Over dit boek
Eigen aardigheden van het Sliedrechts
Nog meer kenmerkende klinkers
Spelling en uitspraak

 

Uitgaven van de Werkgroep Dialect

 

 

 

 

 

Over dit boek

     

Kluiteruif, biggels, mè je onte laerze de boel onderbere, ‘n schreufie bakke, matschudding… U zult deze woorden tevergeefs zoeken in de Dikke van Dale. Het zijn voorbeelden van de rijke Sliedrechtse woordenschat.

Lang werd er op dialect neergekeken als de taal van mensen met weinig opleiding, maar daar is een kentering in gekomen. Dialect is niet een slordige verbastering van het Standaardnederlands. Het is juist andersom! De standaardtaal is + 500 jaar geleden ingevoerd. Voor Bijbelvertaling en centraal bestuur was behoefte aan een uniforme schrijf- en spreektaal voor deze gewesten. De meeste taalkundigen die bij dit proces betrokken waren, hadden hun wortels in de streek rond Haarlem en Leiden. De taal uit die streek heeft een zwaar stempel gedrukt op onze standaardtaal. Vandaar dat men nu nog wel zegt: “In Haarlem wordt het beste Nederlands gesproken”, maar dat is (was) dan niets meer dan gewoon de lokale taal. Wanneer 500 jaar geleden het economisch en politiek zwaartepunt in Groningen had gelegen, zouden we nu allemaal Algemeen Beschaafd Gronings spreken.

Er wordt wel eens gezegd: “Dialect klinkt zo lelijk”, maar dat is nogal subjectief. Niemand vindt Engelse woorden als: water, where, butter, my wife of Audrey lelijk. Maar de uitspraak is hetzelfde als de Sliedrechtse woorden: waoter, waer, butter, mijn wijf of Aodrie. Het is niet zo verwonderlijk dat Sliedrechtse klanken en woorden overeenkomen met andere Germaanse talen. Ze hebben een gemeenschappelijke oorsprong. Daarom vindt men in de dialecten zo’n rijke schat aan taalvariaties. Een rijkdom die door de snelle communicatie van tegenwoordig steeds meer verdwijnt. Het is als met de biologische rijkdom van de regenwouden, die verloren dreigt te gaan door massale houtkap.

Voordat het dialect langzaam verdwijnt, is het zaak om het vast te leggen;

        Oude gebouwen worden gerestaureerd en gekoesterd. Oude huishoudelijke voorwerpen worden als waardevol antiek verzameld. Bij vorstelijke begrafenissen is het chique om oude rijtuigen te gebruiken. Dan is het toch zeker óók van belang een (verdwijnend) historisch cultuurgoed als dialect voor het nageslacht vast te leggen? De werkgroep dialect van de Historische Vereniging Sliedrecht heeft dat gedaan.

      Dit boek is het tastbare resultaat.

Terug naar boven

’t Mot eerst warre, wil ’t rêêë

      Dialect heeft een aantal facetten. We onderscheiden:

      Besloten werd om eerst een populaire verzameling van Sliedrechtse woorden en uitdrukkingen uit te brengen. Dat werd: “Waffere Momme” in 1998. Woorden die alleen qua klank en/of vorm van het Standaard- nederlands afwijken werden daarin niet opgenomen, b.v. paerd, grôôt en jongchie. De indeling is op thema’s gebaseerd zoals: werken, eten en drinken, wonen, het weer, etc.

In het boek dat u thans in handen heeft, zijn alle facetten van het Sliedrechts dialect opgenomen. U vindt er bijvoorbeeld ook een hoofdstuk over de taalkundige “eigen aardigheden” van het Sliedrechts.

We hebben gestreefd naar volledigheid om ons verdwijnend dialect voor latere generaties vast te leggen, zowel voor geïnteresseerde Sliedrechters, als voor taalwetenschappers.

      Allen die op enigerlei wijze hebben bijgedragen aan het totstandkomen van dit boek, willen we hartelijk bedanken. Ook de genoemde en niet genoemde sponsors die het mede mogelijk hebben gemaakt dit boek uit te geven, willen wij hierbij onze erkentelijkheid betuigen.

 

Het was een grote klus,

het heeft lang geduurd,

maar we deden het met veel plezier,

 

De Werkgroep Dialect

 

Terug naar boven

 

Eigen aardigheden van het Sliedrechts

Het Sliedrechts dialect is niet uniek. Mogelijk een teleurstelling voor de lezer. Maar anderzijds zitten er zoveel taalkundige aardigheden in het Sliedrechts dat het de moeite waard is er iets meer over te vertellen. Het Sliedrechts past qua klanken en taalvormen in het grotere geheel van de streektaal in de omgeving. Het is een Hollands dialect, met zowel Utrechtse- als Zeeuwse invloeden.

Dialecten vertonen van plaats tot plaats verschillen. De lokale combinatie van taalverschijnselen is vaak wel uniek voor een bepaalde plaats. Daarbij zijn er grote overeenkomsten met klanken en taalvormen van aangrenzende dorpen. Dat geldt ook voor het Sliedrechts.

Opvallend is de grote overeenkomst met de dialecten in de West-Alblasserwaard, oostelijk IJsselmonde, oostelijke Hoekse Waard en het zuiden van de Krimpenerwaard, waarbij opgemerkt kan worden dat de rivieren kennelijk geen grenzen vormen. Wat in deze regio gesproken wordt, zouden we “Waerds” willen noemen.

 Terug naar boven

Een taalgrens

Het lijkt alsof er ten oosten van Sliedrecht van noord naar zuid een taalgrens door de Alblasserwaard loopt. In het westen zegt men: schaep, daer, klaain en butter, terwijl men aan de oostkant van de taalgrens spreekt van: schaop, daor, klèèn en botter voor de Nederlandse woorden schaap, daar, klein en boter.

Volgens Huib de Kok, auteur van “De Boerderij in de Alblasserwaard”, komt dit door het feit dat de oostelijke Alblasserwaard vanuit Utrecht in cultuur is gebracht, terwijl het westelijke gebied vanuit Holland is ontgonnen.

 Terug naar boven

Opvallende taalvormen 

Er bestaat echter een taalverschijnsel dat kenmerkend is voor Sliedrecht, Giessendam en Papendrecht, omdat het nergens anders in het Nederlandse taalgebied voorkomt. Dat zijn de verkleiningsuitgangen -sie en -ksie die we kennen uit: baksie (bakje), broksie (brokje), hoeksie (hoekje), koeksie (koekje), stoksie (stokje), zaksie (zakje) en haeringksie (harinkje), weuningksie (woninkje), belôôningksie (beloninkje), paelingksie (palinkje).

Kinderen die goed Sliedrechts spraken, hadden een voorsprong bij het taalonderwijs. Zij hadden geen enkel probleem met het verschil tussen: -auw en -ou of met -ei of -ij (lange of korte ei-ij). De -auw is in het Sliedrechts -aauw, met een lange aa klank. Bijvoorbeeld: blaauw (blauw), gaauw (gauw), kaauwe(kauwen), maauwe (mauwen), raauw (rauw). De -ou blijft als de Nederlandse -ou uitgesproken. Bijvoorbeeld: hout, koud, mouw, nou, stout of zout.

Een soortgelijk klankverschil doet zich voor bij de -ei en -ij. In het Sliedrechts klinkt -ei als -aai, dus ook met lange aa klank. Bijvoorbeeld: braaie (breien), haai (hei), klaainighaaid (kleinigheid), maaid (meid), vriendelijkhaaid (vriendelijkheid). De -ij ligt dicht bij de Nederlandse uitspraak. De kindertjes schreven dus moeiteloos: blij, dijk, fijn, strijkijzer, wijnazijn, zwijn.

Ook de oude spelling van één of twee -(o)o’s was voor een vroegere generatie geen probleem op school. Als je in het Sliedrechts een -ôô uitsprak zoals in hoor, koor, door, dan zei je: bôôte (boten), grôôte (grote), kôôle (kolen, groente), pôôte (poten) of slôôte (sloten,watergang) en dan schreef je automatisch: booten, groote, koolen, pooten en sloote.

Hoorde je in het Sliedrechts echter een open -o klank, zoals in: kole (steen)kolen, ope (open), slote (sloten), meervoud van slot, gezope (gezopen) of gebroke (gebroken), dan schreef je een enkele -o, zoals later de algemene spelling werd.

Bovengenoemde verschillen in uitspraak gaan terug op oudere vormen, voordat ze in Nederland zijn gaan samenvallen tot één klank.

Meer over de Sliedrechtse taalverschijnselen is te vinden in: Klank- en vormleer van het Sliedrechts door Dr. René van den Berg. Deze brochure is verkrijgbaar via:

de Historische Vereniging Sliedrecht, www.historie-sliedrecht.nl.

 Terug naar boven

Nog meer kenmerkende klinkers 

Hieronder volgt een verkort overzicht van de Sliedrechtse klanken die René van den Berg in voornoemde brochure uitgebreid beschrijft. 

1) De -(a)a 

De eerder genoemde  westelijke -ae van: daer (daar), laet (laat), maet (maat, meten), schaep (schaap), slaep (slaap) of waer (waar) is een overblijfsel van de taal die vóór de Middeleeuwen in de lage landen gesproken werd. Maar ook de -ao komt in het Sliedrechts voor, gaon (gaan), praote (praten), kaol (kaal), raok (raak). Twee verschillende klanken die zich later in het Nederlands tot één -aa ontwikkeld hebben. Nog een paar aardige voorbeelden hiervan zijn:

      Klaaine Aoltjie at bij opoe’s een gerôôkt aeltjie. (aaltje)

      ‘k Het de blaere op m’n hande van ’t blaore vege. (blaren)

      Wim hè nie in de gaote dat ie gaete in z’n sokke het. (gaten)

      De vrouw van de groentekraem leet nou in de kraom. (kraam)

      Jan gong mè z’n maot Kees de maet van de kəpotte ruit opneme. (maat)

      Kee wier op ’t fêêst zô naor, dà ze naer ’t ziekehuis mos. (naar)

 De dubbele -aa van laag en spaak is in het Sliedrechts een -êê: lêêg en spêêk. Maar ook de heldere Nederlandse -aa klank komt in het Sliedrechts voor.

Waer mos jij aan denke toe Jaop zô naer Klaoze sting te zwaaie?

De enkele a is soms een e zoals in: bled (dienblad), errəmoej (armoede), kerrəmellək (karnemelk). Tenslotte is de -a ook nog weleens een -o zoals in: schoftkêêt (schaftkeet), boodschop (boodschap) en broch(t) (bracht) of doch(t) (dacht), vergelijk het Engelse brought en thougt.  

2) De -ee 

Ook bij de ee klank heeft het Sliedrechts weer een heel oud klankverschil bewaard dat in het Nederlands is samengevloeid. We hebben de -êê klank zoals in: beer, meer en weer. We zeggen dan: brêêd (breed), gêên (geen), têên (steen), vrêês (vrees) en zêêp (zeep). Daarnaast de heldere -ee, zoals in: beet, geef, keel, pees, scheef of zeef. En zo zeggen we dan: Kees zee neeje, Leen dee mee, de zeelt bleef geel en Neel keek scheel.

Nog mooier zijn de woorden die in het Standaardnederlands twee verschillende betekenissen hebben en in het Sliedrechts ook nog steeds verschillend worden uitgesproken.

In ’t begin van de week zette moeder ’t vuilste wasgoed in de wêêk.

Wees blij dà je gêên wêês ben. Aolewijn zee dà z’n vaoder op zêê voer.

Ik ging bij Leene z’n lange leer lêêne om de dakgeut schôôn te maoke.

Een beetje (weinig) is een bietjie, maar een beetje blijft een beetje als er een vis aan je aas bijt. Ik heet is ik hiet, maar als het ijzer heet is, dan is het hêêt. De bleek is d’n blaaik, maar als je wit ziet, dan zie je gewoon bleek. Tenslotte wordt de -ee, maar ook de -e in het Sliedrechts nogal eens als een -eu geschreven en gesproken. Deze zeven spelen veel is: deuze zeuve speule veul. 

3) De -e 

Een opvallend Sliedrechts taaleigen is de -e van: berg, kerk, scherp, verf of werk etc., welke verandert in een heldere -aa, met na de daaropvolgende medeklinker een -ə (sjwa of stomme e).

Baarəg, kaarək, schaarəp, vaarəf of waarək. Maar werf is wurrəf (ook waarəf) en wervel is wurrəvel en tenslotte vers is vors of vaars en Kerstmis is Korsəmis. 

4) De -ui 

In een aantal gevallen is de ui in het Sliedrechts een oi. Bijvoorbeeld in: boi (bui), kroiwaoge (kruiwagen), kroijenier (kruidenier), loiers (luiers), troi, (trui), Stoij (familienaam Stuij), zoije (zuiden). 

5) De -oo en -o 

De Nederlandse -oo in woorden als hoop, lood en stroop is ontstaan uit klanken die voor de 17e eeuw verschillend werden uitgesproken. In het Sliedrechts is dat oude klankverschil blijven bestaan.

Daar heb je hoop (verwachting) naast hôôp (hoeveelheid).

Stove (meervoud van stoof) naast stôôve (werkwoord stoven).

Ik loof de dag naast het groene lôôf aan d’n bôôm.

Een lootjie in de loterij naast een lôôdjie aan een vistuigchie.

Slote op de deur naast slôôte vol waoter.

De aerepel pote naast de pôôte (poten) van de taofel.

Stêênkool en zuurkôôl.

Het ete koke (koken) naast kôôke (kokhalzen).

Het koperpoetse naast huizekôôper.

Stroop op ie brôôd naast strôôp ie mouwe op.

D’r is wat loos naast die ruimte is lôôs.

Een lôôze ruimte of een lôôsie is een (lege) ruimte waarin je iets (ver)bergen kunt. 

De Sliedrechtse uitspraak van de -oo vóór een -i of -j is eveneens een ôô, zoals in bôôje (boden), bôôjem (bodem), lôôje (loden), rôôje (rode) of   zôôje (graszoden). In het Nederlands is de -ooi klank helderder in deze woorden. De uitspraak -ôôi is automatisch, onbewust en diep verankerd. Dat geldt voor de gehele regio. Wanneer men SN spreekt, blijft -zonder dat de spreker zich dat bewust is- de uitspraak -ôôi vaak gehandhaafd. Ook in woorden als hooi, kooi, moois, plooit en Troje of mooie rôôje waotervlooie. Het vormt één van de “regionale” kleuringen van de standaardtaal.

Een andere onbewuste regionale kleuring bij SN sprekers uit deze streek is de toonloze e (-ə sjwa) na -l of -r. Zij zeggen duidelijk hoorbaar: Belləge (Belgen), halləve (halve), kallək (kalk), mellək (melk), welləke (welke), wolləke (wolken), zulləke (zulke) of baarəge (bergen), haarəfst (herfst), kurrək (kurk), maarək (merk), waarək (werk), zurrəg (zorg).

Ook is in het Sliedrechts de -oo (maar ook de -o) vaak een -eu. Bijvoorbeeld: euləneutjies (olienootjes), deur (door), geut (goot), meule (molen), veugel (vogel), weune (wonen), zeumer (zomer) of zeun (zoon). In het Nederlands komen restanten van die -eu ook nog wel voor: keuken (koken) en sleutel (sloten).

Waar de Nederlandse -o van pot gevolgd wordt door een -r, zoals in dorp of worm, spreekt men in het Sliedrechts een heel vaak een u-klank uit. Naast een verdubbeling van -r, volgt een toonloze e (-ə sjwa). Bijvoorbeeld: burrəg (borg), durrəp (dorp), gesturrəve (gestorven), kurrəps (korps), kurrəpəraol (korporaal), sturrəm (storm), vurrək (vork), vurrəm (vorm), wurrəm (worm) of wurrəp (worp). 

Terug naar boven 

Verkleinwoorden 

Verkleinwoorden in dialect zijn geen slordige verbastering van het Nederlands zoals sommigen wel menen. Integendeel! Het zijn heel typerende taalvormen, die strakke taalkundige regels volgen.Het Sliedrechts kent 9 verschillende verkleiningsuitgangen. Hierna volgen ze.

1) –chie 

a. na klinkers of na een –w:

Aoi (Arie)  Aoichie   boei boeichie
lêêuw (leeuw) lêêuwchie mouw mouwchie
plooi plooichie slee  sleechie 
troi (trui) troichie zêê zêêchie

 b. na -ng, waarbij de klemtoon niet op de voorlaatste lettergreep valt:

ding  ding(e)chie gang gang(e)chie
stang stang(e)chie tekening tekeningchie
verêêniging verêênegingchie  wandeling wandelingchie

c. na -d, voorafgegaan door een lange klinker waarbij de -d verzwakt tot -j:

brôôd (brood) brôôjchie draed (draad) draejchie
kaoj (kade) kaojchie klêêd (kleed) klêêjchie 
zaed (zaad) zaejchie wandeling wandelingchie

2) -echie

 a. na -l, -m, -n en -r, voorafgegaan door een korte klinker:

bal  allechie  lel lellechie
pil pillechie  sul sullechie
drum drummechie ham hammechie
klem klemmechie som sommechie
kan kannechie spin spinnechie
zon  zonnechie bar barrechie
ster sterrechie tor  orrechie

b. na -l, voorafgegaan door -ie, -oe of -uu:

hiel hielechie  piel pielechie
wiel wielechie kroel  kroelechie
poel poelechie truul (wiel) trulechie

c. na -rd, waarbij de -d verdwijnt:

bord borrəchie paerd (paard) paerəchie

3) –pie

na een -m, voorafgegaan door een lange klinker of door een sjwa (toonloze e) in een meerlettergrepig woord. De sjwa treedt altijd op in het Sliedrechts bij woorden met -lm en -rm:

bezem bezempie bôôm (boom) bôômpie
duim duimpie kraem (kraam) kraempie
naom (naam) naompie rijm rijmpie
schuim schuimpie zêêm (zeem) zêêmpie
aarəm (arm) aarəmpie filləm (film) filləmpie
halləm (halm) halləmpie helləm (helm) helləmpie
vurrəm (vorm) vurrəmpie zalləm (zalm) zalləmpie

4) –tie

na -r, voorafgegaan door een lange klinker of door een sjwa en na -rt:

boor boortie kier kiertie
peur peurtie  jaer (jaar) jaertie
peer peertie vaor (vader) vaortie
gieter gietertie meter metertie
spier spiertie waoter (water) waotertie

5) -sie 

na een -k:

bak baksie dijk dijksie
kaarək (kerk) kaarəksie koek koeksie
mezik (mug) meziksie plank) planksie
lêêuwerik lêêuweriksie    

6) -ksie 

na -ng in woorden met het hoofdaccent op de voorlaatste lettergreep:

belôôning (beloning) belôôningksie haering (haring) haeringksie
paeling (paling) paelingksie weuning (woning) weuningksie

7) -jie 

na een -d of -t voorafgegaan door een klinker of door een -l of -n:

bad  badjie bloed bloedjie
blond blondjie geld geldjie
graed (graad) graedjie graet (graat) graetjie
hond hondjie kant kantjie
kat katjie maot (maat) maotjie
mot motjie pôôt (poot) pôôtjie
put putjie stelt steltjie
stoet stoetjie veld veldjie
wat watjie zand zandjie

8) -tjie 

na een -l of -n voorafgegaan door een lange klinker of een sjwa zoals in lepel:

baol (baal) baoltjie  keel keeltjie
kôôl (kool) kôôltjie muil muiltjie
bôôn (boon) bôôntjie haon (haan) haontjie
tuin tuintjie zoen zoentjie
buidel buideltjie ketel keteltjie
keuken keukentjie leven leventjie

9) -ie 

a. na een -ch,-f, -g/ch, -p of -s:

kuch kuchie lach lachie
boef boefie stoof  stoofie
brug brugchie kraog (kraag) kraogchie
krop kroppie stap stappie
kras krassie tros trossie

b. na -fd, -ft, -st en -cht, waarbij de -d of -t verdwijnt:

hôôfd (hoofd) hôôfie heft heffie
kaft kaffie schoft schoffie
bast bassie bêêst (beest) bêêsie
kast kassie puist puisie
nacht nachie zucht zuchie

Terug naar boven 

Andere typische taalvormen 

Hierboven, bij de verkleiningsuitgangen, verschillen de dialectwoorden in hun vorm van het Standaardnederlands. Maar er zijn meer van zulke vormverschillen. Dat is Wimme fiets, Piete huis, Gijze boek; de 2e naamval die in het Sliedrechts is blijven bestaan. Zo heeft ook het meewerkend voorwerp in het Sliedrechts zijn eigen vorm. Ik geef Annies, Aories, moeders, Leene of Rooke ’t boek. Ook het lijdend voorwerp krijgt dezelfde -e of -s toevoeging. Hij beduvelde Korries, Korse, Nellies, Teune, vaoders.

Deze -e en -s toevoeging zien we ook na voorzetsels als: naer, met, voor en tege. Niet alleen bij eigennamen, maar ook bij plaatsaanduidingen.

Enkele voorbeelden hiervan:

De trainer riep tege Hanse:Naer vorene met dien bal”.

Naer achtere, van binnene naer buitene of naer overe. (naar de overkant van de rivier).

 

Maar ook bij: deuze blomme zijn voor Sijaos, voor Tinekes of voor Aolies.

En bij: ik gao met opaos en met Keese bij Jannies en Truuse ‘n baksie doen.

 

Nog een aantal typisch Sliedrechtse taalvormen:

Hij is gaon legge vaalle.

Wat lôôp ie daer nou te staon?

 

Woorden als “of”, “als” en “dat” krijgen een meervoudsvorm als het meerdere personen betreft.    

We wete nie ovve ze wel zalle komme.

Azze me nou wat vroeger weggaon, komme me zeker op tijd.

En datte me toffe jonges zijn dat wille me wete.

Zoals overal in Nederland ten westen van de IJssel, ontbreekt ook in het Sliedrechts de uitgangs-n bij werkwoorden en bij meervoudsvormen.  Wel komt men hier en daar een extra n tegen als verbindingsletter.

Regen, geven en halen.

De regen viel bij strôôme.

We geven ‘m niks hoor.

We haolen ‘m op.

 

Terug naar boven

Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden

Ik is ik en mijn is mijn. Maar let op: mij komt in het Sliedrechts niet voor.

 

Mij is mijn.

Die fiets is và mijn

Hij het (aan) mijnn koeksie gegeve

Hij het mijn belaozerd

 

Zoals overal in de Nederlandse spreektaal is je in het Sliedrechts ie, als het achter het werkwoord staat. Behalve als de stam eindigt op een klinker.

 

Vaal ie om?

Kom ie nog?

Zouw ie dat wel doen?

Hoor ie wel!

Maar als de stam eindigt op een klinker is het je

 

Stao je buite?

je komme?

Zie je wel

En als hij achter het werkwoord staat, wordt het tie of die.

 

Vaal tie om?

Kom tie nog?

Zouw die dat wel doen?

Hoor tie ’t nie?

Stao tie buite?

Kan die komme?

Zie tie ’t wel?

We is in het Sliedrechts me als de zin niet met die persoonsvorm begint.

 

Daer hè me niks aan.

Wà mò me neme?

Nou, daer doe me ’t dan mor mee.

We hen daer niks aan.

We motte die neme.

We doen ‘t hier mor mee.

We gaon naer Dordt.


 

Wij wordt gebruikt als de nadruk er op valt.

 

Dat zouwe wij nooit doen.

Doch ie dà wij dà gedaen hadde?

Haar is in het Sliedrechts heur of d’r.

 

Heur vaoder.        (2e naamval)

Heur fiets.            (2e naamval)

D’r oto.

Heuren oto.

Heur huis             (2e naamval)

Ik het ‘t aan heur gegeve.

D’r vaoder en d’r moeder

Hij het heur beduveld.

De 3e persoon meervoud (zij, hun, hen) is een interessant geval.

In het Sliedrechts is dat hullie of heullie.

Zij meervoud komt in het Sliedrechts niet voor.

Hullie /heullie hebbe geld zat.                                (1e naamval)

Dà ’s hullies /heullies huis.                                    (2e naamval)

Hullieze /heullieze moeder.                                   (2e naamval)

’t Is hulliezen /heulliezen aaige schuld.                (2e naamval)

’t Is hullie d’r aaige schuld.                               

Jan het heullies geslooge.                    

Ik het ’t aan hullies/heullie gegeve.    

Het wordt nog leuker! Bezittelijke voornaamwoorden hebben in het Sliedrechts hun eigen vorm, vooral als de nadruk er op valt. Wanneer het woord erachter mannelijk is en met een klinker begint, dan komt er -(e)n achter het bezittelijk voornaamwoord. Zo kun je een zin tegenkomen als: Omdat hummen oto kəpot was, gonge me naar hullies huis lôôpe.

Als het Sliedrechts hetzelfde is als het Nederlands hebben we het meestal niet genoteerd. Zij (mv) komt in het Sliedrechts niet voor. 

Nederlands Sliedrechts  
zonder nadruk met nadruk  
mijn m’n oto mijnen oto  
    mijn oto’s  
jouw je oto jouwen oto  
zijn z’n oto hummen oto  
    humme oto’s  
    humme opoe  
haar heur  oto heuren oto  
    heur opoe  
ons, onze   onzen oto  
jullie julliezen oto julliezen oto  
  jullieze oto’s ujllieze oto’s  
  julllieze opoe julliezen opoe  
hun hullies huis hullies huis  
    hulliezen oto  
  hullieze oto’s hullieze oto’s  
  ullieze opoe hullieze opoe  

Wat geldt voor hullie /hullies /hullieze en hulliezen, geldt uiteraard ook voor heullie etc. Maar ook als de nadruk er niet op valt, komt die –e(n) uitgang van een bezittelijk voornaamwoord wel voor. Voorbeelden:

Dà ’s aerdig voor mijnen doen.

Dà ’s goed gedaen voor jouwen doen.

Dà ’s niks voor hummen doen.

Dà ’s veuls te veul voor heuren doen.

M’nen, j’nen, d’ren en z’nen, zijn ook oudere spreekvormen voor die (of dat wat) van mij, jouw, haar en hem is of toebehoort.

Bijvoorbeeld:

Geef m’nen hoed is aan.

in d’ren aarǝmoei is ze tò nog opgeruimd.

Steek j’nen aarǝm is uit.

Daer staot ie nou mè z’nen ouwe fiets.

Je na een werkwoord dat op -t eindigt, wordt in het Sliedrechts jie.

Wat mot jie nou?

Je mot jie aaige schaome.

Wat eet jie daer?

Je spuit jie aaige nat.

Je bijt jie tande kəpot.

Kijk uit, je spêêt jie oto onder

 

Bij zelfstandig gebruik van persoonlijke voornaamwoorden komt men de volgende vormen tegen:

 

Hij ziet:                     mijn, jou, hum, heur, ons, hullie/heullie

Hij komt naer:           mijn, jou, hum, heur, ons, hullie/heullie

 

 

Het wederkerig voornaamwoord zich, dat eigenlijk een Germanisme is, komt in het Sliedrechts niet voor.

 

Hij wast z’n aaige. 

Ze snee d’r aaige in d’r duim.

Hullie haoste d’r aaige.

Heullie hen d’r aaige verslaepe.


Terug naar boven

Werkwoorden

Hebben

tegenwoordige tijd maar ook vragend en ook
       
ik het ik hè hè ‘k het ik
je / jij het jij hè hè jij heb ie
hij / zij het hij hè het ie hè zij
wij / we / me hen   hen wij hè me
jullie hen   hen jullie  
ze / hullie hen   hen ze  
       
verleden tijd      
       
ik had ik hà had ik hà ‘k
je / jij had jij hà had jij hà jij
hij / zij had hij hà had ie hà ze
wij / we / me han wij hadde han wij hà me
jullie han jullie hadde han jullie hadde jullie
ze / hullie han ze hadde han ze hadde ze

 Het voltooid deelwoord is: gehad.

-t, -d, of –n vallen weg als het volgend woord met een medeklinker begint.

Enkele opmerkingen: Hullie of de verouderde vorm heullie wordt gebruikt als de nadruk er op valt. Daer kenne hullie toch niks aan doen? Hetzelfde geldt voor me en wij. Normaal is me, maar als de nadruk er op valt, dan is het wij. Er is een groot verschil tussen: dat hè me gedaen en dat hen wij gedaen. Op de persoonlijke voornaamwoorden: ie, tie en die wordt later ingegaan.

 

Zijn

 

tegenwoordige tijd maar ook vragend en ook
       
ik ben   ben ik ben ’k
je / jij ben   bè je ben jij
hij / zij is   is tie is zij
wij / we / me zijn   zijn wij zij me
jullie zijn   zijn jullie  
ze / hullie zijn   zijn ze /hullie  
       
verleden tijd      
       
ik was   was ik  
je / jij was   was jij was ie
hij / zij was   was jij was ie
wij / we / me wazze   wazze we / me  
jullie wazze   wazze jullie hadde jullie
ze / hullie wazze   wazze ze / hullie  

Het voltooid deelwoord is: gewist.

 

Worden

 

tegenwoordige tijd maar ook vragend en ook
       
ik wor   wor ik  
je /jij wor(dt)   wor jij / ie  
hij /zij wor   wor tie / ze  
wij / we / me worde   worde me /wij  
jullie worde   worde jullie  
ze / hullie worde   worde  ze / hullie  
       
verleden tijd      
       
ik wier   wier  ik  
je / jij wier   wier  jij / ie  
hij / zij wier   wier  jij / die  
wij / we / me wiere   wiere  we / me  
jullie wiere   wiere  jullie hadde jullie
ze / hullie wiere   wiere  ze / hullie  

Het voltooid deelwoord is: geworde.

 

Typisch Sliedrechtse vormen zijn ook:

 

Ik at wij atte ik las wij lazze
Ik bestak wij bestakke ik mag wij magge
ik brak wij brakke ik mog wij mogge
ik broch wij broche ik mos wij mosse
ik doch wij doche ik nam wij namme
ik gaf wij gavve ik sprak wij sprakke
ik kan wij kanne ik was wij wazze
ik kon wij kanne ik zag wij zagge
ik kwam wij kwamme ik zal wij zalle
ik lag wij lagge ik zat wij zatte

Terug naar boven

Sterke en zwakke werkwoorden

Veel werkwoorden die vroeger in het Nederlands “sterk” waren (bijvoorbeeld brengen-bracht-gebracht), zijn in de loop van de tijd “zwak” geworden (bijvoorbeeld jagen-jaagde-gejaagd). In het Sliedrechts is nog een aantal oude sterke werkwoordsvormen bewaard gebleven.

lôôpe liep gelôôpe  
denke doch(t) gedocht (Engels thought)
brenge broch(t) gebrocht (Engels brought)
jaoge joeg of joog gejooge  
slaon sloeg of sloog geslooge  

   Ter illustratie: Aoi en Kors han d’n baos om opslag gevrooge en die wier toe zôô bôôs, dat ie ze van de wurrǝf het afgejooge.

Stam + t ? (maar ook d)

In het Nederlands komt er in de tegenwoordige tijd geen –t achter de stam van het werkwoord als ik het onderwerp is, of als jij als onderwerp achter de persoonsvorm staat. In het Sliedrechts is dat in een aantal gevallen anders. Daar hoor je soms een verbindingsletter -t of -d na de stam. Voorbeelden:

Ik staod eve buite, ik staod al jaere ingeschreve,
ik staot hôôg en drôôg, ik haold aaltijd een pond drop,
ik staot gewoon te wachten, ik hoort hum.

In andere gevallen staat er weer geen –t of d achter de stam. Het is een nauwkeurig grammaticaal systeem dat samenhangt met de laatste letter van de stam en de eerste letter van het volgend woord. Het is hier niet de plaats om daar dieper op in te gaan. Het is wel een systeem dat men ook bij “je”, “hij” en “zij” terugvindt zoals verderop te lezen is.

Dialectsprekers hanteren dit systeem feilloos en zonder zich er van bewust te zijn. Het aardige is dat velen in onze regio die geen dialect denken te spreken, toch veel van deze taalverschijnselen in hun Nederlands handhaven.

Bij “je”, “hij” en “zij” komt in het Sliedrechts in principe geen –t achter de stam. Net als bij “ik” is er alleen sprake van een verbindings –t of –d.

 

Jij haol Janne van school. Hij pak iederêên.
Jij haold Annies op. Ze maok Gijze mor wat wijs.
Hij pak ze beet. Zij maokt aanderande koeksies.

In het algemeen kan men zeggen dat de –t als –d klinkt, wanneer het volgende woord met een klinker begint.

Terug naar boven

Spelling en uitspraak 

Spelling is een hulpmiddel om gesproken taal op schrift te stellen. Dat geldt voor het Nederlands, maar dat geldt evenzogoed voor een dialect. In dialecten komen klanken voor die het Standaardnederlands niet (meer) kent, zo ook in het Sliedrechts. Hieronder volgt een lijstje van lettertekens die gebruikt zijn om de klanken van het Sliedrechts zo goed mogelijk weer te geven. Daarbij zijn zoveel mogelijk de lettertekens gebruikt die in dialectstudies gebruikelijk zijn.

a.   De klank ae, bijvoorbeeld in: daer, laet, paerd, straet, wordt ongeveer uitgesproken als de ai in: “fair” en “ prairie”.

b.   De ao, in bijvoorbeeld: kaort, vaoder, waoter, ongeveer uit te spreken als de letter o in “rond”, maar iets langer aangehouden, net als de letter o in het Engelse “born” (geboren) en de a in “all”.

c.   êê, deze dubbele ee met een dakje erop spreken we uit als de ee in de Standaardnederlandse woorden: weer, zeer, meer. Dus bêên voor been, bêêst voor beest en verdêêle voor verdelen.

d.   ôô, de klank hiervan is ongeveer gelijk aan de oo in Standaard- nederlandse woorden: boor, hoor, voor, etc. Dus: bôôt voor boot, grôôt voor groot, lôôpe voor lopen.

e.   ô, komt in het algemeen slechts voor in het woord: . Uit te spreken zoals onder 4 aangegeven, echter kort(er).

f.   De ij wordt niet uitgesproken als de ij in Standaardnederlandse woorden: hij, zij, wij etc, maar met weinig verschil, het klinkt meer als de ei in het Duitse “drei” (drie).

g.   De ei wordt in het Sliedrechts uitgesproken als aai. Dus braaie voor breien, klaain voor klein, vriendelijkhaaid voor vriendelijkheid, zaail voor zeil.

h.   ə, de toonloze e (de sjwa) wordt uitgesproken als de “u” in blut of zus.

 

Opmerking:

Meerdere malen spreken we in het bovenstaande van “ongeveer”. Het is namelijk dikwijls onmogelijk zonder gebruikmaking van het moeilijk te lezen fonetische schrift exact de juiste uitspraak weer te geven. Laat u eens een stukje voorlezen door een echte dialectspreker, dan hoort u de juiste klanken.

Bij het noteren van het Sliedrechts zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

-1. de klanken van het dialect zo goed mogelijk weergeven.

-2. ten behoeve van de leesbaarheid, zo dicht mogelijk bij het Standaardnederlands blijven.

-3. consequent zijn, d.w.z.: afgesproken regels overal toepassen.

Deze drie uitgangspunten kunnen strijdig zijn met elkaar, zoals we hier onder zullen zien. Op grond van bovenstaande zijn de volgende regels opgesteld, inclusief de daarbij behorende uitzonderingen:

Regel 1) Uitgaan van het Standaardnederlands.

Alleen de letters die in het Sliedrechts anders klinken ook anders schrijven. Dus:

      Niet aokeluk of aokeleg, maar aokelik (akelig)                   

      Niet aerdug of aerdəg, maar aerdig (aardig)

 

affside (offside),

broeinetel (brandnetel),

De -gje wordt -gchie.

aerdigchies (aardigjes) Aogchie (Aagje)
brugchie (brugje) Aorigchie (Arigje)
eaudeclojje (eaudecologne) kəstajje (kastanje)
kraogchie (kraagje) laogchie (laagje)
maogchie (maagje) zaogchie (zaagje)
boordtie (boordje) koordtie (koordje)
paerdtie (paardje) woordtie (woordje)

De je wordt tie.

 
boortie (boortje) koortie (koortje)
paortie (paartje)

De tje wordt tie.


 
het ie (geen hettie) buchie (buchtje)
zal ie (geen zallie) luchie (luchtje)
heb ie (geen hebbie) begelaaijde (begeleidde)
pak ie (geen pakkie) beklêêjde (bekleedde)
mò me (geen momme) belege (belegen)
à ’k ie (geen akkie) bere (beren)
as ie (geen azzie) strontbere (de beerput ledigen)
à me (geen amme) ì mekaor (geen immekaor)
mos ie (geen mossie)

Regel 1a) uitzondering:

Als het een verkeerde indruk zou geven van de Sliedrechtse uitspraak.

Erwten is geen arwten, maar arte.

Regel 1b) uitzondering:

Ondanks dat we in het Sliedrechts duidelijk een –d, -z of –v horen, besloten we toch een –t, -s of –f te schrijven. Hier gaat “de klanken van het dialect zo goed mogelijk weergeven” dus niet op. De reden hiervan is dat we woorden altijd op dezelfde manier willen schrijven. Dus niet de ene keer waz en de andere keer was, niet de ene keer geev en de andere keer geef of wad-wat, nied-niet enz.

Voorbeelden hiervan:

niet nied êên nied aerdig nied iederêên
hij kom nie(t) ik ziet ’t nie(t) ze het ’t nie(t)
wat wad onaerdig wad ijverig wad aokelik
(t) heb ie? (t) doe je nou? (t) mò jij hier?
was waz ie thuis waz Aorie weg? waer was tie?
Moest moz ie weg hij moz ok weg mos Kees weg?
lees leez ie je boek? Ik leez een krant ik lees nie veul
schrijf ik schrijv ie nie hij schrijv ok nie schrijf mijn naom
geef ze geev een hand geev is deur hij geef het op
verf vaarəv ie je huis? de vaarəv is nat ik vaarəf m’n haer

Wanneer de laatste letter van een woord een -t, -s of -f is en gevolgd wordt door een klinker, dan verzacht de uitspraak respectievelijk tot een -d, -z, of -v.

Het omgekeerde geval doet zich ook voor, dat noemen we verscherping. Als een woord eindigt op een -t, -k, -f, -s, -g, -p(b), -mp. Dan worden de daar op volgende -d, -f en -z in het Sliedrechts uitgesproken als -t, -s en -v. Voorbeelden:

d klinkt als t

z klinkt als s

v klinkt als f

uit te kunst ’t sou nie motte magge ’t fuur is uitgegaon
pak tien appel pak se beet à ’k frij ben gao ‘k weg
schuif tie of nie? geef sussies d’r flessie ik gaf fier cente
z’n zus tie is weg is se al beter? les frij, aalles frij
hij lag taer nog foor vijve nog foor vijve
top teuze ì je zak streep se mor deur stapfoets rije
stamp te piepers hij komp seker nie een stomp foor je kop

In al deze gevallen wordt er dus een -d, -f of -z geschreven!!

 Regel 2) -êê, -ôô en -aa, worden aan het eind van een lettergreep volledig geschreven om de Sliedrechtse uitspraak goed weer te geven.

Dus:

 

verêê-niging (vereniging)

stêê-nige (stenigen)

grôô-te (grote)

blôô-te (blote) aa-məl (allemaal)  

 

Regel 3) Een -d midden in een woord verandert in het Sliedrechts vaak in een –j.

Dus:

 

bieje (bieden)

dôôje bêêste (dode beesten)

brêêje strôôme (brede stromen)

rôôje kôôle (rode kolen)

laojekassie (ladenkastje)

goed geraeje (goed geraden)

 

Deze regel wordt ook doorgevoerd als er vóór de -j een -i staat. Het is dus: Laaije in last (Leiden in last),

kroijenier (kruidenier),

klokkeloijers (klokkenluiders),

maertse boie die bedoije dat de zeumer aan komt kroie. (maartse buien die beduiden dat de zomer aan komt kruien)

Maar het is:

 
een loië vent (een luie vent) oproiërs (opruiers) wolle troië (wollen truien)
haogelboië (hagelbuien) kroiwaoge (kruiwagen)  

In deze woorden zit in het Standaardnederlands immers geen -d die -j wordt. Het is ook niet de -ij zoals in zijn, welke we zien in laaije (leiden-Leiden), afgeschaaije (afgescheiden) en baaije (beiden).

Het wordt wat gecompliceerder wanneer in het Standaardnederlands een -d volgt achter de -ij.

Bij snijden, rijden of glijden, zou het dan volgens de regel: snijje, rijje of glijje moeten worden. Om de leesbaarheid te bevorderen, wordt dan van de regel afgeweken en schrijven we: we snije een brôôd (we snijden een brood), ze rije met ons mee (ze rijden met ons mee) en op klompe kò je goed glije (op klompen kon je goed glijden).

Regel 4) De -ə, de toonloze e (de sjwa) wordt gebruikt als het gevaar bestaat dat de -e als -è of -e(e) gelezen wordt.

Dat kan zich voordoen wanneer een toonloze klinker toegevoegd wordt zoals in:

kaarək (kerk), waarəp (werp), helləp (help), welləke (welke), Belləge (Belgen).

Maar ook als een andere klinker toonloos wordt uitgesproken zoals bijvoorbeeld in: aaməl (allemaal), camməflaozie (camouflage), izəlaosie (isolatie).

Klinkers die -zowel in het Standaardnederlands als in het Sliedrechts toonloos zijn, veranderen niet. Dan herinneren wij aan regel 1(alleen de anders klinkende letters schrijven we ook anders). Dus we schrijven aerdig (aardig), aokelik (akelig) en aailijk (eigenlijk).

Regel 5) We schrijven-à,-è of-ò als een juiste uitspraak van het dialect dit wenselijk maakt.

Dus:

hà jij dà gedocht (had jij dat gedacht),

hè je ze (heb je ze),

mò me komme (moeten wij komen),

kà je dut (kun je dit),

zà ‘k ie pakke (zal ik je pakken),

à ‘k ’t hà gewete, hà ‘k ’t nie gedaen (als ik het had geweten, had ik het niet gedaan).

 Regel 6) Korte woorden worden niet aan elkaar geschreven, hoewel dat soms heel verleidelijk is.

Dus: mò me en geen momme (moeten wij), mos ie en geen mossie (moest je), à me en geen amme (als we), toe ‘k of toen ‘k en geen toek of toenk (toen ik).

 Regel 7) De letter -w vóór een -r wordt een -v.

 

Dus:

 
vraok (wraak) vrêêd (wreed) vrêêke (wreken) vrijve  (wrijven)
vringer (wringer) vroete (wroeten) vrat (wrat)

Terug naar boven