Dialectverhaaltjes 2022

Terug naar de vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2021

Terug naar de vorige pagina

Bijzondere woorden

Bijzondere woorden in het Sliedrechts dialect.

Het Sliedrechts dialect heeft (net als de dorpen in de omgeving) een heel rijke eigen woordenschat. Er komen daar veel woorden en uitdrukkingen voor, die je in de Van Dale tevergeefs zult zoeken. Ook zijn er nogal wat woorden die in het Sliedrechts een andere betekenis hebben als hun omschrijving in het Standaard Nederlands.
Hieronder een greep uit die rijke Sliedrechtse woordenschat, ondergebracht in thema’s en allemaal voorzien van een voorbeeldzin waarin het betreffende dialectwoord gebruikt wordt.
__________________________________________________________________

Spellechies

Afgooitolle. Aoichie is een pikeur met afgooitolle.
Een afgooitol is een zogenaamde werptol. Een min of meer peervormig model en van hout gemaakte tol waar een dun touw omgewikkeld werd. Met een snelle handbeweging werd de tol afgeworpen en het touw teruggetrokken. De kunst was om de tol zo lang mogelijk draaiende te houden. De tol had een metalen punt waar de tol op draaide. Vandaag de dag wordt dit spel niet of nauwelijks meer door de jeugd gespeeld. Misschien wel een idee voor het Baggerfestival: ‘Slierechs kampioenschap afgooitolle’.

Buutvrij, Lôôsie. In de Prutsebuurt kò je aarəg goed buutvrij doen. Want daer wazze een hôôp lôôsies.
Tegenwoordig noemt men dit ‘verstoppertje spelen’. Een buut is een mikpunt. Hierop moest worden aangetikt. Hoe ging dat ook al weer? In een groep werd afgeteld wie de buut was. De buut was niet alleen een speldeelnemer, maar ook een van te voren bepaalde plek waarop aangetikt moest worden. Degene die op de buut stond mocht niet kijken tijdens het verstoppen van de andere deelnemers. Daarna moest de buut gaan zoeken naar de verstopte deelnemers. Op het moment dat de buut iemand ontdekte moest men terug hollen naar de buut en deze aantikken, dat wil zeggen, de ontdekte persoon holde samen met de buut naar de plek waar de buut is. Als de buut aan het zoeken was, moesten de deelnemers ongezien naar de buut hollen, aantikken en ‘buutvrij’ roepen
Een lôôsie is een plek waar je je verstoppen kunt.

Voor ’t echie. We speule nou nie meer voor spek en bôône, we doen ’t nou voor ‘t echie.
Spelen voor het echt. Deze uitdrukking werd in Sliedrecht vroeger al gebruikt. Vandaag de dag wordt het vaker uitgesproken in Nederland. Soms zijn uitdrukkingen zoals ‘voor ’t echie’ een bepaalde tijd in de mode, zoals dat op dit moment het geval is.

Florse. De kaainder van hiernaest zatte nae die zwaere regenboi lekker in de plasse te florse.
Voor de uitdrukking ‘florse’ bestaat geen Nederlands woord. Het is puur ‘Slierechs’. De betekenis ervan is: ‘met water knoeien’.

Grondjieklaauwe. Ik doch dà jij al kon zwemme, maor volləges mijn bè je aan ‘t grondjieklaauwe.
Doen alsof men kan zwemmen. Een zwembeweging maken in ondiep water zolang met de voeten de grond geraakt kan worden.

Handjieraeje. In de kroeg wier d’r met handjieraeje bepaold wie d’r een rondjie mos geve.
Elke speler neemt 3 lucifers (of muntjes) in de linkerhand. Zonder dat de andere spelers dat kunnen zien, stoppen de deelnemers achter hun rug 1, 2 of 3 lucifers in de linkerhand. De vuist van de rechterhand met het gewenste aantal lucifers wordt gesloten op tafel gelegd met de nagels zichtbaar (sneetje boven). Stel: er zijn 3 spelers, dan kunnen er maximaal 3 x 3 = 9 lucifers in het spel zijn en minimaal 3 x 0 = 0. Speler 1 begint met raden: hoeveel denk jij dat er totaal in onze handen zit. Hij zegt 5, zelf heeft hij er 2, speler 2 zegt 6, hij heeft er 3 en speler 3 zegt 4, hij heeft er 1. Totaal zijn er dus 2 + 3 + 1 = 6. Dit betekent dat speler 2 het juiste aantal heeft geraden, hij hoeft dan niet meer mee te raden. De overige spelers gaan verder, net zo lang tot er 1 verliezer is en die moet een rondje geven.

Kaesiewege. Kijk toch is hoe handig die kaainder aan ’t kaesiewege zijn.
‘Kaes’ is kaas en ‘wege’ is wegen. Vroeger een spel van kinderen op straat. Met de ruggen tegen elkaar gaan staan en de armen verstrengelen en dan elkaar om de beurt optillen.

Neppe. Gijs Schallək kon goed neppe met d’n bal. Ze konne hum mêêstal nie houwe, want hij kwam d’r bekant aaltijd deur.
Passeerbeweging(en) maken bij het voetballen.

________________________________________________________________

Het weer

Brêêje waaind. Met ’n brêêje waaind, hè je kans op hôôg waoter, zeker as ’t ok nog giertij is.
Doorgaans een noordwesten wind. Een windrichting die het water opstuwt tegen de Nederlandse kust. Afhankelijk van de maanstand , kan er een springvloed ontstaan.

Bubbeltjies op ’t waoter. As t’r ’s zeumers op ’t waoter of in de modder bubbeltjies komme, daolt ’t weerglas naer aander weer.
Luchtbellen op het water ziet men weleens in het voorjaar als plots een bui valt, in het begin met grote druppels. Wie in de meimaand in de polder fietst of wandelt kan dit verschijnsel in een sloot waarnemen.

Dêêmstig. Is ’t nou zô dêêmstig of is m’n bril zô onte (vuil)?
Heiig. Er hangt een floers van nevel over het land.

Droes in ’t waoter. D’r komt al droes in ’t waoter, as ’t zô deurgaot zal de rəvier eerdaegs wel zitte.
Beginnend grondijs in de rivier

Dubbeltjies ijs. As ie bij ’t dubbeltjies ijs ’n grôôte gasbel opzoekt, en je daer met ’n spijker ’n gaetjie in slaot, krijg ie ’n steekvlam, à je d’r ’n brandende lucifer bijhoudt.
Misschien wel een typisch Sliedrechtse uitdrukking. Het vroegere muntstuk van tien cent uit de tijd van de Nederlandse gulden, was een klein muntstuk. In sloten kunnen door moerasgas kleine gasbelletjes ontstaan die in het ijs te zien zijn. Vroeger, in de jaren vijftig, kon je ook voor een dubbeltje een ijsje kopen.

Glimmerties. As ie de ringe van ’t fərnuis ophaolde en d’r zatte glimmerties aan die van d’r plek gonge, kreeg ie binne vierentwintig uur regen.
Dit zijn nog gloeiende deeltjes roet die uit de schoorstenen van huizen kwam bij het oppoken van de kachel. Nog voor dat in Nederland het aardgas massaal werd ingevoerd, waren huizen voorzien van een op kolen gestookte kachel. In de jaren zestig van de vorige eeuw werden de kolenmijnen in Nederlands Limburg gesloten en werden huizen aangesloten op het aardgas.

Hordrôôg. ’t Is al weke lang zukke hordrôôge weer dat de grond geborste is van de drôôgte.
Het betekent kurkdroog Waarschijnlijk een verbastering van ‘gortdroog’ , waar net als in de Zeeuwse dialecten de –g- een –h- geworden is.

Hel. De zon schijn vəndaeg zôô hel, dà ‘k echt m’n zonnebril nôôdig het.
In het Sliedrechts dialect wordt het woord ‘hel’ gebruikt in de betekenis van ‘fel’. Mogelijk een afkorting van ‘helder’. Aan boord van schepen, in ieder geval aan boord van sleephopperzuigers, wordt het magazijn in het voorschip de ‘hel’ genoemd.

Glippe. As de hiele en de vreef và je schoene gonge glimme en glippe kreeg ie ’s aanderendaegs regen.
Met ‘glippe’ wordt in dit geval slippen bedoeld.

Klotse aa je klompe. Moeder waorschauwde ons, dà me niet te grôôte klotse onder ons klompe mosse laete komme, aanders kò je je bêêne wel-is breke. Plakkende sneeuw onder aan je klompen. In de tijd dat veel mensen nog op klompen liepen, kon het in de winterdag bij sneeuwval gebeuren dat de sneeuw in dikke lagen onder aan de klompen bleef plakken. Dit veroorzaakte onregelmatig lopen en bevorderde de kans op vallen.

Kouwchie waaind. Met dà kouchie waaind en ’n staertie van de vloed haole me Slierecht nog wel voor d’n donker met de zaailbôôt.
Briesje, een zachte maar frisse koele wind. In feite is dit een term uit de koopvaardij; een gewone zeeterm voor wind. Een briesje kan oplopen tot een fikse of stijve bries.

Nippig koud. Jij mè je: “ ’t is nie koud. Ik vingk ’t aanders nippig koud, daerom gao ‘k from (terug, weerom) om ’n troi aan te trekke.
Met deze uitdrukking wordt ‘vinnig koud’ bedoeld. ‘Vinnig’ betekent ‘scherp’ of ‘bijtend’.

Schaelijk zonnechie. Dà schaelijk zonnechie kon wel-is ’n flinken boi oplevere.
Felle zonneschijn tussen de buien door.

Dialectverhaaltjes 2020

 

Terug naar de vorige pagina

Taalverschijnselen

Sliedrechtse taalverschijnselen opzoeken

In 2006 verscheen een woordenboek van het Sliedrechts dialect, getiteld SLIERECHS VAN A TOT Z (ruim 8500 lemma’s). U kunt dit woordenboek inzien op deze website. Dit woordenboek is geconstrueerd vanuit een Exel database van het Sliedrechts dialect.
Een database die tot op de dag van vandaag nog steeds bijgewerkt wordt. Maar er is veel meer uit die database te halen. Alle Sliedrechtse taalverschijnselen kunnen nl. apart opgezocht en afgedrukt worden.

Desgewenst kunnen we u (zonder kosten) het Exel databestand van het Sliedrechts dialect toesturen; vergezeld van een handleiding hoe die taalverschijnselen te selecteren en uit te printen. Een mailtje naar pietpols@gmail.com is voldoende. Laat hem dan s.v.p. even weten hoe u het ontvangen wilt: per mail. op CD of op een USBstick

Hieronder een kort overzicht van de taalverschijnselen die te vinden zijn in de database.

  • Zo zijn daar de verkleiningsuitgangen: -chie-, -echie-,– ie-, -jie-, -ksie-, -pie- -sie-, -tie-, -tjie-, Je kunt de betreffende woorden zo opzoeken en uitprinten vanuit de kolommen G, H, I, of J. van het Exelbestand.
  • Zoek je de Sliedrechtse persoonlijke of bezittelijke voornaamwoorden ? Of de werkwoorden, zelfstandig naamwoorden, bijwoorden enz.? Ze zijn te vinden in de kolommen D en E.
  • Het Sliedrechts heeft een veel grotere variatie aan klinkers dan het Standaard Nederlands (SN). Een voorbeeldzin:
    Vraag maar eens aan Arie Baars hoe laat het laag water is in de haven.
    Dat is in het Sliedrechts: Vraeg maor is aan Aorie Baers hoe laet het lêêg waoter is in de haove.
  • Andere Sliedrechtse klanken zijn oa.: -êê-(als in weer) -ôô- (als in door) -aai- en -aau-.
  • Een interessante klinker is de -ôô- (als in door). In de tijd dat het Standaard Nederlands nog woorden met één of twee -o’s- kende, hadden de Sliedrechtse kinderen geen enkele moeite met de juiste schrijfwijze. Ze wisten: Op de deuren zitten sloten met één –o-, want die noem je in het Sliedrechts slote. Maar tussen de weilanden liggen slooten, met dubbel –oo-, want dat zijn in het Sliedrechts slôôte. Ook met de spelling van ij–ei en met au–ou hadden Sliedrechters geen enkele moeite, want ze worden in het Sliedrechts veschillend uigesproken. Dit alles is te vinden in de kolommen G, H, I, of J. van de Exceldatbase van het Sliedrechts.
  • Zo zijn ook de woorden met klankverschuivingen en verdwenen medeklinkers op te zoeken in de kolommen G, H, I of J met de volgende
    lettercodes:


ə
woorden met een een stomme e, fəsoen.
j d = j, gleeje
eu oo = eu, zeun
oi ui = oi troi
v w = v vrat
-n verdwijnende n, aaigelijk.
-t verdwijnende t, aeverechs.
omme komme = komen
ulle schullep = schulp
urre durreps = dorps
zie horlozie

Alle woorden en uitdrukkingen hebben ook een thematische aanduiding gekregen.
Bijvoorbeeld, uitdrukkingen over geld en handel kunnen zo getoond worden. Je vindt ze in kolom A onder een zoekletter. Thema’s zijn:
a Arbeid,Werken.
b Boerenbedrijf.
c Gereedschap en keukengerei.
d Dieren
e Eten en drinken.
f Beroepen.
g Geld en Handel
h Het weer.
k Kleding.
l Lichamelijk

m Mensen.
n Sliedrechtse namen.
n at Natuur.
o Aan de waterkant.
q Uitstapjes.
r Kerk en geloof.
s Sport en spel.
t Tijd en plaats.
u De rest, niet in te delen.
v Vervoer, transport.
w Wonen.

Het Sliedrechts dialect heeft honderden woorden en uitdrukkingen die in vergelijkbare SN-vorm niet in de Van Dale voorkomen, of die een andere betekenis hebben dan het vergelijkbare SN-woord. Deze interessante taalschat is echter goed te traceren, omdat ze allemaal met een voorbeeldzin in kolom M van de database staan.

Kenmerken van het Sliedrechts

Eerst even een breed verspreid misverstand rechtzetten:
Dialect is geen slordige verbastering van het Standaard Nederlands (SN). Het is bijna andersom. Het Standaard Nederlands is pas in de 16 e eeuw door taalkundigen geconstrueerd, omdat er toen behoefte was aan een eenheidstaal voor regeringsdocumenten en de Bijbelvertaling. Dialecten zijn de oorspronkelijke en authentieke taalvormen van ons land.
Dialect is veel meer dan ‘plat praote’ Het is een rijk cultuurhistorisch taalfenomeen.
Ons Sliedrechts dialect heeft een eigen woordenschat, eigen spreekwoorden, een eigen grammatica en een eigen typische zinsbouw.
Hieronder meer daarover.

Een eigen woordenschat
Het Sliedrechts heeft veel woorden die je tevergeefs in de Van Dale zult zoeken.
Zoals bijvoorbeeld:
Deemstig – nevelig, heiig.
Kwisbille – onrustig heen en weer lopen.
Rêêpe – hard werken.
Aorig – vreemd, zonderling.
Bunzig – afkerig, bang.
Ieverstaer – ergens.
Jôôke – jachtig werken.
Onterik – viezerik:
Oprêêje – opruimen.
Gaerze – Rennen.

Een andere woordenschat
Het lijken herkenbare woorden, maar toch staan ze niet in de Van Dale. Soms ook woorden die uit het SN verdwenen zijn, maar die nog wel leven in ons dialect, zoals bijvoorbeeld:
Hekse – knieholtes.
Vaareke – stoffer.
IJzig – eng, angstig.
Bosse – een schatting maken.
Klaphekke – kletskous.
Lillijkers vange – geërgerd kijken.
Laerze – veel drinken.

Spreekwoorden en zegswijzen
Enkele voorbeelden:
‘t Mot eerst warre, wil ’t rêêje. – Pas als de boel behoorlijk in het honderd gelopen is, komt er klaarheid.
De lucht veraaremoeit. – Er komen steeds meer donkere wolken opzetten.
Ze wier mè blek en vaareke naegetrommeld. – Men was blij dat ze ophoepelde.
De zon schijnt de pitte in de grond. – Felle zonneschijn.
Om krôôsies gaon. – Kapot gaan.
Hij ziet de lucht voor kemijnekaes aan. – Hij is helemaal in de war.
Een verhaol deur ’n laokese bril bekijke. – Met een korreltje zout nemen.

Grammatica
Ons dialect kent strenge grammaticale regels die door iedere dialectspreker, zonder dat men het zich bewust is, moeiteloos toegepast worden

Naamvallen
De oude naamvalsvormen met -e- of -s- zjn in het Sliedrechts nog volop in gebruik.
We geve Wimme een boek en Annies een bos blomme (meewerkend voorwerp, 3 e naamval).
Hè jij gistere Moeders en Janne nog gezien ? (lijdend voorwerp, 4 e naamval).
Pseudo-dialectsprekers zeggen soms: Moeders zat lekker TV te kijke. Dat is helemaal fout. ’Moeder’ is hier onderwerp, dus 1 e naamval. Dan komt er nooit een -s- achter. Goede dialectsprekers zullen deze fout nooit maken.
Is dat sleepbôôtjie van Volkere of van Prinsies ? (2 e naamval).
“Naer voorene met dien bal!” brulde de trainer.
Ze liep van bovene naer beneejene.
Dienen oto ? Diene fiets? Is dat d’n humme of d’n heure? Of is tie van heullies? Is ’t heulliezen oto? Heullieze fiets?
Dà ’s Janne pet. Miene jas. Huibpies otoped.
Allemaal naamvallen in het Sliedrechts.

Verkleinwoorden
Verkleinwoorden in dialect zijn geen slordige verbastering van het Nederlands zoals sommigen wel menen. Integendeel! Het zijn heel typerende taalvormen, die strakke taalkundige regels volgen. Het Sliedrechts heeft verkleiningsuitgangen die verschillen van het Standaard Nederlands. Hierna volgen ze:
kje = ksie: koeksie, haeringksie.
tje = chie: sleechie, mouwchie, CDchie, ballechie.
dje = jchie: brôôjchie, draejchie.
tje = echie: hielechie, trulechie.
je = jie: putjie, handjie.
pje = pie bezempie, zêêmpie.
tje = tie jaertie, pooortie.

Meervoudsvormen
De meervouds -n- valt gewoonlijk weg.
Mooier zijn meervoudsvormen zoals: Wà voor aaier (eieren) wil jij? Wittes of bruines?
en: Die kaainder (kinderen) wille gêên klaaine aerepel (aardappels), maor grôôtes.

De klinkers
Kinderen die goed Sliedrechts spraken, hadden een voorsprong bij het taalonderwijs.
Zij hadden geen enkel probleem met het verschil tussen: -auw- en -ou- of met -ei- of -ij- (korte of lange ei-ij). De -auw- is in het Sliedrechts -aauw-, met een lange -aa- klank. Bijvoorbeeld: blaauw, gaauw, kaauwe, maauwe, raauw. De -ou- blijft als de Standaard Nederlandse -ou- uitgesproken. Bijvoorbeeld: hout, koud, mouw, nou, stout of zout.
Een soortgelijk klankverschil doet zich voor bij de -ei- en -ij-. In het Sliedrechts klinkt -ei- als -aai-, dus ook met lange -aa- klank. Bijvoorbeeld: braaie (breien), haai (hei), klaainighaaid, maaid (meid), vriendelijkhaaid. De Sliedrechtse -ij- ligt dicht bij de Nederlandse uitspraak. De kindertjes schreven dus moeiteloos: blij, dijk, fijn, strijkijzer, wijnazijn, zwijn.
Ook de oude spelling van één of twee -(o)o-’s was voor een vroegere generatie geen probleem op school. Als je in het Sliedrechts een –ôô- uitsprak (zoals die in hoor, koor, door klnkt), bijvoorbeeld bij woorden als: bôôte, grôôte, kôôle (kolen, groente), pôôte (poten, voeten) of slôôte (sloten, watergang), dan schreef je automatisch: booten, groote, koolen, pooten en slooten.
Hoorde je in het Sliedrechts echter een open -oo- klank, zoals in: kole (steen)kolen, ope (open), slote (sloten, meervoud van slot), gezope of gebroke, dan schreef je een enkele –o-, zoals later de algemene spelling werd.
Bovengenoemde verschillen in uitspraak gaan terug op oudere vormen, voordat ze in Nederland zijn gaan samenvallen tot één klank.
Maar het Sliedrechts heeft ook nog een aantal andere klanken. Denk maar eens aan de -aa- . Bijvoorbeeld in de zin: Vraeg is aan Aorie Baers hoe laet ’t lêêg waoter is in de haove. Of wat dacht u van: In ’t begin van de week zette moeder ’t vuilste wasgoed in de wêêk. Of woorden als: waarek, kaarek, boi (bui) en kroiwaoge.
Het is mogelijk om alle woorden met een bepaald taalverschijnsel op te zoeken in onze database. U wilt bijvoorbeeld weten welke verkleinwoorden in het Sliedrechts de uitgang -chie- hebben. Of welke woorden een -ae- klank. Of welke meervoudsvormen eindigen op -er-. Kijk dan onder de knop TAALVERSCHIJNSELEN OPZOEKEN op deze website.

Dialectverhaaltjes 2019

 

Terug naar de vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2018

 

Terug naar de vorige pagina

Maondag Wasdag

Liedjes in het Sliedrechts Dialect

01. Bè jij ok in ’t baggerdurp gebore?

02. Moeders vrijdag

04. Klaaine dinger

05. Voor aaltijd verliefd

06. Maondag wasdag

07. Aorie onze meulebaos

08. Voor de beurt

09. Ons koksie

10. Plaetjies kijke, loflied op Slierecht

11. Slierecht

12. Naer ’t baggerwaark

Dialectverhaaltjes 2017

 

Terug naar de vorige pagina

Voor schrijvers van een scriptie of een werkstuk over dialect

Regelmatig komt bij de Werkgroep Sliedrechts Dialect een verzoek binnen of er materiaal beschikbaar is voor het maken van een scriptie of werkstuk over dialect. Het antwoord is zonder meer: JA

Kijk maar eens onder de knop KENMERKEN VAN HET SLIEDRECHTS op

Want dialect is veel meer dan ‘plat praote. Zo zijn daar :

1. Een eigen woordenschat.
2. Gezegden en uitdrukkingen die elders in Nederland onbekend zijn.
3. Een eigengrammatica met naamvallen, werkwoordsvormen en typische verkleiningsuitgangen.
4. Nog steeds bestaande uitspraakverschillen tussen –ei- en –ij- en tussen -au- en –ou-. Verschillen die in het Standaard Nederlands verdwenen zijn.

Maar ook onder de andere knoppen staat het nodige. Tevens is er nog wel het een en ander te vinden op de website www.demauwerd.nl van Streektaal Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.

Voor docenten Nederlands

In veel taalmethodes wordt aandacht geschonken aan dialect. Dat gaat dan veelal over dialecten in het Oosten of Zuiden van ons land. Maar u zou ook de eigen streektaal in uw lessen kunnen behandelen. Er is meer dan voldoende lesmateriaal voorhanden. Streektaal is veel meer dan ‘plat praote’. Zo zijn daar :

1. Een eigen woordenschat.
2. Gezegden en uitdrukkingen die elders in Nederland onbekend zijn.
3. Een eigen grammatica met naamvallen, werkwoordsvormen en typische verkleiningsuitgangen.
4. Nog steeds bestaande uitspraakverschillen tussen –ei- en –ij- en tussen -au- en –ou-. Verschillen die in het Standaard Nederlands verdwenen zijn.

Veel meer over al deze boeiende taalverschijnselen staat te lezen onder de knop KENMERKEN VAN HET SLIEDRECHTS op deze website. Maar ook onder de andere knoppen. Er is ook nog wel het een en ander te vinden op de website www.demauwerd.nl van Streektaal Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.

Spellingsafspraken

Uitganspunten:

  • de klanken van het dialect zo goed mogelijk weergeven.
  • ten behoeve van de leesbaarheid, zo dicht mogelijk bij het Standaard Nederlands (SN) blijven.
  • Consequent zijn. Dwz. Afgesproken regels overal toepassen. Gaat dat niet, dan een uitzondering ook weer in een regel vastleggen. ( zie 1 A en 1B).

Deze uitgangspunten kunnen strijdig zijn met elkaar. De kunst is, het juiste evenwicht te vinden, afhankelijk van de doelstelling. In woorden boeken en database hanteren we deze spellingsregels In verhaaltjes en krantenstukjes geven we elkaar de ruimte om te schrijven zoals je zelf denkt dat ’t beste is.

REGEL 1
Uitgaan van het SN-woord. Alleen die letters veranderen die in het Sliedrechts anders klinken.
Niet aerdug, niet aerdeg, maar aerdig. aerdigies, kәstajje, eaudeclojje (eaudecologne), broeinetel, Aorәchie, Aochie, brugchie (je=i)e, maogchie, laogchie, zaogchie.
Niet aokeluk, niet aokelek, maar aokelik. Affside, woordtie (je=tie), paerdtie, paortie (tje=tie), boordtie, boortie, koordtie, koortie
Het ie, zal ie, heb ie, pak ie, mò me, à ‘k ie, as ie, à me, mos ie,
Buchie, luchie, hij begelaaidde (verl. tijd), beklêêjde, belege, gelege, bruine bere, strontbere, ì mekaor, buitenavver

REGEL 1 A
Uitzondering: als het een verkeerde indruk zou geven van de Sliedrechtse uitspraak. Erwten= geen arwte maar arte

REGEL 1 B
Uitzondering: medeklinkers aan het begin of eind van een woord, die in het Sliedrechts scherper of zachter klinken onder invloed van het voorgaande of volgende woord (tkofschip), worden niet als zodanig genoteerd (een woord heeft nooit twee verschillende schrijfwijzen. Consequent en leesbaarheid)
Dus n iet; op t’n dijk, pak se, het fuurt, op tien toafel, op teuze taofel, az ik, wad ‘n, nied êên, azzie, az ie, mozzie, moz ie, hij komd effe
Maar: op d’n dijk, pak ze, het vuurt, op dien taofel, op deuze taofel,
as ik, wat ‘n, niet êên, as ie, mos ie, hij komt effe
En ook ; azze me, azze we, lazze jullie, wazze hullie, mosse me/ hullie,
Maar; Mosse ze, is tie(hij), as t’r,

REGEL 2
Klinkers: bôôt, brêêd, draed, kaol, . zô, zôô(nadruk), mooi hooi (beide oo van door)
ei = aai, klaain, ij = ij, dijk, maar soms ij = aai (d=j) : laaijelijk, somwaaile, tәrwaail, of trәwaail.

REGEL 2 A
Uitzondering: latere (Franse) woorden met ei :train, terrain,

REGEL 3
Op het eind van een open lettergreep : êê, ôô, aa om de goede Sliedrechtse uitspraak weer te geven. verêêniging, grôôte, zôôas, aamәl

REGEL 4
D= J : bieje, dôôje bêêste, ( dooie nae de vors)t, brêêje, rôôje blomme, (aerepel rooie). omkaden= omkaoje (teg.tijd), omkaojde (verl. tijd),
de Kaoi (buurt), een kaoi (znw.).

ui = oi, ei = aai. klokke loije, kroijenier, ( loië vent, oproiërs, troië, boië, ) afgeschaaije, met z’n baaije

REGEL 4 B
Uitzondering: bij D= J en ij, vervalt die j
Niet: snijje , glijje, rijj., Maar: snije , glije, rije.

REGEL 5
ә : voor een (toegevoegde) toonloze klinker, als het gevaar bestaat dat de e als ee of è gelezen wordt. kaarәk, tullәp, hellәp,
ook als een andere klinker toonloos uitgesproken wordt : aamәl, Klinkers die zowel in het SN als in het Slierdechts toonloos zijn,veranderen niet. Dus :aerdig, aokelik, lillijk.

REGEL 6
Een à of è of ò als een juiste uitspraak van het dialect dit wenselijk maakt.
Bv. Hà je, mò me, hè me

REGEL 7
Korte woorden niet aan elkaar breien, hoewel het soms wel verleidelijk is.
Dus niet: momme, toen’k, mossie, hà’k zô’n, amme
Maar: : mò me, toen ’k, mos ie, hà ’k zô ’n, à me

REGEL 8
W voor een R wordt een V.
Vrêêd, vrêêke, vroete, vrijve

Nog een paar losse woorden: aangeklêêjd, buuvrouw, maar buurman en buurmaaisie
dekes, faals, êên van Keesse, kwansquaosie, lêêgebpie, pәrbere, perrepluë, pleeë, prongeluk, rizzeltaot, rucht, ruchte, ’s maondassoches, soosjәlist, trug, vleeje week, .

Vaker: een, het, er, inplaats van : ‘n ‘t ‘r.

Alle bovenstaande woorden in alfabetische volgorde

SPELLINGSAFSPRAKEN

Keese

kroijenier

aai=ei

lazze jullie

aaməl

lêêgebpie

aerdig

loië vent (luie)

afgeschaaije

loije van klokke (luiden)

à ‘k ie

’s maondassoches

à me

mò me

aokelik

mooi, hooi oo van door

arte (erwten)

mos ie

as ie

mosse me (hullie)

as ik

mosse ze

as t’r

niet êên

as ’t ‘r

ôô, grôôte

azze me

op deuze taofel

azze we

op dien taofel

baaije (beiden)

op d’n dijk

bieje

pak ie

bôôt

pak ze

paortie

brêêd

pərbere

brêêje

perrepluë

buurmaaisie

pleeë

buurman

rooie van aerəpel

buuvrouw

rizzeltaot

dekes

snije

dijk, ij=ij

toe ‘k

dôôje bêêste

trug

draed

ui is soms oi (trui-troi)

êê, verêêniging

vleeje week

faals

vrêêd

glije

vrêêke

hà je

vrijve

hà ‘k

vroete

heb ie

’t vuurt

hè me

wat ‘n

het ie

wazze hullie (heulie)

hij komt effe (effentjies, eve)

zal ie

zôôas

is tie

zô ‘n

kaarək

Leeshulp

Het Sliedrechts dialect heeft een paar klinkers die anders zijn dan in het Standaard Nederlands. Ze zijn niet moeilijk. Hier komen ze:

De -ae- zoals in bijvoorbeeld: daer, laet, paerd, straet, waer, daer en haer, spreek je uit als de ai in: fair, prairie, ordinair en als in dat jongchie blèrt. Maar ook als in het Engels: where, there en hair.

De -ao- zoals in bijvoorbeeld: kaort, vaoder en waoter, spreek je ongeveer uit als de letter -o- in rond, maar iets langer aangehouden zoals in :òòòh wat mooi. Net als de letter o in het Engelse: born (geboren) en de a in (all).

De -ôô- spreek je uit als in: boor, hoor en voor. Bijv: Sliedrechts: drôôg, brôôd en slôôt.

De -êê- spreek je uit als in: peer en meer. Bijv. Sliedrechts: bêên, dêêl en zêê.

De -aai- (ei) spreek je uit als in: aaien, maaien, zaaien. En als in het Engels: I love my wife. Bijv. Sliedrechts: Dat klaaine maaisie is êên en aal vriendelijkhaaid.

Medeklinkers

HIJ VONG HIJ VONG POEJER NOG ‘T LEKKERSTE

In de vorige artikelen hebben we de klinkers behandeld. Denk bijv. aan: paerd, grôôt, maaid, troi, lêêg, durp, brocht, deuze, bietjie, kaaind, en nog vele andere.

Nu zijn de medeklinkers aan de beurt.
We zullen het hier eerst hebben over de -nd – die in het Sliedrechts -ng- geworden is.

Voorbeelden hiervan:
· Binge – bong – gebonge (Ned. Binden, bond, gebonden.)
· Vinge – vong – gevonge (Ned. Vinden, vond, gevonden.)
· Winge – wong – gewonge (Ned. Winden, wond, gewonden.)

Dit verschijnsel is geen overblijfsel van oudere taalvormen, want binden is in het Oud-Germaans binda en vinden is daar vinda.
Die verandering van -nd- tot -ng- komt in veel zuidelijke dialecten voor. In Zeeland is het dialectwoord voor hand hangd en ander is angder. Ook het Nederlandse tenger, dat aan
het Franse tendre ontleend is, heeft deze verandering ondergaan.
Die verandering is, dat de -nd- die met je tongpunt tegen je boventanden gevormd wordt, zich verplaatst naar achter in je mond, tegen je huig. Dit is in de taalwetenschap een bekend verschijnsel en heet velarisatie.

Andere voorbeelden hiervan zijn:
Hij sting of hij stong (hij stond), fongst (ziekenfonds) en mangels. (amandelen)

Nu de -d- die in het Sliedrechts een – j – geworden is.
Voorbeelden: bôôjem, braeje, bloeje, broeje, geleeje, glij-je, poejer, tevreeje, bieje, hoeje, hoi-je, kroi-jenier, langdraejig, steeje, zoi-je, dôôje.
Het betreft hier steeds een medeklinker die tussen twee klinkers staat. Ook hier is het verdwijnen van de -d- een latere verandering. In het Oud-Germaans, maar ook in het huidige Engels en Duits hebben deze woorden nog allemaal een -d- of -t-.
Denk bijv. aan het Engelse bottom, brediing en gliding, of aan het Duitse boden, braten, blüten, gleiten, süden en städte.
Het lijkt alsof men bij ons niet de moeite neemt die -d- uit te spreken en dan komt er vanzelf een -j-achtige klank voor de -d- in de plaats.
Overigens is dit een verschijnsel dat in grote delen van Nederland voor komt.
Een mooi voorbeeld hiervan is ook Sliedrecht dat vroeger uitgesproken werd als Sliejerecht, wat later weer vervlakt werd tot Slierecht.

Toch waren we niet consequent in het weglaten van de -d- tussen twee klinkers. Vergelijk de volgende woorden maar eens:
· moeder poejer
· vaoder kwaojer
· ieder biejer
· jode verbôôje
___________________________________________________

De -d- is in het Sliedrechts soms een -w- geworden. Dat is het geval na een -ou-.
Voorbeelden:
· houwe
· ouwe
· gouwe
· kouwe
· verkouwe
Soms is die -d- met een volgende klinker helemaal verdwenen.
Voorbeelden: nijg (nijdig), daolijk (dadelijk), schoer (schouder), teng (tijding).

Soms is in het Sliedrechts de lettergreep -de- op het eind van een woord een -i- geworden, zoals in aaremoei (armoede), kaoi (kade), laoi (lade), slaoi (sla, salade).
In het Standaard Nederlands is deze slotlettergreep meestal in z’n geheel weggevallen. Vergelijk maar eens de oudere vormen heide, slede en zijde met de huidige vormen hei, slee en zij.
______________________________________________________

FETERS IN DE ETELAOZIE.

Hieronder niet een verhaal over oude Germaanse klanken die in het Sliedrechts zijn blijven bestaan, maar iets over klankveranderingen die in de loop van de tijd in ons dialect zijn ontstaan.
Het Nederlands heeft een aanzienlijke hoeveelheid Franse leenwoorden en ook het Sliedrechts is daar ruim in gesorteerd. Bij de uitspraak van die Franse leenwoorden doet zich in ons dialect een bepaald verschijnsel voor. Hier volgen de vier gevallen:

A. De slotlettergreep –ge- is in het Sliedrechts -zie geworden. Voorbeelden: etaozie
(etage); etelaozie (etalage); fabriekaozie (fabricage); foeraozie (fourage); messaozie (massage); slijtaozie (slijtage); en vietraozie (vitrage).
Het Franse horloge is in het Sliedrechts geworden tot allozie of lozie.

B. De slotlettergreep –tie- is in het Sliedrechts tot -sie geworden. Voorbeelden:
ginneraosie (generatie); obliegaosie (obligatie); pliesie (politie); prestaosie (prestatie); relaosie (relatie); sietuaosie (situatie); en staosiegeld (statiegeld).

C. De slotlettergreep –ille- is in het Sliedrechts -lie geworden. Voorbeelden: emallie (emaille); medallie (medaille); patroelie (patrouille); en portefulie (portefeuille);
Dit is een geval van uitspraakaanpassing. De oudere Franse uitspraak van deze woorden was met -lje, dus bijv. emalje.
Deze combinatie -lje was in Holland onbekend en werd vervangen door -lie.
Zo ook bijv. het Nederlandse familie van het Franse famille.

D. De Franse -ch- wordt in het Sliedrechts een -s-, omdat deze klank beter paste bij
de klankkleur van het taalgebruik van onze voorouders. Voorbeelden: mesien (machine); saggerijn (chagrin); en seklaod (chocolade).

Een ander verschijnsel is, dat de oorspronkelijke -v- in het Sliedrechts een -f- werd. Dit verschijnsel komt voor in de woorden: feter (veter); fiegelansie (gezicht, uit Fr. vigelance); fiezelemie (aangezicht, uit Fr. visionie); filt (vilt); fiooltjie (viooltje); fiolet (violet); en furt! (vort!, voort!).

-Wr- wordt in het Sliedrechts vaak -vr- of soms zelfs -fr-. Bijv: vrat (wrat); vreef (wreef); vrêêke (wreken); vringe (wringen); vrijve (wrijven); en vroete (wroeten).

Het woord taarf (tarwe) hoort ook in deze groep thuis, maar nu is de combinatie rw achteraan het woord.

Tot slot nog een oud Germaans taalverschijnsel dat in het Nederlands is veranderd, maar in het Sliedrechts in sommige woorden is blijven bestaan. In oude Sliedrechtse teksten komt men tegen de woorden gekoft (gekocht) en zoft (zacht).

Ook kennen wij nog de dialectwoorden doft en dogt (bankje in roeiboot). In het Nederlands is die -ft veranderd tot -cht. Net als in het Sliedrechts is dit ook niet gebeurd in het Engels en het Duits. Vergelijk de Nederlandse woorden zacht, achter en lucht maar met het Engelse soft, after en het Duitse luft. Eenzelfde verschijnsel zien we ook in gekauft en sanft.

Een rijke variatie aan klinkers

Kinderen die goed Sliedrechts spraken, hadden een voorsprong bij het taalonderwijs. Zij hadden geen enkel probleem met het verschil tussen: -auw en –ou- of met –e- of –ij- (lange of korte ei-ij). De –auw- is in het Sliedrechts -aauw, met een lange aa klank. Bijvoorbeeld: blaauw (blauw), gaauw (gauw), kaauwe(kauwen), maauwe (mauwen), raauw (rauw). De –ou- blijft als de Nederlandse –ou- uitgesproken. Bijvoorbeeld: hout, koud, mouw, nou, stout of zout.

Een soortgelijk klankverschil doet zich voor bij de –ei- en –ij-. In het Sliedrechts klinkt –ei- als –aai-, dus ook met lange aa klank. Bijvoorbeeld: braaie (breien), haai (hei), klaainighaaid (kleinigheid), maaid (meid), vriendelijkhaaid (vriendelijkheid). De –ij- ligt dicht bij de Nederlandse uitspraak. De kindertjes schreven dus moeiteloos: blij, dijk, fijn, strijkijzer, wijnazijn, zwijn.

Ook de oude spelling van één of twee -(o)o-’s was voor een vroegere generatie geen probleem op school. Als je in het Sliedrechts een –ôô- uitsprak zoals in hoor, koor, door, dan zei je: bôôte (boten), grôôte (grote), kôôle (kolen, groente), pôôte (poten) of slôôte (sloten,watergang) en dan schreef je automatisch: booten, groote, koolen, pooten en slooten.

Hoorde je in het Sliedrechts echter een open –o- klank, zoals in: kole (steen)kolen, ope (open), slote (sloten), meervoud van slot, gezope (gezopen) of gebroke (gebroken), dan schreef je een enkele -o, zoals later de algemene spelling werd.

Bovengenoemde verschillen in uitspraak gaan terug op oudere vormen, voordat ze in Nederland zijn gaan samenvallen tot één klank.

Hieronder worden de Sliedrechtse klinkers uitgebreid beschreven. Dit is ontleend aan de brochure KLANK- EN VORMLEER VAN HET SLIEDRECHTS door R. van de Berg, 1998. (zie voor de volledige tekst van deze brochure onder de knop BOEKTEKSTEN). Achtereenvolgend worden behandeld: -aa- , -ee- , -ei- en –ij- -e – , -oo- en de toonloze –e- .
___________________________________________

Waarom -ao- en -ae- in het Sliedrechts dialect ?
VRAEG IS AAN AORIE BAERS HOE LAET ’T LÊÊG WAOTER IS IN DE SLIERECHSE HAOVE.
In het Standaard Nederlands luidt deze zin: “Vraag eens aan Arie Baars hoe laat het laag water is in de Sliedrechtse haven”. De –aa- in Nederlandse woorden als: vraag, water, baars, laat en laag, wordt in het Sliedrechts dialect zeer verschillend uitgesproken. In woorden als klaor, raok, kaol, maol, waoter klinkt het als in het Engelse water en call. Het is de –ò- van rok die wat langer aangehouden wordt. Dan hoort men ròòk, geschreven als raok (raak).
In woorden als: vraeg, laet, schaep, paerd, waer en daer is de klank precies eender als in het Engels where en there. Het is de –è- van schep die wat langer aangehouden wordt. Dan hoort men schèèp, geschreven als schaep (schaap).

Deze twee klanken ao en ae en de manier waarop ze in het dialect voorkomen zijn misschien wel de meest opvallende kenmerken van het Sliedrechts. Met name het gebruik van ae-woorden is heel typerend voor het eigene van dit dialect. Reeds in het naburige Giessendam hoor je deze ae-klank bijna niet meer. Wat dit betreft loopt er een taalgrens tussen Sliedrecht en Giessendam. Een grens die globaal door de Albasserwaard gaat van Sliedrecht zo naar het noorden. Bijna in de hele westelijke Albasserwaard spreekt men die ae-klank. Ook verder naar het westen, IJsselmonde, Hoeksewaard tot aan de kust spreekt men die ae-klank. Wat dit betreft is het verschil tussen het Sliedrechts dialect en het dialect van bijvoorbeeld de Hoeksewaard kleiner dan het verschil tussen Sliedrechts en Giessendams.

Woorden die in het Nederlands op dezelfde manier geschreven en uitgesproken worden, maar die verschillende betekenissen hebben, worden in het Sliedrechts verschillend uitgesproken. Hier volgen een paar voorbeelden.

Aoltjie at een aeltjie.
‘k Het de blaere op m’n haande van ’t blaore vege.
Hij het nie in de gaote dat ie gaete in z’n sokke het.
Een kraem stoat op de mart en kraom is een bevaaling.
Hij gong met z’n maot de maet neme van ’t hekkentjie.
Omdat Piet z’n aaige zô naor voelde, gong die naer d’n dokter.
Kees Bakker kreeg goeje raed van Wim de Raod.
De bôôte vaere en ’n vaore staot in ’t raomkəzijn.
’t Is echt waer, die groenteboer verkôôpt goeje waor.

Het verschil tussen ao en ae is niet een verbastering van het Nederlands, maar een bewaard gebleven verschil tussen vanouds verschilende klinkers die in het Nederlands zijn samengevallen tot aa maar in het Sliedrechts nog verschillend gebleven zijn. Vergelijken we het Sliedrechts en het Nederlands met het Gotisch, een oude Germaanse taal die voor de Middeleeuwen gesproken werd, dan zien we duidelijk dat de Sliedrechtse ao en ae hele oude wortels hebben.

Gotisch Sliedrechts Nederlands
hana haon haan
wato waoter water
fadar vaoder vader
malan maole malen
slepan slaepe slapen
jer jaer jaar
seths zaed zaad
letan laete laten

Behalve oude wortels zijn er ook andere factoren die van invloed zijn geweest op het ontstaan van de klanken.

Door invloed van de letter r zijn er ook een aantal ae-klanken ontstaan. Zoals bijvoorbeeld in vaert, aerd, baerd en baers.
Voor een n hoor je meestal een ao, zoals bijvoorbeeld gaon, maon, slaon, en staon. Een uitzondering op deze regel vindt men in woorden als traen en vəndaen, maar dat is dan weer overeenkomstig het oude Gotisch.
Woorden die na de Middeleeuwen ontstaan zijn hebben bijna altijd een ao, zoals bijvoorbeeld filiaol, raodio, kəbaol, draomao, kaono.

Interessant is dat mensen die nog maar zo half en half dialect spreken, de ae vervangen door een ao. Ze zeggen niet slaepe maar slaope, niet jaer maar jaor. Kennelijk vinden ze deze ao netter, beschaafder dan de ae.

Maar de letter aa heeft in het Sliedrechts nog meer verschijningsvormen:

1. Als êê, die klinkt als de ee in veer en weer:

Aoi het drie kəpotte spêêke in z’n fietswiel.
In dat ouwe huisie hebbe ze ’n lêêg pləfonnechie.
Die balkelaog legt veuls te lêêg.

En als iemand in het Sliedrechts tegen je zegt ‘Zet de ketel ’s lêêg op ’t gas’, dan moet je die ketel niet leeg op het gas zetten, maar het gaspitje laag draaien.
In het zinnetje ‘Rook liet onderlest z’n schetse slijpe’ is lest een verkorting van laetst en schetse van schaetse.

2. Soms is de aa een a:

We gavve d’r niks om dà me zô vroeg atte. Hier is het Sliedrechts regelmatiger dan het standaard Nederlands. De a-klank van het enkelvoud die al vanouds bestond is doorgetrokken naar de meervoudsvorm.

3. Soms is de a een eu:

Heur haer is netjies gekamd. Dat heur is afkomstig van een oud woord ‘heer’ of ‘heere’. Dat het in het Nederlands ‘haar’ geworden is, is eigenlijk een heel onregelmatige ontwikkeling van het woord.

Maar ook de heldere Nederlandse aa komt in het Sliedrechts voor. Het is niet aon of aen, maar aangeve, aanrikkəməndere, aankomme. En ook in woorden als draaie, paaie, maaie, kraaie, waaie. In de volgende zinnetjes ziet men weer dat een Nederlandse klank in het Sliedrechts, bij verschillende betekenis, verschillend uitgesproken wordt.

Kees was al zô bôôs en toe Kors ok nog een kwaaier op Keese jas spoog, wier die nog kwaojer.
Elke zaeterdag gao ‘k naer opoes. Ik neem dan ’n maeltjie aerepel mee en ik maol ok voor een hêêle week koffie voor d’r.

Daarnaast wordt ook vaak de a in het Sliedrechts als aa uitgesproken:

‘k Glôôf dà we aander weer krijge.
Ze gonge me z’n aalle naer de kaarək.
Moe, dat jong zit me aaməl te peste.

Het is ook aardig om te zien dat de drie betekenissen van ‘blaadje’ in het Sliedrechts ieder hun eigen vorm hebben:

een blaojchie pəpier
een blaortie aan d’n bôôm
de suiker staot op ’t theebleddəchie

Resumerend kunnen we zeggen dat de Nederlandse aa in het Sliedrechts in zeven verschillende klanken voorkomt:
water is waoter (klinkt als Engels ‘water’)
daar is daer (klinkt als Engels ’there’)
laag is lêêg (klinkt als de ee van veer)
haar is heur
laatst is lest
aten is atte
aan is aan

Tot zover enige wetenswaardigheden over de aa. Zoals u ziet is het Sliedrechts rijk gevarieerd en heeft het heel oude taalvormen nog steeds bewaard.

___________________________________________________________

De -ee- in het Sliedrechts dialect
HOE HIET DIE KÈREL DIE ZÔÔVEUL IN Z’N KÊÊT OP D’N BLAAIK EET?

In het Nederlands zou de titel van dit artikel als volgt luiden: “Hoe heet die kerel die zoveel in zijn keet op de bleek eet?”

Zoals u ziet heeft de Nederlandse ee in het Sliedrechts dialect een rijke variatie. Het is niet zomaar toevallig slordig taalgebruik. Nee, al deze vormen van de klank ee hebben een heel oude oorsprong. We zullen wat vertellen over al deze verschillende vormen van de ee in het Sliedrechts.

1. De Sliedrechtse –ee- die klinkt als de –ee- in het Nederlands:

Bijvoorbeeld in woorden als: mee, veen, meten, eet.
Maar ook in dialect-uitdrukkingen, zoals:
Hij komt temee (zodadelijk).
Dat boeksie leet (ligt) op de taofel.
Wat gonge ze tekeer, ’t lekend (leek) wel ôôlog.

2. Dan is er de Sliedrechtse –êê- die klinkt als de –ee- in veer en weer:

Woorden in deze categorie zijn: brêêd, stêên, zêêp, mêês, pənêêl, kənêêl, kêêt, êên, wrêêd, wrêêke.
Er zijn woorden die in het Nederlands 2 betekenissen hebben, maar op dezelfde manier geschreven worden. Bijvoorbeeld: Leen, week, wees. In het Sliedrechts worden deze woorden verschillend uitgesproken, omdat daar het oude klankverschil bewaard gebleven is.

Voorbeelden:
” ‘k Lêên hum nooit meer wat,” zee Leen.
Al staon die bôône een week in de wêêk, dan kà je ze nò nie ete.
“Wees wijs”, zee ’t wêêskaaind.
“De golve van de zêê wazze wel tien meter hôôg,” zee Teunis.

Net als bij het onderscheid tussen –ae- en –ao- heeft het Sliedrechts met de klinkers –ee- en –êê- een oud klinkerverschil bewaard. De Sliedrechts klinker êê is afkomstig van de oud-Germaanse ai. Waar men in het Sliedrechts ee zegt, was er in het oud-Germaans vaak een i-klank. In het standaard Nederlands van de noordelijke Nederlanden zijn die verschillende oud-Germaanse klanken samen gevallen tot de –ee-. Maar in veel zuidelijke dialecten zijn de verschillen bewaard gebleven, zoals in het Zeeuws, het Vlaams en Brabants.
Het is interessant om te zien hoe die oude Germaanse -ai-klank zich in diverse talen verschillend, maar ook wel regelmatig ontwikkeld heeft. In het Duits bleef het een ai-klank (geschreven als ei). In het Engels werd het een -oo- of -o-klank (op diverse manieren geschreven). In de Scandinavische talen en in de Zuid-Nederlandse dialecten (waaronder het Sliedrechts) heeft de oud-Germaanse ai zich ontwikkeld tot de –êê- van weer.

Hier onder een aantal vergelijkingen tussen Gotisch (een oud-Germaanse taal), Duits, Engels en Sliedrechts.

Gotisch, Duits, Engels, Sliedrechts

braips breit broad brêêd
stai stein stone stêên
saipo seife soap zêêp
ains ein one êên
waikwo weich weak wêêk ( zacht)
laihna leike loan lêên
nih aina kein none gêên
hails heil whole hêêl

Ter vergelijking een aantal woorden die in het Sliedrechts een -ee-klank hebben. In het Duits is nergens een -ei-klank. In het Engels is nergens een -oo- of -o-klank.

Gotisch Duits Engels Sliedrechts
mid mit with mee
itan essen eat eten
ligan liegt lays leet (ligt)
wiko woche week week (7 dagen)

Overigens vinden we de ei (die vroeger een ai was) ook nog in sommige Nederlandse woorden zoals eik (naast eekhoorn), heil naast het woord helen, en het achtervoegsel stein in kasteelnamen, onder andere Loevestein.

3. Soms is de –ee- een –aai- in het Sliedrechts:

In de verouderde uitspraak van twee woorden: blaaik (bleekveld) en vlaais (vlees). De oude Germaanse klinker ai is hier bewaard gebleven. Meestal is het een –êê- geworden (zie 2). Ook in het Duits zegt men Fleisch (vlees).

4. Soms is de –ee- een ie in het Sliedrechts:

Hij hiette Jan de Jong.
Ik hoef maor een klaain mietjie suiker in m’n koffie.
Vroeger was dit ook een –ee-, maar door de t die er achter staat is hij in een ie veranderd. In sommige dialecten zijn alle –ee-’s ie geworden, bijvoorbeeld in Noord-Holland, daar zegt men dus stien (steen).

5. Soms is de –ee- een korte –e- in het Sliedrechts:

Kom ’s effe (even).
In oud Sliedrechtse uitspraken als end voor eend en vremd voor vreemd. In dat end en vremd is de oude korte e gehandhaafd. In het Duits bestaan die nog. Daar heb je de woorden ente en fremd. Het oude Sliedrechts heeft dus die korte e bewaard. Effe is een ander geval. Dat was vroeger een –ee-. Die –ee- is in een –e- veranderd omdat de –v- die erachter staaf een –f- geworden is. Zoals ook gebeurd is bij de woorden neffens en nevens.

6. Soms is de –ee- een langere –è- in het Sliedrechts:

De uitspraak is hetzelfde als in het Engelse where.
Die kèrel het over de over hêêle wèreld gebaggerd.
Die mèrel vliegt naer z’n nest.
Ook hier was oorspronkelijk een -ee-klank. Die is in het Sliedrechts veranderd in een langere è onder invloed van het ‘rel’ dat er achter staat.

7. Soms is de –ee- een –eu- in het Sliedrechts:

In deuze stoep speule aaltijd veul kaainders.
Ook hier was de oorspronkelijke klank een ee. Die is door de l en z die erachter staan in een eu veranderd. Veul is waarschijnlijk heel algemeen geworden in Holland. In Vlaanderen was het veel gebleven. Dat Vlaamse veel heeft in de 14e eeuw het Hollandse veul verdrongen, omdat men dat deftiger vond. Vlaanderen was in die tijd rijker en machtiger dan Holland. Het is een algemeen verschijnsel dat de taal van welvarende en daardoor invloedrijke streken overgenomen wordt in andere gebieden. Zo drongen Vlaamse taalverschijnselen in de Middeleeuwen via Zeeland (waterwegen, scheepvaart, handel) door tot Holland. Toen Holland in de 80-jarige oorlog welvarender en machtiger werd dan Vlaanderen, was het voorbij met de Vlaamse invloeden. Hollandse dialecten, met name die van de streek rond Haarlem en Leiden, werden nu belangrijke bouwstenen van de Nederlandse taal die zich over het hele land verspreidde. Het van oorsprong Vlaamse veel drong niet door tot Sliedrecht, zodat men hier veul bleef zeggen.

Tot zover enige wetenswaardigheden over de –ee-. Zoals u ziet is het Sliedrechts rijk gevarieerd en heeft het heel oude taalvormen nog steeds bewaard.

_________________________________
ei en ij
DAT IS MEIN IJGEN KONEIN

Zulke spellingsfouten zouden Sliedrechtse kinderen die vroeger leerden schrijven, nooit maken. Wij leerden op school dat als je in het Sliedrechts -aai- hoort dan schrijf je -ei-. Wanneer je in het Sliedrechts een -ij- hoort dan moet je een -ij- schrijven.

VOORBEELDEN VAN WOORDEN MET -AAI- ZIJN:
Dialect woord: Nederlandse woord:
Braaie Breien
Aaige Eigen
Gaait Geit
Haaining Heining
Klaai Klei
Klaain Klein
Maaisie Meisje
Raaize Reizen
Uitgebraaid Uitgebreid
Klaainighaaid Kleinigheid

Deze lang gerekte -aai- klank wordt als plat beschouwd. Dat ligt niet zo zeer aan die klank zelf (het Engels en het Duits hebben ongeveer dezelfde klank). Het Nederlandse spellingsonderscheid tussen de -ij- en de -ei- gaat terug op vroegere uitspraakverschillen. Tegenwoordig worden hei en hij, eis en ijs precies hetzelfde uitgesproken, maar voor 1700 was die uitspraak verschillend. Het Sliedrechts heeft, net als sommige andere dialecten, dit verschil bewaard. In sommige dialecten is de -ei- zelfs een -è-. Denk bijvoorbeeld aan het Brabantse mèske. En in Den Haag spreekt men over plèèn (plein). In Ameide zegt men klèèn (klein) en rèèze (reizen). Bij het woord -end- (eind) is iets anders aan de hand. End is de oude Germaanse vorm, die ook in het Duits en het Engels bewaard gebleven is. In het Nederlands is die -è- veranderd in een -ei-. Iets dergelijks is ook gebeurd met het oude Nederlands-Germaanse woord venster dat in ons dialect vaainster werd. De -ij- van tijd, pijp, bij, ijl, kijken wordt in het Sliedrechts uitgesproken met een lichte -ai- klank. Al die woorden met een -ij- werden vroeger uitgesproken met een -ie-. Dit is een vrij late ontwikkeling, die ook in veel delen van het land voorkomt. (Vrijwel geheel Noord-Oost Nederland alsmede Zeeland). In die streken zegt men dus ies (ijs), tied (tijd) enz. In Brabant, Holland en Utrecht is de klank verandering wel doorgedrongen maar niet in alle woorden die de klinker -ie- bevatten. Zo zegt men in het Sliedrechts andievie (andijvie), bie (bij, insekt), schaeresliep (scharenslijper). In het Nederlands zijn soms dezelfde woorden blijven bestaan met een -ie- en een -ij- maar hebben ze een verschillende betekenis gekregen. Voorbeelden: piepen naast pijpen, iel naast ijl, kiekeboe van kijken en bijzonder schrijven we met een -ij- maar we spreken nog steeds de oude -ie- uit.
Die -ie- werd in de Middeleeuwen als -y- geschreven. Die oude schrijfwijze is soms bewaard gebleven, zoals in de naam van het bejaardenhuis Over-Slydrecht. Dat moet dus uitgesproken worden als Over-Sliedrecht en niet als Slijdrecht.
Een apart geval is Wijngaarden. De -ij- is verkort tot een -i-. Toen werd het Wingerde, dat later weer veranderde in Wengerde. In sommige delen van de Alblasserwaard is het Wingerde gebleven.

_________________________________

De -e- van mest, verf , wervel en venster.

DIE AOPE VAN JONG SMEERDE MIST OP ‘T VORSGEVAARәFDE WURRәVELTJIE VAN DE VAAINSTERS.

Bovenstaande zin illustreert hoe verschillend de Nederlandse -e- (uitspraak è) in het Sliedrechts dialect wordt uitgesproken. Samen met de verouderde vormen bestaan er in het Sliedrechts zeven variaties waarop de e uitgesproken wordt. We zullen ze achtereenvolgens noemen.
-e- als de -aa- van gaan. Zonder volledig te zijn hieronder een paar voorbeelden:
aarәf – erf, aarәg – erg, aarәve – erven, baarәg – berg, kaarәk – kerk, schaarәf – scherf, schaarәm – scherm, schaarәp – scherp, waarәk – werk. Wat opvalt, is dat in de bovenstaande woorden overal een -r- achter genoemde -aa- staat. Die -r- is dan ook de oorzaak van de klankverandering. Oorspronkelijk hadden deze woorden allemaal een e zoals in het Nederlands. Maar onder invloed van die -r- zijn ze eerst veranderd in een -ae- en later veranderd in een -aa-. Het komt in het Nederlands vaker voor dat de -r- de klank die ervoor ligt, verandert. Ook in het Nederlands is er klankverschil te horen in de -ee- van keel en van keer, van kool en koor, van deun en deur.
De –e- wordt uitgesproken als de -a- van kat. Voorbeelden: art – erwt, harses – hersens, karsebôôm – kersenboom. Het Nederlandse woord erwt heeft oorspronkelijk een -a-. Het oude Germaanse woord is araweiz. De in het Nederlands onuitgesproken -w- hoort er oorspronkelijk dus ook in. Bij harses en kars hebben de rs ervoor gezorgd dat in het Sliedrechts e in een -a- veranderd is. Dat is n.l. gemakkelijker om uit te spreken.
De –e- is in het Sliedrechts een -u-. Dit wordt geïllustreerd door de woorden schulpzand – schelpzand, wurf – werf, wurvel – wervel of grendel, murgpijpie – mergpijpje. Bij wurf en wurvel heeft waarschijnlijk de voorafgaande -w- en de volgende combinatie rf / rv de klinker beïnvloed. Dit verschijnsel is trouwens ook in het Nederlands niet onbekend. Het woord schulp kennen we uit de uitdrukking “In je schulp kruipen”, dat teruggaat op hetzelfde woord als schelp. En ook lessen en blussen zijn verwante woorden, blussen is ontstaan uit be-lessen (met water overgieten).
De Nederlandse –e- werd in het Sliedrechts een -o-. Deze woorden zijn verouderd, die hoort men tegenwoordig niet zoveel meer, maar oudere mensen zullen ze nog wel kennen.
Vors – vers, dorde – derde, dortien – dertien, korsәmus – kerstmis, korsbôôm – kerstboom. Ook hier komt het weer omdat er een -r- achter staat. Het Nederlands kent dit verschijnsel ook in enkele woorden, zoals worden (was vroeger werden zoals het Duitse werden), en worstelen, vergelijk het Engelse wrestle.
De –e- wordt in het Sliedrechts een -ee-, (ook verouderd). Voorbeelden: veer – ver, veerder – verder en onderweeg – onderweg.
De –e- wordt uitgesproken als -i-. Tegenwoordig wordt dat als Giessendams beschouwd, maar het kwam vroeger ook in het Sliedrechts voor. Voorbeelden hiervan: mist – mest, minse – mensen, mit – met, schinke – schenken. Bij schinke en mins is er sprake van een latere ontwikkeling tot die klank -u- vanuit de e , mens en schenken. Bij mit en mist is in het Sliedrechts de oorspronkelijke Germaanse klank bewaard, zoals ook in het Duits. Ook komt het omgekeerde voor. Het Nederlandse blik is in het Sliedrechts blek, zoals in het Duits: blech. Die afwisseling van -i- en -e- vinden we in het Nederlands nog terug in gevallen als vel – villen, rechter – richter.
De Nederlandse –e- wordt in het Sliedrechts uitgesproken als -aai-. Ook dit is een verouderde vorm die we echter vanwege de volledigheid niet willen weglaten. Voorbeelden: vaainster – venster, waainsbraauw – wenkbrauw, waainse – wensen, daainke – denken. Deze uitspraak is, zoals gezegd, sterk verouderd, de invloed van het Nederlands op het Sliedrechts heeft ervoor gezorgd dat deze woorden nu als in het Nederlands uitgesproken worden. Overigens is de vorm waainsbraauw vermoedelijk afgeleid van een vorm van winden, vandaar geen -k- in het Sliedrechts. Het Nederlandse wenkbrauw is volksetymologie; het eerste lid werd in verband gebracht met wenken. De Sliedrechtse ontwikkeling van e naar -aai- is gebeurd onder invloed van de -n- plus medeklinkers die erachter staan. Hetzelfde verschijnsel is bekend uit het Nederlands in het woord einde – ende. Sliedrecht heeft met -end- dus de oude klinker bewaard. Heinde in “Van heinde en verre”, dat via hende uit hande ontstaan is en dus eigenlijk betekent: wat bij de hand ligt, wat dichtbij is.

De -oo- van hoop en kool.

ZE MOS KÔÔKE AS ZE AN KOKE DOCHT

De Nederlandse –oo- klank wordt in het Sliedrechts heel vaak uitgesproken als -ôô-, bijv. hôôg, dôôf, grôôt en vele andere. Die Sliedrechtse -ôô-klank wordt uitgesproken als de Nederlandse -oo- voor een -r-. (hoor en hôôg hebben dus dezelfde -oo-klank in het Sliedrechts.)
Daarnaast zijn er talloze woorden waarin het Sliedrechts, net als het Nederlands, gewoon een -oo- heeft. Het aardige is dat er in ons dialect een aantal woorden zijn die verschillend uitgesproken worden, terwijl dat verschil in het Nederlands niet meer bestaat.

Voorbeelden:
stove (meervoud van stoof – stôôve (stoven, koken)
loof (van loven) – lôôf (gebladerte)
lootjie (een klein lot) – lôôdjie (klein stuk lood)
slote (meervoud van slot) – slôôte (meervoud van sloot)
hoop (verwachting) – hôôp (hoeveelheid)
pote (werkwoord) – pôôte (meervoud van poot)
kole (om te stoken) – kôôle (groente)
koke (eten bereiden) – kôôke (kokhalzen)
koper (metaal) – kôôper (iemand die koopt)
loos (aan de hand) – lôôs, lôôsie (zonder inhoud, schuilplaats)
stroop (beleg) – strôôp (van (op)stropen)

Dat verschil in het Sliedrechts tussen -oo- en -ôô- is niet zomaar een toevallige slordige uitspraak. Het is een overblijfsel van verschillen in uitspraak die vóór de 17e en 18e eeuw in Nederland bestonden. De -ôô- is ontwikkeld uit de Oud-Germaanse -au-. In het Duits is die oorspronkelijke -au- vaak nog bewaard gebleven. Vandaar dat de Sliedrechters vaak een -ôô- zeggen waar de Duitsers een -au- zeggen.
Voorbeelden:
kôôpe – kaufen
lôôf – Laub
rôôke – rauchen
hôôp – ein Haufen

Hoewel die uitspraak van de –oo- in het Nederlands voor beide woordsoorten hetzelfde werd na de 18e eeuw, is de schrijfwijze lang verschillend gebleven.
Tot in de eerste helft van de 20e eeuw had je slooten en sloten. Slooten daar stond water in en sloten zaten op de deur. Koolen waren om te eten en kolen stookte je in de kachel.
Dit was een heel probleem voor de kinderen die Nederlands leerden op de lagere school, echter niet voor de kinderen in Sliedrecht. En trouwens in het zuiden van Nederland, zoals Zeeland, Brabant en ook Vlaanderen, want daar wisten ze allemaal dat als je in je dialect een -ôô- hoorde, je de dubbele -oo- moest schrijven.

We willen hier ook nog even de aandacht vragen voor een bijzonder dialectverschijnsel. In onze streken zegt men hooi, mooi, gooie, bôôjem. Het is echter zo, dat bijna niemand in de gaten heeft dat die -ôô-klank afwijkt van die in het Standaard Nederlands die meer een -oo-achtige klank heeft. Mensen die denken dat ze geen dialect spreken, maar wel in onze streek gekipt en gebroeid zijn, herken je vaak aan die -ôô-woorden. Het is echt één van die regionale kleuringen van de standaard taal die iemand niet gauw kwijt raakt.

In een aantal gevallen wordt de –oo- in het Sliedrechts als -eu- uitgesproken: deur (door), geut (goot), meule (molen), neut (noot), veugel (vogel), weune (wonen), zeumer (zomer), zeun (zoon).

Ook in het woord eulieneutjies (olienootjes, pinda ‘s) komt het voor, hoewel de losse vorm eulie nooit wordt gebruikt. Deze -eu-klank is in het Germaanse taalgebied spontaan ontwikkeld uit de -oo-. Sommige -eu-woorden zijn ook in het Standaard Nederlands terecht gekomen. Bijv. keuken (naast koken), sleutel (naast slot, sloten) en teugel. In andere dialecten hebben nog meer -oo-woorden een -eu-klank gekregen. Bijv. keuning (koning), veur (voor), geweunte (gewoonte). Ook in het Duits zien we dit verschijnsel, denk maar eens aan woorden als schön (mooi), brötchen (broodjes), könig (koning).

In een aantal woorden is de Nederlandse -oo- in het Sliedrechts een -u-. Hier is de klankontwikkeling als volgt gegaan. Het was eerst een -oo-, die veranderde in een -eu- en vervolgens is die -eu- verkort tot -u-.

Voorbeelden:
boter – beuter – butter
schotel – scheutel – schuttel
joken – jeuken – jukke

Een boomgaard heet in het Sliedrechts bongerd. Net als in Wengerde (Wijngaarden) is hier een verkorting van de klank opgetreden.

Een ooievaar heette vroeger in het Sliedrechts een oeievaor. Deze verouderde uitspraak van -oo- als -oe- voor een -i- is waarschijnlijk te vergelijken met de vorm uitroeien, die verwant is met rooien. Ook daar heeft zich die klankverandering voorgedaan.

_______________________________

De toonloze –e- (geschreven als -ə-)

BeKANT VIEL DIE OVER ‘N BəNAON

In onbeklemtoonde lettergrepen vertoont het Sliedrechts een sterke neiging om volle klinkers te verkorten of toonloos te maken, d.w.z. ze krijgen de onduidelijke kleur van de toonloze -ə- zoals in məziek (muziek).
Dit gebeurt in de Nederlandse spreektaal ook veelvuldig, denk bijv. aan de -ij- in duidelijk die eveneens als toonloze -ə- wordt uitgesproken.
Voor het Sliedrechts kunnen we de volgende onderscheidingen maken:
Beginletter: vərzichtig; məschie; bəkant (bijna,bijkans); g’naevənd (goedenavond).
Ook vərdeur (buiten, voor de deur) hoort hierbij.
Slotlettergreep: zôôvəl (zoveel); dikkəls (dikwijls); aevənd (avond); wingərd of wengərd (wijngaard).
c) Onbeklemtoonde lettergrepen in een woord van vreemde herkomst: appəraot; bənaon; sjəffeur; fəsoen; pəsjoen; fəguur; pədaol; pərtaol; səgaor; təmaot en zeer veel andere.
Soms valt de klinker in de beginlettergreep in z’n geheel weg, zoals in de woorden trug (terug);
drek (direct); krek (precies, correct); kraf(t) (karaf); knijn (konijn); pliesie (politie).
Ook vrom of from (weerom) heeft deze verkorting ondergaan, evenals de naam Kneliao (Cornelia).
Enkele lange klinkers worden in veel gebruikte woorden die niet de klemtoon hebben, verkort tot korte klinkers, zoals ok (ook), an (aan), mor (maar), host (haast).
Opvallend is verder dat in vreemde woorden van drie lettergrepen de -e- van de beginlettergreep verandert in een -i-, zoals bij rippәraosie (reparatie), ginneraosie (generatie), rizzultaot (resultaat), tillefoon (telefoon).

Klankveranderingen zien we ook nog bij dirrekteur (directeur) en polәtiek (politiek).

D’r bij en D’r af

In sommige woorden heeft het Sliedrechts minder letters dan in het Standaard Nederlands. Bij andere woorden voegen wij juist weer iets toe.
Eerst over het verdwijnen. Dat komt ook in het Nederlands voor.
Je hoort nogal eens zeggen ‘rechs’ in plaats van ‘rechts’.
Nou, in het Sliedrechts kennen wij er ook wat van.
Als er een -d- achter de -r- staat, wordt die -d-, en soms ook een -t-, nogal eens weggelaten.
Denk maar eens aan woorden als: aerepel (aardappelen), aerig (aardig), vermoore (vermoorden), worre (worden), wiere (werden), en nog een paar mooie: kerremelk (karnemelk) en sikketrie (secretarie).

Maar ook de -r- verdwijnt nogal eens. Bijv. in êêder (eerder), vedder (verder), bevôôbeld (bijvoorbeeld), akkedeere, buuvrouw en êêsie (eerste).
Vegeete, velore, veleede of vleede, en veel meer woorden waar -ver- voor staat.

De -t- verdwijnt in woorden als acher (verouderd voor achter), affekaot (advocaat), dichbij (dichtbij), waffere (wat voor), groffaoder (verouderd voor grootvader), ochend (ochtend) en zwachel (zwachtel).

Zelfs de -k- verdonkeremanen wij wel eens, zoals in int (inkt) en mart (markt).

De -w- is weggevallen in dikkels (dikwijls) en tienigt (tiendweg).

De -n- is verdwenen in kejak (cognac), pesjoen (pensioen), odeklojje (eau de cologne), petoffel (pantoffel), ketak (contact), êêmel (eenmaal) en vullis (vuilnis).

De -f- is verdwenen bij hôôd (hoofd) en bij: hij hèt (hij heeft).

Tot slot geven we u graag nog een aantal diverse woorden waarbij letters weggevallen zijn:
As (als), zukke (zulke), bommezij-je (bombazijnen), treppot (trekpot, theepot), grommoeder (verouderd voor grootmoeder), raobel (ragebol), onnibus (omnibus), sondas (zondags) en garrieballie (garibaldi hoed).

Maar er is evenwicht, want in het Sliedrechts zetten we er ook soms letters bij.
In enkele woorden wordt een -d- of -t- toegevoegd die daar vanouds niet stond.
Dit vinden we vooral bij woorden die eindigen op de onbeklemtoonde lettergreep -l of -r. Bijv. brommerd, dubbeld, enkeld of: een enkelde keer, zuiperd, schretterd en kanjerd.
Bij die laatste voorbeelden is waarschijnlijk een woord als bangerd het voorbeeld geweest.

Ook hebben we een -t- of -d- toegevoegd in woorden als fongst (fonds), genogt (genoeg), graft (graf), het verouderde raomd (raam), steegt (steeg) tienigt (tiendweg) en schelft (schelf).

Tenslotte vinden we een toegevoegde -t in bijv. nêênt, belnêênt, jaot en beljaot.
Die zijn voortgekomen uit oudere vormen als: wel nee het, en: wel ja het.

Gaven we hierboven voorbeelden van woorden waar een -t- of -d- toegevoegd werd, hieronder volgen een aantal gevallen waar de laatste letters verdwijnen.
De slot -t- valt regelmatig weg na de -k-: drek (direct), krek (correct, precies), gehak (gehakt) en stopketak (stopcontact).

In de stadsdialecten van bijv. Dordrecht en Utrecht is dit verschijnsel veel verder doorgedrongen en spreekt men van: nach (nacht), luch (lucht) en diens (dienst).

Ook in vaak gebruikte éénlettergreepwoorden verdwijnt de slot -t- regelmatig. Bijv.: moch (mocht), mos (moest), nie (niet), dà (dat) en wà (wat).

En wat vindt u van de volgende zinnetjes?
Wà doe me?
Dà ’s niks!
Krek wà ‘k wou!

De slot -n- valt weg na een toonloze -e-, net als vaak in de algemene Nederlandse uitspraak: waarke (werken), geve (geven), huize (huizen), bedde (bedden), groente (groenten), enz.
Daarnaast valt de slot -n- af in woorden als meschie en toe, zoals in: Toe zee die.

Bommezij-je (bombazijnen) is een apart geval. Het leenwoord uit het Franse bombasin (een soort katoenen stof), werd zo begrepen alsof het laatste deel van zijde afkomstig was.
Daarom zei men bommezij-je en niet bommezijne…

In de woorden têê en pee is geen -n- afgevallen, maar bewaart het Sliedrechts juist de oude enkelvoudsvorm.

Overige gevallen: nae en strak.
Het Nederlandse ‘naar’ is een latere vorm en oorspronkelijk de vergrotende trap van ‘na’. De vorm strak heeft in het Nederlands een bijwoord-s-, zoals bij een-eens en recht-rechts.

Een aangeplakte -i-
In het Sliedrechts zeggen we laoi, slaoi en kaoi. Hier is de -d- van lade, salade en kade omgevormd tot een -i-.
Bij koei (koe) en vlooi (vlo) is die -i- te verklaren uit de meervoudsvormen koeien en vlooien. Bij strôôi (stro) heeft mogelijk ook de verwantschap met hooi een rol gespeeld.

Een lettergreep verdwijnt
Bij knijn (konijn) en vleede (verleden, ook: onlangs) is een klinker weggevallen, zodat er ook een lettergreep verdwijnt.
Ook gebeurt het, dat de toonloze -e- of een -a- tussen een medeklinker en een -r- wegvalt. Bijv. in trug (terug), sikketrie (secretarie), margrine (margarine) en sigret (sigaret).
De onbeklemtoonde -i- valt weg in bijv. kaptaol (kapitaal), kaptaain (kapitein), matterjaol (materiaal) en filestere (feliciteren).
De onbeklemtoonde beginklinker of beginlettergreep valt weg in lozie, ook: allozie (horloge), monicao (harmonica) en mangels (amandelen).
De toonloze -e- aan het einde van een woord is weggevallen in schaand (schande), seklaod (chocolade) en taarf (tarwe).(In taarvebrôôd wordt die wel gehandhaafd!)
Een aantal aardrijkskundige namen vertoont eveneens verlies van één of soms meer lettergrepen. Bijv: Blesgraef (Bleskensgraaf), Braonk (Brandwijk), de Strieweg (de Industrieweg) of de wijk Slierefruit (‘Sliedrecht Vooruit’ op de uitbreiding buitendijks).
Nog een paar voorkomende gevallen: aamel (allemaal), hêêmel (helemaal), petrolie (petroleum), pliesiegent (politieagent), raobel (ragebol) en sêêt (sajet). Het woord ‘hoep’ is geen voorbeeld van een lettergreep die verdwenen is. Het woord hoepel is oorspronkelijk een verkleinwoord van hoep.

Een lettergreep erbij
In een aantal gevallen vinden we in het Sliedrechts het omgekeerde van het bovenstaande, n.l. de toevoeging van een lettergreep.
Een toonloze -e- wordt ingevoegd tussen twee medeklinkers zoals l-b, r-m, r-b, en r-k.
Voorbeelden: aolebes (aalbes), aaremoei (armoe), barrebier (barbier), feberewaori (februari), karrewats (karwats), karrewaaichie (karweitje) maaremer (marmer), serrevet (servet), suntereklaos (sinterklaas), Tollesteegt (Tolsteeg) en nog veel andere.
In pesallem vindt zelfs een uitbreiding naar drie lettergrepen plaats!
Nog een heel aparte: Santemekraom.

Verhuizende letters
Dat komt vooral voor bij de -r- plus een andere letter. Zo zien we perbere (proberen), percent (procent) en percies (precies).
Maar ook in Kors dat van Chris afkomstig is, en Korsjonnao via Korstiana van Christiana.
Ferwêêl (fluweel) heeft daarnaast ook nog een onregelmatige -r- .
Verspringing van -l- en -r- komt voor in verouderde dialectvormen als: ulleger (orgel), nu meestal gezegd als urgel, of spruntel (splinter), nu als: sprintel en mullever (een soort knikker) ontstaan uit murvel en verwant met het Engelse marble(marmer, knikker).
Nog twee tot slot: maneuvels (manoeuvres) en menutie (munitie).

Gesproken zoals het geschreven wordt
Een aantal woorden van vreemde oorsprong, m.n. uit het Frans en Engels, wordt in het Sliedrechts min of meer uitgesproken als de schrijfwijze en niet zoals het in die oorspronkelijke taal klinkt. Tot deze groep zijn te rekenen:
Uit het Frans woorden als: falliet (failliet), electrizijn (electricien) en resterant (restaurant).
Maar ook Engelse leenwoorden als kloon (clown), pinantie (penalty), kôôl (goal) en de merknamen Bleu Band (Blue Band) en Sunligt (Sunlight).

Overige
De hieronder genoemde woorden zijn niet gemakkelijk in te delen in één van de bovenstaande categorieën, daarom volgt hier een losse opsomming, met waar mogelijk een verklaring van het verschijnsel.
Aokelijk (aokelig), onder invloed van de eerste -k- is de laatste -g- ook een -k- geworden.
Aosem (adem). Bel, bel, (wel, wel). Bombakkes (mombakkes), die eerste -m- is een -b- geworden onder invloed van de tweede.
Bollefooi (bonnefooi). Doezerig (doezelig). Fesoen (fatsoen). Foksere (forceren). Kaarkesaotie (cathechesatie), een heel mooi voorbeeld van volksetymologie!
Karremenaode (karbonade), onder invloed van de -n- werd ook de -m- een -b-.
Koteleksie (koteletje). Maolderij (malerij). Hier zien we hetzelfde geval als het Nederlandse kelder naast het Duitse keller.
Menge (mennen). Medêên (meteen). Naert (aars). Dat komt omdat de slot-n- van het lidwoord deel geworden is van het woord. Den aars is geworden: de naers.
Naokend (naakt). In het Oud-Nederlands was het naket, daaraan is een -n- toegevoegd.
Bij ome is de extra letter -e- mogelijk ontstaan naar analogie van tante.
Pumperdemunt (pepermunt). Singeringe (seringen). Sintele (tintelen). Stokvaarf (stopverf). Zwaolefies (zwaluwtjes). Hier zien we dat onder invloed van de -l- de slot-w- veranderd is in een -f-.
Het Sliedrechts laat ons tal van oude, interessante bijzonderheden zien!

Dialectverhaaltjes 2016

 

 

Terug naar vorige pagina

Contact Werkgroep Dialect

In de Werkgroep Dialect van de Historische Vereniging Sliedrecht zitten de volgende personen: Piet Pols, Korrie Lissenburg-van Genderen, Huib Kraaijeveld, Huub van Heteren, Remco van de Ven, Jan van der Vlies en Arie Sprong.

Contactadres: Bartoklaan 86, 3533 JA Utrecht, tel. 030 – 27 17 330.

E-mail: naar Contact-formulier

Lijst van uitgaven

Uitgaven lijst van de Werkgroep Dialect van de Historische Vereniging Sliedrecht.

Brochures

  • BAGGERTAAL OP DRIFT: enige aspecten van dialectveranderingen het Sliedrechts. R. van den Berg, 1983. 16 pagina’s. Een scriptie.
  • HET VERKLEINWOORD IN HET SLIEDRECHTS
    R. van den Berg, 1984. 16 pagina’s. Een scriptie.
  • KLANK- EN VORMLEER VAN HET SLIEDRECHTS DIALECT.
    R. van den Berg, 1984. 21 pagina’s. Een scriptie.
  • HOMONIEMEN zijn twee verschillende woorden die op dezelfde manier geschreven worden. Bijvoorbeeld:
    (groente) kraam en kraam (geboorte);
    week (7 dagen) en week (zacht);
    sloten (water) en sloten ( afsluiten).
    Vroeger werden deze verschillende woorden ook verschillend uitgesproken.
    Die oude klankverschillen zijn in het Sliedrechts dialect bewaard gebleven. In de rubriek ‘Boekteksten “van deze website staat een dertigtal Sliedrechtse ‘’homoniemen”.

 

Kranten

  • Meer dan 1200 columns in Sliedrechts dialect in het huis-aan-huis-blad De Merwestreek en haar voorlopers Eindredacteur mevr. K. Lisenburg- van  Genderen.
  • Dialect-columns in de Nieuwsbrieven van de verzorgingshuizen Parkzicht, Waerthoven en Overslydrecht te Sliedrecht.

 
Boeken

  • STOEP OP STOEP AF, Sliedrechtse vertellingen ‘van’t Kaoiechie tot de Rosmeule’
    1987. 144 pagina’s. Een verzameling van 42 columns die eerder in het lokale huis-aan-huis-blad verschenen waren.
  • BAGGERDURPSPRAOT, Vertellingen in het Sliedrechts dialect.
    1990. 108 pagina’s. Een verzameling van 32 columns die eerder in het lokale huis-aan-huis-blad verschenen waren.
  • DE BRIJHAPPERS, Een verzameling Sliedrechtse bijnamen.
    1992. 40 pagina’s. een kostelijk boekje met honderden kleurrijke bijnamen.
    Genoteerd in een 10-tal rubrieken, zoals: Waarkzaomhede, D’n aerd van ‘t bêêsie, ’n Natjie en een Drôôchie, Gelôôf.
  • o WAFFERE MOMME ?
    Thematisch woordenboek .1998. 127 pagina’s.
    Meer dan 1250 unieke woorden en uitdrukkingen in het Sliedrechts dialect, die men in de Van Dale vergeefs zal zoeken. Zoals:biggels, kluiteruif, onterik,, een schreufie bakke of matschudding. Maar ook uitdrukkingen, zoals: Je mot d’r op figelere om voor zesse thuis te zijn. ’T Mot eerst warre, wil’t rêêje. Die ruziemaojster van een Maorechie wier deur hêêl de stoep met blek en vaareke naegetrommeld toe ze gong verhuize. Alles ondergebracht in 16 thema’s zoals: Mense, Ete en drinke, Kaark en gelôôf, Aan de waoterkant, ’t Weer, Vervoer. Alle woorden en uitdrukkingen toegelicht met een expressieve voorbeeldzin.
  • WAFFERE MOMME ?
    Alfabetisch woordenboek. 2000.
    34 pagina’s op A 4 formaat. Meer dan 1250 unieke woorden en uitdrukkingen in het Sliedrechts dialect, die men in de Van Dale vergeefs zal zoeken. In alfabetische volgorde genoteerd. Bij elk item staat een zin waarin het betreffende woord of uitdrukking gebruikt wordt.
  • OP Z’N SLIERECHS GEZEED.
    2002. 127 pagina’s, Een selectie uit450 eerder geplaatsteverhalen en gedichten geplaatst in de rubriek ‘Het Sliedrechts Dialect’ in het weekblad ‘De Merwestreek’.
  • SLIERECHS VAN A TOT Z, Woorden, uitdrukkingen en taaleigen van het Sliedrechts dialect.
    2002. 431 pagina’s. Een vrijwel volledige vocabulaire van het Sliedrechts dialect en bevat meer dan 8000 lemma’s van woorden en uitdrukkingen.
    Zowel Sliedrechts – Nederlands als Nederlands – Sliedrechts. Alle woorden die qua klank en/of vorm afwijken van he Standaard Nederlands zijn opgenomen. Maar ook een zeer groot aantal specifieke dialectwoorden en -uitdrukkingen, die men in de Van Dale tevergeefs zal zoeken. Deze laatste allen met een voorbeeldzin. Tevens staat in dit boek een beschrijving van de ‘eigen aardigheden’ van het Sliedrechts Met de hoofdstukjes: Taalgrens.
    Kenmerkende klinkers, Verkleinwoorden, Andere typische taalvormen, Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden en Werkwoorden. Maar ook Spelling en Uitspraak.
  • STUKSIES EN BIETJIES.
    2011.Een leuk geïllustreerd boekje van 140 pagina”s. Een jubileumuitgave t.g.v. Dertig jaar Historische Vereniging Sliedrecht met 59 nooit eerder gepubliceerde verhalen van de ‘Merwestreek schrijvers”. Een interessante verzameling verhaaltjes, die een goed beeld geven van het dagelijks leven in het verleden.
  • BAGGETAOL EN MEULEPRAOT, Waergebeurde verhaoltjies van, over en deur baggeraers verteld en opgeschreve in heulies aaige Slierechs diëlect.
    2012. 205 pagina’s. Alle menselijke facetten van het baggeren. De specifieke vaktaal, levensgeschiedenissen, anekdotes, liedjes en gedichten.
  • BAGGERTAAL EN MOLENPRAAT, waargebeurde verhalen van, over en door baggeraars verteld en opgeschreven. 2012. 205 pagina’s. de Nederlandstalige versie van het bovengenoemde boek BAGGERTAOL EN MEULEPRAOT.

 

Cassettebandjes.

  • 10 cassettebandjes met 190 columns uit ‘De Merwestreek’. Ingesproken door Giijs van der Wiel.

 

CD’s met tekst

  • Slierechse Boeke.
    2006. Een Cd met de teksten van de volgende boeken:
    • Waffere Momme
    • Slierechs van A tot Z
    • Stoep op – Stoep af.
    • Baggerdurpspraot.
    • z’n Slierechs gezeed.
    • Brijhappers

 

CD’s met geluid

  • Maondag wasdag. 2005. Een CD van Nel en Huib Kraaijeveld met 12 liedjes.
  • 22 liedjes, gezongen door Huib Kraaijeveld
  • Gesproken Sliedrechts dialect. 4 CD’s met columns uit ‘de Merwestreek”
    ingesproken door Gijs van der Wiel.
  • Dialectverhalen Radio Sliedrecht
    2006 / 2007. 4 CD’S met columns uit ‘De Merwestreek’, ingesproken door
    Huib Kraaijeveld, Arie Sprong en Piet Pols.
  • Slierechs zoals het klinkt
    2015. Nieuwe verhaaltjes, ingesproken door Jan van der Vlies, Korrie
    Lissenburg en Piet Pols.

Sliedrechts anderand

Sliedrechts anderand. Het dialect gezongen en gesproken.

Een diensie – Korrie Lissenburg

Weg Stoepen – Sientje van Sintruie

Naar ’t Baggerwerk – Huib Kraaijeveld

Pierebadje in de haven – Korrie Lissenburg

Sprookjes – Huib Kraaijeveld

Effe een baksie doen – Korrie Lissenburg

Zomaar een Sliedrechts praatje – Korrie Lissenburg

De knopendoos – Sientje van Sintruie

Slootje springen – Huib Kraaijeveld

In de nacht van de watersnood – Korrie Lissenburg

Poveren – Huib Kraaijeveld

Dialectverhaaltjes

Gesproken dialectverhaaltjes. Met de namen van de voorlezers er achter. Eerder gepubliceerd in De Merwestreek.

De nachschuit weer in – Arie Sprong

Zwemme – Arie Struijk

Maondag wasdag – Piet Pols

Baggeraers moddere wat af – Huib Kraaijeveld

Van t school af – Arie Sprong

Schetse rije – Arie Struijk

Langs de lijn – Piet Pols

Berichie – Arie Sprong

Foefies – Piet Pols

Dielect doet er wat mee – Huib Kraaijeveld

M’n êêste baos – Arie Struijk

Een staarek verhaol – Piet Pols

Avvepeurtie 1 – Huib Kraaijeveld

Avvepeurtie 2 – Huib Kraaijeveld

Toen wijk A nog wijk A was – Huib Kraaijeveld

Op z’n Slierechs gezeed – Huib Kraaijeveld

Huib vertelt meer – Huib Kraaijeveld

Huib met rijm – Huib Kraaijeveld

Wat een waarek – Huib Kraaijeveld

Bé jij ok in ’t baggerdurrep gebore – Huib
Kraaijeveld

Aosem – Korrie Lissenburg

Beter een lap as een gat – Korrie Lissenburg

Suntereklaos bestaot echt – Huib Kraaijeveld

Verschil mot er weze – Huib Kraaijeveld

Wat een hondeleve – Huib Kraaijeveld

Hullep in huis Beatrix – Korrie Lissenburg

Jan – Korrie Lissenburg

Naer Rotterdam – Korrie Lissenburg

Sleutels – Korrie Lissenburg

Zondagochend – Korrie Lissenburg

Prutsebuurt 1 – Piet Pols

Prutsebuurt 2 – Piet Pols

Prutsebuurt 3 – Piet Pols

Prutsebuurt 4 – Piet Pols

Effe naer waerthove – Arie Sprong

Ik heb al een boek – Arie Sprong

Nae de lêêgere school – Arie Sprong

Naedenke over Korsemis – Arie Sprong

Negotie – Arie Sprong

Ondergedoke fiets – Arie Sprong

Bellegië – Huib Kraaijeveld

De verlore zeun – Huib Kraaijeveld

De winter van 1929 – Huib Kraaijeveld

’t Kaarkerak – Arie Sprong

Gêên vissersletijn – Huib Kraaijeveld

Je hoef allêên mor te zitte – Huib Kraaijeveld

Kringlôôp – Huib Kraaijeveld

Dialectverhaaltjes 2015

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2014

Dialectverhaaltjes 2013

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2012

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2011

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2010

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2009

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2008

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2007

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2006

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2005

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2004

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2003

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2002

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2001

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 2000

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1999

 

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1998

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1997

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1996

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1995

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1994

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1993

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1992

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1991

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1990

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1989

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1988

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1987

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1986

Terug naar vorige pagina

Dialectverhaaltjes 1985

Terug naar vorige pagina

Verhaaltjes uit de Merwestreek – Kompas

In huis aan huisblad De Merwestreek zijn de afgelopen 34 jaar ruim 1350 verhaaltjes in het Sliedrechts Dialect verschenen.
Alle verschenen verhaaltjes zijn op deze website te lezen.

De index hieronder brengt u naar de verhaaltjes, welke op volgorde van de jaren waarin ze zijn verschenen geplaatst zijn.

Werkgroep Dialect

Dialectgroep
v.l.n.r. Piet Pols, Korrie Lissenburg-van Genderen, Huib Kraaijeveld, Huub van Heteren, Remco van de Ven, Jan van der Vlies en Arie Sprong.

Enthousiast
Het is van historisch belang, zowel lokaal als voor de Nederlandse Taalwetenschappen in het algemeen, om het verdwijnend dialect zo goed mogelijk vast te leggen en te bewaren voor de toekomst.
De leden van onze Werkgroep Dialect zijn steeds enthousiast en actief daarmee bezig.
Veel tijd is, gedurende heel veel jaren, door de werkgroepsleden besteed aan de Sliedrechtse woordenboeken: SLIERECHS VAN A TOT Z en WAFFERE MOMME.

Activiteiten van de Werkgroep Dialect:

  • Wekelijks een dialectverhaal plus foto in het huis-aan-huisblad De Merwestreek.
  • Een dialectbijdrage in de periodieken van Waardenburg en Rivas
  • Op verzoek presentaties geven in en over ons dialect. Bijvoorbeeld in bejaardenhuizen, in de bibliotheek en in het Sliedrechts Museum.
  • Bijdragen in en over het Sliedrechts dialect in de Periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht.
  • Korte filmpjes maken over het Sliedrechts dialect.
  • Het Sliedrechts dialect vastleggen op de website van de Historische Vereniging Siedrecht en aanleveren aan taalkundige instituten.

De werkgroep ‘vergadert’ eens in de maand. Dat zijn heel geanimeerde en gezellige bijeenkomsten, maar er wordt ook gewerkt.
Belangstellenden zijn altijd welkom. Wilt u een vergaderdatum weten, vraag die dan op via de knop Contact Werkgroep Dialect in het rijtje aan de linkerkant van deze webpagina.

Deze website is als het ware een encyclopedie van het Sliedrechts dialect. Onder de knop
Inhoudsopgave staat een heldere uiteenzetting van wat er zoal op deze website te vinden is.