Oudheidkundige Vereniging Sliedrecht
De vereniging waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten…
De geschiedenis van Sliedrecht (2)
|
SLIEDRECHT BEZUIDEN DE MERWEDE
In 1105 wordt Sliedrecht (Z.) vermeld en ditmaal in een onverdacht echt stuk. Er was n.l. een geschil ontstaan tussen Sliedrecht (Z.) en Houhninke (Houweningen), dat ten oosten er van lag, tegenover het latere Giessendam, en wel over een kerkelijke kwestie. Wanneer de bevolking in de verschillende parochiën (kerkdorpen) begon toe te nemen, bouwde men naar behoefte een kapel die de bestaande kerk door een vicaris of kapelaan liet bedienen en waaruit de moederkerk haar inkomsten trok. Op den duur wilde echter elk dorp een eigen kerk hebben, maar de hoofdkerk wilde die zelfstandigheid niet gaarne verlenen, omdat dan haar inkomsten uit de kapel verloren gingen. Kerk De kerk van Sliedrecht (Z.) was reeds vroeg aanwezig, wat vanzelf spreekt, want de strook langs de rivier was het eerste bewoond. Toen ook de streek ten oosten meer bevolkt werd, was door de familie Botter in het dorp Houweningen de Botteskerke gesticht en aan de kerk van Sliedrecht (Z.) ter bediening gegeven. Ze was dus daarvan een dochterkerk. Nu werd dit in 1105 door Houweningen betwist en men beriep zich daar op een brief van bisschop Koenraad van Utrecht (1076-1099). Tenslotte kwam de zaak in 1105 voor bisschop Burchardus van Utrecht, die na nauwkeurige bezichtiging uitmaakte, dat de brieven van Houweningen niet wettig waren en dat hun kerk, de Botteskerk, een dochterkerk van Sliedrecht (Z.) was en al haar verplichtingen daaruit voortvloeiende, moest nakomen. Aan den andere kant werd aan die van Houweningen toegestaan in hun kerk mis te horen, kinderen te dopen en hun doden te begraven, mits dit gebeurde door de priester van Sliedrecht (Z.) of diens vicaris (kapelaan). Behalve het meegedeelde over de kerkelijke kwestie is dit stuk ook van groot belang, omdat er de priesters van Papendrecht, Herdingfelde (Hardinxveld) en Riede (Merwede) in genoemd worden en die plaatsen dus in 1105 niet alleen reeds bestaan hebben, maar ook al een kerk hadden. Dochterkerk In nog geen honderd jaar was dus deze streek aanmerkelijk vooruitgegaan. Er waren reeds verscheidene kerken gebouwd. In 1105 blijkt het allang geleden te zijn dat de kerk van Sliedrecht (Z.) een dochterkerk kreeg, want blijkbaar wist men in 1105 niet meer hoe de regeling bij de stichting der dochterkerk was geweest. Kort na of wellicht reeds voor de inbezitneming van deze streken door de Hollandse graven zijn hier dus de eerste kerken gebouwd. Het is wel kenmerkend voor het groot gebrek aan bronnen in deze tijd dat het tot 1243 duurt, voordat er weer gewag gemaakt wordt van Sliedrecht (Z.). In een stuk van dat jaar wordt genoemd als getuige Gerardo sculteto de Slidrecht, d.w.z. Gerard de schout van Sliedrecht (Z.). De patronaatsrechten van de kerk van Sliedrecht (Z.) waren blijkbaar van ouds aan bezit der familie Botter. Reeds lang voor 1105 had de familie de zojuist genoemde dochterkerk te Houweningen gesticht en in 1267 blijkt ze nog steeds in het bezit van die rechten te zijn. In dit jaar 1267 stond Hugo Botter het patronaatsrecht van de kerk van Sliedrecht (Z.) af aan het in 1203 ten zuidoosten van Dordrecht gestichte klooster Heijsterbach. In den giftbrief wordt het aldus omschreven: "ipsam ecclesiam de Slijdreich cum attentius suis". Dit is "Dezelve kerk van Sliedrecht met haar toebehooren". Met dit "attentius" wordt dan natuurlijk ook bedoeld het recht op de kerk van Houweningen. Het klooster Heijsterbach bezat in deze streek ook nog andere goederen. Bij de opheffing van het klooster na de St. Elisabethsvloed (1421) worden onder de bezittingen vermeld "septem jugera terrein parrochia de Slidrecht", d.i. "zeven morgen lands in de parochie Sliedrecht. In 1320 wordt Sliedrecht (Z.) genoemd in verband met een verlij (beleening) van een rente uit de bede te Oud-Giessen (tusschen Houweninge en Crayesteyn) in 't ambacht van Slijdrecht. Op een kaartje van 1357 berustende in de Sorbonnen te Parijs komt Slijdrecht (Z.) ook nog voor. Het lag toen als Sliedrecht, bezuiden de Merwede, tusschen Dordracum en Houweningen. De naam Sliedrecht blijft tot den St. Elisabethsvloed in gebruik voor het dorp bezuiden de Merwede. Nog in 1406 wordt het als zodanig vermeld. In dit jaar geeft één der ambachtsheren, n.l. Dirk van de Merwede aan Pieter Aerntsz "eene bancke in der kerke van Slidrecht". In de kerk van Sliedrecht (Z.) bevonden zich dus ook de eigen banken van de ambachtsheren. Legende De legende van de twee zusterkerken in de beide Sliedrechten kan in zoverre waarheid bevatten, dat de kerk bezuiden de Merwede veel fraaier was, dan die in ons dorp. Na den St. Elisabethsvloed is deze kerk verdwenen. Zeer waarschijnlijk is het gebouw dat op de dijk stond niet verzwolgen, maar heeft men het toen het dorp verdween en het geen dienst meer deed, afgebroken en de vrijkomende materialen elders gebruikt. Het verhaal gaat dat, van steen van deze kerk de tegenwoordige toren (de z.g. toren van de Ned. Herv. Kerk) is gebouwd. Het is met Sliedrecht bezuiden de Merwede evenzo gegaan als met zijn naamgenoot aan de noordzijde van de rivier. Het werd eveneens in een drietal afzonderlijke ambachten verdeeld, n.l. van west naar oost Crayesteyn, Lang Ambacht en Kort Ambacht. namen die ook na den St. Elisabethsvloed zijn blijven bestaan, tot op den huidigen dag. |
![]() |
KASTEEL CRAYESTEYN Bij de kerk van het aloude Sliedrecht (Z), welke ongeveer recht tegenover onze kerk aan de zuidelijke oever van de Merwede stond, is al zeer vroeg een kasteel gebouwd, dat Crayesteyn heette. Evenmin als over de stichting van het Huis te Merwede is er iets overgeleverd over de stichting van het slot Crayesteyn. Het gebied, waar het gesticht werd, heette later Crayesteyn op het Vroonland. Vroonland betekent, dat het land eigendom is van de bezitter, zonder leenverband. De stichter van Crayesteyn had dus voor de bouw zijn grondgebied van het leenverband weten ontheven te krijgen. |
|
Na
de deling van de "Heerlijkheid Riede" ontstonden in het gebied twee
kastelen, namelijk het Huis Te Merwede en Crayesteyn. M. Balen zegt
in zijn "'Beschrijvingen van Dordrecht", dat Riede een smaldeling
is van de Merwede, maar hij had het andersom moeten zeggen, namelijk
de Merwede is een smaldeling van Riede. CRAYESTEYN na de dood van FLORIS V Nadat
de Hollandse graaf Floris V in 1296 op verraderlijke wijze om het
leven gebracht was, dachten de grote adellijke heren, dat nu de zaak
voor hen gewonnen was. Wolfert
van Borselen had dus ter beteugeling van Dordrecht en het omliggende
land bezetting gelegd in het Huis te Putten bij Spijkenisse, op Alblasserdam
en op Crayesteyn, dat hier genoemd wordt het Steenhuis, dat te Sliedrecht
staat. Aloud van Ierseke had bovendien nog een houten blokhuis op
den dijk tussen Dordrecht en Sliedrecht (Z) opgericht, om zo het sterke
Crayesteyn, dat "wel ter weere, tegen schild en speere was,"
tegen onverwachte aanvallen te beveiligen. |
![]() |
DEN ENGEL Zo was dus het tolhuis in particuliere handen geraakt en kreeg het een geheel andere bestemming. Zeer waarschijnlijk is het gebouw dat reeds als herberg dienst deed, toen het nog tolhuis was, en waarvoor het blijkbaar was ingericht, herberg gebleven. Het werd alleen met het oog op zijn nieuwe bestemming verdoopt. In plaats van de onvriendelijke naam Niemandsvriend, allerminst geschikt voor een herberg, kreeg het nu de naam ENGELENBURG of kortweg DEN ENGEL. Mogelijk geleek het in vorm enigszins op het rondeel Engelenburch in Dordrecht (bij Den Engelburgerbrug), dat weer een nabootsing was van De Engelenburg in Rome. Het tolgebouw stond, zoals reeds vermeld op de hoek van de Tolsteeg, maar nu staat het huis DEN ENGEL, dat we nu nog kennen even bewesten de Tolsteeg. Op een oude kaart van 1619 komt het huis op de hoek van de Tolsteeg niet meer voor, maar wel dat ten westen er van. Bij nadere beschouwing van die kaart lost de moeilijkheid zich echter geheel op. Op de kaart van 1619 staat n.l. een lijn draaiende op de oude ENGEL en één op de nieuwe Engel. |
|
Op
de kaart van Sliedrecht in 1592 staat inderdaad de oude ENGEL nog
op de hoek van de Tolsteeg. Dit komt ook overeen met de volgende gebeurtenis
die speelde in het jaar 1592. Dan wordt melding gemaakt van een vergadering
"in de herberge op ten Westenhoeck van de Tollestege". Het middeleeuwse
gebouw is waarschijnlijk uit bouwvalligheid tussen 1592 en 1619 afgebroken
en vervangen door een nieuw gebouw even beneden het oude. Dit nieuwe
gebouw kreeg eveneens de naam Engelenburch of DEN ENGEL. We
bevinden ons, net als in deel 2 van het verhaal, weer in het Sliedrecht
ten noorden van de Merwede. We spreken dan over Lockhorst of Oversliedrecht,
het middelste van de drie ambachten, dat recht tegenover Sliedrecht
ten zuiden van de Merwede lag. Vandaar de naam Oversliedrecht. Jan
van de Merwede Florisz, was dus zijn vader opgevolgd, wat ook blijkt
uit het stuk van 24 Juli 1361 en uit het charter van 22 November 1369,
waarin de drie heren van Sliedrecht genoemd worden in verband met
de stichting van het Nieuwe Waterschap. Met Jan van de Merwede stierf
een tak van dit geslacht uit. Hij had slechts een dochter Agnes van
de Merwede, die huwde met Adam van Lockhorst. Een adelijk geslacht
dat uit Utrecht stamde. Deze Adam van Lockhorst was in 1392
heer van Over-Sliedrecht, wat blijkt uit een verlij (beleendag) van
11 Mergen-lands, gelegen in Daems-ambacht van Lockhorst. |