij te varen en daarom had men de tolhuizen aangebracht op plaatsen, waar de rivier smal was en de dijk na aan de rivier kwam. Veranderde de loop van een rivier, dan was ook de verplaatsing van het tolhuis nodig. Telkens worden dan ook de tollen verplaatst, ook de tol van Niemandsvriend. Wanneer er ooit een toepasselijke naam voor een tol uitgedacht is, is dat het geval met de naam “Niemandsvriend”. Evenmin als nu de weggebruikers, waren toen de schippers en kooplieden op het betalen van tollen gecharmeerd en met middeleeuwse humor drukte men in deze naam zijn afkeer uit.
Tolhuis
Het Tolhuis van Niemandsvriend stond op de westenhoek van de Tolsteeg, de plaats dus waar de dijk het dichtst aan de rivier kwam. Het moet een groot, sterk en aanzienlijk kasteel geweest zijn, want herhaalde malen hielden er de graven van Holland met hun aanzienlijk gevolg verblijf. In 1242 vertoefde er Willem II, graaf van Holland, en later keizer van Duitsland en in 1303 hield Jan II van Holland en Henegouwen er zijn residentie.
Op die datum werd nl. een charter uitgegeven, waarop staat: “Ghegeven ende ghemaekt tot Niemandsvriend int jaer ons Heeren duijzent drije hondert drie op Sinte Bonifaesavont”. Jan II hield er toen verblijf om met de oproerige grote edellieden af te rekenen en dat deed hij liefst op een sterkte, waar hij heer en meester was. Eerst nadat hij de heren, die Gijsbrecht van Amstel c.s. gesteund hadden, uit hun goederen, en degenen die zich vrij konden pleiten in hun bezit, bevestigd had, begaf hij zich naar Dordrecht, waar hij enige dagen later als aanwezig wordt vermeld. In het tolhuis waren, behalve vertrekken geschikt voor het verblijf van een graaf, als eetzalen, slaapzalen, stallen voor paarden, verblijven voor manschappen, nog andere merkwaardigheden. Er was nl. ook een kapel in het middeleeuws gebouw, want in 1321 gaf graaf Willem II aan de “clercq (geestelijke) Henrick Snellaerdszoon van Breda, de regeeringe en bestieringe van zijne capellanie en dienste in zijn Tolhuijs bij Niemandsvriend”.
De tol van Niemandsvriend, die stellig nog veel ouder is, vonden wij voor de eerste maal vermeld in een charter van 27 December 1042, waarbij Willem II tot heil van zijn ziel jaarlijks een aam (vat) wijn gaf aan de Praemonstratenser abdij te Bern. Het geld daarvoor moest ontvangen worden “in mijn tol van Niemandsvriend” of zoals het daar luidt: “In theleone meo apud Nijemensvrient”. Aan hetzelfde klooster gaf de graaf in 1253 bovendien vrijdom van tolbetaling. De graaf gaf hier een gedeelte der inkomsten uit zijn tol weg. Nu waren de tollen tot omstreeks 1400 de voornaamste bron van inkomsten van een graaf en herhaaldelijk moest deze, om aan contant geld te komen, de inkomsten uit de tol in pand geven.
Gevaarlijker was het, dat de graven aan velen vrijdom van tolle gaven, want daardoor verminderden de inkomsten op onrustbarende wijze. Zo kreeg 26 januari 1248 de Duitse orde vrijdom van tollen te Ammers- en Niemandsvriend. Erger werd het, wanneer die vrijdom werd toegestaan aan machtige handelssteden, zoals het op 17 februari 1250 gebeurde, toen de stad Dordrecht vrijdom van tolgelden kreeg, behalve voor wijn, laken en ijzer. Oorspronkelijk was de tol van Niemandsvriend niet de voornaamste. In 1333 stond hij wat inkomsten betreft op de vierde plaats, na Ammerstol, Geervliet en Dordrecht. Het verkeer met Duitsland via de Merwede nam echter meer en meer toe. In de rekening van Zuid-Holland van 1350-1363 staat hij op de tweede plaats, onmiddellijk na de tol op de Bernisse bij Geervliet. In deze tijd is de tol van Niemandsvriend verplaatst naar Woudrichem, want in 1354 verkocht graaf Willem IV aan Gilles van Hellemes zijn knape twee hoeven lands te Niemandsvriend, daar het Tolhuys op staat. Dit blijkt uit een brief van vrijdag na St. Andresdag 1356 (2 Dec. 1356) waarin men leest: “Hertog Willem de Tol van Niemandsvriend tot Woudrichem geleyt hebbende”, enz. Toen was de tol dus reeds in Woudrichem, waar hij echter ook niet blijvend gevestigd was. Nog eenmaal was de tol te Niemandsvriend gevestigd en wel in 1389 toen Albrecht van Beieren hem met andere tollen aan Dordrecht verpachtte. In 1415 komt hij niet meer voor. Later had de inning te Gorinchem plaats.

Geschiedenis-0302
De Alblasserwaard in vroeger tijden

Het begin van de Aannemerij

Het grote geld ontbreekt nog……

Het aannemen van grondwerken is van zeer oude datum. Hoe ver men ook teruggaat, steeds wordt er van “aanbesteden” en “aannemen” gesproken.
Toen in Dordrecht, in 1410, de Nieuwe Haven gegraven werd, waren er 5 aannemers, die na de voltooiing van het werk beloofden “alle gebreck te beteren aen ’t werck, dat si aen hadden genomen”.
Het aannemen van de werken geschiedde lange tijd partieel, d.w.z. het werk werd niet in zijn geheel, maar in gedeelten aanbesteed.
Blijkbaar waren er nog niet voldoende kapitaalkrachtige personen om een groot werk in zijn geheel aan te nemen. Wanneer er een omvangrijk werk tot stand moest worden gebracht, liet men het opmeten door een gezworene, d.w.z. beëdigde, landmeter; daarna zond men brieven rond om de gegadigden op te roepen. Het werk werd dan met de vierkante roede ( gemeten en bij een aantal roeden tegelijk aanbesteed. Een vierkante roede was 14 m² groot.

Waskaarsen
Die aanbesteding ging veelal op een bijzondere wijze n.l. bij uitgaande waslichten. Men zette een waskaars op tafel en zolang de kaars bleef branden kon men een bod doen. Ging de kaars uit, dan was de laatste bieder aannemer, terwijl de voorlaatste het strijkgeld ontving. Dat noemde men toen rantsoen. Was men aannemer geworden, dan moest men op de bepaalde tijd het werk aanvangen en zich geheel gedragen naar de aanwijzingen van de gezworene. Men moest zorgen met zijn “mackers ofte mededoenders” op het werk te zijn en steeds met een ploeg van minstens 16 of 17 man te blijven werken.
De grondwerkers woonden in rieten keten bij het werk en hadden bij een karwei van lange duur meestal vrouw en kinderen bij zich. De levensmiddelen moesten bij de “soetelaers”, dat zijn reizende handelaars in levensmiddelen, gekocht worden.
De aannemers ontvingen geen geld voordat hun werk op, de “schoudach” gepresen (goedgekeurd) was. Was men over tijd, dan werd er het bedongen loon gekort. Erger was het, als het werk niet “gepresen”, maar “gelaeckt” (afgekeurd) werd. Men moest dan het werk onder dreiging van een boete vóór een bepaalde datum af hebben, of er werden anderen ingezet en men ontving niets van de aannemingssom.

Een goede leerschool
In Sliedrecht heeft men zich bij de aannemerij van grondwerken nooit onbetuigd gelaten. De Sliedrechtenaren hadden in hun eigen dorp een uitstekende leerschool. Immers iedere landeigenaar moest persoonlijk het stuk dijk, waaraan zijn land lag, onderhouden.
In Sliedrecht, waar zoveel dijk was dat geen voorland had, was dit een groot bezwaar. De gedeelten van de dijk, onder Naaldwijk en onder Niemandsvriend waren schoordijk, d.w.z. die dijken lagen onmiddellijk aan de Merwede, zonder enig voorland. Met schoor bedoelde men dan de oever onder water, waarlangs de stroom schuurde. Aan het onderhoud van die schoordijken werden veel hogere eisen gesteld, dan aan het onderhoud van de normale dijken.
Het is wel typerend, dat Sliedrecht het enige dorp was, waarvan vermeld wordt, dat de heer van het ambacht het als een voorrecht bedong, dat verlaten land, wegens dijkonderhoud, niet te zijnen laste, maar ten laste van het dorp zou komen. In veel gevallen was het onderhoud van de dijk zwaarder was dan de opbrengst van het land.

Rijs
De schoordijken moesten wel beslagen worden met goed rijs en riet, “zes voet druipens hebbende”, d.w.z. dat de dijk onder aan de teen zes voet breder moest zijn, dan aan de kruin. Over al het rijs en riet moest wilgenvlechtwerk worden aangebracht.
Niettegenstaande alle voorzorgen kon men moeilijk voorkomen, dat de dijk onder water ondermijnd werd. Boven laag water kon men gemakkelijk allerlei rijswerken aanbrengen, maar onder de laagwaterlijn kon men, omdat duikers eerst uit de 19-e eeuw zijn, niet werken.
Men is toen op de gedachte gekomen om het rijswerk eerst boven water te maken en later ter plaatse te laten zinken. Zo ontstond het zinkstuk, dat eeuwenlang een welhaast Sliedrechts monopolie is geweest.
Door al die dijkwerken hebben de Sliedrechtenaren in de middeleeuwen het rijswerk beter geleerd, dan de inwoners van andere dorpen in de omgeving. Er bestond in de 15de eeuw te Sliedrecht al een omvangrijke handel in rijshout. Reeds toen wist men het griendhout op geregelde wijze te telen. Bij de verrassing van Dordrecht door Jan van Egmond in 1480, werden twee rijsschepen gebruikt en het wachtwoord was: “Vierjarig rijs, rijs in Godes naam.” Men wist dus toen reeds, dat de cultuur vier jaar moest duren.

02 – Sliedrecht Bezuiden de Merwede

In 1105 wordt Sliedrecht (Z.) vermeld en ditmaal in een onverdacht echt stuk. Er was n.l. een geschil ontstaan tussen Sliedrecht (Z.) en Houhninke (Houweningen), dat ten oosten er van lag, tegenover het latere Giessendam, en wel over een kerkelijke kwestie.
Wanneer de bevolking in de verschillende parochiën (kerkdorpen) begon toe te nemen, bouwde men naar behoefte een kapel die de bestaande kerk door een vicaris of kapelaan liet bedienen en waaruit de moederkerk haar inkomsten trok. Op den duur wilde echter elk dorp een eigen kerk hebben, maar de hoofdkerk wilde die zelfstandigheid niet gaarne verlenen, omdat dan haar inkomsten uit de kapel verloren gingen.

Kerk
De kerk van Sliedrecht (Z.) was reeds vroeg aanwezig, wat vanzelf spreekt, want de strook langs de rivier was het eerste bewoond. Toen ook de streek ten oosten meer bevolkt werd, was door de familie Botter in het dorp Houweningen de Botteskerke gesticht en aan de kerk van Sliedrecht (Z.) ter bediening gegeven. Ze was dus daarvan een dochterkerk. Nu werd dit in 1105 door Houweningen betwist en men beriep zich daar op een brief van bisschop Koenraad van Utrecht (1076-1099). Tenslotte kwam de zaak in 1105 voor bisschop Burchardus van Utrecht, die na nauwkeurige bezichtiging uitmaakte, dat de brieven van Houweningen niet wettig waren en dat hun kerk, de Botteskerk, een dochterkerk van Sliedrecht (Z.) was en al haar verplichtingen daaruit voortvloeiende, moest nakomen. Aan den andere kant werd aan die van Houweningen toegestaan in hun kerk mis te horen, kinderen te dopen en hun doden te begraven, mits dit gebeurde door de priester van Sliedrecht (Z.) of diens vicaris (kapelaan).
Behalve het meegedeelde over de kerkelijke kwestie is dit stuk ook van groot belang, omdat er de priesters van Papendrecht, Herdingfelde (Hardinxveld) en Riede (Merwede) in genoemd worden en die plaatsen dus in 1105 niet alleen reeds bestaan hebben, maar ook al een kerk hadden.

Dochterkerk
In nog geen honderd jaar was dus deze streek aanmerkelijk vooruitgegaan. Er waren reeds verscheidene kerken gebouwd. In 1105 blijkt het allang geleden te zijn dat de kerk van Sliedrecht (Z.) een dochterkerk kreeg, want blijkbaar wist men in 1105 niet meer hoe de regeling bij de stichting der dochterkerk was geweest.
Kort na of wellicht reeds voor de inbezitneming van deze streken door de Hollandse graven zijn hier dus de eerste kerken gebouwd.
Het is wel kenmerkend voor het groot gebrek aan bronnen in deze tijd dat het tot 1243 duurt, voordat er weer gewag gemaakt wordt van Sliedrecht (Z.). In een stuk van dat jaar wordt genoemd als getuige Gerardo sculteto de Slidrecht, d.w.z. Gerard de schout van Sliedrecht (Z.).
De patronaatsrechten van de kerk van Sliedrecht (Z.) waren blijkbaar van ouds aan bezit der familie Botter. Reeds lang voor 1105 had de familie de zojuist genoemde dochterkerk te Houweningen gesticht en in 1267 blijkt ze nog steeds in het bezit van die rechten te zijn.
In dit jaar 1267 stond Hugo Botter het patronaatsrecht van de kerk van Sliedrecht (Z.) af aan het in 1203 ten zuidoosten van Dordrecht gestichte klooster Heijsterbach. In den giftbrief wordt het aldus omschreven: “ipsam ecclesiam de Slijdreich cum attentius suis”. Dit is “Dezelve kerk van Sliedrecht met haar toebehooren”. Met dit “attentius” wordt dan natuurlijk ook bedoeld het recht op de kerk van Houweningen. Het klooster Heijsterbach bezat in deze streek ook nog andere goederen. Bij de opheffing van het klooster na de St. Elisabethsvloed (1421) worden onder de bezittingen vermeld “septem jugera terrein parrochia de Slidrecht”, d.i. “zeven morgen lands in de parochie Sliedrecht.
In 1320 wordt Sliedrecht (Z.) genoemd in verband met een verlij (beleening) van een rente uit de bede te Oud-Giessen (tusschen Houweninge en Crayesteyn) in ’t ambacht van Slijdrecht.
Op een kaartje van 1357 berustende in de Sorbonnen te Parijs komt Slijdrecht (Z.) ook nog voor. Het lag toen als Sliedrecht, bezuiden de Merwede, tusschen Dordracum en Houweningen. De naam Sliedrecht blijft tot den St. Elisabethsvloed in gebruik voor het dorp bezuiden de Merwede. Nog in 1406 wordt het als zodanig vermeld. In dit jaar geeft één der ambachtsheren, n.l. Dirk van de Merwede aan Pieter Aerntsz “eene bancke in der kerke van Slidrecht”. In de kerk van Sliedrecht (Z.) bevonden zich dus ook de eigen banken van de ambachtsheren.

Legende
De legende van de twee zusterkerken in de beide Sliedrechten kan in zoverre waarheid bevatten, dat de kerk bezuiden de Merwede veel fraaier was, dan die in ons dorp. Na den St. Elisabethsvloed is deze kerk verdwenen. Zeer waarschijnlijk is het gebouw dat op de dijk stond niet verzwolgen, maar heeft men het toen het dorp verdween en het geen dienst meer deed, afgebroken en de vrijkomende materialen elders gebruikt.
Het verhaal gaat dat, van steen van deze kerk de tegenwoordige toren (de z.g. toren van de Ned. Herv. Kerk) is gebouwd.
Het is met Sliedrecht bezuiden de Merwede evenzo gegaan als met zijn naamgenoot aan de noordzijde van de rivier. Het werd eveneens in een drietal afzonderlijke ambachten verdeeld, n.l. van west naar oost Crayesteyn, Lang Ambacht en Kort Ambacht. namen die ook na den St. Elisabethsvloed zijn blijven bestaan, tot op den huidigen dag.

Kasteel Crayesteyn
Bij de kerk van het aloude Sliedrecht (Z), welke ongeveer recht tegenover onze kerk aan de zuidelijke oever van de Merwede stond, is al zeer vroeg een kasteel gebouwd, dat Crayesteyn heette.
Geschiedenis-0201Evenmin als over de stichting van het Huis te Merwede is er iets overgeleverd over de stichting van het slot Crayesteyn. Het gebied, waar het gesticht werd, heette later Crayesteyn op het Vroonland. Vroonland betekent, dat het land eigendom is van de bezitter, zonder leenverband. De stichter van Crayesteyn had dus voor de bouw zijn grondgebied van het leenverband weten ontheven te krijgen.
Na de deling van de “Heerlijkheid Riede” ontstonden in het gebied twee kastelen, namelijk het Huis Te Merwede en Crayesteyn. M. Balen zegt in zijn “‘Beschrijvingen van Dordrecht”, dat Riede een smaldeling is van de Merwede, maar hij had het andersom moeten zeggen, namelijk de Merwede is een smaldeling van Riede.
Uit het geslacht Riede stamden de geslachten: Riede, Merwede, Muijlwijk, Klootwijk enz., wat bewezen wordt door de familiewapens. Men veranderde in de Middeleeuwen wel van naam, maar niet van wapen! Men noemde zich eenvoudig naar het kasteel of de landstreek die men bezat, maar men behield trouw zijn familiewapen, om daarmede zijn afkomst aan te geven. Nu is het wapen van de Merwede precieshetzelfde als van Riede. Daar de naam Riede veel eerder voorkomt, moet Merwede dus uit het geslacht Riede stammen. Eén tak van het geslacht hield de familienaam nog. In 1277 vinden wij als één der heren in de Alblasserwaard genoemd: Zeger van Riede. Hij was toen zeer waarschijnlijk heer van Naaldwijk.

Zeger van Riede
Deze Zeger van Riede is waarschijnlijk ook de heer, wellicht zelfs de stichter van Crayesteyn geweest. Sophia van Crayesteyn, die vóór 1300 voorkomt en gehuwd was met Herbaren van Drongelen uit den Huize van Heusden was dan zijn dochter en haar zoon Zeger van Crayesteyn was dan naar zijn grootvader genoemd.
De bovengenoemde Herbaren van Drongelen, gaf in 1303, toen hij na het overlijden van zijn echtgenote lid van de Duitse- of Johanniterorde in de Balie van Utrecht werd, het kasteel aan zijn oudste zoon Zeger van Crayesteyn. Voor de aflaat van de ziel van zijn vrouw gaf hij enkele bezittingen in Colijnsambacht in Overslijdrecht (Niemandsvriend) aan de Orde. Herbaren van Drongelen werd een invloedrijk man in de orde van St. Jan; hij werd namelijk commandeur of opperhoofd van deze halfgeestelijke, halfridderlijke orde, die over geheel Nederland haar kloosters en huizen had.
Het is in deze tijd, dat er voor het eerst in de kronieken van het huis te Sliedrecht of Crayesteyn gesproken wordt.

Crayesteyn na de dood van Floris V
Nadat de Hollandse graaf Floris V in 1296 op verraderlijke wijze om het leven gebracht was, dachten de grote adellijke heren, dat nu de zaak voor hen gewonnen was.
Vooral de Zeeuwse adel met Wolfert van Borselen aan het hoofd, had grote invloed op de regering.Hij had de jonge graaf Jan I, zoon van Floris V, in handen weten te krijgen en was daardoor schier oppermachtig. De adellijke heren zouden nu de steden en het platteland, zozeer door Floris V begunstigd, wel vernederen.
Wolfert van Borselen kwam te Dordrecht en eiste, dat zijn baljuw van Zuid-Holland: Aloud van Ierseke recht zou doen over een groot aantal verdachten, maar Dordrecht bleef fier op zijn recht staan en weigerde ronduit mede te werken tot het vonnissen van politieke tegenstanders. Woedend vertrok Wolfert naar Delft en dagvaardde daar een aantal voorname Dordtenaren. Toen deze gewaar werden, dat zij in Delft gevangen zouden gehouden worden, vluchtten enkele van hen naar Dordrecht terug. Toen gebeurde er, wat de Rijmkroniek van Melis Stoge zo levendig beschrijft:

Men woude doe, dat Joncheer Witte
Ghinge ligghen opt huus van Pitte
Alblasserdam hordic (hoorde ik) bedienen
Lach Heer Niclaus van Kaets met lieden
Te Sliedrecht lach hi op de hoede
Alout met sinen knape
Voert steenhuus, dat te Sliedrecht staet
Hadde hi vonden in sinen raet
Dat hi den dike verslaen
Met groten houte ende der aen
Sterke planken, als hem dochte
Datter niemant liden mochte
T Huus was wel ghemaect ter were
Jaghe scilt ende jeghen spere
Daer lach Alout metten sine

Steenhuis
Wolfert van Borselen had dus ter beteugeling van Dordrecht en het omliggende land bezetting gelegd in het Huis te Putten bij Spijkenisse, op Alblasserdam en op Crayesteyn, dat hier genoemd wordt het Steenhuis, dat te Sliedrecht staat. Aloud van Ierseke had bovendien nog een houten blokhuis op den dijk tussen Dordrecht en Sliedrecht (Z) opgericht, om zo het sterke Crayesteyn, dat “wel ter weere, tegen schild en speere was,” tegen onverwachte aanvallen te beveiligen.
Aloud van Ierseke trachtte ook Dordrecht bij verrassing te nemen door een nachtelijke aanval met een kogge volks, maar de Dordtse burgers zetten de aanvallers zo achterna, dat ze ternauwernood Crayesteyn konden bereiken. Bijna waren de Dordtenaars gelijktijdig in het kasteel gekomen, maar Heijne hun aanvoerder viel van de valbrug en daardoor kreeg Aloud van Ierseke gelegenheid de valbrug op te halen.
Het was voor de vijand uitstel van executie, want op 1 augustus 1299 werd Wolfert van Borselen in Delft vermoord. Het nieuws verwekte alom in den landen grote vreugde, niet het minst in Dordrecht, waar men van belegerde belegeraars werd.

Melis Stoke schrijft hierover:

Sie riepen allen: Toe horre voere
Maken wi ons uut alghemene
Ende beligghen Crayesteyne
Alout mach ons niet ontgaen
Al liept uut ten selves stonden
Voer thuus te Sliedrecht, daer si vonden
Alout op, met siere partien .

Aloud wist nog niets van wat er te Delft geschied was en hij maakte zich gereed om het kasteel met hand en tand te verdedigen. Later toen Heer Nicolaas van Kats met zijn mannen van Alblasserdam naar Niemandsvriend kwam om daar met de Dordtse burgers en de boeren uit de omgeving te onderhandelen, wilde Aloud het slot op lijfsgenade overgeven. Hiervan wilden de Dordtenaars niets weten. Crayesteyn werd ingenomen en Aloud van Ierseke en de zijnen werden dood geslagen. Later moest men die woede duur betalen, want voor de verzoening van de dood van Aloud moest men in 1308 nog grote sommen zoengeld betalen.
De perkamenten stukken, die op deze zaak betrekking hebben, berusten nog altijd op het gemeentearchief van Dordrecht.
In 1315 wordt vermeld een Aernout van Crayesteyn en wel in een rekening van krijgskosten. Hij leverde toen 32 man en behoorde tot de grootste heren. Hij leefde nog in 1332, maar in 1339 is hij reeds overleden, want dan worden de geschillen over zijn nalatenschap beslist bij uitspraak van Heer Otto, pastoor van Slijdrecht (Z) e.a.
Aernouts’ zoon heette Herbaren. Zijn dochter Sophia huwde met Dirck van Teylinghen.
Dit laatste komt overeen met wat in het leenregister van Voorne staat namelijk: “Heren Dircx wijf van Theijlinghen (dus Sophia van Crayesteyn) hout ten rechtenleene alsulc goed, als Herbaren van Crayesteyn hilt van den here van Vorne.”
Deze Dirck van Teijlingen komt voor in een acte van 13 Mei 1329 ,waarin hij aan zijn vrouw een lijfrente maakt, bestaande uit tiende te Rijswijk. Zij wordt dan genoemd Jonckvrouwe Soffien, sinen wive, Arnoutsdochter van Craijenstene. Deze Dirk van Teijlingen “bleef ten Friesen” dwz. hij sneuvelde met graaf Willem IV in de tocht tegen de Friezen.
Opvolger werd zijn zoon Simon van Teijlingen. “Ende dit hout Simon huenen sone”, zegt het leenregister. Simon van Teijlingen was tevens kastelein van Geertruidenberg en als zodanig moest hij in 1362 aan het hoofd der regering van die stad een voetval doen voor graaf Aelbrecht van Beieren. Toch schijnt hij in deze verwarde tijden zijn goederen in bezit te hebben gehouden, want er staat geschreven: “Heer Simon van Teijlingen is doid ende dat goet heeft ontfangen Jonckvrouw Sophie sijn dochter”.
Jonckvrouwe Sophia van Teijlingen bracht Crayesteyn door huwelijk aan heer Willem van Noaldwijck.

Jachtgezelschappen
Crayesteyn was dikwijls de verzamelplaats van aanzienlijke jachtgezelschappen, die in deze streken kwamen jagen.
Zo ging in 1365 heer Jan van Bloys, een groot heer, verwant aan de Hollandse graven met zijn gezelschap in de Alblasserwaard “uitvliegen” d.i. op de valkenjacht. Heer Jan logeert dan een nacht “te Craijenstien aen de Merwede”. Uit de rekening blijkt, dat ook het personeel bij die gelegenheden wel voer, want heer Jan van Langerack gaf een foai van 4 mottoenen (goudstukken).
Bij de St. Elisabethsvloed (1421) is het slot niet ten onder gegaan. Het stond als alle kastelen in deze streken op een hoge werf en had zodoende geen hinder van het water. Wel werd het kasteel door zijn bewoners verlaten, want de Heren van Naaldwijk hadden geen redenen om in een slot te verblijven, dat zo gevaarlijk in het water lag; daarvoor hadden zij te rijke goederen en kastelen elders in Holland.
Het slot Crayesteyn staat nog op de kaart van Cornelis Schilder van 1537, terwijl dan de kerk van Sliedrecht (Z) al verdwenen is. In 1561 wordt het nog vermeld als liggende in’t water aen’t eijnde van ambacht van Crayesteyn omtrent jegens over Slydrecht”, maar in 1592 is het voorgoed verdwenen.

Klein fort
De rivier had zich hier zuidelijk verlegd; wat wel ten goede kwam aan de aanslibbing van de platen voor Sliedrecht, maar dat tevens het kasteel ten ondergang doemde. Omstreeks het jaar 1620 werd op de plaats van Crayesteyn een reduit, d.w.z. een klein fort gelegd, van waaruit men Sliedrecht tegen onverwachte aanvallen der Spanjaarden kon verdedigen.
Recht tegenover Sliedrecht mondde in dien tijd de Bassekille nog uit en daarom legde men dit fort op de hoek ervan, even oostelijk van de latere polder Crayesteyn. Het komt op de afbeelding van Sliedrecht van 1619 nog niet voor, maar wel op een kaart van 1620. Later werd de naam Beduit of Reduyt, verbasterd tot Ronduit, gegeven aan de polder oostelijk van Crayesteyn.
De namen Ronduit en Ronduitsloot herinneren dus nog aan het hierboven genoemde reduit. In 1889 werden bij baggerwerken door de Rijkswaterstaat de oude fundamenten teruggevonden en als gevaarlijk voor de scheepvaart verwijderd. Er werd toen nog een stenen leeuw opgebaggerd, die thans in het Rijksmuseum te Amsterdam berust.

Den Engel
Zo was dus het tolhuis in particuliere handen geraakt en kreeg het een geheel andere bestemming. Zeer waarschijnlijk is het gebouw dat reeds als herberg dienst deed, toen het nog tolhuis was, en waarvoor het blijkbaar was ingericht, herberg gebleven. Het werd alleen met het oog op zijn nieuwe bestemming verdoopt. Geschiedenis-0202In plaats van de onvriendelijke naam Niemandsvriend, allerminst geschikt voor een herberg, kreeg het nu de naam ENGELENBURG of kortweg DEN ENGEL. Mogelijk geleek het in vorm enigszins op het rondeel Engelenburch in Dordrecht (bij Den Engelburgerbrug), dat weer een nabootsing was van De Engelenburg in Rome. Het tolgebouw stond, zoals reeds vermeld op de hoek van de Tolsteeg, maar nu staat het huis DEN ENGEL, dat we nu nog kennen even bewesten de Tolsteeg.
Op een oude kaart van 1619 komt het huis op de hoek van de Tolsteeg niet meer voor, maar wel dat ten westen er van. Bij nadere beschouwing van die kaart lost de moeilijkheid zich echter geheel op. Op de kaart van 1619 staat n.l. een lijn draaiende op de oude ENGEL en één op de nieuwe Engel.
Op de kaart van Sliedrecht in 1592 staat inderdaad de oude ENGEL nog op de hoek van de Tolsteeg. Dit komt ook overeen met de volgende gebeurtenis die speelde in het jaar 1592. Dan wordt melding gemaakt van een vergadering “in de herberge op ten Westenhoeck van de Tollestege”. Het middeleeuwse gebouw is waarschijnlijk uit bouwvalligheid tussen 1592 en 1619 afgebroken en vervangen door een nieuw gebouw even beneden het oude. Dit nieuwe gebouw kreeg eveneens de naam Engelenburch of DEN ENGEL.
Het was in latere eeuwen een vermaarde herberg en die zal nog herhaaldelijk ter sprake komen. In het begin der 19e eeuw veranderde het gebouw van bestemming.
In 1845 werd het gedeeltelijk verkocht en was het geen herberg meer. Het toen verkochte deel wordt dan omschreven als: “Het oostersche gedeelte van het groote en welbekende Huis, genaamd Engelenburgh, met de daarbij behoorende kleine Huizen; alsmede tuin, schuren en erven, alles staande en gelegen te Sliedrecht aan de ENGEL, hebbende gemeld Huis een zeer aangenaam uitzigt over de rivier de Merwede”.

Lockhorst of Oversliedrecht
We bevinden ons, net als in deel 2 van het verhaal, weer in het Sliedrecht ten noorden van de Merwede. We spreken dan over Lockhorst of Oversliedrecht, het middelste van de drie ambachten, dat recht tegenover Sliedrecht ten zuiden van de Merwede lag. Vandaar de naam Oversliedrecht.
Aan het einde der 17-e eeuw wordt het ambacht kortweg Slydrecht genoemd. Soms ook wel Sliedrechter-ambacht. Een enkele maal komen verbasteringen voor zoals Slietrecht, Slierendrecht, maar de naam Sliedrecht heeft tenslotte gewonnen.
Het ambacht Slydrecht won het in belangrijkheid van Niemandsvriend en Naaldwijk, omdat de kerk erin gelegen was. De kerk was in vroeger dagen veel meer het middelpunt van het dorpsleven dan nu. Allerlei vergaderingen werden in het gebouw gehouden en alle afkondigingen werden in de kerk afgelezen. Daardoor heeft tenslotte het ambacht zijn naam en wapen aan onze gemeente gegeven. Wel was het ambacht Naaldwijk groter, meer bevolkt en rijker, maar de kerk besliste, waar het middelpunt was.

Gemeentewapen
Het wapen van Sliedrecht is afkomstig van de heren van Lockhorst, een adellijk geslacht uit Utrecht dat in de middeleeuwen deze heerlijkheid bezat. Het bestaat uit een goudkleurig schild, beladen met een zwart schuinkruis, dat groot uitgeschulpt is. De oudste ambachtsheer is zeer waarschijnlijk de in 1277 genoemde Herbaren van de Merwede.
In den jaere ons Heeren Anno MCCLXXXIX in Zente Martynsdaghe in den Winter (d.w.z. 11 November 1289) was Heer Hendrick van de Lecke in bezit van het ambacht tegenover Slydrecht.
Op die dag deed hij afstand van zijn recht van nakoop in Zuid-Holland. Als tegengift verkreeg hij van Floris V het volgende voorrecht dat als volgt luidde:

“Hier bi so en zal engheene niewe dije op hem comen, nochte ’t land van den ghenen, die ’t land rumen, mar dat land, ende die dije zal comen op ’t gemeene ambochte, dair die dije ende ’t land in leghet”.

Spade op de dijk
Dit charter werpt plotseling een duidelijk licht op de waterstaatkundige toestanden, zoals die hier aan het einde der 13de eeuw waren. De inpoldering van de Alblasser-waard, die in 1277 had plaats gevonden, had de toestand er blijkbaar niet beter op gemaakt. Nu moest elke landbezitter de dijk, die tot zijn land behoorde, ophogen en verdedigen. Er waren stukken land, waarvan het onderhouden van de dijk zo zwaar was, dat men de spade op de dijk stak en zijn land uit handen gaf. Zulk land noemde men “vluchtlanden” of “vlichtlanden”.
De landbezitter moest die vluchtlanden in eigendom aanvaarden en voor het onderhoud van de dijk zorgen. Deed hij het niet, dan verviel zijn ambacht met al zijn verdere bezittingen in de Alblasserwaard aan het gemene land. Bij genoemd charter werd aan Heer Hendrick van de Lecke het recht verleend om het land niet te aanvaarden en werd het dorp verplicht die dijken tot zijn last te nemen.
Dit was voorwaar voor ons dorp een maatregel van groot gewicht die zware lasten op het dorp legde, maar die ook een betere regeling der dijksverdediging in het leven riep. Het was er in 1421 de oorzaak van, dat niet de Alblasserwaard, maar de Groote Waard van Zuid-Holland verdween.

Van de Merwede
In 1329 droeg heer Pieter van de Lecke, zoon van Hendrick van de Lecke het ambacht op aan de heer van Voorne, ten behoeve van Heer Daniël van de Merwede. De laatste kreeg het echter niet voor zichzelf, maar voor zijn zoon Floris van de Merwede, die blijkbaar nog heel jong was. Men liet het veelal als een leen op naam van jeugdige personen zetten om zo de kosten van verheffing van het leen, die bij elke verwisseling van heer aan de leenheer betaald moesten worden, te ontgaan. Floris van de Merwede heeft het nog op dezelfde dag verkregen, want bij een andere brief van 13 Mei 1329 krijgt hij hetzelfde recht als Heer Hendrick van de Lecke in 1289 van de graaf gekregen had.

In het stuk staat:

“Ende wi Willem, Grave enz. gheloven Florisvan der Meerwede, of denghenen, dient ambocht van rechte ane comet van Overslidrecht te houden in alle rechte voirseyt” (n.l. de rechten genoemd in de brief van 1289).
Hiermede werd dus de toestand bestendigd, waarbij Oversliedrecht de vluchtlanden moest onderhouden. In een lijst van lenen van het huis van Voorne van omstreeks 1360 komt de volgende aantekening voor:

“Floris van der Merwede versochte an minre vrouwe ende hevet ontfaen dat
ambaocht van Slidrecht van der kerken nederwaerd”.

In hetzelfde register staat:

“Jan van de Merwede heeft ontfaen van mjinre vrouwen tgoet, dat sijn vader van horhilt”.

Lockhorst
Jan van de Merwede Florisz, was dus zijn vader opgevolgd, wat ook blijkt uit het stuk van 24 Juli 1361 en uit het charter van 22 November 1369, waarin de drie heren van Sliedrecht genoemd worden in verband met de stichting van het Nieuwe Waterschap. Met Jan van de Merwede stierf een tak van dit geslacht uit. Hij had slechts een dochter Agnes van de Merwede, die huwde met Adam van Lockhorst. Een adelijk geslacht  dat uit Utrecht stamde. Deze Adam van Lockhorst was in 1392 heer van Over-Sliedrecht, wat blijkt uit een verlij (beleendag) van 11 Mergen-lands, gelegen in Daems-ambacht van Lockhorst.
In 1408 wordt gesproken van Peye Pietersz., heemraet van Over-Slydrecht in Aernys-ambacht van Lockhorst. Na diens dood in 1412 werd zijn broeder Jan van Lockhorst er op 29 januari 1413 mee verblijd.
Dit komt ook overeen met een acte van 10 april 1416, waarin genoemd wordt land en erve tot Oversliedrecht in Jans-ambacht van Lockhorst. In 1422 wordt gesproken van Daems-ambacht van Lockhorst in Over-Sliedrecht, zodat toen heer Jan reeds overleden moet zijn. De heerlijkheid bleef in de 15de en 16de eeuw in het bezit der Lockhorsten en verviel niet zoals Naaldwijk aan het “gemeene” land van de Alblasser-waard. De verdere geschiedenis in die tijd is duister. Het was een leen van de heren van de Merwede geworden, die het tenslotte ook weer kwijt raakten.
In de 17de eeuw erkende men geen leenroerigheid meer en werd dit gedeelte beschouwd als een aflodiaal goed, d.w.z. gewoon bezit, zonder dat er van een leen sprake was.

Naaldwijk
Vervolgens richten we ons op Naaldwijk, het meest oostelijke ambacht van ons huidige dorp. Het heet ook wel “het ambacht van der kerk opwaerts” in tegenstelling met Lockhorst, dat “het ambacht van der kerk nederwaarts” genoemd wordt. Het is waarschijnlijk, dat Zeger van Riede het in 1277 in leen had van het huis van Voorne. Deze Zeger van Riede was vrij zeker in die tijd ook heer van Crayenstein, welk adellijk stamhuis ongeveer rond 1300 het ambacht in bezit had. In 1315 vinden we als eigenaar Aernoud van Crayesteyn en na hem zijn zoon Herbaren. Na diens kinderloos overlijden volgt zijn zuster Sophia van Crayesteyn hem op. Zij brengt door huwelijk het ambacht aan Dirck van Teylingen. Het leenregister van Voorne zegt het heel duidelijk:

“Heeren Derix wijf van Theylinghen hout ten rechten leene alsulc goed als Harbaren van Crayensteyne helt van de heer van Voorne, dat es dat ambacht van Overslidrecht van der kerken tot Heren Tielemansambacht toe”.

Sophia
Het hier genoemde Heer Tielemansambacht is Giessendam. Op Sinte Pieters- en Paulusdag (29 Juni) 1327 wordt Dirck Simonsz van Teylinghen zelf beleend met het dagelijks gerecht te Oversliedrecht van de kerk af tot Giessenambacht toe. Na Dirck van Teijlingen volgt zijn zoon Simon van Teijlingen, wiens dochter Sophia het door huwelijk brengt aan wie het ambacht tenslotte zijn naam ontleend heeft.

In het leenregister staat hierover het volgende:

“Ende dit (in het ambacht Naaldwijk) hout Sijmon huer sone. Heer Sijmon van Teylinghen is doid en het goot (goed) heeft ontfaen Jonckvrou Sophie sijn dochter, Willems wijf van Naildwije des Vrijdaghes na Servatii int jaer LXX (17 Mei 1370) enz.”

Het grootste ambacht
Willem van Naaldwijk uit het beroemde riddergeslacht van die naam had behalve dit gedeelte van Sliedrecht en Crayesteyn ook nog tal van andere lenen in het Westland, bij Honselersdijk. Het dorp Naaldwijk in het Westland ontleende dus evenals een gedeelte van Sliedrecht een naam en een wapen aan het geslacht Naaldwijk. Naaldwijk was vroeger het rijkste en belangrijkste deel van het dorp. Er woonde het grootste aantal mensen en er stonden de meeste huizen. Naaldwijk was nog in de 17de eeuw groter dan de twee andere ambachten samen.
Bij verschillende zaken kwam dit tot uiting, zo b.v. bij de verkiezing van de kerkenraad en van kerkmeesters. Uit de oude stukken van die tijd blijkt dat Naaldwijk evenveel leden in die colleges koos als Lockhorst en Niemandsvriend samen. Het is onbekend wanneer het ambacht door de heer werd verlaten. Mogelijk stak de heer de spade op de dijk in een tijd, dat het onderhoud van de dijk hem te zwaar werd. Wellicht is dit in dezelfde tijd geweest als waarin de vroegere Oude Wiel ontstond.
Het ambacht behoorde later aan het gemene land van de Alblasserwaard en werd in de 17de eeuw weer aan particulieren verkocht.

01 – Inleiding

Historie Met de heer Lips, voormalig archivaris, duiken we in de geschiedenis van Sliedrecht. In een charter (oorkonde) van 2 mei 1064, worden voor het eerst de streken langs de oevers der Merwede genoemd o.a. de streek ten zuiden van die rivier: ” tem de Riede juxta Merewede usque Sliedrecht”, d.w.z. van Riede langs de Merwede tot Sliedrecht.

Geschiedenis-001
Kasteel Crayesteyn dat ooit aan ten zuiden van de Merwede stond

Welke gebeurtenissen speelden een rol in het leven van onze vroegere dorpsbewoners? Welke invloed hadden Sliedrechtenaren geschiedkundig op landelijk niveau? Kende ons dorp voor- en tegenspoed? Hoe kwam het hieruit te voorschijn? Hoe is ons dorp uitgegroeid tot wat het nu is? Al lezende krijgt u een antwoord op deze vragen over de geschiedenis van Sliedrecht. Over de geschiedenis van het kerkelijk leven door de eeuwen heen is veel geschreven; het beslaat uiteindelijk toch een tijdvak van tweeduizend jaren.

Geschiedenis-002
Vroeger kerkgebouw in Piet Rijsdijkstoep.

In onze woonplaats is van het prille begin weinig bekend, maar je mag ervan uitgaan dat er in deze buurten bij het vorige millennium de kerk in een bepaalde vorm aanwezig was. Jan van Leeuwen vertelt ons over de Sliedrechtse kerkgeschiedenis. Na een korte inleiding over de ontwikkelingen op landelijk niveau schakelt hij al snel over op de plaatselijke gebeurtenissen op kerkelijk gebied. Gelet op de vele richtingen in Sliedrecht op dit terrein zal dit deel van de plaatselijke geschiedenis u zeker aanspreken.

Geschiedenis-003
Het schoollokaal in vroeger tijden

De geschiedenis van het onderwijs in ons dorp begint aan het eind van de 16e eeuw. Pas in 1594 is er sprake is van de benoeming van een schoolmeester. Abraham Adriaensz was zijn naam.Ondanks de voortwoedende 80-jarige oorlog was er geld voor zijn aanstelling. Abraham die ” gesont in leere ende leeven was bevonden” ging de kinderen les geven in een lokaaltje bij de kerk. Zijn taak bestond uit “de kinderen leeren lesen, schrijven, spreken ende vrije konsten kennen, maer deselve oock in de godsaligheyt ende Catechismus onderwijsen.”

Geschiedenis-004
Sliedrechts eerste school stond bij de kerk.

Vanaf deze eerste schoolmeester in Sliedrecht volgen we de geschiedenis van het onderwijs in ons dorp op de voet. Hoe en waar vond het onderwijs in ons dorp plaats. Liep alles voorspoedig? Hoeveel kinderen had de meester onder zijn hoede? Met welk inkomen moest de onderwijzer rondkomen? Een vetpot of moest hij nogal wat bijklussen? Wanneer kwamen er juffen voor de klas? Op deze vragen en nog veel andere zaken informeren we u..! Voor alle verhalen geldt dat we steeds voor aanvullingen zorgen.