17 – Scholen op de Uitbreiding Buitendijks

School-1701
School 6 aan de Wilhelminastraat

Sliedrecht is van oudsher een dorp aan de rivier de Merwede met lintbebouwing langs de dijk met daarbij een groot aantal stoepen haaks gelegen op de dijk. Logisch dat de scholen, zoals we gezien hebben, allen aan de dijk gelegen zijn.

De verwezenlijking van het plan van “Sliedrecht Vooruit” zorgt voor een afwijking van het vertrouwde beeld. Op de uitbreiding buitendijks zullen nieuwe scholen gebouwd gaan worden.

De komst van de nieuwe scholen heeft tot gevolg dat de aloude school 3, de zogenaamde “Frahmeschool”, en school 4, tegenover de Grote Kerk, hun functie als schoolgebouw zullen gaan verliezen.

Op 17 januari 1921 wordt aan de Wilhelminastraat de eerder genoemde nieuwe lagere school geopend. Dit wordt school 6.

Hoofd van de school wordt de – van school 1 overgeplaatste – heer Van Eerden die een jaar later al niet meer op de lijst van leerkrachten voorkomt. In het jaar 1922 zijn naast het nieuwe schoolhoofd, de heer Polé, als leerkrachten aangesteld de onderwijzers Broer, Huysse, Hofman en de onderwijzeressen Dekker en Van Houwelingen..
Nieuwe school 3 en U.L.O. in de Oranjestraat
De nieuwe lager onderwijswet van 1920 staat het fenomeen Normaalschool niet langer toe. School 3 wijkt namelijk op een aantal punten af van de andere openbare scholen. De school doet niet mee aan de opvang van de kinderen uit de eigen wijk, maar kent gezien de taakstelling van opleidingsschool een openstelling voor de “pientere” leerlingen van de gehele gemeente. Op 20 februari 1922 wordt besloten om van school 3 de U.L.O. afdeling op te heffen en in september te starten met een school 3 als een 6-klassige school voor gewoon lager onderwijs en een school voor uitgebreid lager onderwijs, school 7. Beide scholen krijgen als gezamenlijk hoofd de heer Guyot.

School-1702
School 3 en ULO-school

Opening
Na ruim drie jaren van voorbereiding wordt door burgemeester Drijber op 4 september 1922, op de plaats waar nu het voormalige gemeentelijke administratiekantoor “De Zetsteen” aan de Oranjestraat staat, een tweetal scholen geopend. Dat zijn de lagere school 3 en school 7 voor U.L.O.

In de Merwebode, uitgegeven in de openingsweek van de school, wordt het volgende vermeld:

” Het majestueuze gebouw telt beneden zes klassen, een spreekkamer, een bergplaats, een vestibule, enz. Een brede trap leidt naar de verdieping, waar vier klassen zijn, een tekenlokaal en een lokaal voor natuurkunde. Ook hier treft men enige kamertjes aan.

‘t Gehele gebouw is omgeven door een ijzeren hek, terwijl achter de school een zeer ruime speelplaats is aangebracht.”

Aprilscholen
In 1923 (6 februari) geeft de Schoolcommissie aan B & W het advies om voor alle openbare lagere scholen de toelatingsdatum vast te stellen op 1 april, hetgeen door B & W wordt overgenomen. School 3 blijft echter buiten de wijkindeling en houdt een toelating op 1 september. Aan school 1 wordt een nieuw schoolhoofd benoemd, de heer Burghout. Aan de scholen 1, 5 en 6 wordt wederom een zevende leerjaar verbonden (1924).

Het urinoir nabij school 4 verspreidt richting schoolgebouw onaangename geuren… .

Opheffing van school 4
In 1924 komt het voorstel van B & W bij de Schoolcommissie op tafel om school 4, nabij de Grote Kerk, op te heffen Hierbij komt ook ter sprake om tot opheffing van school 2 bij de Boschlaan over te gaan. Dit stuit op bezwaren van verschillende kanten. Te grote loopafstand vanaf de Boschlaan tot het centrum.

Uiteindelijk komt het volgende advies aan B & W op papier:

” In antwoord op Uw verzoek om advies inzake opheffing eener Openbare Lagere School en de daarmee in verband staande wijzigingen in de inrichting van het Openb. Onderwijs, hebben we de eer ter Uwer kennis te brengen, dat de Schoolcommissie zich met Uw voorstel kan vereenigen. Een minderheid in de Commissie was van meening, in ‘t belang van ‘ t Openb. Lag. Ond. een opheffing van school 2 te moeten verkiezen boven die van school 4.”

School-1703
School 4 in de Kerkbuurt

Oude schoolgebouwen
Het schoolgebouw aan de Kerkbuurt dat door school 3 en de U.L.O verlaten is, dient vervolgens van 1925-1938 als Vakschool voor meisjes en vanaf 1946 tot 1960 is het gebouw in gebruik als Ambachtsschool voor jongens.School 4 (zie foto boven) verleent de Prinses Julianaschool gedurende enige jaren onderdak en wordt later, na een gedeeltelijke verbouwing, gymnastieklokaal voor het Sliedrechtse onderwijs. Thans is dit lokaal in gebruik door muziekvereniging “Crescendo”.

16 – Openbaar onderwijs

In eerdere afleveringen hebben we het onderwijs in Sliedrecht beschreven vanaf het eind van de 16e eeuw tot het jaar 1907. Daarna hebben we speciale aandacht geschonken aan het Gereformeerd onderwijs en dat van de “Vereniging van het Christelijk Onderwijs”.

In de vorige uitgave pakten we de draad weer op bij het openbaar onderwijs. We gaan nu verder vanaf het jaar 1916.

Openbare Scholen in 1916
Sliedrecht kende toen de volgende openbare scholen: School 1 in het oosten van Sliedrecht, ongeveer op de plaats waar nu het woonwagenkampje aan de Rivierdijk is. School 2 was te vinden direct ten westen van de Boschlaan. School 3 was gehuisvest in het gebouw dat later bekend zou worden als ‘De Korf’ en ook jarenlang diende als ambachtsschool. School 4 stond op de plaats waar nu het verenigingsgebouw van Crescendo tegenover de Grote Kerk is. School 5 was de voorganger van de “Blauwe School” te Baanhoek en ongeveer op dezelfde plaats te vinden.

School-1601School 3
Een overzicht van een gedeelte van de Kerkbuurt. Links boven de Chr. Ger. Kerk, aan de onderkant de Boerenstoep. Verder links op de foto de panden van Van Mourik en Van Beuzekom.

Het witte gebouw is de vroegere school 3. Ook wel bekend als de Frahmeschool, genoemd naar een vroeger schoolhoofd.

“De Standenschool”
School 3, in de volksmond “De Standenschool” geheten, wordt in 1916 omgezet in een school waarbij de U.L.O.afdeling wordt afgesplitst van de lagere school. De school gaat negen klassen tellen en is bestemd voor leerlingen die na de eerste zes jaren verder zullen leren. Het lesprogramma is hierop aange­past.

Volgens schoolhoofd Berger, die een toelichting op de uitbreiding van het leerplan geeft, zal School 3 een school worden die opleidt tot toelating tot de 2e klas van de H.B.S. en voor enkele leerlingen zelfs tot de 3e klas. Verder moet het mogelijk zijn het U.L.O. diploma te behalen te Sliedrecht.

De school telt intussen 92 leerlingen. De nieuwe cursus opent met 20 leerlingen. De schoolcommissie staat sympathiek tegenover de ideeën.

Energieprobleem
De schoolcommissie levert in 1917 een bijdrage van f 30,00 voor de schoolreizen van de openbare lagere scholen. Op de kosten van het licht moet bespaard worden. De leerkrachten dienen er, volgens de schoolcommissie, op toe te zien dat de lampen niet onnodig branden! Een ander energieprobleem is het gebrek aan kolen… De scholen worden als gevolg hiervan voorlopig op zaterdag gesloten. De lessen van die ochtend worden verschoven naar de vrije woensdagmiddag.

Ook is er weer sprake van een damescomité tijdens de handwerklessen. Zij zouden de vorderingen in het vak Nuttige Handwerken beter kunnen beoordelen dan de mannelijke leden van de schoolcommissie…

Zorgenkindje
Door het uitbreken van besmettelijke ziekten wordt een enkele school in 1918 gedurende vier weken gesloten. Bovendien eist de Spaanse griep zijn tol.

Het schoolhoofd van de U.L.O. (school 3) moet de verantwoordelijkheid dragen voor alle klassen van zijn school. De U.L.O. afdeling zal starten in klas 4. Van alle andere openbare scholen zullen de daarvoor in aanmerking komende leerlingen, na het met goed gevolg doorlopen hebben van klas 3, gerekruteerd worden.

De school blijft echter een zorgenkindje. Ook nu weer moet de schoolcommissie, na gedaan schoolbezoek, in de pen klimmen. Tot het College richt men de volgende woorden:

“Naar het oordeel van de Commissie kan de verkeerde toestand die aan school 3 heerscht niet verbeteren wanneer niet zoo spoedig mogelijk een einde wordt gemaakt aan de combinatie der klassen 1 en 2 en aan die van 3 en 4, aangezien naar het oordeel van de Commissie de leerkracht voor 3 en 4 niet voor zijne taak is berekend voor gelijktijdig de leiding van twee klassen op zich te nemen en de orde in combinatie klassen 1 en 2 alles te wenschen overlaat.”

Voorstel tot schoolbouw
In 1918 wordt door het College van Burgemeester en Wethouders de bouw van een nieuwe school voorgesteld. De wens is in 1920 de nieuwbouw in gebruik te kunnen nemen.

Hoewel het aantal leerlingen zodanig is dat school 5 wel erg vol is, is de bouw volgens de schoolcommissie niet urgent. Een aantal leerlingen wordt overgeplaatst naar school 4. Bij het schoolhoofd komen hierdoor veel klachten binnen! De leerlingen moeten te ver lopen vanaf Baanhoek tot de Grote Kerk… Een betere oplossing zou geweest zijn om op school 5 één van de grote lokalen te splitsen en zodoende te komen tot een school met zeven lokalen, wat toch op afzienbare tijd nodig zou worden.

De hoofden van school 3 en 4 brengen een gunstig rapport uit over de onlangs ingevoerde nieuwe viermaandelijkse leerlingrapporten.

Het aantal leerlingen op school 3 is gegroeid naar 125 tegenover 45 in 1915.

Het schoolreisje voor de scholen 1, 4 en 5 gaat naar Scheveningen en Den Haag. Nog steeds bestaat er voor de leerlingen de mogelijkheid om landbouwverlof te krijgen.

De nieuwe speelplaats van school 3 kent veel wateroverlast en biedt geen schaduw aan de leerlingen.

Toch nieuwbouw
Een tweetal hoofden van scholen vertrekt in 1919 uit Sliedrecht. De heer Faber (school 1) wordt opgevolgd door de heer A. van Eerden. Voor de heer Huisman (school 4) komt de heer E. van Zoest in de plaats.

Het voorstel tot het openbaar zijn van de vergaderingen van de Schoolcommissie stuit niet op bezwaren. Wel dienen de beoordelingen bij de commissieleden te blijven. Ook met de publicering van ’t jaarverslag wordt op verzoek van de Bond van Nederlandse Onderwijzers, afdeling Sliedrecht, ingestemd.

Het eerdergenoemde “Dames-Comité” krijgt toegang tot de scholen. Volgens de wet hebben de dames echter geen bevoegdheden tot schoolbezoek.

School-1602School 6
Voor school 4, schuin tegenover de Grote Kerk, komt voor 1 april 1919 een zevende lokaal gereed. Plannen voor een nieuwe school op de aangelegde uitbreiding buitendijks zijn ingediend bij het ministerie in Den Haag. Het gaat hierbij om de nieuwbouw van school 6 in de Wilhelminastraat.

Zieke leerkrachten
De leerlingen van school 3 worden op basis van het rapport zonder examen toegelaten tot de Dordtse H.B.S. Een aangename verrassing voor de kinderen en het hoofd van de school.

De toestand op school 3 is volgens een Schoolcommissielid weer eens onhoudbaar: “Een onderwijzeres is reeds geruime tijd ziek, de tijdelijke onderwijzeres is ziek. Het is typerend hoe men “geeft” om school 3. Nog tijdens de vergadering van de Schoolcommissie wordt met de burgemeester gebeld om een vervangster voor haar aan te stellen.

Andere leerkrachten zijn regelmatig ziek. Een geval spant wel de kroon. Een der onderwijzers is niet al te sterk, kampt met een zwakke stem en was naar zeggen doof aan één oor en bovendien slecht van zicht. Hoe is het mogelijk dat zo iemand is goed gekeurd voor het onderwijs?

Voor ‘t eerst wordt een vader van één der schoolgaande kinderen op de voordracht voor een benoeming in de Schoolcommissie geplaatst, weliswaar op een tweede plaats na het periodiek aftredende lid.

Nieuwe onderwijswet
De nieuwe onderwijswet van 1920 maakt een einde aan de werkzaamheden van de aloude Schoolcommissie. Maandag 30 mei 1920 wordt een nieuwe commissie geïnstalleerd door Burgemeester Drijber.

De Schoolcommissie is voortaan samengesteld uit belangstellenden en personeelsleden van de openbare en bijzondere scholen. Opmerkelijk daarbij is de benoeming van een tweetal damesleden.

Leden bij de installatie zijn: mevrouw Kalis-Visser, mevrouw Smelt-Brinkhorst en de heren Hage, Smeding, Van Wijngaarden, Van der Graaf, Van Neutegem, Kooyman, Berger en Van Zoest. Voorzitter wordt de heer Van Neutegem, hoofd U.L.O. school voor bijzonder onderwijs. Secretaris de heer Kooyman.

Het eerste besluit dat de nieuwe Schoolcommissie neemt, is handhaving van het uitreiken van “Belooningen en Eereblijken”. Een soort diploma dat wordt verstrekt aan de leerlingen die de school gaan verlaten na voldaan te hebben aan de leerplicht.

Het tweede betreft een advies tot het handhaven van de bestaande situatie aan school 3, waarbij de stamschool (klas 1 t/m 6) en de kopschool (klas 7, 8 en 9) onder één hoofd moeten blijven. Het voorstel van B& W om geen eerste klas meer te vormen aan school 3 wordt hiermee verworpen, waardoor het voortbestaan van de school wordt gered.

15 – Openbaar onderwijs

In eerdere afleveringen hebben we het onderwijs in Sliedrecht beschreven vanaf het eind van de 16e eeuw tot het jaar 1907. Daarna hebben we speciale aandacht geschonken aan het Gereformeerd onderwijs en dat van de “Vereniging van het Christelijk Onderwijs”.
We pakken nu de draad weer op bij het openbaar onderwijs in het jaar 1908.

Onbevredigende resultaten
In dit jaar noemt de Schoolcommissie – een aantal notabelen – de resultaten van het onderwijs niet onverdeeld gunstig. Het onderwijzend krijgt de taak de oorzaak te zoeken van het onbevredigende resultaat. Openlijk wordt – gelet op bovenstaande – steun uitgesproken voor het voorstel van den Bond van Onderwijzers afdeling Sliedrecht om tot schoolvergaderingen te komen. De hoofden van scholen voelen, ondanks aandrang van de leerkrachten, niets voor schoolvergaderingen. Van eenheid in het onderwijs in de verschillende klassen is geen sprake. Sterker nog, de leerlingen leren bij de ene onderwijzer weer af wat zij bij de anderen hebben geleerd….

School-1501Aandachtspunten
Klachten, veelal van oude aard, zijn nog steeds in de jaarverslagen te lezen. We noemen ze nog maar eens:

** Onvoldoende verwarming. In school 4, tegenover de Grote Kerk, wordt in een wintermaand niet hoger dan 5º Celsius gemeten. In school 5 op Baanhoek zijn in de 4e en 5e de kachels te klein voor de grote lokalen. Een andere brandstof en eerder aanmaken van de kachels wordt als een oplossing gezien…

** Gepleit wordt om de onderwijs- krachten in het lokaal een stoel te geven. Nu weten we ook gelijk waar de uitdrukking “hij/zij staat voor de klas” vandaan komt…
** Over de speelplaatsen heerst grote ontevredenheid. Bij school 3 in de Kerkbuurt, later “De Woonkorf” hebben ze veel last van tocht. De speelplaatsen zijn in het algemeen ongeschikt voor het geven van gymnastiek. De onvoldoende bestrating, het vele stof in droge tijden en de modderpoelen na regenbuien zijn hier debet aan…

Voorstellen
De schoolcommissie stelt voor een ambulant onderwijzer aan te stellen. Deze kan invallen bij vacatures, ziektegevallen en ook het hoofd waarnemen zodat deze zijn controlerende taak kan vervullen.
De schoolbibliotheken voor de groepen van de middelklassen zijn nuttig en houden de kinderen van de dijk.
Verder pleit men voor het inrichten van personeelsbibliotheek met handleidingen, leerboeken en een catalogus van schoolmaterialen. Op deze wijze hoopt men meer inzicht te krijgen in die zaken die bij het lesgeven van dienst kunnen zijn…
Een vrijgekomen lokaal zou ingericht moeten worden tot personeelskamer.

In School 2 aan het Bosch, de latere Huishoudschool, constateert men veel tocht en klapperende deuren in de gangen. Schoolhoofd Hoekstra zat met zijn hand tussen de deur. Er moest bloed gestelpt worden!

In School 3 vindt een gecombineerde vergadering van B & W en de Schoolcommissie plaats. Punt van bespreking zijn de gebrekkige resultaten en het wantrouwen van de Sliedrechtse ´upper-ten` t.a.v. het onderwijs.
Bij het schoolbezoek bleek voor de Schoolcommissie het onderwijs van één leerkracht ver onder de maat. Door het vertrek van een andere leerkracht verzoekt de Schoolcommissie de schoolopziener aan school 3 een flinke nieuwe leerkracht aan te stellen. Deze zal het weinig resultaat gevende onderwijs van eerdergenoemde onderwijzer moeten compenseren. Bovendien wordt de schoolopziener uitgenodigd dit jaar de schoolexamens bij te wonen en daarbij tegelijkertijd de proeflessen van sollicitanten aanwezig te zijn. De nieuwe onderwijzer werd uiteindelijk de heer Jan Pieter Straver, voorheen onderwijzer te Brakel.
Vanaf dit jaar zullen de leerlingen, op gunstig advies van het schoolhoofd, zonder toelatingsexamen worden toegelaten tot de H.B.S. te Dordrecht. Wellicht verstevigt dit het vertrouwen bij de ouders.

In een briefje van de heer Groustra, hoofd van School 3, aan de Schoolcommissie lezen we 17 juni 1908 het volgende advies:

Mijne Heeren,

In beleefd antwoord op Uw schrijven van 13 juni, l.l. heb ik de eer U te melden dat de twee leerlingen, die de H.B.S. wenschen te bezoeken, niet ver genoeg gevorderd zijn om met voldoende kans op succes dit jaar toelatingsexamen voor de eerste klasse van die inrichting af te leggen, noch om dat onderwijs met vrucht te volgen; zoodat de ouders besloten hebben tot volgend jaar Juli te wachten.

Hoogachtend, Mijne Heeren,
Uw dienstwillige dienaar
C.Groustra
h.d.s. no. 3.

Enkele opmerkelijke feiten
**    Openbare examens staan niet in de belangstelling van de ouders. Er wordt gesuggereerd om ouderavonden te gaan houden. Dit in navolging van het goede voorbeeld van de Christelijke school van de heer ten Have.

** Hoewel het een aardige bijverdienste is, moeten leerkrachten geen bezoldigde werkzaamheden van gemeentewege meer doen. Zo kunnen leerkrachten beter niet meer ingezet worden bij een volkstelling. De school stagneert hierdoor.

** Op school 4, tegenover de Grote Kerk, overlijden in 1910 twee leerkrachten. Het zijn juffrouw Gijlstra en het schoolhoofd Disselkoen. De laatste heeft op 1 februari 1909 nog het feit herdacht 25 jaar schoolhoofd te Sliedrecht te zijn geweest.

** Ook de heer Janse van school 5, te Baanhoek, herdacht dit feit.

** Aan school 4 vertrokken ook nog twee leerkrachten, zodat het voor genoemde school een rampjaar was.

** Voor ‘t eerst werd aan de diverse scholen een subsidie van f 10,00 verleend om de bibliotheek aan te vullen.

** Het aantal leerlingen (42) van school 3 baart zulke grote zorgen zodat er voorgesteld wordt de schoolgeldbijdrage afhankelijk te stellen van het inkomen…

************************************************************************************************
Per jaar, per kind
Categorie A: Van f 50,00 tot f 550,00. Eerste twee klassen f 6,= Vanaf klas 3 f 9,=

Categorie B: Van f 550,00 tot f 1050,00. In de eerste twee klassen f 15,= Vanaf klas 3 een bedrag van f 25,=

Categorie C: Vanaf f 1050,00 Eerste twee klassen f 24,= Vanaf klas 3 f 36,=

Voorgestelde regel zou voor meer kinderen toelating op de school mogelijk moeten maken.
Verbeteringen vonden plaats bij de kachels (nieuwe) en … de leerkrachten kregen voor het eerst een stoel.

Op school 3 heeft de maatregel t.a.v. het schoolgeld vooralsnog echter geen succes.

***********************************************************************************************
Nieuwe gezichten
Twee nieuwe schoolhoofden. Op school 4, nabij de Grote Kerk, is de heer Chr. Berger, komend vanuit Zeist, het nieuwe schoolhoofd per 1 maart 1911. Hij volgt hiermee de overleden heer Disselkoen op.
Op school 1, gevestigd op de plaats waar nu een woonwagenkampje is, neemt de heer Groenevelt per 1 september 1911 ontslag. Hij vertrekt naar ’s Gravenhage en krijgt als afscheidscadeau de Camera Obscura van Hildebrand cadeau. Hij wordt opgevolgd door de heer J.M. Nennstiehl.

Klachten en ideeën
Voor ‘t eerst is sprake van ‘t bijstaan door twee vrouwelijke leden in de Schoolcommissie. Dit i.v.m. de controle op de nuttige handwerken. Ondanks dat de Burgemeester voorstander is van ‘t opnemen van dames in de Schoolcommissie, blijft de vraag of de hoofden wel bereid zouden zijn de dames tot de school toe te laten.
Noot: Destijds is door de Schoolcommissie zelf te kennen gegeven dat door het toelaten van dames tot de Schoolcommissie de discussies minder vruchtbaar zouden zijn… . Een standpunt dat men in 1911 handhaaft!
Een conflict dreigt daar de leden van de Schoolcommissie vinden dat ze in belangrijke zaken door B & W gepasseerd worden. B & W erkennen het feit en beloven beterschap.

School-1502Merklap
Een merklap anno 1902, met ingeweven dubbele rode randen. Het vervaardigen van een merklap was een onderdeel van het vak handwerken. In de onderwijswet van 1878 voor het lager onderwijs werd dit vak opgenomen. Meisjes moesten het alfabet leren borduren in verschillende lettertypen.

Er werd begonnen met een eenvoudige kruissteekrand om de vaardigheid in het borduren te verkrijgen, waarna een in moeilijkheid opklimmende letter reeks volgde.

Meer ingewikkelde randen, zoals de ‘meander’ en de lopende ‘hond’ en de cijfers completeerden deze doeken. Zo leerden de meisjes ieder stuk uit de linnenkast te merken met naam of initiaal. Op veel doeken werd de naam van de leerlinge, de school, plaats of het jaartal aangebracht.

** Naar aanleiding van een opmerking van de heer Roetman, onderwijzer aan school 2. bij de Boschlaan, wordt het voor de leerkrachten mogelijk ten allen tijden met klachten en ideeën bij de commissie aan te kloppen.

** Tegen schoolvergaderingen tussen schoolhoofd en onderwijzend personeel bleef men pertinent. Met name de burgemeester was een fel tegenstander.

** In Dordrecht wordt een school voor achterlijke kinderen geopend.

** Op verschillende scholen in 1911 veel lof over de nieuwe kachels.

1912

** School 1 en 2 worden weer zevenklassige scholen.

** School 3 heeft een iets betere toeloop van leerlingen. De leerlingen worden echter slechts zonder meer tot de H.B.S. toegelaten nadat de resultaten van het afgelopen jaar door een toelatingscommissie zijn bekeken. Bij twijfel moet er wel toelatingsexamen worden gedaan.

** De Schoolcommissie doet een voorstel om meer eenheid in de volkszang te verkrijgen. Er wordt een bundel met 20 liederen voor alle openbare scholen. Beschikbaar gesteld.

** Door een van de hoofden wordt een protest ingediend tegen het buiten de gemeente wonen van onderwijzend personeel. Het protest krijgt steun van de Schoolcommissie.

Dit om de volgende redenen:
Er bestaat een neiging om de werktijd te bekorten;
Door het haastig vertrek bij ‘t verlaten der school zijn de leerlingen niet voldoend onder controle;
Bij slecht weer is ‘t menigmaal moeilijk op tijd aanwezig te zijn;
Bij ziekte is dikwijls moeilijk tijdig bericht van afwezigheid te zenden.
Tevens is er een pleidooi voor ‘t aanstellen van een extra onderwijzer om bij ziektegevallen in te vallen.

1913

Het personeel aan de Sliedrechtse openbare scholen…

School 1: Hoofd J. M. Nennstiehl, onderwijzers(essen): D. Mackay, J. W. van Gelderen, L. Roetman, M. van Drunen, N. van Houwelingen, A. van Heusden en J. van der Swan.
School 2: Hoofd T. Hoekstra, G. A. C.Steynis, J. Zuidhof, P. K. Roetman,
H .A. Beket,, M. Meyer en J. Köhler.
School 3: Hoofd C.Groustra, J .P .Straver, B .M. Brinkgreve, J. H. Meerdink, en H. Boer.
School 4: Hoofd Chr. Berger, H. Sprong, J. J. Zuidhof, C. van der Vlies,
H. J. Bakker en H. M. S. van Ouwerkerk.
School 5 : Hoofd F. Janse, T. Kleyn, J. Stadt, J. A. Steynis, E. J. van der Swan en A. P. van Seventer.

Pleinen en rapporten
**  Het hoofd van school 1 doet het voorstel om zelf maar met behulp van een buitenslang het stoffige schoolplein te gaan besproeien.

School-1503Een gymnastiekuurtje op de binnenplaats van een school te Amsterdam. Of de kinderen er plezier in beleven, valt van de gezichtjes niet af te lezen. De meester staat er wat stijfjes bij met hoed en gesloten colbert. In ieder geval kan deze les ´stofvrij` plaatsvinden daar de binnenplaats betegeld is.

** School 1 onderneemt een schoolreisje naar de diergaarden in Rotterdam en naar Arnhem e.o. De deelname van de leerlingen is ongeveer 50%.

** In dit jaar worden voor het eerst viermaandelijkse rapporten over de leerlingen opgesteld. De mening hierover is bij de hoofden van scholen zeer verdeeld. De vraag is of de ouders wel of geen belangstelling hebben! Het opmaken van de rapporten gebeurde in navolging van een Bijzondere School.

** Bij droog weer stijgen de stofwolken op het plein van school 5 tot boven het dak uit. Bij regenachtig weer is sprake van een ware modderpoel. Gedacht wordt de pleinen met teer te behandelen. Dit zou echter de dood van de bomen kunnen betekenen.

**  School 3 verkeert weer in de problemen. Na het ontslag van de heer Meerdink is het zeer twijfelachtig of er – gezien het geringe aantal leerlingen – nog een opvolger zal worden benoemd. Schoolopziener en B & W hebben sterke bedenkingen. Er gaan bij de Schoolcommissie zelfs stemmen op om de school maar op te heffen. Er zou een school op vrijzinnige grondslag voor in de plaats moeten komen. Hier zou men meer invloed kunnen uitoefenen.

** Het uiteindelijke advies van de Schoolcommissie; een onderwijzer benoemen wordt uiteindelijk ingewilligd. De naam van de nieuwe onderwijzer A. A. Kole uit Axel.

1914

** Het hoofd van school 2 wenst voor de scholen een sciopticon (toverlantaarn) aan te schaffen. Dit naar aanleiding van het succes dat onderwijzer Roetman van deze school heeft gehad bij een vertoning van plaatjes met behulp van genoemd apparaat.

** Twee openbare scholen 3 en 4 dienen voor inkwartiering van soldaten. De leerlingen van school 3 ( klas 1 en 2 ) zijn ondergebracht in een leegstaand lokaal van school 2, de andere klassen in twee niet in gebruik zijnde lokalen van school 1. Het onderwijs voor de kinderen van school 4 wordt tijdelijk gegeven in de beide consistoriekamers van der Ned. Herv. Kerk en in de bewaarschool te Wijk C.

** Twee onderwijzers van school 3 werden voor de mobilisatie opgeroepen. Oud-onderwijzer Brasser – thans lid van de Schoolcommissie – toont zich een waar onderwijzer door zijn diensten aan te bieden bij het lesgeven aan de onthande school 3. Rapporten worden bestendigd, ondanks vele tegenkantingen.

1915

** Van de Sliedrechtse onderwijzers die in 1914 door militaire verplichtingen aan het onderwijs zijn onttrokken, keren in 1915 enkele weer in het onderwijs terug.

** Toelating tot een bijzondere inrichting voor ´achterlijke` kinderen te Dordrecht blijkt onmogelijk. De problemen aangaande subsidie en het moeten reizen onder toezicht zijn te groot om tot een oplossing te komen.

** Overbevolking lagere klassen school 4 en 5 ( 57 leerlingen). De commissie richt zich in een verzoek aan B & W om maatregelen te nemen.

** Op school 5 is de nood zo hoog gestegen dat klassen bij ziekten van het personeel om beurten vrijaf wordt gegeven. Combineren is i.v.m. de klassengrootte niet meer mogelijk. Het schoolhoofd kan ook niet invallen voor de zieke leerkracht daar hij zelf al voor een klas staat. De orde zou in gevaar komen en de leerkrachten dreigen zenuwziek te worden.

** Er worden nieuwe ´Eereblijken` (bewijzen van goed schoolgedrag) uitgedeeld, Het is een ontwerp van Strij te Dordrecht. In totaal zijn duizend exemplaren besteld.

** De heer Hoekstra is 25 jaar hoofd van een school. Hij ontvangt een bloemstuk.
Voor het schrijven van 3 exemplaren van jaarverslagen ontving onderwijzer Beket (school 2) f 13,=.

Nieuwe hoofden van scholen
Het hoofd van school 1, de heer Nennstiehl, vertrekt naar Rotterdam. Voor hem in de plaats komt op 1 februari de heer Faber uit de Haarlemmermeer in dienst.
Ook school 3 krijgt een nieuw hoofd. Nadat de heer Groustra, op eigen verzoek per 6 september 1915 ontslag heeft gekregen, wordt hij opgevolgd door de heer Berger. Deze was voordien hoofd van school 4. De benoeming Berger aan school 3 kent enige bezwaren. Berger heeft niet de bevoegdheid om Engels te geven en kan dus ook anderen niet controleren. Berger wordt toch benoemd. De speelplaats bij school 3 zou spoedig in orde worden gemaakt.
Het nieuwe schoolhoofd aan school 4, de heer J.A.Huisman, komt ook uit de Haarlemmermeer.

School-1504Schoolfoto
Een schoolfoto van school 2 bij de Boschlaan samen met hun onderwijzer Steinis, omstreeks 1910. In de bovenste rij vanaf links herkende men: Buizerd; Tinus de Snoo; Tinus Boer; Frans Weggers; Gerrit Kraayeveld; Teunis Hartog; Balt van Rees en Baan van den Berg.
In de tweede rij zijn het: Vernooy; een onbekende; Klasien Stabij; Marrigje Visser; een onbekende; Kaatje Hartog en Neeltje van den Berg.
De eerste van de derde rij herkende men niet, dan volgt: Leentje van der Wiel; Neeltje Pijl; Johanna Bruning; Anna Pijl; Sijgje Guys; Koosje Buizerd; Neeltje Pijl en Mijntje de Gier.

School 2 bij de Boschlaan…
In de vierde rij treffen we aan: Jan Weggers; Herman Bruning; Maartje van Rees; Gorina van den Berg; Tinus Vernooy en Cornelis Adrianus Boer.
Vooraan zitten tenslotte nog: Hans Hartog; Kees de Jong en Leen Boeren.

14 – Vereniging van het Christelijk Onderwijs

School-1401
De omgeving van de “Kooijmanneschool”. Zo te zien een kinderrijke buurt

We richten ons voor de tweede maal op de scholen van de “Vereniging van het Christelijk Onderwijs”. Als bron gebruiken we de jubileumuitgave, geschreven in 1993, door J. L. de Vries.

De vereniging telt, op het moment dat we het verhaal vervolgen, twee scholen. De oudste op de plaats waar nu Residentie Merweborgh gevestigd is en de nieuwe school op de plaats waar de voormalige Beatrixschool in de Kerkbuurt was.

Periode: 1910-1920
In 1911 de aanbesteding van de nieuwe school B 76 aan het Middenveer.

School-1402Metselwerk: A. de Gruijter f 4497,-. Timmerwerk: Hofman f 5956,-.
Schilderwerk Van der Leun f 449,-

De school werd geopend op 1 augustus 1911.

De in 1993 92-jarige Jan Blokland wist zich nog het vers te herinneren dat moest worden opgezegd.

“De oude school was haast versleten.
Was het een wonder dat wij wensten,
Kwam de nieuwe school maar gauw.
Maar wie zal die school ons bouwen
Wie zal zorgen voor het geld?”Over die vraag heeft het bestuur zich menigmaal het hoofd gekweld………….

School-1403Kooijmanneschool
In 1912 vertrok het hoofd, de heer van den Berg, van de beneden school. Hij werd opgevolgd door de heer Kooijman.

Uit het onderzoek van het bestuur bleek: “Goed onderwijzer; verder zijn het wel nette eenvoudige lieden zowel man als vrouw”

De heer Kooijman bepaalde jarenlang het gezicht van de benedenschool die al snel de KOOIJMANNESCHOOL werd genoemd.

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. In de notulen is hierover niets te vinden.

Ook in dit jaar werd de heer Ten Haven aangesteld als hoofd van de “Veereschool”. Maar hij ging al weer snel weg om te worden opgevolgd door de heer Kool.

Verder waren er nog wat problemen
Men liet de kinderen niet deelnemen aan de Koninginnedagviering bij het NS station, omdat men het te gevaarlijk vond. Er kwamen daar 1000 kinderen bij elkaar zonder goede orde en toezicht.

Het onderwijzend personeel werd erop gewezen dat zij meer aandacht moesten geven aan het zondagsschool- en evangelisatiewerk.

Bericht bestuur aan de onderwijzers: Uw aandacht voor artikel 12 van Uw aanstelling, waarin bepaald dat van het onderwijzend personeel verwacht wordt dat zij Evangelisatiearbeid ter plaatse steunt en behulpzaam is bij de zondagsschool.

Uit het kasboek 1915:
De oude vlaggenstok brengt bij verkoop 80 cent op.

In 1918 werd een start gemaakt met het Uitgebreid Lager Onderwijs (ULO). De zgn. Kopschool met als hoofd de heer Van Neutegem. Hierdoor gingen vroegtijdig leerlingen van de klassen 7 en 8 naar deze school. Uiteindelijk zou in 1922 de eerste Christelijke Mulo-school gesticht worden In een samenwerkingsverband met de Gereformeerde schoolvereniging onder de naam “Bond van Christelijke scholen”.

Van Haaftenfonds
De vereniging werd tussenpersoon bij het oprichten van het Van Haaftenfonds .

Uit de brief: “Hierbij behoort een bedrag van drieduizend gulden bestemd om de rente te doen geworden aan de rechtzinnige predikant(en) der Nederlandse Hervormde Gemeente ten einde genoemde predikant(en) in de gelegenheid te stellen aan armen, zieken, enz. in de gemeente weldadig te bewijzen…. .“

Periode: 1920-1930
Het bestuur bestond toen uit de heren:

– M.C. de Jong. Voorzitter. (Hij trad af in 1922 na 29 jaar voorzitter te zijn geweest)

– M B.Y. de Jong.

– M.P. van Haaften.

– J.G. de Bel.

– A. van Ballegooijen.

– Van Splunder.

School-1404
Personeelsfoto 1920; rechts dhr. Kooyman

In 1920 nam de Tweede Kamer een wet aan, waarbij het Christelijk Onderwijs financieel gelijkgesteld werd met het openbaar onderwijs. De lange “schoolstrijd” was ten einde.

De bovenschool werd te klein. De totale schoolbevolking bedroeg 304 leerlingen. Er zaten gemiddeld 45 leerlingen in de klas. Een uitbreiding van het gebouw werd gerealiseerd.

Vanuit de vereniging kwam de vraag of er wel voldoende toezicht was bij de leveranties van de kolen aan de scholen. Het bestuur voelde er niets voor dit te controleren en vond het een kwestie van vertrouwen.

In 1924 stelde het bestuur f 50. – beschikbaar voor een schoolreisje in de grote vakantie.

In 1925 opende men een derde school in het gebouw van de voormalige school IV. Nu is in een gedeelte van het gebouw de muziekvereniging Crescendo nog actief. Hoofd werd de heer Lablanc. Later volgde de heer Snijders hem op.

Het voornemen was deze school naar de nieuwe uitbreiding van de gemeente Sliedrecht te verhuizen (de latere Prinses Julianaschool).

De schoolhoofd, de heer Kool verliet in 1927 de bovenschool. De heer Meijer volgde hem op.

In 1928 laaide er binnen het bestuur een felle discussie op in hoeverre er mee gedaan moest worden met de oprichting of ondersteuning van een vereniging tot oprichting en instandhouding van Christelijke bewaarscholen. Men besloot in ieder geval een geldelijke bijdrage te geven.

Let op:

Het bestuurslid Van Ballegooijen stelde voor nieuwe personeelsleden voortaan niet aan een vaste school te benoemen.

Het bestuur drong er op aan, bij drie hoofden, over te gaan tot centrale inkoop van schoolmateriaal. In 1993 nog niet gerealiseerd en nog steeds een onderwerp van gesprek.

Gedachten over de oudercommissie in die tijd
Notulen 15 april 1929: “Het bestuur vindt een oudercommissie niet wenschelijk. Het hoofd, de heer Meijer, oppert de vaders zitting te laten nemen in een feestcommissie bij een feestdag in de buitenlucht. Hij zal hiervoor een plannetje maken.“

Tijdens de algemene ledenvergadering van 15 april 1929 besloot men de nieuwe Prinses Julianaschool te bouwen.

13 – Vereniging van het Christelijk Onderwijs

Na twee afleveringen, gewijd aan het Gereformeerd Onderwijs, richten we ons nu op de scholen van de “Vereniging van het Christelijk Onderwijs”. Als bron gebruiken we de jubileumuitgave, geschreven in 1993, door J. L. de Vries.

Geschiedenis
Tijdens de Franse overheersing had de staat het onderwijs overgenomen van de kerk. In de onderwijswet van 1806 kwam te staan dat de staatsschool moest opleiden tot “alle christelijke en maatschappelijke deugden . . . ”

Daarna volgde er in 1857 de Schoolwet die er voor zorgde, dat de openbare school een neutrale godsdienstloze school werd.
Alleen deze scholen kregen rijkssubsidie.

Van protestantse en katholieke zijde werd de roep steeds sterker eigen Christelijke scholen te stichten.
In 1889 werd de Schoolwet gewijzigd, waarbij het bijzonder (christelijk) onderwijs een derde van de kosten vergoed kreeg voor haar scholen.
Hierna werden in veel plaatsen Christelijke scholen gesticht waarbij de kosten werden gefinancierd uit giften, collectes en schoolgelden.

In 1917 werd grondwettelijk de financiële gelijkheid van het onderwijs vastgelegd.

Het begin in Sliedrecht
De eerste openbare school in Sliedrecht werd in het begin van de 19e eeuw tegen de Grote Kerk aangebouwd. Kerk en staat waren toen aan elkaar verbonden. De schoolmeester was koster, voorzanger en doodgraver.

In 1889 kwam er in Sliedrecht de eerste Gereformeerde school.
Deze stond achter de Gereformeerde kerk in de Zoutstoep.
Vanuit de leden van de Nederlandse Hervormde kerk, de Zondagsschoolvereniging en de Vereniging tot Evangelisatie werd druk uitgeoefend om een algemene Christelijke school te stichten.

In 1893 werd een algemene vergadering gehouden in het evangelisatiegebouw, in de volksmond Het Gebouw. Op deze plaats staat nu de Chr. Gereformeerde kerk.

Oprichters van de nieuwe schoolvereniging waren o.a.:
Ds. Kromsigt, erevoorzitter,
M. C. de Jong, voorzitter,
W. van Hoeve,
W. H. van Haaften.
Deze heren namen in de Sliedrechtse gemeenschap van toen een belangrijke plaats in.

In de eerste algemene vergadering van 11 juli 1893 werden de statuten vastgesteld.

De naam werd: Vereniging voor Christelijk Onderwijs te Sliedrecht.

Art.1 De Vereniging kiest als grondslag Gods Woord als het enig richtsnoer voor geloof en wandel.

Art.2. Haar doel is de oprichting en instandhouding van scholen waar de jeugd onderwezen en opgevoed wordt overeenkomstig de pedagogische beginselen neergelegd in de Heilige Schrift en het stichten van lokalen voor de Zondagsscholen.

De statuten werden op 30 augustus 1893 bij Koninklijk Besluit goedgekeurd.

School-1301
Het terrein waar de school startte

De eerste school
Er werd een woonhuis met terrein aangekocht aan de huidige Rivierdijk dat moest gaan dienen als eerste gebouw voor de school. Ter hoogte van de voormalige scheepswerf Boer, nu Residentie Merweburgh.
Het benodigde geld werd ter beschikking gesteld door een aantal bekende
Sliedrechters met als uitschieter
een drietal giften van f 1000,-.

Het jaarsalaris van een werkman was in die tijd tussen de f 500, – en f 750, -.

 
Begroting
Inkomsten…

Giften, contant f 5528
Zondagsschool f 250
Collecte evangelisatielokaal f 221
Gift Graaf van Bylandt f 125
Totaal f 6011
Uitgaven…

Koopsom huis en terrein f 3793
Aannemer Breedveld f 1370
Aannemer Van der Wiel f 1259
Totaal f 6422
Ten einde de tekorten te dekken werden er leningen afgesloten. Voor een bedrag van f 1000, – werden schoolmeubelen en overige schoolbehoeften aangeschaft.

School-1302
Geldschieters

1894: Opening eerste school op 4 april 1894
Uit 28 sollicitanten werd als eerste hoofd benoemd de heer Van Aalten tegen een jaarsalaris van f 850,- en een bedrag van f 200,- werd uitbetaald voor het geven van catecheselessen.
Onderwijzer, de heer Treffers, en onderwijzeres, mevrouw De Bruin, werden voor een jaarbedrag van elk f 550, – aangesteld.

Schooltijden
9.00 – 12.00 uur en 13.30- 16.00 uur, woensdag- en zaterdagmiddag vrij.

Schoolgeld
De vereniging moest grotendeels zelf zorgen voor het geld, zowel voor het gebouw als de salarissen. Het rijk gaf slechts een subsidie van f 400, – p.j.

De ouders moesten schoolgeld betalen voor elk kind. Dat was voor die tijd een (te) zware belasting. Men betaalde f 0.25 cent per kind per week.

Voor on- en minvermogenden werd een suppletiefonds opgericht, opdat deze mensen slechts 10 cent per week hoefden te betalen.

Voor het suppletiefonds werd jaarlijks in de plaatselijke gemeente en de kerk gecollecteerd. Daarnaast kwamen er ook giften binnen.

Uit het jaarverslag
Het geeft grote zorg dat ouders hun schoolgeld niet kunnen voldoen. Verblijdend kunnen wij u mededelen dat ook personen die niet aan onze zijde staan in de strijd voor het Christelijk onderwijs, ja veeleer besliste voorstanders van het openbaar onderwijs, ons nu steunen om de on- en minvermogenden aan hun schoolgeld te helpen.

Bestuursleden
Tekorten werden nogal eens door de bestuursleden uit eigen zak betaald. Enige bestuursleden zaten zelf goed bij kas. Zo werden reparaties bekostigd, aanvullingen op salarissen uitbetaald en traktaties op feestdagen gegeven. Door hen gegeven leningen werden regelmatig kwijtgescholden.

1895 – 1900: Er waren reeds 169 leerlingen op school. Inschrijving leerlingen bij het bestuur op zaterdagavond tussen zeven en acht uur. Leeftijd vanaf 5 en half jaar.
Er kwam zelfs een leerlingenstop in 1899. De school was overvol. De openbare school liet kinderen toe zonder betaling van schoolgeld. Dit had geen invloed op de toestroom van leerlingen naar de school.

Bezoek kinderen aan een tentoonstelling in Dordt als uitstapje in de kermisweek. Kosten 30 cent per kind.

Verschillende leden vonden de contributie van de vereniging (f 2.50) te hoog. Niet iedereen kon dit betalen. In Dordt hoefde men namelijk geen contributie te betalen. Het bestuur ging hierop niet in.

Bij de kroning van Koningin Wilhelmina werd gezamenlijk met de Zondagsschoolvereniging een attentie gegeven aan de leerlingen.

1900: De Tweede Kamer nam de leerplichtwet aan. Dit gaf een nog een grotere druk op het aantal leerlingen.

School-13031900 – 1910: leder gezin kreeg een scheurkalender bekostigd door één der bestuursleden. Het hoofd, de heer Van Aalten, vertrok in 1904 en werd opgevolgd door de heer Koopmans tegen een jaarsalaris van f 875,00. Zijn meubels werden van het station opgehaald. Het hoofd logeerde in de tussentijd bij een bestuurslid.

In 1905 was er een ledenvergadering. Na het zingen van psalm 119 vers 65 kwam er een belangrijk punt aan de orde.
Men besloot een 2e school “beneden” te laten bouwen, plaats oude Beatrixschool aan de Kerkbuurt. De heer A. Volker, die steeds het Christelijk onderwijs had gesteund, stelde een bedrag van f 7000, – beschikbaar. De 2e school werd geopend in 1906 met 129 leerlingen. Eerste hoofd was de heer van den Berg.

De volgende verenigingen werden uitgenodigd bij de opening:
Het Bestuur tot Evangelisatie te Sliedrecht
Bestuur van de Christelijke Werkeloosheidsvereniging
Bestuur van de Chr. Naai- en Jongelingsvereniging
Het hoofdbestuur der Vereniging voor Christelijk volksonderwijs
Het hoofd der Gereformeerde school
De Ned. Hervormde Kerk

In dat zelfde jaar werd het hoofd van de “bovenschool” op het matje geroepen. Hij zou te nauwe banden onderhouden met de zangvereniging der modernen. In 1907 was het batig saldo van de vereniging nog maar 37 cent.

Het schoolgeld werd op 10 cent per week per leerling gesteld en voor de meer draagkrachtigen 15 of 20 cent. De schoolkinderen moesten opgeven hoeveel broertjes en zusjes er te verwachten waren in het komende jaar.

12 – Het Gereformeerd Onderwijs in Sliedrecht

We gaan verder met een historisch overzicht van de Gereformeerde school.

· 1900 – In de Tweede Kamer der Staten Generaal wordt de leerplicht aangenomen. 50 leden stemmen voor en 491eden tegen!
Er is dit jaar uitbreiding van het onderwijzend personeel tot 4 personen en er zijn ongeveer 200 leerlingen.

· 1901 – De heer C.M. van Rees, bestuurslid, heeft de handwerkklas bezocht. Hij meende dat ze daar wel aardig bezig waren, doch vond dat de juffrouw wat vroeg eindigde.
Op 7 februari treedt H.M. de Koningin in het huwelijk met Hertog Hendrik van Mecklenburg. leder kind kreeg chocolademelk, 2 eierkoeken, 1 taartje, 1 busje flikjes, 1 sinaasappel, bruidsuikers en een feestplaat.
Op 1 april is Hermanus de Jong naar school gegaan.

School-1201
Hermanus de Jong en zijn broer Jan

Deze Hermanus de Jong is geboren te Sliedrecht op 31 maart 1895. Hij was een zoon van Jan Johannis de Jong en Kornelia Lanser. Hermanus is getrouwd te Sliedrecht op 16 augustus 1921 met Elizabeth van Bergeijk die eveneens te Sliedrecht op 4 februari 1900 geboren is. Zij was een dochter van Joannis van Bergeijk en Barbera de Haan.

Uit het huwelijk van Hermanus en Elizabeth kennen we de volgende drie kinderen:
1. Kornelia, geboren te Sliedrecht op 18 december 1922.
2. Barbera, geboren te Sliedrecht op 14 februari 1926.
3. Johanna, geboren te Sliedrecht op 14 februari 1926.
4. Jan, geboren te Sliedrecht op 18 december 1932.

Op een bejaardenmiddag, rond 1967, verhaalde de heer De Jong de volgende herinneringen van zijn eerste schoolbelevenissen.

“1 april 1901 naar school gebracht door moeder. De school stond achter de Gereformeerde Kerk. Daar ging ik, op mijn best gekleed, een mooie blauwe pet op met zwarte klep. Niet zoiets als sommige dominees op hun hoofd hebben als ze de preekstoel beklimmen; daar zit geen voor- of achterkant aan.
Ons werd geleerd zeer beleefd te zijn tegen de meesters. Als we op de dijk mijnheer Prins of Kalis tegenkwamen, moesten we de pet afnemen en beleefd groeten. Als we soms eens de burgemeester aan zagen komen, moesten we netjes blijven staan, met de pet af, en zeggen: “Dag mijnheer de burgemeester!” Tegenwoordig zeggen ze niets, of: “Daar heb je Chris…”. (Van Hofwegen was destijds de Sliedrechtse burgemeester).

Als er een politieagent aankwam, vluchtten we maar gauw een stoep in. Die hadden het altijd op schooljongens voorzien. In onze tijd waren er twee, één voor het ‘boveneinde’ en één voor het ‘benedeneinde’. Tegenwoordig zijn er zeker 25 en ze hebben soms nog de handen vol!

De jongenshoofden waren geheel kortgeknipt of met een klein kuifje. Dit was voor de reinheid op het hoofd. Tegenwoordig hebben ze het daar niet meer over; wie weet wat er tussen die lange haren woont!?

We hadden als bovenmeester meester Bokhout. Die was in onze ogen ijselijk vroom. Daar mocht niets van, veel strafregels schrijven. We maakten ze thuis al in voorraad. Huiswerk kregen we niet. Als je straf kreeg, was het schoolblijven of zwaar arrest op de zolder in het huis van meester Bokhout. Dan ging het luik dicht, totdat het de meester beliefde naar boven te komen. Als je niet naar huis mocht, kreeg je op zolder een boterham. Maar het ergste was, als de meester boven kwam en hij aan het vermanen ging. Tenslotte moest je bidden om vergeving. Wij vonden het heel goed toen hij in december 1906 naar Tilburg vertrok.
Toen kwam meester Van Neutegem. Die was streng, maar niet zo femelachtig. Kort, krachtig en meestal was je in één keer genezen!”

· 1902 – Het schoolgeld is voor veel gezinnen een zwaar offer; 1 kwartje per week is een groot bedrag. Daarom zijn er veel betalingsmoeilijkheden.
Toch doet het bestuur de uitspraak: “God eist vervulling van de door ons afgelegde dure eed tot opvoeding onzer kinderen. Dit gaat zelfs boven kleding, ja, zelfs boven voedsel.”

· 1903 – “Kunnen wij voor de kinderen uit de hoogste klassen eens een uitstapje organiseren”, is de vraag van het bestuurslid, de heer Rijsdijk.
Men zal toch eens informeren bij de directie van Fop-Smit, hoeveel het kost om 40 tot 80 kinderen te vervoeren.
Het Christelijk onderwijs wordt vanuit Den Haag al enigszins gesubsidieerd. Er zijn diverse voorwaarden waaraan men moet voldoen en die nauwkeurig gecontroleerd worden. De wet vraagt bijvoorbeeld 3 m³ lucht voor elk kind. Teneinde hierop aanspraak te kunnen maken, moet het bestuur de zolder in één van de lokalen verleggen, om zo meer kubieke meter inhoud te verkrijgen.

· 1904 – De school wordt maandelijks bezocht door 2 bestuursleden; zij rapporteren dat vier ogen in 1 boekje staren, maar de financiën zijn niet toereikend om meer exemplaren aan te schaffen. Er wordt gesproken over nieuwbouwplannen.

· 1905 – De knapenvereniging doet een verzoek om een lokaal te mogen gebruiken voor hun vergaderingen. Dit wordt toegestaan onder de volgende voorwaarden;
1. dat zij zich als ‘Christen knapen’ zullen gedragen
2. niet in de kastjes tasten
3. nimmer op de banken staan.
Omdat er ook kinderen van Christelijk Gereformeerde ouders op school zijn die niet het volle schoolgeld kunnen betalen, wordt aan deze kerk verzocht, evenals de Gereformeerde Kerk, door middel van het houden van een collecte, bij te dragen in de schoolkas.
Door de regering wordt weer een stapje in de rechtsgelijkheid op onderwijsgebied gezet. De minimum jaarlonen van het hoofd der school en de verplicht aangestelde onderwijskrachten van het ‘bijzonder onderwijs’ komen geheel voor rekening van het Rijk.

· 1906 – Een leerling is lijdende aan difteritus. De overheid eist dat de leermiddelen vernietigd worden.
Op 1 oktober deelt bovenmeester Bokhout mee, dat hij een benoeming als hoofd der school heeft aangenomen in Tilburg. Het tijdperk Bokhout wordt hiermee afgesloten.
Uit 30 sollicitanten wordt de heer A. F. van Neutegem uit Zutphen als opvolger gekozen. Op 2e Kerstdag bezoekt de heer Van Neutegem met echtgenote Sliedrecht. De heer Van Rees haalt hen met het rijtuig van de trein af.

Adrianus Florus van Neutegem werd geboren te Ridderkerk op 2 juli 1881. Hij is overleden te Sliedrecht op 13 oktober 1937. Hij was een zoon van Teunis van Neutegem en Geertje Plaisier. Adrianus Florus was gehuwd met Margaretha Helena Duijser die te Zwijndrecht op 22 maart 1880 geboren werd. Uit dit huwelijk kennen we de volgende kinderen:
1. Daniël, geboren te Sliedrecht op 13 januari 1908.
2. Arnoldus, geboren te Sliedrecht op 2 december 1909.
3. Geertje, geboren te Sliedrecht op 24 november 1911.
4. Barbera, geboren te Sliedrecht op 8 november 1913.
5. Adrianus, geboren te Sliedrecht op 13 mei 1916.
6. Johannes, geboren te Sliedrecht op 29 maart 1919, overleden aldaar op 13 april 1921.
7. Maria, geboren te Sliedrecht op 5 januari 1921.Zij is getrouwd te Sliedrecht op 23 september 1941 met J. B. Welmers, geboren rond 1907.
8. Margaretha, geboren te Sliedrecht op 21 juli 1923, begraven aldaar op 28 augustus 1986.

School-1202· 1907 – Op 1 februari wordt het nieuwe hoofd der school geïnstalleerd.
Met toespraken van het bestuur en de zegenbede uit Ps. 134 : 3, gezongen door de jeugd, wordt bovenmeester A. F. van Neutegem ingehaald. De kinderen worden hierna verrast met een sinaasappel en een kokosmakroon.
Er komen ook lange bestuursvergaderingen voor.
De heer J. de Haan, secretaris, schrijft aan het einde van de notulen van 20 maart het volgende: “‘Plat gezeten en suf gedacht, werd de avond met dankzegging besloten.”
Op 20 september is het heiwerk begonnen voor de nieuwe school. Op 23 oktober wordt de eerste steen gelegd door de heer A. Meyer, als oud-strijder voor het Christelijk onderwijs.
De school wordt door aannemer A. Verhoef uit Vlaardingen gebouwd: Dit voor de somma van
f 10.622,-.

· 1908 – Het aantal leerlingen bedraagt 234.
Het personeel bestaat uit: A. F. van Neutegem (hoofd der school), C. de Boer geboren 06-03-1880, H. A. Broekzitter geboren 15-03-1884, W. Kok geboren 17 -12-1885, J. N. F. van Orunen geboren 12-02-1888.
Omdat de schoolbanken geverfd moeten worden, krijgen de kinderen een week extra vakantie.

wordt verzocht dit in de gebeden te gedenken.

School-1203“Op 1 april is de nieuwe school geopend en plechtig ingewijd door vele aanwezige heren en dames en belangstellenden.’ Zo begint het verslag in het notulenboek. Burgemeester Van Haaften, Ds. Bos, Gereformeerd predikant, Ds. Van Drunen, Christelijk Gereformeerd predikant en Ds. Ten Kate, Nederlands Hervormd predikant, zijn aanwezig .

In de avondvergadering is het feest voortgezet. In groten getale zijn de leden gekomen; zij worden allen onthaald op heerlijke chocolademelk met nog meer lekkernijen. Bestuursleden en onderwijzend personeel verzorgen de avond.
Meester Broekzitter laat allen, onder orgelspel, de kracht van zijn longen waarnemen. De aanwezigen worden verrast door ‘spiegelende voordrachten’ en dankbare woorden dat deze nieuwe school in gebruik is genomen. Het geheel is een geslaagde avond. Tot besluit wordt Ps. 72 : 11 gezongen.

· 1909 – Op de ledenvergadering merkt de heer Van de Vlies op dat het wel wenselijk is een begroting te maken van uitgaven en inkomsten. De penningmeester, de heer C. M. van Rees, antwoordt: “Dit blijkt zo vaak een wassen neus te zijn!’
De Gereformeerde Jongelingsvereniging ‘Eén is Uw Meester’ houdt op 25 november haar jaarfeest in de vestibule van de school.

· 1910 – Ds. R. van de Kamp, Gereformeerd predikant, vraagt de kerkenraad hoe te handelen met briefjes die hij wekelijks ontvangt van de politie. Deze vermelden namen van personen, welke doelloos des zondagsavonds in de Kerkbuurt rondlopen.
Het salaris van het hoofd der school wordt verhoogd tot f 1.000,- per jaar.
Op 15 juli is in ons land de 1000e School met de Bijbel te in Vreeland geopend.

· 1911 – Bovenmeester Van Neutegem vraagt een nieuw behangetje in de keuken en wil dit er zelf wel tegen plakken. De zelfwerkzaamheid wordt niet passend gevonden. De erevoorzitter, Ds. Van de Kamp, zegt ‘dat dit beter aan den behanger past’!

· 1912 – De ‘vakschool’ voor meisjes wordt geopend.
De aanschaf van leermiddelen wordt altijd omringd met financiële zorgen. Zo vraagt de heer G. Smelt of er bij aanschaf van krijt en pennen ook korting kan worden gegeven bij grotere afnamen.
De heer A. van Wijngaarden (boekhandel) zegt dat bij 10 gros 5% wordt gegeven. Nu is het hek van de dam. De heer Van Rees, bestuurslid, meent dat dan ook de schriften wel goedkoper ingekocht kunnen worden.
De erevoorzitter, Ds. Van de Kamp, zegt dat men niet te krenterig moet zijn. Het geeft soms financiële, maar ook geestelijke schade!
Er zijn dit jaar 268 leerlingen.
Over de besneeuwde schoolstoep volgt een lange discussie. Er is veel genot voor de schooljeugd, maar ‘s avonds is er overlast voor de ouderen. Men besluit de jeugd een kleine baan te geven en de rest met scherp zand te bestrooien.
Uit het jaarverslag blijkt dat slechts één leerling door de dood werd ontnomen en de school gevrijwaard bleef van langdurige of besmettelijke ziekten.

· 1913 – Het gaat niet goed in het bestuur. Er zijn nogal wat spanningen. De heer H. H. Kalis zegt: ‘Ik ben nog maar 1 jaar in het bestuur, maar ik constateer dat het goddeloze vergaderingen zijn.’ Over één van de bestuursleden wordt op een ledenvergadering gezegd: ‘Hij heeft een stok met gouden handvat en voorts één van ijzer, waarmee hij slaat als men hem durft tegenstaan!’ Op 20 november treedt het bestuur in zijn geheel af na jarenlange interne strijd. Een nieuw bestuur wordt op 24 november gekozen.

· 1914 – In augustus breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Algehele mobilisatie.

School-1204· 1915 – Er moet rekening gehouden worden met onverwachte komst van militairen, daar de school door bevoegde autoriteiten in ogenschouw is genomen. De laatste maanden van het jaar is er veel verzuim door de mazelen onder de jeugd. Er is uitbreiding van onderwijs: 13 leerlingen nemen deel aan de Franse les.

· 1916 – Er wordt voor het eerst gesproken over een ouderavond .

· 1917 – De nieuwe grondwet geeft in een herzien onderwijsartikel aan, dat het bijzonder algemeen lager onderwijs, naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs, van rijkswege zal worden bekostigd.
Er wordt niet meer op leien geschreven. In de eerste klas beginnen ze met potlood en in de tweede klas schrijven de kinderen met inkt. Het gemeentebestuur bericht dat het van 21 december tot 7 januari alle openbare scholen vakantie geeft, in verband met schaarste van kolen. Besloten wordt dit besluit te volgen.
· 1918 – Het schoolgeld is nog f 0,20 per week. In januari is de U.L.O. (Uitgebreid Lager Onderwijs) begonnen met 30 leerlingen. De eerste ouderavond wordt op 13 februari gehouden .
In Nederland heerst de ‘Spaanse griep’. Als gevolg hiervan is de school 3½ week gesloten. Van het onderwijzend personeel overlijdt niemand. Tijdens deze epidemie overlijden:
Maria Hoeflaak, 8 jaar; Maria de Raadt, 10 jaar; Arina de Raadt, 7 jaar en Cornelis Guis, 6 jaar.

· 1919 – De school wordt verbouwd door er een verdieping op te bouwen en zo meer ruimte te hebben voor het Middelbaar Uitgebreid Lager Onderwijs. Op 17 september wordt dit gedeelte in gebruik genomen.

. 1920 – Op 30 juni wordt in de Tweede Kamer der Staten Generaal de wet aangenomen betreffende de gelijkstelling van openbaar en bijzonder (christelijk) onderwijs. Door velen wordt dit gezien als een bekroning van het werk en een verhoring van het gebed.De ‘schoolstrijd’is ten einde.Aan de kerkenraden van de Gereformeerde en Christelijk Gereformeerde Kerk wordt verzocht dit in de gebeden te herdenken.

11 – Het Gereformeerd Onderwijs in Sliedrecht

In de komende delen staat de komst van het bijzonder onderwijs centraal. Eerst zullen we ons richten op de Gereformeerde School en in een later stadium komen de overige christelijke scholen aan de beurt.

Lang geleden
De plaatselijke schoolhistorie is verbonden aan de dorpshistorie, en deze is weer verbonden met de vaderlandse geschiedenis. Ook de kerkgeschiedenis speelt een voorname rol in het onderwijs aan de jeugd.

Na de reformatie in de 16e eeuw waren kerk en staat zeer nauw met elkaar verbonden. Zij waren bijna in dezelfde handen.
Zo staat er in de Statenbijbel dat deze: “Op last van de Hoogmogende Heeren der Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden en volgens het besluit van de Nationale Synode gehouden te Dordrecht in de jaren 1618- 1619 uit de oorspronkelijke talen in onze Nederlandsche taal getrouwelijk is overgezet.”

Door de reformatie kwam de bijbel in handen van het ‘gewone’ volk. Men kon (en mocht) nu zelf de bijbellezen en de rijkdom daarin ontdekken. De uitleg van de geestelijkheid was niet langer meer het enige kanaal waardoor men hoorde van God. Waar de reformatie in Lutherse of Calvinistische vorm de ruimte kreeg werd het analfabetisme bestreden. Tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588 – 1795) droeg ons land een ‘gereformeerd’ karakter. De Gereformeerde Kerk was de enige kerk die door de republiek officieel werd erkend. Aanhangers van andere kerkgenootschappen hadden wel gewetensvrijheid, maar geen godsdienstvrijheid. Ze konden hoogstens via schuilkerken proberen aan hun godsdienstig en geestelijk leven vorm en inhoud te geven.

Vanuit de nauwe band welke tussen de officiële kerk en de staat bestond, kreeg het onderwijs aan de jeugd een gereformeerd karakter. De schoolmeesters moesten – evenals alle anderen in rijksbetrekking (ambtenaren) – lidmaten van de Gereformeerde Kerk zijn!

Gedurende de republiek was een schoolmeester, vooral op de dorpen, een figuur met veel bijbaantjes. Zijn benoeming ging via de ambachtsheer, maar nooit zonder instemming van kerkmeesters en kerkenraad. Naast de verplichting de jeugd te onderwijzen was hij koster, klokkenluider, voorzanger, voorlezer, en doodgraver. Ook in Sliedrecht! Op 4 april 1760 werd Pieter Alblas in deze functie benoemd. Hij volgde zijn vader, Jan Alblas, op. De lessen begonnen ‘s morgens om 9 uur. Van 12 tot 1 uur was men vrij. Om 4 uur ging de school uit. Op zaterdagmiddag werd er geen school gehouden. Naast het leren van rekenen, schrijven en lezen moest de meester aandacht besteden aan de Goddelijke waarheden, het leren van de bijbelboeken, de 12 Artikelen des Geloofs en de 10 Geboden.

De woensdagmorgen werd in zijn geheel besteed aan het leren van de psalmen. Op zaterdagmorgen werden de grondwaarheden der religie en de belijdenis van het ware gereformeerde geloof geleerd. De ´Heidelbergse Catechismus` moest uit het hoofd geleerd worden! Elke zondagavond werd in de kerk naar goede gereformeerde traditie een zondagsafdeling behandeld. De beste leerling moest de desbetreffende zondag, welke aan de beurt was, voor de predikstoel opzeggen.

Na de Franse tijd (1813) is er veel veranderd in ons land. De Gereformeerde Kerk, die sinds 1816 Nederlandse Hervormde Kerk werd genoemd, kreeg in dat jaar het Algemeen Reglement opgelegd. Op geestelijk gebied was de vaderlandse kerk van een bedenkelijk karakter. De dichter Bilderdijk zei in 1810: “De kerk die geen kerk meer is, maar een ongeordende samenvloeiing van God onterende dwalingen.”

Prof. O.J. de Jong schreef in zijn ‘Nederlandse Kerkgeschiedenis’: “Het geloofsleven was vervlakt en de godsdienst werd aangeprezen als waarborg van deugd, een geest van zelfgenoegzaamheid had de overhand, een God die braaf werd gediend, moest wel zegenen.”

Door dit klimaat vond op 14 oktober 1834 een afscheiding plaats in het Groningse plaatsje Ulrum. Op meer plaatsen in ons land verlieten mensen ‘om den gewetens wil’ de Nederlandse Hervormde Kerk. Ook in Sliedrecht. Zij vonden hun kerkelijke ‘thuis’ voorlopig bij de Christelijk Afgescheiden Gemeente in Giessendam. De naam ‘Gereformeerd’ mocht op last van Koning Willem I niet gevoerd worden. In 1853 stichtten zij een gemeente in Sliedrecht.
Het kerkgebouw stond in Wijk A, nu Rivierdijk. Om een school te stichten, was toestemming nodig van de overheid. Volgens artikel 194 van de Grondwet was men verplicht dat alle godsdienstige begrippen geëerbiedigd dienden te worden. De uitleg van dit alles was, dat een School met de Bijbel bij de wet verboden was. De schoolkinderen moesten tot brave burgers opgeleid worden. Gelovige ouders konden daar geen genoegen mee nemen.
Zij hadden bij de doop van hun kind(eren) een belofte afgelegd. Zwaar woog het antwoord dat zij voor God en Zijn heilige gemeente hadden afgelegd: “Belooft gij dit kind, als het tot verstand zal zijn gekomen, waarvan gij de vader en de moeder zijt, in de voorzeide leer naar Uw vermogen te onderwijzen en te doen onderwijzen?”

School-1101
Groen van Prinsterer

1848 Nieuwe onderwijswet
Deze ‘voorzeide leer’ was niet aanwezig op school. Het onderwijzend personeel werd meestal niet aangetrokken uit de afgescheiden ‘wereld’. In de zitting van de Tweede Kamer op 27 augustus 1840, zei Groen van Prinsterer: “Ouders mogen niet worden verhinderd hun kinderen zulk een onderwijs te doen geven, als zij menen te kunnen verantwoorden voor God.
Die dwang, ik zeg het ronduit, is ondragelijk en behoort een einde te hebben.”

In 1848 werd het geven van onderwijs in de grondwet vrijgegeven. Een nieuwe onderwijswet kwam in 1857 tot stand. Ouders hoefden voortaan geen verlof meer te vragen om een School met de Bijbel te stichten.

Toch bleef er een grote onrechtvaardigheid bestaan. Ouders die voor hun kinderen Christelijk onderwijs verlangden, moesten dit zelf in zijn geheel bekostigen en moesten bovendien hun belasting mee blijven betalen aan de openbare school. Dat was niet terecht, de schoolstrijd was nog lang niet gewonnen!

Het stichten van een christelijke school ging in eerste instantie meestal uit van ouders en/of de kerkenraden van de Christelijk Afgescheiden Gemeente. In de laatste 20 jaar van de vorige eeuw werd ook in de Nederlandse Hervormde Kerk steeds meer een ‘School met de Bijbel’ gepropageerd. In Giessendam werd in 1860 al een christelijke school geopend. Dit vergde grote financiële offers.

Het kerkelijk leven van de Christelijk Afgescheidenen was dus financieel zwaar. Zij moesten en de school en de kerk en de predikant betalen. Het waren de ‘kleine luyden’ die met smalle beurs, kerk en school van de grond af aan moesten opbouwen .

Ook in Sliedrecht
Voor het eerst lezen we in de kerkenraadnotulen van de Christelijk Gereformeerde Gemeente op 3 februari 1872 iets over het christelijk onderwijs.
De heer L. Bouwer, onderwijzer der Christelijk Gereformeerde Gemeente school te Giessendam, verzoekt op een avondstond in de week te mogen spreken over het christelijk onderwijs. Daarna is het weer stil tot 17 november 1881. In veel plaatsen is de aanzet van ‘de school’ een zaak van de kerkenraad. Niet in Sliedrecht. Daar wordt ‘de school’ in eerste instantie door gewone leden van de kerk ter hand genomen.

In een notulenboek tot ‘eventuele oprichting van eene School met den Bijbel op Gereformeerde grondslag’ lezen we in Artikel 1 het volgende: “In den avond van den 17e November dezes jaars 1881, zijn in vriendschappelijke kring bijeengekomen, door eene te voren gemaakte onderlinge overeenstemming, in de kerkenraadkamer van de Christelijk Gereformeerde Gemeente te Sliedrecht, de navolgende personen: Ds. G. de Braal, B. Hansum, P. Visser, B. v.d. Vlies, A. Koppe, A. Meyer, J. Ceelen, A. Versteeg en N. Hogendorp.”

Er is een ‘bij voorbaat aanwezig fonds’ van ongeveer f. 280,-, gecollecteerd op 17 augustus 1879 aan de huizen en op 20 augustus 1881 in de kerk.
Hiermee zitten we midden in de geschiedenis van de strijd voor het christelijk onderwijs. Op 3 augustus 1878 is aan Koning Willem III het volkspetitionnement aangeboden. Dit ‘smeekschrift’ aan de Koning om een school met de Bijbel werd door niet minder dan 305.102 personen uit het gehele land ondertekend. Zij verzoeken de Koning om de Onderwijswet van de liberale minister Van Kappeyne niet te ondertekenen. Deze wet zal de Scholen met de Bijbel met de ondergang bedreigen. In elke plaats is een comité opgericht om de handtekeningen te verzamelen. Deze comités vormen later ‘De Unie’ (een school met de Bijbel) . Elk jaar wordt in augustus de bekende ‘Uniecollecte’ gehouden.

Op 24 november 1881 worden de Statuten van de ‘Vereniging tot heil der jeugd’ opgesteld en wordt aan Z.M. de Koning verzocht om rechtsgeldigheid.
De goedkeuring wordt in maart 1882 ontvangen, zodat er in Sliedrecht vanaf die tijd een Vereniging bestaat om het christelijk onderwijs te bevorderen.

Opmerkelijk is dat, in tegenstelling tot andere plaatsen, niet de kerkenraad, maar een Vereniging de aanzet geeft om aan het onderwijs van de jeugd richting te geven.

Als men daarbij nog bedenkt dat er toch predikanten van ‘naam’ in Sliedrecht stonden zoals ds. J. Juch, ds. J. Wisse Cz. en ds. E. van ‘t Loo, moet vastgesteld worden dat de Vereniging bij haar oprichting met overtuigingskracht heeft moeten werken .

Veel strijd is er geweest over de vraag: “Moet het een school van de Vereniging zijn of een school der Gemeente?”

De kerkenraad roept op zondag 28 september 1884 na de avonddienst de manslidmaten bijeen om van hen te vernemen welke school zij verlangen.
De uitslag van deze vergadering is:”Een school van de Gemeente”.

School-1102Een eigen school
Op 1 juli 1888 wordt ds. J.R. Dijkstra bevestigd als predikant van de Christelijk Gereformeerde Gemeente te Sliedrecht. Als voorvechter van het Christelijk onderwijs vindt hij hier een gemeente die aan het sparen is om een school te stichten .
Hij is de man die de ‘schoolzaak’ met voortvarendheid ter hand neemt. Op 6 augustus 1888 wordt een vergadering gehouden waar alles op een rij gezet wordt.

1. Het stichten van een school is een Christenplicht.
2. Een nieuw schoolgebouw kost ca. f. 4.500, —
3. In kas is ca. f. 1.800, —
4. Het tekort bedraagt ca. f. 2.700, —

Financieel probleem
De zaak is duidelijk, er is een financieel probleem. Staande de vergadering vraagt ds. Dijkstra wie er bij wil dragen om dit tekort weg te werken. Er wordt voorgesteld om geld tegen lage rente te lenen. Ds. Dijkstra merkt met klem op, dat het beter is een school te stichten zonder schuldenlast. Een school in stand houden vraagt toch al jaarlijks een groot offer. Op diezelfde avond wordt er ingetekend voor een bedrag van f. 889, –. Binnen een paar weken is het resterende bedrag bijeengebracht, wat blijkt uit de notulen van 7 september 1888.

In deze vergadering wordt besloten om over te gaan tot het bouwen van een ‘School met de Bijbel’. Door de grote offervaardigheid, welke in korte tijd getoond is, wordt ‘door des Heeren Zegen een deur der Hoope ontsloten om spoedig met de bouw der school te beginnen.’

School-1103Op 9 oktober 1888 vindt achter het gebouw van de toenmalige Christelijk Gereformeerde Gemeente een kleine, maar historische plechtigheid plaats.
In de voormalige pastorietuin (voor de predikant was een ander huis gekocht en het hoofd der school werd de nieuwe bewoner van de pastorie) is de fundering al gelegd voor de nieuw te bouwen school. De eerste steenlegging wordt verricht door de kleine Rein Dijkstra, het 3½ jaar oude zoontje van de predikant.
Een eenvoudige steen wordt naderhand in de gevel aangebracht met daarop de volgende woorden:
De eerste steen gelegd door Rein Dijkstra J.R. zn.
Oud 3½ jaar
9-10-1888
Spreuken 22 : 6
Het wordt een eenvoudige school met 3 lokalen, ongeveer 21 meter lang en 9 meter diep.
Bij een school horen kinderen en onderwijzend personeel. Het bestuur heeft dan ook de handen vol om dit bij elkaar te krijgen.

Bokhout
In januari 1889 wordt aan de heer J. Bokhout, onderwijzer te Dordrecht, verzocht om eens met het bestuur te spreken. Van hem zijn ‘alleszins zeer gewenschte getuigenissen vernomen.’ Met algemene stemmen wordt hij op 24 januari 1889 tot hoofd der school benoemd met een traktement van f. 800,- per jaar. Op 7 maart 1889 wordt aan ouders en voogden die het ‘Christelijk onderwijs voor hunne kinderen begeerden’ gelegenheid gegeven daarvan opgave te doen. Op die avond worden 95 kinderen ingeschreven.

Over de opening van de school is alleen bekend dat ds. J.R. Dijkstra op donderdag 25 april 1889 gesproken heeft over Spreuken 1 : 7a: “De vreeze des Heeren is het beginsel der wetenschap.”

De opening moet voor ds. Dijkstra een bijzondere dag zijn geweest. Binnen een jaar na zijn komst in Sliedrecht wordt de zolang begeerde school geopend. Hij was de man die hier als voorvechter van het christelijk onderwijs orde op zaken stelde. Een niet geringe prestatie, als men daarbij bedenkt onder welke omstandigheden hij in Sliedrecht zijn ambt moest vervullen. Bij zijn overlijden wordt dit duidelijk.

In het jaarboekje van de Gereformeerde Kerken van 1925 wordt het volgende geschreven: “‘Hoe het kwam, zij hier opengelaten, maar ds. Dijkstra en Sliedrecht pasten niet bij elkaar”.
Op 27 oktober 1889 verlaat hij Sliedrecht en vertrekt naar Joure.

School-1104De lessen beginnen
Op maandag 29 april 1889 beginnen de lessen. Het aantal leerlingen bedraagt 126. Meester J. Bokhout, het hoofd der school, en meester J. Oostenga vormen samen het onderwijzend personeel. Het schoolgeld is 10 cent per week voor elke leerling, met vermindering van 2½ cent voor elk volgend kind uit hetzelfde gezin. Voor ouders die kunnen bewijzen niet bij machte te zijn het volle schoolgeld te betalen, is een beroep op het suppletiefonds mogelijk.

Zo startte de school 100 jaar geleden, en het ging goed. In september zijn reeds 2 lokalen gevuld met 140 leerlingen! Meester Oostenga heeft de eerste en tweede klas met ongeveer 70 leerlingen, meester Bokhout de derde tot en met de zesde klas, samen zo’n 70 leerlingen.

Als aan het einde van een bewogen jaar de stand van zaken wordt opgemaakt, is er grote dankbaarheid dat nu ook Sliedrecht een ‘School met de Bijbel’ heeft.
De penningmeester heeft, nadat alles betaald is, nog f. 19,99½ in kas. Het schoolgebouw heeft uiteindelijk f. 4.738,96 gekost!

Wat er gebeurde in de eerste 10 jaar?
* 1890: Juffrouw Pos begint met het geven van nuttige en fraaie handwerken voor de meisjes.
* Pleuntje Bokhout ontvangt voor het aanmaken van de kachels in de school f 12, — per half jaar.

* 1891: De Unie collecte welke op 13 augustus huis aan huis wordt gehouden door alle bestuursleden, brengt f 250, — op.
v Meester A. Kes wordt benoemd tegen een jaarloon van f 525,-.

* 1892: De kerken die uit de ‘afscheiding 1834’ zijn ontstaan (Christelijk Gereformeerde Gemeente) en de kerken die in de ‘Doleantie 1886’ (Nederduitsche Gereformeerde Kerk) hun oorsprong hadden, besluiten samen op weg te gaan. Op een gezamenlijke synode vergadering, 16 juni, wordt dit besloten. Een nieuwe naam wordt gekozen namelijk Gereformeerde Kerken in Nederland. Zo verandert ook de naam van de school (eerst uitgaande van de Christelijk Gereformeerde Gemeente en nu uitgaande van de Gereformeerde Kerk) in Gereformeerde School.

* 1893: Op 30 augustus wordt in Sliedrecht een Vereniging voor Christelijk Onderwijs opgericht. Bestuur en leden komen uit de Nederlandse Hervormde Kerk.

School-1105
De Zoutstoep was in dit gedeelte van de Kerkbuurt

* 1894: Het aantalleerlingen is gestegen tot over de 200! Dit geeft problemen. De wet op het lager onderwijs eist, dat, als er per 1 januari 1895 meer dan 199 leerlingen zijn, men verplicht is een nieuwe onderwijzer te benoemen. Financieel geeft dit voor het bestuur grote zorgen. Waar halen we het geld vandaan?

* Na enige discussie besluit men aan de ouders van enkele kinderen het volgende voor te stellen: ‘In april gaan de kinderen toch van school, wilt U ze in deze situatie eind december al van school nemen?’

* 1895: Bestuursleden zijn de heren: ds. G.H.W. Esselink, J. Ceelen, B. v.d. Wiel, A. Baars, A. Meyer, H.F. Roskam en A. Versteeg.
* Het kolenhok van het hoofd der school mag op kosten van de schoolvereniging worden gemaakt.

* 1896: De school wordt uitgebreid met een lokaal, zodat er nu 4 lokalen zijn.
* 1897: Er zijn klachten bij het bestuur binnengekomen: het onderwijzend personeel slaat de kinderen. Op een bestuursvergadering moeten zij zich verantwoorden. Meester J. Bokhout springt in de bres voor zijn collega’s.
* Hij verklaart dat het geen algemeen gebruik is om de jeugd te slaan. Bij hoge uitzondering wordt er wel eens een ‘tikje’ gegeven. Het blijkt dat sommige kinderen het bij hun ouders veel erger maken dan het is.
* Er is een vacature en meester Dotman uit Dordrecht geeft proefles. De bestuursleden zijn tevreden over hem. Op de vraag of er geen bezwaren tegen zijn benoeming zijn, klinkt een gereformeerde stem: “Jawel, hij is lid van de Nederlandse Hervormde Kerk.” Maar,… er zijn omstandigheden die positief kunnen uitvallen. Bij een eventuele benoeming gaat hij des avonds naar huis en des zondags kerkt hij in Dordrecht. Met gesloten enveloppe wordt gestemd, 5 stemmen voor, 1 stem tegen. Hij wordt benoemd per 1 juli 1897.

* 1898: Meester J. Bokhout neemt zitting in de plaatselijke feestcommissie voor het aanstaande kroningsfeest. Het bestuur heeft geen bezwaar mits de te zingen liederen niet in strijd zijn met onze beginselen. Ds. J. v.d. Berg en de heer J. Ceelen zullen in overleg met het personeel van de school enige versieringen aanbrengen in verband met het feest van Prinses Wilhelmina op 6 september.
* De penningmeester, de heer C.M. van Rees, heeft gezorgd voor een flinke schoolbel; allen zijn zeer tevreden. Prijs f 5, –.

* 1899: “Zal er nog iets aan de pleeën verbeterd kunnen worden? Ze rieken den laatste tijd zoo erg!’ De bestuursleden, de heren B. v.d. Wiel en R Rijsdijk, zullen een onderzoek instellen.

10 – De scholen aan het begin van de 20e eeuw

Een nieuwe school aan de Boslaan
De school nabij de Boslaan (De Bossche school) kwam in 1903 gereed. De oude Maranathaschool werd in hetzelfde jaar gesloten. Met de komst van de school bij de Boslaan diende een nieuwe nummering te komen. Zo werd de Groeneveldeschool nu school I, de school bij de Boslaan school II, de school in het oostelijke deel van de Kerkbuurt werd school III, de school bij de kerk heette school IV en de school op Baanhoek was school V.
Voor school II (De Groeneveldeschool) betekende de opening van de nieuwe school een grote verandering. Het personeel bleef op de vertrouwde plaats werkzaam. Wel waren zij voortaan verbonden aan school I. Het grootste deel van de leerlingen verhuisde echter naar de school aan de Boslaan, waar ook een aantal leerlingen van de school van de heer Disselkoen (school IV) werd geplaatst. Van school III werd een twintigtal kosteloze leerlingen verplaatst naar andere scholen. Op school I werden de leerlingen van de voormalige Maranathaschool geplaatst. Het personeel van deze school gaf in ‘ t vervolg les aan de Bossche school, school II. Het hoofd van de school, de heer T. Hoekstra, was zeer tevreden met het nieuwe onderkomen. Hij constateerde met genoegen dat het gebouw uitstekend voldeed. Ook de verwarming liet in de voorbije wintermaanden niets te wensen over. Het personeel sprak waardering uit voor de nieuwe werkomgeving, waar het in de “frissche lokalen het zooveel prettiger en dus beter lesgeven is.” Aan de school werd een zevende leerkracht toegevoegd, waarmee ook het hoofd van deze school weer ambulant werd.

Schoolbehoeften
Vaak lezen we dat de scholen geen mogelijkheden zagen om te komen tot een inrichting van een schoolbibliotheek. Pas in 1903 werd voor het eerst een kleine bibliotheek aan school II geopend. Het bedrag waar de hoofden van scholen mee moesten rondkomen was dan ook geen vetpot. De scholen I, II, IV en V ontvingen per leerling f 0,80 per jaar. Voor school III was dit bedrag f 1,90 per leerling per jaar. Nuttige handwerken was een duur vak. Per vrouwelijke leerling werd voor alle scholen een bedrag van f 0,50 beschikbaar gesteld.

School-1001
Schoolklas met schoolhoofd Disselkoen van school IV

Ambtsjubilea
Op 1 november 1904 was de heer Disselkoen 25 jaar hoofd der school, waarbij hij bedacht werd met ene bloemenhulde. Een maand later vierde de heer Groenevelt zijn 40-jarig jubileum als hoofd van de school, waarbij hij door de Commissie gecomplimenteerd werd.
In dit jaar werd ook het vak gymnastiek op school I en V ingevoerd, hoewel de omstandigheden in de open lucht op stoffige speelplaatsen niet gunstig waren. We laten dan de wintermaanden en de regenachtige dagen nog maar buiten beschouwing.

Geschuif met leerlingen
Een pluspunt was de daling van het aantal leerlingen per klas. Deels werd dit bereikt door de herplaatsing van de leerlingen over de scholen na de opening van de Bossche school en mede werd het verwezenlijkt door het overplaatsen van leerkrachten naar de scholen I en II van de scholen IV en V.
Overigens had de overplaatsing ook een schaduwzijde. Leerkrachten kregen steeds leerlingen van andere scholen voor hun neus. Leerlingen met geheel verschillende achtergronden. Uiteenlopende leeftijden tussen de negen en dertien jaar in klas 4 waren geen uitzonderingen. Getracht moest maar worden om er weer een eenheid van te smeden. Geen gemakkelijke opgave. Nadat in 1905 het achtste lokaal van de Bossche school in gebruik was genomen bij de aanstelling van een extra leerkracht en de schoolhoofden van de scholen IV en V een klas toegewezen werd, was daarmee uiteindelijk de wens van de afdeling Sliedrecht van de Bond van Onderwijzers werkelijkheid geworden. Van de aanwezige lokalen werd optimaal gebruik gemaakt en het ambulantisme was redelijk teruggebracht.
Het besluit werd met de volgende woorden begroet: “Wij zijn ten zeerste ingenomen met het feit dat hij, die de beste leerkracht moet zijn, zelf klassenonderwijzer is.” Het leidde wel bij ziekteverzuim tot het naar huis sturen van leerlingen.

Schoolverlaters
Het is wel aardig om eens te bekijken waar de schoolverlaters van school III in 1905 terecht kwamen. Vijf meisjes verlieten de school in de loop van ‘t jaar 1905 wegens volbrachte schooltijd. Twee daarvan bezochten de normaallessen te Sliedrecht, de andere drie waren in huishouding werkzaam. Eén jongen (uit de 7e klas) ging een ambacht leren, één jongen ging naar de Ambachtsschool te Dordrecht, één meisje naar de Industrieschool te Dordrecht, twee leerlingen vertrokken naar een lagere school te Dordrecht, vier leerlingen verhuisden naar andere plaatsen, één jongen ging naar de H.B.S. te Dordrecht, één jongen naar ‘t Gymnasium te Dordrecht. Van deze leerlingen hadden er zes de 6e schoolklas niet doorlopen, n.l. de vier die verhuisden en de twee die naar een lagere school in Dordrecht vertrokken. Eigenlijk een mager resultaat als met de opzet van de school, opleiding voor H.B.S. e.d. in aanmerking neemt.

Geen lieverdjes
Niet altijd is sprake van volgzame, lieve, oplettende kinderen. In het jaarverslag over 1905 van school 4 lezen we: “De vijfde klasse telt 54 leerlingen, waarvan 24 al eens zijn blijven zitten en 12 meer dan eenmaal. Naast leerlingen, die den 13-jarigen leeftijd reeds hebben volbracht of dien voor 1 april zullen bereiken, zitten kinderen van 10-jarigen leeftijd. De oudsten zijn de domsten en de ondeugendsten. Het werken in deze klas eischt de uiterste inspanning en als de namiddagles dan nog gevolgd wordt door een gymnastiekles is de onderwijzer gewoon “op”.
Een nog erger geval speelde zich af op school II, waar een leerling een bron van last voor de onderwijzer en een gevaar voor de medeleerlingen was. Hoewel het hoofd op verwijdering aandrong en plaatsing op een tuchtschool, werd aan het verzoek geen gehoor gegeven. De vrees leefde dat het verwijderen van de knaap een voorbeeld voor anderen zou kunnen zijn. Wie zich maar steeds lastig, brutaal en onhandelbaar zou opstellen, zou zich daarmee een mogelijkheid scheppen om aan de leerplicht te ontsnappen……. .

Het jaar 1906
Een aantal feiten en gebeurtenissen betreffende het jaar 1906 waren o.a.:
* De opening van de derde christelijke school op 1 april 1906, wijk C 163, kostte de openbare scholen IV en V diverse leerlingen. Een feit waarmee men niet ingenomen was, maar dat wel mede de oorzaak was van minder volle klassen. * De prijzen voor getrouw schoolbezoek worden vervangen. Immers schoolbezoek was een plicht geworden en diende niet langer beloond te worden. Naast getrouw schoolbezoek zouden voortaan ook factoren als vlijt, gedrag en vorderingen mee gaan tellen. Een en ander diende per 1 april 1907 in werking te treden.

* Bij de schoolcommissie leeft de wens uit te breiden tot zeven leden om zodoende tot een betere werkverdeling te komen. Dit gebeurt een jaar later in 1907.

School-1002* Even leefde het idee in 1906 om een aantal klassen in te richten speciaal voor “achterlijke” kinderen. Na overleg met deskundigen bleken de “achterlijken” niet echt achterlijk te zijn en kon elk kind op de eigen school blijven. * Op school IV is de bekende leesmethode van Hoogeveen ” Aap, Noot, Mies”, in gebruik.

* Problemen waren er volop. Bijvoorbeeld rond de zeer verschillende methoden die op de scholen werden gebruikt. Onder andere bij verhuizingen en overplaatsing van leerlingen kwamen deze aan de orde.

* Het verschillende tijdstip van toelating op de scholen gaf eveneens stof tot overdenken. Sommige scholen telden over een periode van 6 jaar acht groepen en andere weer zes groepen, enz.

* Eerste aanzet tot sparen (enkele kinderen) voor een gezamenlijk schoolreisje naar Den Haag en Scheveningen met 20 kinderen o.l.v. onderwijzer Runge.* Minder enthousiasme om schoolverslagen te maken bij het personeel, daar de moed verloren gaat als men geen resultaten ziet bij vorige gedane wensen… .

* Trouwens, de heren hoofden van scholen blonken ook niet uit in hun berichtgeving. De Commissie bericht aan het College van B & W: “Wat de verslagen der H.H. Hoofden betreft, moeten wij U mededeelen, dat zij wat inhoud en zaakrijkheid betreffen, niet vooruitgegaan zijn”.

* Een feit dat toegeschreven werd aan het afschaffen van het ambulantisme, waardoor de controlerende rol minder mogelijk was geworden.

* De roep om centrale verwarming wordt hoorbaar. Vooral voor school I, grootendeels bevolkt met de slechtst gevoede en gekleede kinderen, diende de centrale verwarming tot aanbeveling.

* Het publiek is intussen op de hoogte dat slaan van de kinderen niet langer toegestaan is. Graag wordt dit feit aangegrepen om een onderwijzer aan de schandpaal te nagelen. De Commissie besluit echter voortaan alleen maar schriftelijke en ondertekende voorvallen, waarbij zichtbare tekenen van mishandeling kunnen worden getoond in behandeling te nemen.

Het jaar 1907
* De wens om te komen tot gelijke schooltijden voor alle scholen en een gelijk leerplan leeft sterk bij de commissie. Men wenste meer eenheid in methode en leerplan, zodat overplaatsingen en verhuizingen met minder problemen zouden kunnen verlopen.

* Ook de schoolopziener was hiervan een voorstander. Deze wenste voor alle scholen:
1. een zelfde schooltijd;
2. een zelfde leerplan;
3. zoo min mogelijk verplaatsing van leerlingen;
4. dat de leerlingen gelijkmatig over de scholen zouden worden verdeeld;
5. dat zooveel mogelijk éénzelfde methode zou worden gevolgd;
6. dat Commissie en B & W door bezoeken zich zouden overtuigen van de vorderingen der leerlingen.

* Aan de wensen van de schoolopziener kon niet worden voldaan daar de heren schoolhoofden zich met de punten 1, 2 en 4 niet konden verenigen. Punt 3 zou een zaak van B & W moeten zijn. Wellicht zou het verdwijnen van de 8-klassige scholen de hoofden van gedachten doen veranderen. Besloten werd de scholen 1 en 2 weer terug te brengen naar zes klassen van 12 maanden i.p.v. de acht klassen van 9 maanden. Het cursusjaar werd zodoende met 3 maanden verlengd van 1 januari 1908 tot 1 april 1908. Rond de methoden waren en bleven de meningen van de hoofden sterk verdeeld, een invoering van één leerplan zou al heel wat moeilijkheden kunnen opheffen. Op school hebben de onderwijzers zelfs voor de verschillende groepen andere schrijfmethoden voorgeschreven gekregen door het hoofd.

School-1003
Schoolklas school II met de heer Steijnis

* De Commissie voelt veel voor het opnieuw gedeeltelijk invoeren van het ambulantisme op school II, IV en V. Tijdelijk zou een onderwijzer aangesteld moeten worden voor de drie scholen.

Geen rozengeur, maar … een mesthoop
* De gedeeltelijk overdekte speelplaats van school I was eindelijk bestraat, maar werd niet schoongehouden en was daardoor sterk vervuild.* Met de verwarming was ‘t in deze school nog knudde. Slechts 2 dagen waren de lokalen van school 1 in de voorbije winter goed verwarmd als gevolg van het stoken van cokes. Een geslaagde proef die echter niet werd doorgezet. De kinderen in de laagste 4 klassen hadden vaak zoveel last van de rook, dat ze telkens naar buiten moesten in de erge kou.

* In school V was het al niet veel beter. In groepjes dienden de kinderen zich bij de kachel hun verkleumde vingers te komen warmen.

* School II was drie weken gesloten i.v.m. difteritis.

* School III bleef zorgen baren. De bevolking heeft geen vertrouwen in ‘ t onderwijs.

* De schoolreis school IV was doorgegaan. Voor het volgend jaar stond een uitstapje naar Arnhem en Nijmegen op het programma.

* De speelplaats van school III mag de naam van schoolplein niet dragen. Er is in de steeg zo’n sterke luchtzuiging dat het er altijd waait. Als er bijna geen wind was tochtte het er nog. Indien men opzettelijk versnelling van de luchtstroom had willen verkrijgen, had men ‘t niet beter kunnen doen dan in de stoep het schuurtje en de beide bergplaatsen te bouwen. Een wens was de tuin tegenover de school in te richten als plein.

* Een mesthoop stinkt zo erg naast een klassenlokaal van school V, dat de ramen niet open gezet kunnen worden. Inheemse westenwinden! Leerlingen van deze school moeten zelf soms leermiddelen kopen zoals griffels, veren, gom, e.d. Een stoel en lessenaar blijven vrome wensen, evenals schoolvergaderingen. Het plein van school V werd ook gedeeltelijk bestraat.* Urinoirs blijven op vele plaatsen stinken..

Een leerling in het kolenhok
Op een buitengewone vergadering van de schoolcommissie (1907) moet een leerkracht zich verantwoorden voor een tegen hem ingediende klacht. Een vader had beweerd dat zijn zoon onwaardig behandeld was door de onderwijzer. Het kind zou zijn opgesloten in ‘t kolenhok van de school.
De onderwijzer deelde mee dat de leerling in zijn klas was geplaatst zonder daartoe bekwaam te zijn, hij was erg achterlijk, zelfs door het geven van privaatlessen was ‘t aan ‘t hoofd van de school niet gelukt de jongen lezen te leren. Daarbij was de knaap erg lastig en ongezeglijk, zodat de onderwijzer zich nogal eens driftig maakte tegenover de jongen, die het zelfs in de klas andere leerlingen lastig maakte.
Het was daarbij voorgekomen dat de jongen uit de klas was verwijderd en enige tijd in de gang stond, waarna hij later weer binnen werd geroepen. ‘t Was ook voorgekomen dat wanneer hij de jongen riep deze uit ‘t kolenhok kwam, wat zich aan ‘t einde van de gang bevond, doch nimmer had hij de jongen in genoemd hok geplaatst Integendeel, hij begaf zich soms vrijwillig daarheen.
Een paar malen was ‘t gebeurd dat de jongen, na in de gang te zijn geplaatst, naar huis was gegaan en dan door vader of moeder weer naar school was gebracht.

Een rokende leerling
De commissie kreeg wel meer klachten te behandelen. Zoals de zaak tegen een leerkracht die een jongen zodanig had geslagen dat het kind blauwe plekken op het zitdeel had gekregen.
De voorzitter der commissie, tevens arts had zich overtuigd van de ernst der zaak. De onderwijzer bekende dat hij de leerling moedwillig een klap had gegeven, terwijl hij surveilleerde op het plein. De leerling zou zeer lastig zijn. Straffen hielp niet. Het gebeurde had plaats omdat de jongen een pijp rookte op het plein. Hij had hem al herhaalde malen een pijp afgenomen en er was vroeger al eens bijna een ongeluk gebeurd met een pijp en lucifers. Ook bleek de leerling andere jongens sigaren te hebben gegeven.
De onderwijzer werd te kennen gegeven dat hij de maat wel wat overschreden had, waarop hij verklaarde niet van de verordening op de hoogte te zijn. De verordening werd toegezegd en de onderwijzer werd te kennen gegeven zich voortaan van dergelijke straffen te onthouden …!

09 – Strijd tussen schoolhoofden en onderwijzers

Het voorstel om inzage te krijgen in het jaarverslag, ingediend door de Bond van Onderwijzers afdeling Sliedrecht, viel bij niet in goede aarde bij de heren hoofden van scholen.
Dit blijkt duidelijk uit onderstaand schrijven gericht aan de Commissie van Toezicht.

M.M.

In antwoord op de missive d.d. 26 januari 1904 namens de Commissie van Toezicht tot ons gericht door den Secretaris, den Heer van Papenrecht om ‘t jaarlijksch schoolverslag op te maken in overleg met ons personeel, hebben wij de eer U te berichten, dat wij ons wenschen te houden aan de wetten en voorschriften, ons van overheidswege gegeven.
Zoolang de republikeinsche school niet is ingevoerd en de gemeenteraad van Sliedrecht ons zijn vertrouwen blijft schenken, moeten wij weigeren elke poging te steunen, die wordt aangevoerd om de rechten, die bij de wet of verordening van ‘t Hoofd eener School zijn toegekend, aan anderen over te dragen.
Naar onze meening zal iedere maatregel, die het gezag in de school aantast, het openbaar onderwijs schaden.
Wel zijn wij steeds bereid wenschen en opmerkingen, door ons personeel aan ons kenbaar gemaakt, ernstig te overwegen en daarvan, voorzooverre zij ons geschikt voorkomen, in ons verslag melding te maken.
Overigens zullen wij ingevolge art. 13 der verordening een verslag inzenden, zooals zoovele jaren heeft plaatsgehad, zonder dat wij, in strijd met de verordening en dus in strijd met onzen plicht, ons personeel de gelegenheid zullen bieden daarin een oordeel uit te spreken over eigen ijver, eigen geschiktheid, gedrag, enz, enz.
Wij meenen met zekerheid te mogen aannemen, dat eene dergelijke absurditeit nimmer bij de vaststelling der verordening in ‘s raads bedoeling heeft gelegen.
Wij zullen echter de vrijheid nemen afschrift dezes aan dat College toe te zenden, opdat de Gemeenteraad zich zal kunnen uitspreken voor ‘t geval, dat wij ons in dezen mochten vergissen en de Raad het eenhoofdig gezag in de school niet in allen deele mocht willen handhaven.

Hoogachtend enz.
De Hoofden der O.L. scholen
Alhier.

Sliedrecht, 30 januari ’04

School-0901
´t Groeneveldeschool en omgeving Op deze foto zien we de oude Groeneveldeschool. Althans zo werd het gebouw in de volksmond genoemd.Bij de nieuwbouw kreeg de school officieel het nummer 2. Later nadat de school in het Maranathagebouw werd gesloten en de Bosscheschool bij de Boslaan was geopend ging de school door het leven als school 1. Echter, de naam Groeneveldeschool verdween niet uit het spraakgebruik.

De onderwijzers krijgen inspraak bij de Commissie
Nadat de Commissie de hiervoor afgedrukte brief had ontvangen waarin door de schoolhoofden het verzoek om samen met het personeel een verslag op te stellen werd afgewezen, werden de onderwijzers en onderwijzeressen per schrijven van 1 februari 1904 verzocht zelfstandig een verslag over het afgelopen jaar te maken. Hiervan werd gaarne gebruik gemaakt. Over het verstreken jaar 1903 maakten de onderwijzers vervolgens voor ‘t eerst een eigen jaarverslag.

Een jaarverslag van het onderwijzend personeel
We zullen in de diverse verslagen eens nagaan wat er onder het onderwijzend personeel leefde.
Het grootste gebrek aan school I (Rivierdijk, thans omgeving ‘t Groenevelt) was volgens de onderwijzers en onderwijzeressen “het gemis aan eenheid”. Zo werd in de aanvangsklassen een andere rekenmethode gebruikt dan in de daarop volgende klassen. Voor vele vakken moest iedereen maar zien wat hij of zij deed. Schoolvergaderingen, waarbij het leerplan gezamenlijk besproken zou kunnen worden, werden niet gehouden. Het leerplan, opgesteld door het schoolhoofd, was een papieren ding dat hier of daar ergens in een kast door het schoolhoofd was opgeborgen en waarmee een deel van ‘t personeel in ‘t geheel niet op de hoogte was. De hoofden waren wars van schoolvergaderingen. Waren zij bang voor een geldingsdrang van de onderwijzers? Het doordrijven van hun zin tegen de wil van ‘t hoofd? Voor oppositie? Wellicht was hun vrees niet geheel ongegrond. De nieuwe eeuw was kennelijk het startpunt om lang broedende ideeën aan de oppervlakte te brengen.

Autocratisch
De vraag : ” Wilt gij ‘t gezag van ‘t hoofd der school in zijn tegenwoordigen vorm behouden?”, werd met een duidelijk “Neen!” beantwoord.
Het autocratische gezag der schoolhoofden, misschien voor vroegere toestanden geschikt, zou met alle eerlijke middelen bestreden moeten worden. Niet langer kon berust worden in de toestand van onmondigen en minderwaardigen. Duidelijk werd de werksfeer er als een van heer en knechtschap ervaren.
Een groot bezwaar was het lesgeven aan veel te grote klassen. Het handwerkonderwijs diende niet langer aan twee klassen (60 leerlingen) tegelijk gegeven te worden. Het onderwijs was voor de toekomstige huismoeders van te groot belang om er op een dergelijke wijze mee om te gaan.
Bij absentie van de leerkrachten zou een regeling getroffen moeten worden waarbij zo weinig mogelijk met leerkrachten werd geschoven en het onderwijs zo min mogelijk schade werd aangedaan.
De morgenschooltijd zou onderbroken moeten worden door een schoolpauze in het belang van de gezondheid en de beweeglijkheid van het kind. Bovendien zou voor een betere ventilatie van de schoollokalen gezorgd moeten worden.

Geen zindelijke zaak
Het schoonmaken van de lokalen verdiende veel verbetering. Op ramen en deuren lag zoveel stof, dat men er wel op kon schrijven …. . Het kwam meermalen voor dat ‘s woensdagsmiddags de school eerst werd schoongemaakt en daarna de kachelpijpen werden geveegd, waardoor alle banken met roet waren bedekt. De kleren en handen van de kinderen werden besmet. Geen zindelijk zaak … .
Een kraan van de waterleiding zou in ieder lokaal zeer wenselijk zijn om de kinderen tijdens warme zomerdagen zonder stoornis te laten drinken. Een wasbak onder de kraan zou goed uitkomen om de kinderen, die thuis onvoldoende werden gereinigd, enigszins toonbaar te maken.
De verwarming was bij koud winterweer in een woord een treurnis. De lokalen werden te laat verwarmd om voor een aangename temperatuur te kunnen zorgen. Bovendien konden de kachels op sommige dagen zo roken dat het beter was ze maar uit te laten gaan en de gehele dag in de kou te zitten. Aanbevolen werd voortaan cokes te stoken.

School-0902
School 2 bij de Boslaan. Links op de foto is de Bosscheschool te zien.De school kreeg bij de opening het nummer 2. Rechts een een fraai beeld van de Boslaan, die de dijk met de Tiendweg verbond.

Onredelijk
Om de vrije- en ordeoefeningen (gymnastiek) zoveel mogelijk geregeld te laten verlopen was een houten vloer in de overdekte speelplaats wenselijk. Men zou dan minder van weer en wind afhankelijk zijn. Het feit dat de kinderen van de scholen III en IV hun oefeningen deden in een behoorlijk verwarmd lokaal bij “De Groote Kerk”, werd als een onredelijk feit gezien.
Het verslag eindigt met de woorden: “Wij waarderen het in Uwe Commissie, dat zij door het verzoek aan ons klasseonderwijzers getoond heeft onzen strijd te begrijpen, onzen verheffenden strijd voor de emancipatie van den klassenonderwijzer tot waarachtig nut van ‘t onderwijs.”

Geen stoel
De collega’s van school 2 (de school aan de Boslaan, in later tijden huishoudschool) betreurden eveneens het feit dat het schoolhoofd zich niet op het verzoek van de Commissie was ingegaan, “terwijl hij toch, uit den aard der zaak, beter dan de Commissie zich ervan heeft kunnen overtuigen, dat onderlinge beraadslaging van het gansche personeel zoonoodig is.”
Twee oorzaken die de lagere school in haar ontwikkeling remden waren:
· het onderschatten van de waarde van goed volksonderwijs;
· De positie van het hoofd was er een als van meester en knecht. Het hoofd besliste alles, kon beslissen in alles, voor allen, over allen.
Aangepakt dienden te worden de grote klassen, een getalsgrootte van 30 werd als ideaal aangegeven.
Ook hier werd sterk geklaagd over het ontbreken van de juiste leermiddelen, zoals een klok en een weegschaal. Ook meer directere zaken zoals schriften, leien en gom waren niet altijd in voldoende mate aanwezig. Was het bedrag per leerling werkelijk niet te verhogen in het belang van beter onderwijs?
Van de omvang van de bibliotheek had behalve de onderwijzer van klas 6 geen weet. Duidelijk werd dat de onderwijzer nog steeds voor de klas stond. Een klassenstoel was voorlopig nog een vrome wens van de onderwijzer.

Privaten
Op school 3 (Kerkbuurt, voormalige ‘Woonkorf’) veroordeelt men het personeels- en salarisbeleid van de gemeente Sliedrecht, waardoor vacatures lang onvervuld bleven. Zo ook in 1903 toen men 8 maanden lang tevergeefs wachtte op een nieuwe collega.
De klassen 8 en 9 werden afgeschaft door B & W. De mogelijkheid om onderwijs op MULO-niveau te volgen was onmogelijk geworden. Een nieuw leerplan was noodzakelijk. Het werd door het gehele personeel opgesteld!
De 65 leerlingen waren toevertrouwd aan 5 leerkrachten, hetgeen schril afstak bij de overige scholen. Toch durfde men nog klagen ……. Een blijvende klacht behelst de gebrekkige speelplaats en de daaraan grenzende tochtige steeg. Over de reiniging is men niet enthousiast, evenals over de privaten De leermiddelen waren ruim voldoende.

School-0903
School 4 stond in wijk C, schuin tegenover de ´Grote Kerk`. Het gebouw was in de plaats gekomen voor de oudste school van Sliedrecht, die naast de kerk te vinden was.Het grote gebouw op de voorgrond diende als woning van het schoolhoofd.

Vele klachten
Op school 4 (Kerkbuurt tegenover de kerk) had men eveneens veel op te merken. In de eerste plaats werd een betere vorm van samenwerking tussen het personeel van de school onderling gewenst en in de tweede plaats werd geklaagd over het gebrek aan kennis betreffende de totale inrichting der school. De oplossing: Geregelde samenkomsten van het gehele personeel onder leiding van het Hoofd der School. Over de door andere scholen begeerde gymnastiekruimte vele klachten. Slechte verlichting – veel te weinig gaslampen – , een onaangename geur te wijten aan een riool en het gedwongen moeten nat houden van de vloer. Gelukkig werd hiervoor een oplossing gevonden door de vloer te oliën, waardoor het stof gebonden werd en meer gaslampen te plaatsen. Merkwaardig om te lezen, maar een kistje verbandmiddelen ontbrak nog steeds op de scholen.

Vrijmoedig en ongehoorzaam
Ook op school 5 (Baanhoek) zijn de klassen veel te groot. Het onderwijzend personeel erkent dat “de resultaten van het onderwijs in de verschillende klassen niet zijn, zooals wij van een goede zesklassige school zouden kunnen verwachten. De aanvangsklasse is al zo groot dat in die klasse geen voldoende ontwikkeling te bereiken is.”
De lokalen worden in ‘t algemeen te groot bevonden, waardoor ‘s winters een probleem ontstaat rond de verwarming en de verlichting.
Vanwege de inloop van veel vuil – de kinderen liepen op klompen – werd de aanschaf van schoolpantoffels aanbevolen. Over ‘t gedrag van de leerlingen spreekt men van vrijmoedig en ongehoorzaam. Vooral jonge leerkrachten lukte het pas na veel moeite orde te handhaven. De Sliedrechtse jeugd maakte in dit opzicht geen gunstig figuur, vergeleken bij die van andere gemeenten.
“Wellicht zou uit het vrijmoedig spreken de gevolgtrekking kunnen worden gemaakt, dat de kinderen tenminste kunnen spreken, doch niets is minder waar, wanneer men onder spreken verstaat: het net en duidelijk uitdrukken van hun gedachten.”

Uit den boze
Omtrent de leermiddelen hadden de leerkrachten geen idee wat aangeschaft werd en aanwezig was. Ze waren zeker onvoldoende in voorraad. Een ander probleem was de onmogelijkheid voor de onderwijzers een keus te bepalen bij de aanschaf van nieuwe boeken, daar hij/zij geen idee had welke de mogelijkheden waren. De presentexemplaren kwamen niet verder dan de kamer van ‘t hoofd. Een personeelsbibliotheek was een duidelijke vereiste om tot een verantwoorde keuze te komen.
Ook hier wordt geklaagd over het gemis aan samenwerking van ‘t onderwijzend personeel. Een vak zou gedurende een zesjarige cursus volgens drie of vier verschillende methoden onderwezen worden. Bij de overgang had de onderwijzer geen idee van de aanwezige kennis van zijn nieuwe groep leerlingen. Ook bij de toepassing van de tuchtmaatregelen was geen enkele eenheid te bespeuren. Wat bij de een werd toegelaten, werd bij een volgende leerkracht bestraft. Duidelijk is dat men pleit voor het houden van schoolvergaderingen.
Het werd uit den boze beschouwd dat voor het lezen van een boek uit de schoolbibliotheek een bijdrage van de lezer (1 cent) werd gevraagd. De gemeente zou met een betere vorm van subsidie hier een eind aan kunnen maken. Het aantal lezers zou zeker ook toenemen als de rem van de financiële bijdrage zou worden weggenomen. Gevraagd werd om een bedrag van f 15,00 à f 20,00 per jaar. Ingenomen was men over de doorgevoerde pauze in de ochtendschooltijd, welke een gunstige invloed had op ‘t daaraanvolgende lesuur.

Veel hebben de uitvoerige verslagen het eerste jaar niet opgeleverd. “Het personeel van school 2 begint dan ook een jaar later het verslag van 1904 met de regels:

“Ons rapport zal voor een goed deel gelijkluidend zijn met dat van verleden jaar, daar de toestanden in vele opzichten ongewijzigd zijn gebleven.”

School-0904
Dokter Prins De Baat,
lid van de Schoolcommissie

Strubbelingen tussen de commissie en de hoofden van scholen
Een opmerking rond het functioneren van een onderwijzeres van één der scholen zou leiden tot een fikse botsing. De sfeer tussen de nieuwe Commissie en de schoolhoofden was zeker niet optimaal na het betrekken van het onderwijzend personeel bij de jaarverslagen. Het werd er niet beter op toen de onderwijzeres haar schoolhoofd voor de Commissie daagde om zijn kritiek hard te maken. Van de secretaris had zij het probleem rond haar vernomen. Betrokken schoolhoofd was hierdoor zo in z’n wiek geschoten dat hij in het eerstvolgende jaarverslag (1904) weigerde namen te noemen bij gemelde feiten.

De Commissie vond het verslag op haar beurt beneden alle peil en eiste een nieuw en beter uitgewerkt rapport. Het schoolhoofd op zijn beurt weigerde, waarop de Commissie de Schoolopziener inschakelde.

In een buitengewone vergadering, onder leiding van de schoolopziener, op donderdag 21 september 1905 werd het probleem aangekaart.
De ingediende klacht betrof: “Het niet geven van die inlichtingen welke de Commissie noodig oordeelde.” Het schoolhoofd wordt verweten dat hij de autoriteit niet voldoende waardeert. De door de Commissie gewenste aanvulling was meer dan redelijk. Het verzwijgen van gegevens en namen werd gezien als een verzaken van de plicht.
Het schoolhoofd gaf van zijn kant te kennen dat het onmogelijk was een klacht tegen hem in te dienen daar hij zijn plicht had voldaan door een verslag in te dienen. Het feit dat de Commissie het verslag terugzond, wat hij als een grove belediging opvatte, deed niets aan het feit af.
Bovendien vond hij het minder raadzaam de Commissie nieuwe gegevens rond personen te verstrekken daar hij weinig vertrouwen had in de bron waaraan de zaak werd verteld. Als hoofd werd hij door de Commissie steeds geprikkeld, waarbij hij de Commissie verwijt de republikeinse school te huldigen. Een feit, waarvan de hoofden niet gediend zijn!
Na het inzenden van het tweede verslag over 1904 achtte hij daarmee het eerste verslag als vervallen.

Republikeins
De secretaris der Commissie geeft aan dat het nooit de bedoeling is geweest de hoofden van scholen te beledigen. Tegen de verdachtmakingen protesteert hij met klem. Het is toch niet mogelijk iemand van republikeinse neigingen te beschuldigen om het feit dat aan de onderwijzers een oordeel wordt gevraagd. Punt was dat de hoofden het niet begrepen hadden op de Commissie.
Een afspraak binnen de Commissie was dat ieder lid een verslag van een school voor zijn rekening zou nemen en eventuele klachten zou onderzoeken. De secretaris heeft vervolgens de hem toebedeelde school voor zijn rekening genomen en betreffende onderwijzeres aangesproken over de aan haar adres uitgesproken klacht. Volgens hem is dat niet republikeins te noemen, maar gedaan volgens afspraak. Jammer dat alle goede bedoelingen zo slecht waren uitgelegd.
De voorzitter der Commissie wijst nogmaals op het falen van het schoolhoofd en noemt de aantijgingen schandelijk en infaam. De schoolopziener vindt ook dat het schoolhoofd te kort is geschoten in zijn plicht.
Het karakter van de bespreking wordt steeds onaangenamer. De schoolopziener geeft uiteindelijk het schoolhoofd acht dagen de tijd het vereiste verslag in te dienen en daarbij de namen prijs te geven.
Volgens het schoolhoofd bestaat het aan hem teruggezonden verslag echter niet meer, zodat hij niet aan de eis kan voldoen, waarna hij de bespreking verlaat.
De schoolopziener zit duidelijk met een probleem opgezadeld. Hij geeft aan dat vervolging van het hoofd tot ontslag zou leiden. Zover wilde niemand het laten komen. Voor de lieve vrede zou men proberen alsnog tot een vergelijk te komen, maar het zal duidelijk zijn dat na het gebeurde van een goede verstandhouding geen sprake meer kon zijn.

Een schoolhoofd schrijft
“In mijn school (V) vonden in het jaar 1903 drie mutaties plaats, één onderwijzer nam ontslag i.v.m. zijn vergevorderde leeftijd, één onderwijzer verliet de school daar hij een andere betrekking aanvaardde en één onderwijzeres werd overgeplaatst.
Dank zij mijn ambulantisme kan ik door in les geven voor te gaan, de nieuwe collega’s inwijden in de hier gevolgde methoden van onderwijs. Van de noodzakelijkheid zal men zeker overtuigd zijn, wanneer ik U er op wijs dat aan onze scholen in den regel slechts nieuwelingen in het vak worden benoemd, daar onderwijzers met eenige ervaring hier bij eene vacature niet solliciteeren, aangezien hunne dienstjaren elders doorgebracht bij de vaststelling van hun salaris niet in rekening worden gebracht.
Wanneer ik nog meedeel dat in het afgelopen jaar 129 schooltijden door het personeel zijn verzuimd, enkele wegens examens, de meeste wegens ziekte, en ik de aangewezen man ben, om overal in te vallen en daartoe in alle klassen steeds les moest geven, om van alles op de hoogte te zijn, dan zal het U duidelijk wezen, dat een ambulant hoofd geen overdaad is. Niet alleen voor het invallen is zelf les in alle klassen geven noodig, maar ook voor het brengen van eenheid in het onderwijs der geheele school.”

Einde van het ambulantisme
Veel resultaat had het betoog niet, want op de school van collega Disselkoen verdwijnt in 1904 een leerkracht en is het gedaan met het ambulantisme van het schoolhoofd
Dit wordt in het jaarverslag aangekaart met de woorden: “Aan het onderwijs werd groot nadeel aangebracht, doordat de zevende leerkracht aan de school werd ontnomen. Gelegenheid tot controle vind ik bijna niet meer.

08 – Spanningen binnen de schoolmuren

Tussen 1860 en 1880 nam het aantal bewoners van ons land met 25 % toe. Dit betekende voor de scholen meer leerlingen. Daardoor diende ook het onderwijzerskorps uitgebreid te worden. Duidelijk viel nu een tekort aan leerkrachten op. Ongeveer een vijfde deel van het personeel werd gevormd door kwekelingen en dat terwijl het bij de wet vanaf 1 januari 1881 verboden was hen als zodanig aan te stellen.
Het aantal scholen nam maar weinig toe. Dat betekende grotere scholen met meer onderwijzers en een veel minder sterk toenemend aantal schoolhoofden. Een feit dat zich zowel landelijk als plaatselijk in Sliedrecht voordeed.
Het vooruitzicht voor een onderwijzer om ooit hoofd te worden, en daarbij te profiteren van de veel betere salarisregeling, was grotendeels verdwenen. Hiermee kondigde zich het probleem aan voor de eerstkomende decennia, een blijvende stand van klassenonderwijzers.

School-0801
Kweekschool Haarlem

Kweekschool Haarlem
Hierbij speelde ook nog dat rond 1880 veel onderwijzers afstudeerden aan de Kweekscholen. Deze lieden waren voor die tijd toch veel moderner en mondiger dan de generatie onderwijskrachten die voor 1880 les gaven. Een conflictsituatie tussen hoofden en onderwijzend personeel kondigde zich aan.
Noemen we ook nog het streven van de schoolhoofden om ambulant – vrijgesteld van lesgeven – te zijn, zodat zij beter toezicht konden uitoefen op het werk van de onderwijzers en daarbij uitgroeiden tot een schoolopziener binnen de schoolmuren dan zal men begrijpen dat de spanningen binnen diezelfde muren opliepen.

School-0802
De eerste bladzij uit het notulenboek van de Bond van Nederlandse Onderwijzers, afdeling Sliedrecht.

Vakvereniging
In 1873 werd de eerste Hulponderwijzers Vereniging te Amsterdam opgericht, gevolgd door de eerste landelijke vereniging in 1874. Deze laatste telde vier afdelingen, waaronder Dordrecht. Na een aarzelende start groeide de tot Bond van Nederlandse Onderwijzers omgedoopte vereniging gestaag. In 1891 telde men al 37 afdelingen met ruim 1600 leden. Een niet meer weg te denken organisatie was, naast het al in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap, tot stand gekomen.

Strijd
Vooral het eerder genoemde ambulantisme had kwaad bloed gezet bij de onderwijzers. De schoolhoofden en de onderwijzers groeiden steeds verder uit elkaar. Kwamen steeds feller tegenover elkaar te staan. De tijd dat de onderwijzers in dienst waren van het schoolhoofd was ten einde. Ieder was werkzaam bij de gemeente of het bestuur oordeelde men. De tijd van het ambulante schoolhoofd, oppermachtig pijp rokend, in en over de school de baas spelend, was grotendeels voorbij.
In de grote steden drongen, zoals gebruikelijk, vernieuwingen eerder door dan in kleinere gemeenten, maar ook in Sliedrecht kwam men tot de oprichting van een afdeling van
De Bond van Nederlandse Onderwijzers(1897).

De “Bond” in Sliedrecht
De afdeling Sliedrecht van De Bond van Nederlandse Onderwijzers werd op 2 september 1897 opgericht. Het voortouw werd genomen door Mej. L. van Vuuren, onderwijzeres van school 4, en de heren J. Zuidhof (school 1), D. Zuidhof (school 2), L. J. den Hartog (school 3), K. Volbeda (school 4) en van school 5 H. K. Lenstra, T. Kleyn, P. den Haan en H. C. Helleman.
Slechts de vijf laatstgenoemde leerkrachten waren aanwezig op de oprichtingsvergadering bij de weduwe Moret. De heren Zuidhof waren door de secretaris vergeten bij de uitnodiging. Hij geeft zichzelf een waarschuwing met de woorden: “Hij wachte er zich voor tegen eenen volgenden keer!”
De aanwezigen stonden voor een gewichtige beslissing. Dit blijkt wel uit de volgende woorden in de notulen van die avond: “Het gelaat van voorzitter Lenstra droeg de sporen van ‘t gewichtige ambt dat hem op de schouders was gelegd”.
Een belangrijk punt van bespreking vormde het vaststellen van het reglement. Secretaris Helleman diende direct al zijn ontslag in wegens zijn vertrek naar Utrecht. Zijn opvolger werd de heer Kleyn. Penningmeester werd de heer D. Zuidhof.

Afgesproken werd dat ieder bij toerbeurt op de vergadering een inleiding zou houden over een onderwerp op het gebied van ‘t onderwijs. De eerste inleider zou de heer Lenstra worden met het onderwerp: “Eenige opmerkingen over Voedsel en Kleeding.” Hierbij werd het verband gelegd tussen deze zaken en de leerplicht. Lenstra vertrok reeds begin 1898 naar een andere gemeente en werd als voorzitter opgevolgd door Volbeda.
De contributie werd vastgesteld op f 1,= per half jaar, waarvan f 0,85 moest worden afgedragen aan de algemene kas van het hoofdbestuur van De Bond.
“Nadat de aanwezige leden hun respectieve potjes bier en quast hadden geledigd, sloot de voorzitter met een hartelijk “Au revoir” deze 1e vergadering van de afdeling Sliedrecht van De Bond van Ned. Onderwijzers”.
De derde vergadering kende twee gasten t.w. de heren Colijn en Timmermans. Een groei zat er in het eerste verenigingsjaar niet in. Dit ondanks het inschrijven van een nieuw lid, want helaas werd het aantal leden weer uitgedund door het vertrek van een drietal naar elders. Op 1 januari 1902 telde de afdeling 17 leden, waaronder 3 vrouwelijke.

Strijd
Opvallende zaken in de eerste jaren van de onderwijzersbond waren de vele verzoeken van andere afdelingen om mindervaliden of de nabestaanden van vroeg overleden collega’s financieel te ondersteunen. In deze jaren speelde ook de stichting van een herstellingsoord voor onderwijzers te Hilversum.
Het passeren van de Sliedrechtse onderwijzers bij de sollicitatie naar een baan als hoofd van school 1 riep boosheid op. In de Sliedrechtse Courant werd hierover in een ingezonden stuk de verontwaardiging uitgesproken.
De heer Colijn, intussen tot voorzitter benoemd, kwam met een aantal voorstellen. Een salarisvoorstel, een voorstel tot invoering van een speelkwartier tijdens de ochtendschooltijd en inzage in de jaarverslagen van de schoolhoofden en het invoeren van schoolvergaderingen Daar het gemeentebestuur in deze zaken een beslissing moest nemen, werden de door de onderwijzers ondersteunde voorstellen aan B & W voorgelegd. Weliswaar haalden niet alle voorstellen de eindstreep, maar wat betreft salarisverhoging op grond van dienstjaren doorgebracht in de gemeente Sliedrecht, werd toch een succes geboekt.
Een probleem vormde de opstelling van de schoolhoofden die bij benoemingen van personeel de aangenomen leerkrachten lieten beloven geen lid van De Bond te worden. Uiteraard was dit tegen het zere been bij de wel aangesloten leden. Navraag werd gedaan door voorzitter Colijn bij de burgemeester. Deze ontkende dat hij er van op de hoogte was dat er door de hoofden van scholen vragen werden gesteld zoals boven vernoemd. Door het College was er geen opdracht toe gegeven. Echter op de vraag, of het lidmaatschap van De Bond invloed kon hebben bij de benoeming liet de burgemeester zich niet uit.
Het bestuur van De Bond liet het er niet bij zitten en daagde de schoolhoofden uit een antwoord te geven inzake de indoctrinatie. Een antwoord bleef echter uit. Wel is het bekend dat twee door de schoolhoofden onder druk gezette onderwijzeressen nog in hetzelfde jaar zich als lid hebben aangemeld.

Niet onder curatele
Het zal duidelijk zijn dat er voor de nieuwe voorzitter nog veel te wensen overbleef. In zijn nieuwjaarsrede van 11 januari 1901 laat hij dit duidelijk weten.

“Wie belang stelt in bondszaken heeft uit de openingsrede van den bondsvoorzitter kunnen zien, wat er nog te doen blijft. Voor ons was ‘t afgeloopen jaar ‘n tijd van werkzaamheid; weliswaar waren de resultaten nog min, maar wat we bereikt hebben geeft ons moed om voort te gaan … en er is nog veel te doen. Nog steeds is onze invloed op den gang der schoolzaken gering, nog steeds bestaat er wanverhouding in de traktementen, nog steeds is onze positie te zeer afhankelijk,nog steeds moeten we ‘t aanzien dat sommige van onze collega’s voor meerder werk niet betaald worden, nog steeds moeten sommige van onze collega’s tobben voor klassen van 60, 70, ja 80 leerlingen en daartegenover ambulanten die in dolce far niente bespiegelingen maken over ‘t werk van het overheerlijke schoone ambulantisme en peinzen, hoe ze ‘n dam zullen opwerpen tegen het overheerschend revolutionaire bondsidee. Dit alles mag echter niet stemmen tot bitterheid en ergernis. ‘t Moet voor ons zijn ‘n aansporing om meer te doen dan onze plicht en zoodoende te toonen, dat wij door onzen ijver en door liefde voor de school niet noodig hebben onder curatele te staan van onze patronen, die noch door voorbeeld, noch door ijver toonen onze meerderen te zijn.”

Schoolverslagen
Aan de situatie veranderde voorlopig niet veel. In 1903 gaf de Plaatselijke Commissie van Toezicht op het Lager Onderwijs nog aan dat het verzoek tot inzage van de schoolverslagen niet in te willigen was. Men zou echter wel de schoolhoofden verzoeken in een schoolvergadering met het gehele personeel het verslag op te maken. Duidelijk voelde men de commissie aan de zijde van de onderwijzers staan. Zoals we later zullen zien voelden de schoolhoofden niets voor het voorstel en zouden de leerkrachten van de scholen zelf een eigen schoolverslag gaan opstellen, waaraan de commissie duidelijk aandacht besteedde en de gegevens opnam in het verslag dat naar B & W werd verstuurd.

Geen berusting
Van berusting was zeker geen sprake. Het hoofd van school 2, de heer T. Hoekstra, werd zelfs verzocht op een openbare vergadering een lezing te houden over het Ambulantisme en Schoolvergaderingen. Bij nader inzien gaf de gevraagde toch maar niet thuis.
Uiteindelijk heeft Colijn zelf een inleiding gehouden over het onderwerp Schoolvergaderingen.

In de plaatselijke Sliedrechtsche Courant lezen we:

Verplichte schoolvergaderingen. “Uit verschillende voorbeelden, ontleend aan de practijk, toonde inleider aan, dat de wettelijke verhouding tot patroons veel te wenschen overlaat. Het gezag meent dat de verhouding moet zijn heer tot knecht, terwijl wij als klasse-onderwijzers graag zagen chef tot vrind.. Nu is dat helaas zoo niet. Nu lijkt het wel alsof men als klasse-onderwijzer vierkant tegenover zijn patroon staat, terwijl ieder patroon tegenover ieder onderwijzer, waarvan bekend is, dat hij meedoet in de tegenwoordige onderwijzersbeweging, een soms zeer gereserveerde houding aanneemt, zoodat men soms nooit kan uitmaken, wat men aan elkaar heeft.
Een hoofdig gezag is uit den tijd, ‘t idee republikeinsche school is onuitvoerbaar…… , maar patroon naast onderwijzer en omgekeerd regelen samen de schoolzaken. Wij zijn geen machines, maar zelfstandig werkende krachten, die omtrent leergang en methode ideeën hebben, die in ‘t belang van het onderwijs zijn. Nu ontbreekt er veel aan wederkeerige waardeering. Onze patroons beschouwen ons als hunne vijanden, als de aanranders van ‘ t gezag en ook wij klasse-onderwijzers zijn niet altijd even vriendschappelijk gestemd tegenover onze patroons, alles een gevolg van de tegenwoordige wettelijke regeling. Daarin moet verandering komen, want zelfs minister Kuyper verklaarde dat de toestand, zooals die nu is, niet goed is. Hij zou indien hij hoofd eener school was wel degelijk besprekingen houden met z’n personeel. Alleen de wet bindt en daaraan is op ‘t oogenblik niet te veranderen. Op den weg onzer afdeeling ligt het om te komen tot verplichte schoolvergaderingen. Zij zijn niet een middel om ‘t gezag neer te halen, maar wel een krachtig middel om het onderwijs te verbeteren. Ze zijn in ‘t belang van de zelfstandigheid van den klasse-onderwijzer, in ‘t belang van ‘t schoolkind; een zeer doeltreffend middel voor onderlinge controle!”

Aan de door de onderwijzers gehate vrijstelling van het hoofd om les te geven kwam mede onder druk van de Schoolcommissie rond 1904 een eind. Een woord van lof krijgt het raadslid Van Dongen die door zijn amendement de definitieve nekslag aan het ambulantisme gaf. Alleen aan school 1 blijft het hoofd nog tijdelijk ambulant, hoewel deze situatie al direct ter discussie komt te staan. In 1904 is het namelijk moeilijk aan vervangend personeel te komen bij ziekten van de leerkrachten. Een der oplossingen om het onderwijs toch draaiende te houden zou zijn om de zevende leerkracht van school 1 in te zetten. Het schoolhoofd zou dan kunnen invallen voor zijn “uitgeleende” leerkracht.
Tijdens de vergadering van 28 maart 1904 neemt G. Timmermans de voorzittershamer van Colijn over. De laatste geeft te kennen “liever eens mee te doen als gewoon soldaat.”

School-0803
Uitnodiging voor een vergadering op maandag 8 juli 1907

Onderlinge strijd
De eensgezindheid van het eerste uur had echter al een deuk opgelopen. Politiek gezien was het gezelschap nogal gemêleerd. Aan de ene zijde was sprake van een duidelijke liberale inslag, terwijl een deel de ideeën van de socialistische beweging (SDAP) voorstond. Duidelijk gaf dit wrijvingen. Voorzitter Colijn, intussen weer achter de bestuurstafel teruggekeerd en behorend tot de eerste groep trad af en de heer Verhoog, een aanhanger van de socialisten, nam zijn plaats in. Kennelijk was de vergadering niet gelukkig met zijn voorzitterschap, want al spoedig legde hij voorzittershamer er bij neer en ….. werd weer opgevolgd door de heer Colijn.
De kwestie zich aan te sluiten bij de “Arbeidersvereniging” bleef de gemoederen bezighouden. Voorstanders voerden aan dat de vakvereniging sterk gemaakt moest worden door samenwerking. Geen aansluiting zou op den duur doodbloeden betekenen! “Een vakvereniging kan zich in tijd van nood niet alleen helpen, solidariteit met anderen is vereist”, zo vond een deel van de afdeling.
Tegenstanders beriepen zich op het feit dat aansluiting het volgen van een bepaalde politiek zou inhouden. Van sterker worden van de vakvereniging zou geen sprake zijn, immers velen zouden De Bond verlaten om bovengenoemde reden. Hiermee zou juist het tegenovergestelde bereikt worden van hetgeen men voor ogen had.

Liberale gedachte wint voorlopig
Voorlopig overwon de liberale gedachte, wat blijkt uit een aantal stemmingen. Voor samenwerking met andere dan onderwijzersverenigingen stemden 5 leden, tegen waren er 6 en 1 stem werd blanco uitgebracht. Verder werd met meerderheid van stemmen o.a. tegen gestemd bij voorstellen de levensomstandigheden van de ouders te verbeteren (woningen, arbeidstijden, minimum loon, ongevallenverzekering, drankbestrijding enz.), uitbreiding van het algemeen kiesrecht en verkorting van de arbeidsdag.
Hoewel de socialisten, onder aanvoering van de jonge onderwijzer P. K. Roetman, voorlopig het onderspit dolven was de strijd tussen de twee kampen duidelijk aanwezig.
Een ander probleem doet zich voor in 1904 bij het 25-jarig jubileum van schoolhoofd Disselkoen. Ondanks de vele grieven van de bondsleden tegenover de handelwijze van genoemde schoolleider verschijnt toch een aantal bestuursleden op de receptie van de jubilaris. Reden voor o.a. penningmeester D. E. Zuidhof en 2e secretaris P. K. Roetman te bedanken voor een verdere bestuursfunctie. Als gevolg hiervan besluit op zijn beurt voorzitter Timmermans, die tot de receptiegangers behoorde af te treden, maar hij wordt bij de eerste bestuursverkiezing weer herkozen.

Opmerkelijk
Uit de vergeelde notulenboeken haalden we een aantal opmerkelijke zaken boven water.
Een zeer merkwaardig feit doet zich voor wanneer de afdeling begin 1902, met algemene stemmen, oordeelt dat “het den onderwijzer verbieden lichamelijk straffen toe te dienen onpaedagogisch is, en nadeelig voor de tucht, zoowel in, als buiten de schooluren.”
Het grote schoolverzuim was de leerkrachten een doorn in ‘t oog. Naar hun mening zou het verstrekken vanuit gemeentewege van schoolkleding en voeding een steentje kunnen bijdragen tot een beter schoolbezoek. Toen men probeerde de afdeling Volksonderwijs voor het idee te winnen, gaf deze vreemd genoeg niet thuis. Even later werd de afdeling zelfs opgeheven.
Een omstandigheid die thans ook niet meer in te denken valt, was de mogelijkheid voor de hoofden van scholen om te beschikken over de vrije tijd van de onderwijzers.
Bij een stemming of de subsidies aan ‘t bijzonder onderwijs verhoogd dienden te worden en er een volkomen gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs moest komen, stemden warempel respectievelijk bij het eerste voorstel één lid en bij het tweede voorstel twee leden voor. Had dit te maken met het late tijdstip van de vergadering of waren de heren onderwijzers even niet bij de les?
Unaniem was men van mening dat gehuwde onderwijzeressen in het belang van het onderwijs de school dienden te verlaten.
Minder opzien zal het baren dat de verenigingskas, waarvoor per lid een bijdrage werd gevraagd van een half procent van ‘t jaarinkomen, in verband met het vele noodzakelijk reizen naar onder andere de Raad van State en het bijwonen van diverse landelijke vergaderingen een beduidend tekort vertoonde. Een contributieverhoging van 1/10 procent, wat over een jaarsalaris van f 600,00 zes dubbeltjes bedroeg, was niet te voorkomen.

Erkenning of toch niet?
Een aantal lessen, zoals handwerken en gymnastiek, diende buiten de schooluren gegeven te worden. Aangemoedigd door het succes van het afschaffen van het ambulantisme diende het bestuur van De Bond een verzoek in bij het College van B & W om de overuren uit te betalen. Een feit dat in het verleden wel eerder plaatsgevonden had maar de laatste jaren achterwege was gebleven. Kennelijk miskende het College het werk van de vakvereniging, want in haar antwoord gaf het gemeentebestuur te kennen alleen met personen te willen onderhandelen op financieel gebied. Een feit dat de discussies binnen de vereniging weer hoog deed oplopen.

07 – Hoe leerde men in de vorige eeuwen lezen?

We belandden in het voorgaande hoofdstuk aan het eind van de 19e eeuw. Tijd om eens te bladeren in de leerboekjes die de kinderen gebruikten in de vorige eeuwen en die eeuw. Uiteraard nemen we ook de draad weer op om het plaatselijke reilen en zeilen van het onderwijs rond de vorige eeuwwisseling toe te lichten.

School-0701De klankmethode
Als we eens in de schoolklas van vroeger konden kijken, zouden we zeker een aantal lezende kinderen aan het werk kunnen zien.
Het belangrijkste vak op de school van vroeger en die van nu was en is lezen.
In het begin van de negentiende eeuw kwam de klankmethode in zwang als vervangster van de spelmethode.

Ging de laatste er nog vanuit dat door het aaneenrijgen van alfabetische klanken; dus via “vee-aa-dee-ee-er” naar het woord vader moest gaan.

Bij de nieuwe methode ging men uit van de klanken.
Het woord haan ontstond door het aaneen smelten van de klanken (h) (aa) (n). Een omwenteling in het leesonderwijs. In betrekkelijk korte tijd leerden de kinderen lezen.

De man achter de methode was de Friese predikant-schoolopziener J. H. Nieuwold.
Naast het werken met klanken kwam bij hem ook het gebruik van beelden om de hoek kijken.

Een verdere uitwerking van de klankmethode kwam op naam van P. J. Prinsen die voor het eerst met losse letters ging werken. Met de spelmethode was het wel gebeurd. Anderen hebben op zijn methode verder geborduurd.
School-0702Rond de eeuwwisseling (1905) kwam de bij ieder nog wel bekende leesplank met de voorstellingen van”Aap, Noot en Mies” van Hoogeveen ten tonele. Rond de dertiger jaren kreeg Hoogeveen concurrentie.

Nieuwe ideeën grepen om zich heen. Het nieuwe heette deglobaalmethode, waarbij niet langer de splitsing van de woorden in klanken, maar de herkenning van het totale woord centraal staat.
De ontbinding in klanken volgde eerst in een later stadium.

Het kind kon al lezen voordat het letters kende. We zijn dan aangekomen bij de bekende boekjes van “An en Moe” die op hun beurt weer plaats moesten maken voor het bekende rijtje van “Boom, Roos, Vis”. Hierbij komt men enigszins terug van de globaalmethode door tegelijkertijd èn het totaalbeeld “boom” èn de klanken (b) (oo) (m) aan te leren. We praten bij deze ( voorlopig) laatste methode van de structuurmethode.

Boekjes
Veel boekjes hadden in de vorige eeuw een zedenkundige strekking. Naast de gebruikelijke leesboekjes kwamen er bij de invoering van de onderwijswet van 1857 ook leer-leesboekjes voor de nieuw ingevoerde vakken, zoals aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde.
Pas na 1900 kwamen de meer op het kind gerichte boekjes van o.a. Ligthart en Scheepstra met illustraties van Jetses. Velen herinneren zich nog wel werkjes zoals “Nog bij Moeder”, met Ot en Sien in de hoofdrol.

Schrijven
Lang is de ganzenveer het schrijfgerei bij uitstek geweest. In het midden van de 19e eeuw was de stalen pen al in gebruik. Rond 1860 verschijnen al speciale schrijfmethoden, zodat meester niet meer eigengemaakte schrijfvoorbeelden moest maken.
Over de vorm van de letters (drukletters of Romeinse letters) en de wijze waarop ze geschreven dienden te worden (schuinschrift of blokschrift) was men het zeer oneens met elkaar. Trouwens, de geleerden hebben heden nog verschil in opvatting op dit punt.
Het schrijfmateriaal is wel veranderd, de kroontjespen is vervangen door de vulpen en de balpen. Van schoonschrijven werd overgestapt naar het aanleren van een handschrift waarbij snelheid naast fraaiheid een rol ging spelen.

Spelling
Pas in 1804 werd de spelling landelijk geregeld. De spelling van de Leidse professor Siegenbeek werd tot de officiële schrijfwijze verklaard. De onderwijzers wisten nu waar ze aan toe waren. Daarvoor bepaalde ieder voor zich wat hij goed dacht. In 1865 kwamen De Vries en Te Winkel met een nieuwe opzet voor de spelling. Wat moest men kiezen: Siegenbeek of De Vries en Te Winkel? Een nieuwe tijd van twijfels brak aan. Twijfels die trouwens ook nu weer heersen na de invoering van de nieuwe spelling. Intussen weet best iedereen dat het pannenkoek is maar beheersen we ook de andere wijzigingen al volkomen? Over de waarde van het juist spellen zijn de meningen vaak verdeeld geweest. Taalonderwijs mag niet louter spellingoefening zijn, maar een goed schriftelijk taalgebruik gaat niet zonder een goede spelling!

School-0703Rekenen
Wie kent niet de uitdrukking : “Dat is volgens Bartjens ….. .” Heeft u er dan ook bij stilgestaan dat met Bartjens de 17-e eeuwse Zwolse schoolmeester Willem Bartjens wordt bedoeld? Van de hand van deze man verscheen het bekende rekenboek “Cijfferinghe” dat twee eeuwen later, (1834) in een weliswaar bewerkte versie onder de naam Vernieuwde Rekenkunst, opnieuw werd uitgebracht en gebruikt werd in de Nederlandse scholen.
Bij Koninklijk Besluit was in 1817 bepaald dat voortaan in ons land gemeten en gewogen zou worden met maten en gewichten geënt op het metrieke stelsel. De meter kwam in de plaats van de el.De vernieuwde uitgave van Bartjens sloot aan op deze ontwikkeling wat nog niet zeggen wou dat de invoering van het nieuwe stelsel zonder slag of stoot plaatsvond. Inhoudsmaten geplaatst in de scholen werden hier en daar gebruikt als opbergplaats voor de meest uiteenlopende dingen die opgeborgen moesten worden. De meetstok met een lengte van een meter diende nog vaak als middel om te tuchtigen.

Vormleer
Een nieuw vak: “vormleer”, een soort eenvoudige wiskunde, dat bij de wet van 1857 werd ingevoerd was geen lang leven beschoren. Niemand die het jammer vond dat het vak in 1889 weer geschrapt werd.
Het rekenonderwijs was zeer gekunsteld, wars van de werkelijkheid. Sommen van reizigers, die in tegengestelde richting vertrokken van twee verschillende punten en elkaar op een bepaald punt moesten tegenkomen en van vollopende emmers door twee of meer op verschillend moment opengedraaide kranen waren aan de orde van de dag.
Het rekenonderwijs kenmerkte zich in later jaren meer als koopmansrekenen, waarbij door het maken van een oneindig aantal rijtjes sommen het een en ander werd ingeoefend.
In de jaren ’90 van de twintigste eeuw werd een ommezwaai gemaakt naar meer wiskundig rekenen dat meer het inzicht op rekengebied traint dan bepaalde trucjes bij de leerlingen inslijpt. Na Bartjens is heel wat gerekend, op velerlei manieren. Een feit is echter dat 1 + 1 nog altijd 2 is en dat de antwoorden van de tafels geen enkele wijziging hebben ondervonden of zullen ondergaan!

Terug naar de Sliedrechtse scholen rond de eeuwwisseling
Op 31 augustus 1898 werd op eendrachtige wijze door de schooljeugd het feest gevierd van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina. Dankzij de getrouwe medewerking van schoolhoofden, onderwijzers en onderwijzeressen van alle scholen kon de uitvoering van een Kinderzangkoor der hoogste klassen van de openbare en bijzondere scholen (ruim 700 kinderen), onder leiding van de heer W. van der Schuijt, op de speelplaats van school 4 gegeven worden. Op de 1e september werd een schoolfeest gehouden voor alle schoolkinderen in hun eigen schoolgebouw, onder leiding van de hoofden van scholen en onderwijzend personeel, met medewerking van een aantal dames. Een feest waarop ieder met veel genoegen zou terugzien. In 1901 op 7 februari had eveneens een groot feest plaats ter gelegenheid van het huwelijk van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik.

Problemen bij de Maranathaschool
In juli 1897 is er voor het eerst sprake van het opheffen van school 1, de Maranathaschool, in Wijk A. Motief hiertoe was o.a. de ongeschiktheid van de verouderde school waarvan bij een stormvloed nog twee lokalen onder water hadden gestaan. De toenmalige schoolopziener Blokhuis wilde niet weten van afkeuring van het gebouw. Immers, het water liep er in en toch ook weer er uit ……… . Bovendien achtte hij de tijd nog niet rijp om schoolhoofd Groenevelt van school 2 met pensioen te sturen en voor hem de heer Disselkoen, hoofd van school 5, in zijn plaats te benoemen, waarmee ook de benoeming van de heer Janse als nieuw schoolhoofd van school 5 niet doorging. Hiermee was school 1 voorlopig gered.

School-0704In de kou
De verwarming van school 1 was ook zeer onvoldoende. In december 1899 zitten de leerlingen veelal in de kou. De duurte van de kolen en het beknibbelen op het loon van de kachelaanmaakster waren de redenen. In plaats van kolen werd kolengruis en kolenstof gestookt. Het loon van de aanmaakster was teruggebracht van f 1,00 met het nodige hout tot f 0,70 zonder hout per week. De vrouw diende een brandend spaantje en een houtje bij gebrek aan grove steenkool op het natte gruis te leggen waarmee de kachel aanwas gemaakt. De lokalen waren als gevolg van dit alles zo rond 9 uur met rook gevuld. Voor 11 à 12 uur lukte het niet de kachel goed door te laten branden, waardoor de leerlingen de eerste uren als verdoofd in de kou zaten.
De aanvangstemperatuur was 0 graden en deze liep ‘s morgens op tot zo’n 10 graden.
Merkwaardigerwijze werd het boven aangehaalde eerst wel in het verslag van de Commissie van Toezicht opgenomen, maar kennelijk na beraadslagingen weer geschrapt. B & W bleven zodoende onwetend van de “koude” feiten …… , hetgeen eveneens gebeurde met de klacht van het hoofd van school 4 in wijk C. Wat niet kent, wat niet deert?
In 1901 is het aantal leerlingen van de Maranathaschool zo groot dat door de Commissie van Toezicht zelfs wordt aanbevolen de school met 2 lokalen uit te breiden.
Aan de school werd een onderwijzer extra toegekend maar van een aanbouw zou geen sprake kunnen zijn. Naar de mening van B & W was het beter een nieuwe school te stichten, gelegen tussen de scholen 2 en 3. Een voorstel waarmee men uiteraard zeer ingenomen was. Nog hetzelfde jaar wordt het besluit door de Raad genomen tot bouw van een nieuwe school ter hoogte van de Boslaan. Het besluit betekende tevens het einde van de school in het Maranathagebouw.

Leerplicht
Het zou nog tot 1874 duren eer de Kinderwet Van Houten werd aangenomen. Hierbij werd het verboden kinderen beneden de 12 jaar in dienst te nemen of te hebben. Helaas was dit niet van toepassing op huishoudelijke en persoonlijke diensten, waardoor het mogelijk bleef kinderen onder de 12 jaar in huis, fabriek of op het land te laten werken onder de hoede van vader of moeder. Een kwalijke maas in de wet!
Leerplicht kwam er pas in 1898. Er was veel tegenkanting tegen de wet. Het was de algemene verwachting dat de kamerleden met een stemmenverhouding van 50-50 het voorstel zouden verwerpen.
Een mol bracht echter redding, want tijdens een ochtendrit trapte het paard van de afgevaardigde baron Schimmelpenninck in een molshoop en wierp zijn ruiter ter aarde. Deze kan wegens een gebroken sleutelbeen niet ter zitting komen en als gevolg hiervan wordt de leerplichtwet van Goeman-Borgesius met 50 tegen 49 stemmen aangenomen. Ieder kind was nu verplicht 6 jaar naar school te gaan. Kinderen boven de 10 jaar konden ten hoogste 6 weken verlof krijgen om mee te helpen bij de land- en tuinbouw of de veehouderij. In 1921 wordt er een jaartje aan de leerplicht toegevoegd en in 1942 verplichtten de Nazi’s de kinderen tot 8 jaren leerplicht. In 1947 werd dit in onze wetgeving overgenomen. Het landbouwverlof komt in 1958 te vervallen.

Vroeg verlaten van de school
Een probleem is nog steeds het op te vroege leeftijd verlaten van de school. In 1898 komt van de schoolopziener een schrijven binnen, waarin de Commissie van Toezicht verzocht wordt er bij de werkgevers op aan te dringen “zich te beteugelen bij het aannemen van jonge werknemers”.
Het aantal kinderen dat te vroeg de school verliet was inderdaad hoog.

Onderstaand staatje – rond 1899 – geeft dit duidelijk aan:
School verlaten voor:         -de 12-jarigen leeftijd         -de volbrachte schooltijd

School 1 in Wijk A            30 %                            61 %

School 2 in Wijk A            29 %                            42 %

School 3 in Wijk B            0 %                             0 %

School 4 in Wijk C            42 %                            72 %

School 5 in Wijk D            44 %                            72 %

Op een aantal van rond de 1100 leerlingen is duidelijk sprake van een zorgwekkende toestand. Besloten werd een circulaire (500 stuks) te verspreiden in de gemeente waarin het probleem werd uiteengezet.
De invoering van de leerplicht in 1898 zou aan deze problemen een eind maken, hoewel de hoofden van de scholen 4 en 5 rapporteerden dat een negental leerlingen ondanks de leerplicht de school links lieten liggen. De invoering van de leerplichtwet betekende voor de scholen automatisch meer leerlingen, waardoor situaties met klassengrootten rond de 60 à 70 leerlingen een nieuw obstakel vormden.
Het ruimtegebrek werd problematisch. In 1902 zouden in totaal 100 leerlingen de scholen verlaten, terwijl er 230 op het punt stonden om toegelaten te worden.
Oplossingen werden bedacht om leegstaande lokalen van school 2 in gebruik te nemen, een klasse van school 1 naar school 2 over te brengen, een nieuwe wijkindeling aan te bevelen.
Er circuleerden zelfs geruchten dat kinderen moesten blijven zitten daar het qua plaatsruimte beter uitkwam.

Overlijden van het hoofd van school 4
Op 10 april 1900 overlijdt het hoofd van school 4 in wijk C, de heer Van der Schuijt. Deze gebeurtenis veroorzaakt een diepe schok binnen de plaatselijke onderwijswereld.
Het zou tevens een herplaatsing van een tweetal schoolhoofden ten gevolge hebben. Tot hoofd van school 4 werd benoemd de heer Disselkoen, voorheen hoofd van school 5. De heer Janse, hoofd van school 1 in wijk A, werd het nieuwe schoolhoofd te Baanhoek.
Duidelijk had Janse hoge verwachtingen van de aan te treffen situatie. Dit viel echter tegen. De leerlingen waren weliswaar geciviliseerder dan aan het boveneinde, maar in de verstandelijke ontwikkeling was hij zeer teleurgesteld……… . Een nieuwe naam is die van de heer T. Hoekstra uit ‘s Gravenzande, benoemd tot hoofd van school 1 in de plaats van de heer Janse.
Een noodlottig sterfgeval overkwam de heer ‘t Hoen die op 1 juli 1902 40 jaar verbonden was aan ‘t onderwijs. Bij het schaatsenrijden in de winter van 1902 verongelukte de genoemde onderwijzer helaas.

De scholen krijgen nummers
Nu er zoveel scholen waren werd het nuttig deze op de één of andere manier aan te duiden. Een naamgeving was in die tijd nog niet gebruikelijk. Alleen in de volksmond werden namen gebruikt, waarbij de scholen vernoemd werden naar het hoofd der school. Een aardige gedachte natuurlijk, maar … een overplaatsing van een schoolhoofd van de ene naar een andere school kon voor veel verwarring zorgen. Van gemeentewege werd voor nummers gekozen. Hierbij ging men in eerste instantie nog uit van een nummergeving, waarbij gekeken werd naar het jaartal waarin de school geopend werd. De school onder de kerk was oorspronkelijk school I, de school aan de Tolsteeg heette school II.
Later werd de “Maranathaschool’ in Wijk A getooid met het nummer 1, de “Groeneveldeschool” heette school 2, de school van de heer Frahm was school 3, de school bij de kerk school 4 en de school op Baanhoek school 5.

De Commissie treedt geheel af
Het aantal schoolgaande kinderen op het boveneind van de gemeente was intussen zo groot dat het gemeentebestuur besloot een nieuwe school te laten bouwen ter hoogte van de Boslaan. Een besluit dat door de Commissie van Toezicht bestaande uit de heren: Dr. P. Langeveld (voorzitter), Y. L. de Jong (secretaris), B.W. de Jong en I.J. van den Berg met gejuich werd begroet.
De heer Langeveld herdacht op 15 januari 1902 het feit dat hij 25 jaar geleden plaats nam in hierboven genoemde commissie.
Ruim een jaar later neemt de heer Langeveld het besluit te bedanken voor het lidmaatschap van de Commissie. Hij is van mening dat B & W en/of de Raad van de gemeente Sliedrecht de laatste tijd herhaaldelijk het advies der Commissie naast zich neerlegt en een negeren van een advies rond het Herhalingsonderwijs voor Meisjes was de druppel die de emmer deed overlopen. De overige commissieleden verklaarden zich solidair en traden allen af, welk besluit per 2 april 1903 aan de Raad werd meegedeeld.

Een nieuwe Commissie
Op 17 september 1903 kwam een nieuw benoemde Commissie voor het eerst bijeen. Benoemd waren de heren: A. Prins de Baat, D. Kroon en Th. Ph. van Papenrecht. Met veel wilskracht, lust en liefde ving men de taak aan, hoewel de leden geheel onkundig waren met de materie en zelf spraken van “katten in een vreemd pakhuis.” Later zou de Commissie aangevuld worden met de heren J. Prins van Wijngaarden en A. A. Hofman.
Het eerste verzoek kwam van de afdeling Sliedrecht van de Bond van Ned. Onderwijzers om een geregelde pauze in te stellen tijdens de schooltijden. Het tweede verzoek kwam van dezelfde groep, waarbij inzage werd gevraagd in het jaarverslag van de schoolhoofden. Hieromtrent zou tevens de mening moeten worden gevraagd van de onderwijzers. Mochten de hoofden van scholen weigeren dan zou het volgens commissielied Kroon aan de leerkrachten gevraagd kunnen worden zelf met een jaarverslag te komen. Het derde verzoek, eveneens van de kant van de onderwijzers, hield in een vraag om de klassen kleiner te maken en alle niet in gebruik zijnde lokalen ter beschikking te stellen. Er zou dan met 28 leerkrachten gewerkt kunnen gaan worden en daar er reeds 27 leerkrachten in de gemeente Sliedrecht werkzaam waren, diende slechts één persoon nieuw te worden aangesteld. Hierdoor zou dan mede aan een grief van de onderwijzers; het ambulantisme* van de hoofden een eind komen.
De commissie had duidelijk behoefte aan informatie. Een abonnement op een tweetal onderwijsvakbladen, t.w. “De Bode” en ” ‘t Nieuwe Schoolblad” werd genomen, zodat men met de visie van de beide partijen, de schoolhoofden en onderwijzend personeel, zou kennis maken.

*( vrijgesteld zijn van lesgeven)

06 – Debating club

De hoofdonderwijzers waren allen lid van de Sliedrechtse Debating Club
School-0601Achterste rij van links naar rechts: J. D. Wetsels (rijksontvanger), C. Groustra (hoofdonderwijzer), A. L. Luyt (boekhandelaar), Danielse (gem. secretaris), P. Langeveld (arts), J. V. Disselkoen (hoofdonderwijzer) , F. Janse (hoofdonderwijzer)  .
Voorste rij van links naar rechts:A. Prins de Baat (arts) , E. D. G. Frahm (hoofdonderwijzer), Ds. Dr. J. W. Lieftinck (predikant), W. van der Schuijt (hoofdonderwijzer) en P. Scheltema ( arts).
P. Langeveld, A. Prins de Baat en Ds. Dr. J. W. Lieftinck waren lid van de schoolcommissie.

Het personeel in 1896
Rond 1896 stonden de volgende personen voor de klas:
School 1: Hoofd Frans Janse, Gerard C.A. Steynis, Andries Kerssen, Jan Zuidhof en Hendrika G. Cramer.
School 2: Hoofd Benjamin J. Groenevelt, Dirk Mackaij, Jan Willem van Gelderen, Lourens Roetman, Dirk E. Zuidhof en Sophia S. Frevel.
School 3: Hoofd Kornelis Groustra, Albertus Schuur, Leonard J. den Hartog, Pieter J Steenhoven en Bertha M. Brinkgreve.
School 4: Hoofd Willem van der Schuijt, Heiwich A. Runge, Jan R. ‘t Hoen, Johannes van der Heide, Pieter J. Groenevelt, Jan van Rugge en Louise W. S. van Vuuren.
School 5: Hoofd Jacob V. Disselkoen, Aart Boer, A. van Weijgerden, Pieter J. de Haan, Teunis Kleijn, Hendrik C. Hellema en Johanna J. A. Damsté.

School-0602
Disselkoen

Een feestdag op school 5 te Baanhoek
Op School 5 werd op 1 mei 1896 een uniek feit herdacht. Onderwijzer A. van Weijgerden, sinds 1877 verbonden aan de school, was op genoemde datum 50 jaar als onderwijzer werkzaam. De dag was voor hem een grote feestdag, maar aan stoppen met werken dacht hij voorlopig nog niet. Eerst in 1901 geeft de dan ruim 70-jarige te kennen ontslag te nemen, maar de vrees de voordelen te ontgaan die zouden kunnen voortspruiten uit de stichting van een weduwen-pensioenfonds weerhield hem toch weer van zijn voornemen.
In 1902 verlaat hij de school uiteindelijk. Schoolhoofd Disselkoen spreekt lovende woorden over Van Weijgerden, die “tot de laatsten dag betoonde een ijver en toewijding, waaraan menig jong onderwijzer een voorbeeld kon nemen.”
Disselkoen

School-0603
Janse

Een mazelenepidemie in 1898
Sliedrecht werd in 1898 getroffen door een mazelenepidemie die het verzuim in de maand juni tot 20 % deed stijgen en in juli zelfs tot 31 %. Gedurende die maanden stond het onderwijs aan de school in Wijk A van de heer Janse bijna geheel stil. Telkens moest met de van ziekte herstelde kinderen de leerstof worden ingehaald. In de lagere klassen waren het de zieken die het onderwijs ophielden, maar in de hogere klassen waren het de gezonden die wegens ziekte van hun jongere huisgenoten moesten verzuimen.
Een feit dat de bevreemding wekte van de heer Janse. De oudere leerlingen konden zijns inziens best de school bezoeken zonder kans op infectie. Bovendien moest het hem van ‘t hart dat het onzinnig was dat onderwijzers de toegang van de school werd ontzegd. Tenslotte hield hij een pleidooi om de mazelen te schrappen van de lijst van besmettelijke ziekten.In Wijk D moesten de leerlingen van de eerste klas, die rond de 70 kinderen telde, op advies van dokter Langeveld, tevens voorzitter van de schoolcommissie, enige tijd thuis blijven.

Een noodkreet van de heer Groustra, het hoofd van school 3
School 3 – immer aan kritiek blootgesteld – gaf in het jaarverslag van 1898 goed tegengas. Herhaaldelijk werd het onderwijs gekraakt. Kennelijk zaten de heer Groustra de, volgens hem onterechte, grieven zeer hoog. In een scherp betoog laat hij de Commissie van Toezicht zijn visie weten.
“Wanneer aan deze school eene vacature ontstaat, melden zich telkens enkel sollicitanten aan, die werkzaam zijn aan eene gewone Volksschool, zonder uitgebreid leerplan. Deze leerkrachten moeten het onderwijs aan de voor hen vreemde inrichting grootendeels opnieuw leeren.”
“Waar Middelbare Scholen voor ‘t zelfde aantal leerlingen driemaal zooveel kosten als eene school met uitgebreid leerplan, is het treurig te constateeren dat de Lagere School achtergesteld wordt bij de Middelbare.”
“Men zou alles in ‘t werk dienen te stellen de School met uitgebreid leerplan, nadat de stichting van een drie-jarige H.B.S. te Sliedrecht werd veroordeeld, te maken tot eene inrichting die de vergelijking kan doorstaan met dergelijke scholen in de steden. In stede daarvan wordt zoveel mogelijk bezuinigd op het onderwijs.”
“Wel heet het gemakkelijk, dat het onderwijs op de school nog niet op orde is! Het is geen eerlijk spel iemand eerst met lamheid te slaan en hem dan te bespotten.’
“Ik kan de gebrekkige inrichting niet voor mijn rekening nemen. De zuinigheid bedriegt hier de wijsheid.”

School-0604
Groustra

Tenslotte raadt de heer Groustra het volgende aan:
– De school moet verbouwd worden.
– Onderwijzers moeten worden aangesteld met hoger salaris en een enkele maal met meer bevoegdheid.
– De inrichting dient zo goed te zijn als ‘t kan. Een plaats met meer dan 10.000 inwoners verdient dit.

Geen malse kritiek van een duidelijk gekrenkt schoolhoofd.
Gezien tegen het tijdbeeld aan het eind van de 19-e eeuw een gedurfd aantal uitspraken.

Eieren voor zijn geld
Hoewel de Commissie het verhaal van de heer Groustra niet geheel onderschrijft, neemt zij de woorden wel serieus en geeft het College van B & W de raad een onderzoek in te stellen, waarbij de hulp van de leden van de Commissie wordt toegezegd.
Bij B & W schoot de opmerking dat de heer Groustra “de gebrekkige inrichting niet voor zijn rekening wilde nemen” in het verkeerde keelgat. Er waren heel wat gesprekken voor nodig om de zaak weer recht te zetten. Het College kon slechts meegaan in het feit dat wanneer onderwijzers moesten worden aangesteld deze met een hoger salaris beloond zouden worden en een keuze gemaakt diende te worden uit personen met meer bevoegdheden.
De heer Groustra werd verzocht zijn opmerking aan het College nader toe te lichten, waarop hij eieren voor zijn geld koos en zijn woorden introk. Van inspraak was aan het eind van de negentiende eeuw nog weinig sprake.

05 – Van de kerk naar C12

Langzamerhand was de school bij de kerk te ouderwets en veel te klein geworden, waarop de gemeente ging denken over de bouw van een nieuwe school (1870). Men ging over tot aankoop van een stuk grond schuin tegenover de kerk. In 1874 was de school gereed. Ook meester Van der Hoeven verhuisde mee naar de nieuwe onderwijzerswoning. Kerk en school werden voorgoed van elkaar gescheiden. De doorgangen van de oude schoolmeesters-woning naar de kerk en de consistorie werden afgesloten.

School-0501Voor het eerst in de geschiedenis (1874) van het Sliedrechtse onderwijs werd er aan de schoolkinderen geen les meer gegeven in de onmiddellijke nabijheid van de kerk. Een gymnastieklokaal en de bibliotheek van het Nut namen de plaats in van de oorspronkelijke bewoners. In 1952 merkte de toenmalige bewoner van het pand, een kapper, bij toeval tijdens een opknapbeurt van zijn woning dat de toren op instorten stond. Dit betekende het einde van het oude schoolgebouw uit 1807 dat plaats moest maken bij de renovatie van de kerktoren.
Het vervangende gebouw heeft tot 1924 als gemeenteschool dienst gedaan. Daarna is het van 1925 tot 1930 gebruikt door de Vereniging voor Christelijk Onderwijs en was er de Julianaschool in gehuisvest. Nadat deze school naar de Merwestraat was verhuisd, kreeg het ruim zestigjarige gebouw een andere functie. In 1935/36 werd een gedeelte verbouwd tot gymnastieklokaal. Dit gebouw stond jaren bekend onder de naam, naar het huisadres, “C 12”. Een school voor Voortgezet Lager Onderwijs en een Verkeersschool waren aan het eind van de vijftiger jaren te vinden in een aantal lokalen. Een gedeelte van de school bestaat nog steeds. Nu is het een onderkomen van de muziekvereniging “Crescendo”. De onderwijzerswoning heeft later dienst gedaan als arbeidsbureau en is alweer geruime tijd geleden afgebroken.

Na de onderwijswet van 1878
Op 17 augustus 1878 werd een nieuwe wet op het lager onderwijs aangenomen. De belangrijkste wijzigingen hier bij waren:
De naam hulponderwijzer verviel. Allen die les gaven werden voortaan onderwijzer genoemd.
De naam hoofdonderwijzer betekende onderwijzer met hoofdakte.
De baas van de school heette voortaan “hoofd der school”.
Het aantal kinderen per onderwijzer werd verminderd tot ca. 40.
Het maximum aantal leerlingen per school werd gesteld op 400.
Zes jaar later werd dit aantal al weer verhoogd tot 600 en werden de klassen weer groter.
De minimumsalarissen werden gesteld op: f 700,00 voor hoofd, f 600,00 voor onderwijzer met hoofdakte en f 400,00 voor een onderwijzer.
Het onderwijs in de laagste klassen zou bij voorkeur gegeven moeten worden door onderwijzeressen.
Invoering van het vak nuttige handwerken voor meisjes.
Het rijk zou 30 % van de kosten gemaakt door het openbaar onderwijs aan de gemeenten gaan vergoeden.

Aantal scholen bij de invoering van de wet
Sliedrecht telde drie jaar na invoering van de nieuwe wet drie openbare scholen voor gewoon lager onderwijs, een openbare school lager onderwijs en voor meer uitgebreid lager onderwijs (MULO) in wijk B en een gesubsidieerde bijzondere school voor meisjes. Deze laatste werd 1882 toegevoegd aan de school in wijk B. Tevens werd in dat jaar besloten tot stichting van nog een school in wijk A. Bovendien werden de eerste geluiden waargenomen van initiatieven tot stichting van een bijzondere school van de zijde der Christelijk Gereformeerden.

De school in wijk A stond onder leiding van de 64 jarige M.J.M. Dulburg Schlief. Naast hem kende de school nog 4 onderwijzers, t.w. de heren W.W.Odink, A. Kerssen, J. Zuidhof en de van de school in Wijk D overgeplaatste C.A.Steijnis. Gezamenlijk gaven zij les aan circa 320 kinderen. Doordat de school slechts vier lokalen kende, moesten twee onderwijzers samen gelijktijdig van een lokaal gebruik maken. Het Sliedrechtse benedeneinde herbergde het armste deel van de bevolking. Mede hierdoor vormde het aantal leerlingen dat gratis onderwijs ontving (10 %) het hoogste percentage in de gehele gemeente.

Het onderwijs in school Wijk B verkeerde voortdurend in een kwijnende toestand. Het aantal leerlingen was slechts 33, hetgeen “voor een groote bloeiende gemeente” met een zeer gering cijfer wordt gewaarmerkt. Het schoolhoofd Frahm werd geassisteerd door de heren L.Roetman en C.H.Otter. Hoewel een drietal leerkrachten voor een gering aantal leerlingen een gunstige uitgangspositie lijkt. kende de school wel degelijk problemen. De zeer uiteenlopende leeftijd 6 t/m 15 jaar en ontwikkeling van de schoolgaande kinderen was voor de klassenindeling een groot bezwaar. Tot de school konden van andere scholen slechts kinderen worden toegelaten die de eerste en tweede klas met goed gevolg hadden doorlopen.
Over de kwaliteit van het onderwijs heerste een duidelijke onvrede. Dit betrof zowel de resultaten als de toestand waarin de leermiddelen zich bevonden.
Tijdens een bijzondere vergadering van de Plaatselijke Commissie van Toezicht, waarbij het schoolhoofd Frahm aanwezig is wordt de kwestie uitgesproken. Hierbij lopen de gemoederen hoog op als de voorzitter van de commissie, de heer Langeveld, de heer Frahm vraagt ” eene andere inrichting van zijne school te geven, opdat het onderwijs meerdere vruchten drage en de ouders niet verplicht zijn hunne kinderen naar kostscholen te zenden.”

De school in wijk C, de meest bevolkte (470 leerlingen) van ons dorp, werd in 1881 getroffen door het overlijden van het schoolhoofd de heer C.J.van der Hoeven. Tijdelijk werd hij vervangen door de heer W. Fermie die daarbij werd bijgestaan door de onderwijzers J.R. ‘ t Hoen, L. ‘t Hoen, L. D. Labberté, J. van der Heijden en J.E. van Duijneveldt. Als het nieuwe schoolhoofd zou worden benoemd de heer C.W.van der Schuijt.
Het gebouw werd tevens gebruikt voor de lessen gegeven door de Rijksnormaalschool op woensdagmiddag en op zaterdag.

De school in wijk D telde vier lokalen, maar had dringend een extra lokaal nodig. Het hoofd van deze school was de heer B.J.Groenevelt, oud 36 jaar. Hij werd bijgestaan door de heren H.de Wolf, A van Wijgerden en J.W. van Gelderen. Het aantal leerlingen dat de school bezocht lag gemiddeld rond de 250.
Ook de inrichting van de school voldoet volgens de plaatselijke commissie van toezicht niet aan de eisen gesteld door dezelfde wet. Wel is reeds op elk der scholen naast de hoofdonderwijzer een onderwijzer in het bezit van de hoofdakte aangesteld.

Naai- en breischool
Veel kinderen verlieten nog vroegtijdig de scholen. Van het bij de wet ingevoerde nieuwe vak in de nuttige handwerken is op de Sliedrechtse scholen in 1881 nog geen sprake. Volgens de Commissie van Toezicht een reden dat met name de meisjes in de hoogste twee klassen de school vaarwel zegden. Het feit dat er aan geen enkele school een onderwijzeres, bevoegd in het geven van de nuttige handwerken, verbonden was zal hier mede aan hebben bijgedragen. De kinderen werden ‘s middags naar een naai- en breischool gestuurd en de ouders vonden het de kosten vervolgens niet waard om de meisjes ‘s ochtends naar school te laten gaan. Bij het huishoudelijk werk kon men best een goedkope hulp gebruiken.

Schoolverzuim
Het schoolverzuim was groot. Met name bij de leerlingen in Wijk D. De reden? Armoede, onverschilligheid, te hoog schoolgeld ……. . Bij de school in Wijk A verzuimden veel kinderen, omdat hun vader het beroep van schipper had. Om het schoolverzuim in te dammen werd besloten tot het uitreiken van beloningen voor getrouw schoolbezoek. De hoofden van scholen dienden hiertoe het verzuim van elk kind nauwkeurig bij te houden. Beloningen bestonden o.a. uit atlasjes en leesboekjes. Aan trouwe schoolgangers, minstens zes jaar schoolbezoek met goed gevolg, werd een diploma, een “eereblijk” uitgereikt. Het resultaat was positief, het verzuim werd in ieder geval sterk teruggebracht.
In het jaar 1881 werd plaatselijk de eerste proef genomen met het schoolsparen. Dit gebeurde op de school in Wijk D. Het resultaat was veelbelovend, zodat men besloot ook in de school in Wijk A een spaarbank op te richten.

De eerste onderwijzeressen
De Plaatselijke Commissie van Toezicht die toentertijd bestond uit de heren K. van Wijngaarden Yzn. (voorzitter), P. Langeveld ( secretaris), A.J. van Haaften, A. Vermaes Mzn en A.J. van der Lee drong aan op het aanstellen van vrouwelijke leerkrachten om bovengenoemd probleem op te kunnen vangen.
In 1882 werden, wellicht als gevolg van bovenstaande, aan twee scholen onderwijzeressen aangesteld. Dat waren de dames H.J. Peiffer in Wijk A, P.Grosjean en E.F. Busé in Wijk B. Een jaar later werd de eerste onderwijzers in Baanhoek gesignaleerd. Haar naam was juffrouw E. de Beer.
Een succes voor de Plaatselijke Commissie van Toezicht die bestond uit de heren: K. Van Wijngaarden Yzn. ( voorzitter), P. Langeveld ( secretaris), A.J. van Haaften, A. Vermaes Mzn en A.J.van der Lee.

Wat het onderwijs in 1881 kostte
Het onderwijs vormde op de gemeentebegroting van 1881 een belangrijke post. In totaal werd een bedrag van f 21218,24 en een halve cent opgevoerd. Door het rijk werd, met uitzondering voor de meisjesschool, voor 30 % in de uitgaven voorzien.

Het bedrag werd uitgegeven aan:
Jaarwedden hoofden van scholen f 5219,84
Jaarwedden en toelagen onderwijzers f11032,63
Jaarwedden en toelagen Kwekelingen f 198,63
Onderhoud gebouwen f 1311,32
Schoolbehoeften f 1172,51
Licht, stoken en schoonhouden f 902,05
Bijdrage pensioen f 366,665 (het halfje ….!)
Schoolcommissie f 50,00
Bijdrage gesubsidieerde meisjesschool f 945,60

De kosten werden gedeeltelijk gevonden uit de opbrengst van de schoolgelden. Dit bedrag, ongeveer 3100 gulden, werd bijeengebracht door een bijdrage van f 0,10 per kind per week. Bij meerdere schoolgaande kinderen uit één gezin bedroeg de bijdrage f 0,05 per ieder volgend kind. “Bedeelden en zij, die schoon niet bedeeld, onvermogend zijn en de minvermogenden, worden niet aan de heffing van schoolgeld onderworpen.” In totaal bedroeg het aantal kinderen dat gratis onderwijs ontving 120 leerlingen.
Voor de elitaire school in Wijk B gold een aparte regeling met hogere bedragen per leerling.

De financiële toestand van de onderwijzers rond 1881
De jaarwedden, vastgesteld door de gemeenteraad, van de hoofden van scholen waren die voor de wijken A, C en D f 1050,00. Het hoofd van de school in Wijk B verdiende f 1530,00 op jaarbasis.
Verder werd aan de hoofden een vrije woning verzekerd, waarvan de fictieve huurwaarde werd vastgesteld op f 250,00 per jaar.
De onderwijzers met hoofdakte ontvingen f 750,00 en een onderwijzer zonder de hoofdacte kwam uit op een bedrag van f 650,00. De leerkrachten aan de school van de heer Frahm verdienden f 250,00 meer per jaar. Het onderwijs aan een school voor meer uitgebreid lager onderwijs werd duidelijk beter betaald.
Eigenlijk waren deze bedragen een verslechtering ten opzichte van een eerdere regeling, waarbij men als onderwijzer op een bedrag van f 700,00 kon rekenen met bovendien een gratificatie van f 50,00 na twee jaar en van f 100,00 na een vierjarig verblijf. De meesten konden echter van de oude regeling blijven genieten, waardoor het mede verklaard is dat er weinig verloop onder het onderwijzend personeel was.
De salarissen waren geen vetpot. Enkele onderwijzers en hoofden trachtten door het geven van privaatlessen en het werk aan de Rijksnormaalschool hun inkomen te vermeerderen.
Van gelijkstelling was nog geen sprake. Een eventueel aangestelde onderwijzeres zou maximaal f 600,00 ontvangen voor hetzelfde te leveren aandeel.
In 1888 werden de jaarwedden zelfs opnieuw verminderd, en wel met f 100,00 per jaar. Een verlaging van ruim 15 %! Tien jaar later is van een verbetering van de salarissen nog geen sprake. Het aanvangsloon bedraagt nog immer f 650,00 per jaar. Het is dan ook geen wonder dat de heer Disselkoen, hoofd van school 5 te Baanhoek zijn beklag doet.
Zowel in 1898 als in 1899 verliet de helft van zijn personeel de school. De continuïteit van het onderwijs werd hierdoor sterk verstoord. Waarom verlieten zoveel leerkrachten de school? Simpelweg omdat de traktementen in andere plaatsen, vooral de steden, hoger lagen! Logisch dus de vele mutaties. Het schoolhoofd spreekt van “arme kinderen, die in hunne leerjaren zo vaak van onderwijzer moeten verwisselen” en van ” wellicht moge ook hier nog eens een traktementsregeling tot stand komen, in ‘t belang van ‘t onderwijs, die tevens zoowel voor Hoofden als van Onderwijzers na een zeker aantal dienstjaren behoorlijke verhoogingen zou toekennen.”
De klacht was niet aan dovemansoren gericht. In 1900 kwam, mede door inspanning van de Commissie van Toezicht een nieuwe regeling tot stand. De hoofden van scholen en een twintigtal onderwijzers en onderwijzeressen brachten hiervoor hun dank uit.

De scholen op een rijtje
Intussen tellen we 7 scholen. De school aan de Tolsteeg is vervangen door een nieuwe op Baanhoek (1850) ongeveer ter hoogte van de huidige spoorbrug. De school onder de toren heeft plaats moeten maken voor de genoemde school aan de overzijde van de dijk (1869). De school in het oosten van de Kerkbuurt (1860) was nieuw en in het oosten van de gemeente fungeerde, sinds 1844, de voormalige wolspinnerij nog steeds als schoolgebouw.
De heer Dullburg Schlief werd, na 38 jaren gefungeerd te hebben als schoolhoofd in Wijk A, in 1885 opgevolgd door de heer F. Janse, voordien onderwijzer te Scheveningen.

School-0502Intussen (1 februari 1884) was er niet ver van deze school verwijderd binnendijks een nieuwe school (7 lokalen) geopend. Deze school kreeg als schoolhoofd de heer B. J. Groenevelt die daarvoor werkzaam was in Wijk D. De school zou later, volgens plaatselijk gebruik, bekend worden naar het hoofd van de school als de “Groeneveldeschool”.
Het nieuwe schoolhoofd in Wijk D werd de heer J.V. Disselkoen. In 1881 kreeg de heer Frahm eervol ontslag als hoofd van school 3 in wijk B. Zijn opvolger werd de heer K.Groustra, hoofd van een school te Edam.
Al in het verslag over het jaar 1885 spreekt de Commissie van Toezicht van overbevolking van de laagste klassen en een jaar later volgt het advies om in de naaste toekomst nog een nieuwe school te bouwen.
Een verzoek dat voorlopig niet gehonoreerd zou worden. Wel werd de school in Wijk C in 1890 verbouwd. Het eerste en tweede leerjaar kregen, als gevolg van de verbouwing, les in het gymnastieklokaal in de oude school onder de kerk, het derde en vierde leerjaar bleven in de school terwijl de hoogste twee leerjaren les kregen in de Consistoriekamer van de Ned. Hervormde Kerk.
In 1889 werd door de vereniging “Tot Heil der Jeugd” op 19 april de school geopend behorende tot de Christelijk Gereformeerde Gemeente te Sliedrecht, hoofd de heer J. Bokhout. Ook deze school kwam te staan onder het toezicht van de Commissie. In 1894 wordt op het adres wijk A 763 een tweede bijzondere school, hoofd de heer P. van Aalten, geopend.

Niet altijd lovend
In de jaarverslagen is de Commissie lang niet altijd lovend over de geleverde prestaties van de leerkrachten. Zo wordt gesproken over een onderwijzeres die haar taak ziet als “eene die afgewerkt moet worden”, een onderwijzer die “een ongunstige uitzondering vormt op het bevredigende onderwijs aan een school”, een onderwijzer die “alle pedagogisch talent mist” en een onderwijzer die “in geen enkel opzicht voor zijne taak berekend is”.
Het feit dat aan de school in Wijk C twee onderwijzeressen zijn aangesteld, werd niet positief beoordeeld. “Het onderwijs zou er hierdoor niet mee op vooruitgegaan zijn.”
De uitspraken vallen bij de schoolhoofden niet in goede aarde. De Commissie geeft hen echter als antwoord dat ” de Commissie bevoegd en verplicht is het verslag zelfstandig op te maken, zonder daarvan rekenschap te geven aan de hoofden van scholen.”
Trouwens, niet alleen schoolhoofden gaven acte de préséance bij de Commissie, ook leerkrachten dienen zich zo nu en dan te komen verantwoorden voor hun (on)pedagogisch gedrag ten aanzien van leerlingen. Een bewijs dat de Commissie zeker geen wassen neus vormde in ons dorp. De kennis van zaken werd vergaard uit maandelijkse bezoeken aan de scholen. Wensen bleven er voor de heren wel. De leerplannen konden meer uniformiteit gebruiken. Een aanpassing van de schoolbanken, met name in de oude school in Wijk A (uitgevoerd 1890) en in de school van Wijk C, zou geen overbodige luxe zijn. Het schoonhouden had ook niet ieders goedkeuring, terwijl hier en daar van een rioollucht sprake was.
In 1886 is voor het eerst sprake van de aanwezigheid van een schoolbibliotheek op een der scholen (Wijk C). Vrijwillige bijdragen van enkele dorpsgenoten stelden het hoofd der school in staat enige boeken te kopen. Gebrek aan fondsen belette echter een uitbreiding.
Een nieuw onderwerp van discussie was de invoering van de vrije- en ordeoefeningen (gymnastiek) in het leerplan of dat men wenste te wachten tot het jaar van verplichtstelling (1893). Na enige discussie wordt voorlopig tot het laatste besloten. Erg wilde het niet vlotten met de invoering, want de scholen 1, 2 en 5 kregen tussen 1897 en 1902 een vrijstelling tot het geven van gymnastieklessen. Met dit voorstel was de Commissie van Toezicht het t.a.v. school 2 niet eens, daar de school over een goed in te richten overdekte speelplaats beschikte.
De hoofden van scholen werd tevens verzocht de leerlingen van de twee hoogste klassen bekend te maken met de muntstelsels van andere landen, vooral op grond dat “tegenwoordig vele ingezetenen uit de volksklasse zich naar het buitenland begeven tot uitoefening van hun bedrijf.”
Het probleem van de te grote aantallen kinderen werd zo nijpend dat de schoolopziener tot de conclusie kwam dat “inhalingsonderwijs” na schooltijd verplicht gegeven moest worden door de onderwijzeressen aan de kinderen die het klassikaal onderwijs niet konden volgen. Ook de nuttige handwerken dienden buiten de schooluren gegeven te worden (1888).
Voor het nieuwe commissielid J. W. Lieftinck waren deze maatregelen kennelijk nog niet voldoende want hij stelde voor om voortaan ook op zaterdagmorgen school te houden. De heer Groustra van School 3 was reeds van plan deze wijziging in zijn leerplan op te nemen. Met de schoolopziener werd contact opgenomen om de wijziging door te voeren voor alle openbare scholen. Begin 1893 ging de schoolopziener akkoord en is de zaterdagochtend met ingang van het nieuwe cursusjaar een schooldag geworden.
Problemen met leerlingen zijn niet van vandaag en gisteren. Regelmatig worden tegen lastige figuren maatregelen genomen. Het veertien dagen verwijderen van de school was een veelvuldig toegepaste straf. Op de school van de heer Janse in Wijk A vonden op 26 mei 1894 zelfs zodanige ongeregeldheden plaats dat het schoolhoofd genoodzaakt was alle leerlingen ‘s middags vrij te geven.
Een opvallende klacht betreft de aanwezigheid van een kwalijk riekende mestvaalt op de speelplaats van school 3 in de Kerkbuurt. B & W nemen direct maatregelen ……

04 – De wet van 1857

Al eerder zagen we dat de wet van 1806 een aanleiding was tot een schoolstrijd tussen de voorstanders van openbaar en bijzonder onderwijs.
De nieuwe wet van 1857 poogde hieraan een eind te maken, maar slaagde er niet in. Integendeel, er werd wel vrijheid gegeven tot het oprichten van scholen, maar er zou slechts rijkssubsidie gegeven worden wanneer de scholen voor iedereen toegankelijk zouden zijn. Met andere woorden steun was er alleen voor scholen van hetzelfde karakter als de openbare. De vrijheid werd weliswaar vergroot, maar echt tevreden waren de partijen niet. Het aantal bijzondere scholen nam na 1857 snel toe, want de voorstanders van confessioneel onderwijs konden nu scholen stichten geheel “buiten bezwaar van ‘s lands schatkist”. Men was daarbij afhankelijk van vrijwillige bijdragen, schenkingen en schoolgelden. De schoolstrijd werd er nu tevens een van een strijd om de subsidie, waarbij het openbaar onderwijs zat intussen ook niet stil zat. In 1866 werd op tweede paasdag in het Friese Heerenveen een vergadering belegd die de aanleiding zou vormen tot de oprichting van de “Vereniging tot bevordering van het Volksonderwijs” op 25 mei van dat jaar te Leeuwarden.

De kenmerken van de wet van 1857 waren:

*Voorgeschreven werd welke vakken er gegeven moesten worden. Dat waren er 9 namelijk lezen, schrijven, rekenen, vormleer, Nederlandse taal, aardrijkskunde, geschiedenis, kennis der natuur en zingen. Ook voor het meer uitgebreid lager onderwijs (MULO) werd een nadere omschrijving van de vakken gegeven.
*De schoolopziener kreeg de bevoegdheid om lokalen die schadelijk voor de gezondheid of te klein waren af te keuren.
*De onderwijzer diende in het bezit te zijn van bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid; de opleiding moest plaatsvinden op kweekscholen, rijksnormaalscholen of aan de openbare scholen zelf.
*Onderwijs kon gegeven worden door hoofd- en hulponderwijzers en kwekelingen van beiderlei kunne. Voor de vrouwen werd één rang ingevoerd, die van schoolhouderes.
*De onderwijzers kregen hiermee de erkenning zelfstandig met een onderwijstaak belast te zijn en waren niet langer de “hulpjes” van het schoolhoofd!
*De 4 rangen, die de wet van 1806 kende, werden teruggebracht tot 2. De eisen bij de examens werden verzwaard, waarmee het peil bij de onderwijzers steeg.
*Het schoolhoofd moest door een kwekeling worden bijgestaan bij meer dan 70 leerlingen, bij meer dan 100 door een hulponderwijzer, bij meer dan 150 door een hulponderwijzer en een kwekeling, bij meer dan 200 door 2 hulponderwijzers.
*Het wettelijk minimumsalaris voor schoolhoofd werd vastgesteld op f 400,= per jaar plus vrije woning en tuin en f 25,= voor de opleiding van een kwekeling. De hulponderwijzer ontving minimaal f 200,= per jaar.

Onvrede tussen schoolhoofden en onderwijzers
De nieuwe onderwijswet van 1857 bracht voor de opleiding van de schoolmeester en schooljuffrouw ook grote veranderingen. Zo werd het aantal rijkskweekscholen, waar de studie gevolgd kon worden tussen 1860 en 1880 van één naar zeven uitgebreid. In de grotere steden ontstonden de eerste gemeentelijke kweekscholen. Amsterdam had de primeur in 1876. In het aantal via toelatingsexamens geplaatste leerlingen zat een stijgende lijn. De kweekscholen waren op verre na niet in staat voldoende personeel op te leiden, zodat de kwekelingen op de scholen zelf ook nog het vak konden leren.
Steeds meer geschoold personeel vond een plaats binnen de schoolmuren. Qua opleiding staken zij gunstig af bij het oudere personeel. Hierdoor groeide een tegenstelling tussen het op de scholen aanwezige oudere personeel. Een situatie die er niet beter op werd, doordat de ouderen meestal doorschoven naar de banen van schoolhoofd. Een veel beter betaalde baan, waarbij het salaris 2,3 maal zo hoog was dan dat van de onderwijzer. De tegenstelling van slecht of gebrekkig opgeleiden met weinig algemene ontwikkeling tegenover goed of tenminste beter opgeleiden en de financiële achterstelling van de onderwijzers brachten in veel gevallen spanningen met zich mee De onderlinge verhoudingen werden vaak bedorven en voor de ondergeschikte onderwijzers werd de toestand vaak ondraaglijk. De schoolhoofden hadden al sinds 1842 de mogelijkheid zich aan te sluiten bij het Nederlandsche Onderwijzers Genootschap (N.O.G.). Voor de onderwijzers was hierin geen plaats. Uiteindelijk zou de onvrede leiden (1874) tot de oprichting van de “Bond van Nederlandsche Onderwijzers”.

Schooltoezicht
Gegrond op de onderwijswet van 1806 werd in mei 1842 een nota opgemaakt door een Provinciale Commissie van Onderwijs.
Hierin werden nog eens duidelijk de regels gesteld, die in acht moesten worden genomen door plaatselijke commissies belast met het toezicht op het onderwijs.
Een “Commissie van Plaatselijk Toezigt”, bestaande uit eenige bij de Districts-Schoolopziener bekende en vertrouwde personen kreeg na een aanstelling van het gemeentebestuur het toezicht op enige hoofdaangelegenheden van het Schoolwezen.

De taken bestonden uit:

* Het behulpzaam zijn en ondersteunen van de schoolopziener.
* Het doorgeven van vacatures en andere voor het plaatselijke onderwijs belangrijke zaken.
* Zorg voor behoorlijk ingerichte schoolvertrekken, het nodige meubilair en hulpmiddelen.
* Controle op de reinheid. Zo moesten de lokalen tweemaal per week gereinigd worden, tussen de schooltijden geluchr worden en ‘s winters op een voor de gezondheid niet nadelige wijze verwarmd worden.
* Toezicht houden op het naar school gaan van alle leerlingen. Vooral op de kinderen, die tot de arme en minvermogende klasse behoorden, diende gelet te worden.
De kinderen moesten “allen zindelijk en gewasschen ter school komen, geen afzigtelijke of besmettelijke ongemakken hebben en voorzien van de Koepok-inënting”.
Kinderen uit gezinnen, waar de kinderpokken of een andere besmettelijke ziekte heerste mochten de school niet bezoeken, zolang de besmetting duurde.
* Aandacht voor het feit dat de onderwijzers en onderwijzeressen de bepalingen op het onderwijs nauwlettend naleefden
De orde en tucht dienden volgens opvoedkundige beginsels, zonder het gebruik van oude strafwerktuigen of verworpene dwangmiddelen gehandhaafd worden. De leerkracht had zich in alle opzichten voorbeeldig te gedragen.

De werkzaamheden van elke klas moesten gedurende elke schooltijd volgens een opgemaakt rooster – zichtbaar in de school opgehangen – gegeven worden.
De commissie diende op geregelde tijden schoolbezoeken te houden, zodat het reilen en zeilen van de scholen goed in de gaten kon worden.
De maatregelen, die de commissie in het belang van het onderwijs kon nemen, beperkten zich uitsluitend tot aanmoediging, opwekking, hulpbetoon en overreding van ouders, leerlingen en onderwijzers.
Mocht de commissie het nodig vinden om strengere maatregelen te nemen diende overleg met de schoolopziener plaats te vinden.

De betekenis van de schoolcommissie was – dat zal duidelijk zijn – gering. Zaken als schooltijden, vakanties, schoolgeld konden geregeld worden. Van een medezeggenschap inzake het onderwijs was zeker geen sprake.

Instelling schoolcommissie (1857) in Sliedrecht
Bij raadsbesluit van 22 december 1857 werd in Sliedrecht een plaatselijke schoolcommissie ingesteld die de taak kreeg toezicht te houden op het onderwijs. Op 20 januari 1858 kwam de commissie bestaande uit 5 leden voor de eerste maal bijeen. Tot voorzitter werd gekozen W.M.van Haaften, secretaris werd J.A.van Hattem. Leden waren J. Prins Visser, J. Luyt en W.W. Kalis.
Een van de eerste werkzaamheden was het opstellen van een nieuw schoolreglement voor de onderwijzers.
Besloten werd schoolhoofd Van der Hoeven zijn aanstelling als koster, voorzanger en klokluider, welke volgens de nieuwe wet niet zou stroken met het karakter van de school, niet te ontnemen. Het feit dat van de 5972 inwoners er 5815 “de gereformeerde leer toegedaan” waren en men mede hierdoor niet al te veel te vrezen had voor een kerkelijke invloed op de school was hieraan niet vreemd. Een van de eerste daden van de commissie was een bezoek brengen aan de drie Sliedrechtse scholen. Doel van dit bezoek was een onderzoek op de scholen naar de vorderingen van de kinderen, waarvan de ouders van de “bedeling” leefden.
Viermaal per jaar werden de kinderen tot de scholen toegelaten. De ouders, die onderwijs voor hun zoon of dochter wensten, moesten hun kind aanmelden bij de secretarie. In totaal woonden (1863) er in ons dorp 1380 huisgezinnen. Voor de drie bestaande scholen betekende dit 460 huisgezinnen De schoolcommissie zorgde voor een verdeling van de leerlingen over de scholen. Aan de hand van deze cijfers werden de “schoolgrenzen” bepaald. Voor de school in wijk A was dit vanaf de grens met Giessendam tot aan de bewaarplaats van de brandspuit bij Wijk B 19. De school in Wijk C kon rekenen op de leerlingen vanaf genoemd brandspuithuisje tot aan de korenmolen in Wijk C. Voor de school in wijk D resteerden de kinderen vanaf de korenmolen tot de grens met Papendrecht.

Schoolgeld en Schoolverzuim
Rond 1860 was de kinderarbeid nog vrij algemeen. Werkeloosheid en armoede teisterden een groot deel van de bevolking. Landelijk gezien leefde een zevende deel van de mensen van de “bedeling”. Het schoolverzuim nam een ontstellende omvang aan. Behalve kinderen die nooit de school bezochten, waren er ook die te hooi en te gras aan het onderwijs deelnamen. Het in 1806 ingevoerde klassikale onderwijs was door de vele absenten bijna onmogelijk.
Hoewel de bevolking van ons land tussen 1860 en 1880 met 25% toenam hield het schoolbezoek hiermee zeker geen gelijke tred. Sterker, landelijk gezien was het aantal schoolgaande kinderen tussen de 6 en 12 jaar afgenomen van 34% naar 14%. Cijfers die enigszins verdoezeld werden doordat in absolute cijfers gezien nauwelijks sprake was van een daling. In 1862 bezochten zo’n 100.000 kinderen de school en in 1880 waren dit er 90.000. Een negatief saldo van 10.000 (10%) en dat terwijl de bevolking van ons land in dezelfde jaren met 25% was toegenomen.
Een feit, waarover vooral de in 1866 te Leeuwarden gestichte Vereniging tot bevordering van het Volksonderwijs zich ernstige zorgen maakte. Hierbij vroeg zich men af waar, waarom en door wie het verzuim vooral werd gepleegd. Het was overduidelijk dat men de schoolverzuimerts aantrof in de kringen van de armen. De armoede belemmerde het inzicht, belemmerde de belangstelling en eiste de kinderen op voor de arbeid. Men hoopte de situatie te verbeteren door in plaats van “armenscholen” daarvoor de “kosteloze scholen” in te stellen. Kosteloos onderwijs diende ingevoerd te worden voor de minvermogenden.
Het enige afdoende middel tegen het schoolverzuim: instelling van de leerplicht was nog lang niet aan de orde.
Sliedrecht stak nog gunstig af bij het bovenbeschreven beeld, doch het aantal kinderen waarvoor geen schoolgeld, 12,5 cent per week, werd betaald bedroeg 236. De gemeenteraad bepaalde welke kinderen gratis de school konden bezoeken en voor wie er schoolgeld betaald moest worden. Verder kende ons dorp een unieke groep schoolverzuimerts, namelijk zij die de school tijdelijk verzuimden. Dat waren zij die, zoals de volksklasse dit noemde, buiten-af waren.
Zij die “voor hunne stand genoegzame kundigheden hadden opgedaan” dienden de school te verlaten om plaats te maken voor anderen……. . Dit kwam veel ouders overigens niet slecht uit, want de kinderen konden op jonge leeftijd al “in de verdienste” worden gebracht.

Het onderwijzend personeel te Sliedrecht in 1858
In het jaarverslag over 1858 lezen we dat in de school in wijk A naast het schoolhoofd Dullburg Schlief de hulponderwijzer Karel van der Zijde werkzaam is. De school werd “in voldoende staat bevonden” en telde circa 195 leerlingen.
In wijk D werd het schoolhoofd Bogaard bijgestaan door hulponderwijzer Teunis Houtzager. Deze school telde gemiddeld 210 leerlingen
De school aan de kerk werd als laatste bezocht. Hier werd het schoolhoofd Van der Hoeven bijgestaan door hulponderwijzer Gijsbert Overeem. Zo’n 190 kinderen bezochten de school. Aan deze school werd ook onderwezen in het meer uitgebreid lager onderwijs. Enige jaren later zou de nieuw gestichte school in Kerkbuurt-Oost deze taak overnemen.
De hulponderwijzers Van der Zijde en Overeem waren in het bezit van de akte van bekwaamheid van de 3e rang. Alle anderen bezaten die van de 2e rang.
Hulponderwijzers waren in het begin van de jaren ’60 moeilijk te verkrijgen. De nood aan de school van Van der Hoeven was zelfs zo groot dat een kwekeling, Jacob Kros, van 14 jaar de leerlingen onder zijn hoede kreeg. Kennelijk heeft de jongeman goed gefunctioneerd. Dat valt op te maken uit zijn beloning die bestond uit het gedurende één jaar gratis mogen volgen van het meer uitgebreid lager onderwijs.
Nadat, op verzoek van de schoolcommissie, het salaris van de hulponderwijzer door de gemeenteraad werd verhoogd (april 1862) met f 50,00 per jaar van f 400,00 tot f 450,00 was de belangstelling opeens veel groter om in Sliedrecht aan de slag te gaan.
Later (1868) toen het aanbod groter was, deed de raad nog een poging het bedrag weer met f 25,00 te verlagen. Dit leed echter schipbreuk toen bleek dat hulponderwijzer Bouman direct verklaarde op te stappen.
In 1862 verviel tevens de bepaling van de wederzijdse opzegtermijn van drie maanden. Voor de gemeente natuurlijk een waarborg om een ongeschikte onderwijzer te ontslaan zonder de plicht van het salaris door te moeten betalen. Aan de andere kant veroorzaakte genoemd besluit het ” duiventil-effect” voor wat de hulponderwijzers betrof. Om de meest uiteenlopende redenen verliet men de Sliedrechtse scholen, waarna de opvolger weer neerstreek.
Van een enkel geval is het bekend dat de verstandhouding tussen het schoolhoofd en de hulponderwijzer de reden was tot het vertrek van de laatstgenoemde. Dit vond plaats toen de hulponderwijzer Mackaij weigerde de bevelen van de hoofdonderwijzer Bogaard op te volgen en lastig was voor zijn collega’s. Hem werd aangeraden zijn ontslag in te dienen, wat hij dan ook maar deed… .
Een ander opvallend ontslag was dat van de hulponderwijzer Immerzeel aan de school in wijk A, waarbij het schoolhoofd, Dullburg Schlief, “niet ongepast vond in het belang van het onderwijs eens te verwisselen van hulponderwijzer”. Hoewel van ontevredenheid geen sprake was, steunde de schoolcommissie het verzoek en de heer Immerzeel kreeg van de raad weliswaar eervol ontslag, maar diende wel naar een andere baan uit te zien ….. .
Ontslagen en benoemingen waren een zaak van de gemeenteraad. Aan de schoolcommissie werd advies gevraagd bij de voordracht. In 1868 voelde de commissie zich echter zodanig gepasseerd dat ze haar bevreemding uitsprak over het ontslag en de benoeming van hulponderwijzers zonder daar in gekend te zijn. “Het is zeer onaangenaam voor de commissie bij een schoolbezoek hulponderwijzers op de scholen aan te treffen, wien men niet kent en van hare verwisseling geen andere kennis draagt dan bij mededeeling van een afschrift van het verleende ontslag of aanstelling.”
Tevens waren er nog twee bijzondere scholen. Een daarvan was een meisjesschool in Wijk B Mejuffrouw Van Bunge gaf les aan 22 leerlingen. Schoolgeld betalen was voor deze school een verplichting. Desondanks gaf het leerlingenaantal zoveel zorgen dat het aan Van Bunge werd toegestaan om kinderen vanaf de leeftijd van 5½ jaar toe te laten als het aantal kinderen onder de 25 zou blijven. Het schoollokaal werd door de schoolcommissie niet geschikt bevonden. Naar een andere ruimte werd naarstig gezocht. Suggesties varieerden van een nieuw lokaal tot een lokaal op de leegstaande bovenverdieping van de school in wijk B
De andere bijzondere school, voor jongens en meisjes, eveneens in Wijk B, o.l.v de heer Berman, gaf onderdak aan 16 leerlingen. Een jaar later wordt deze school niet meer genoemd. Wel is dan sprake van een jongensschool in Wijk B, hoofd de heer W.J. van Ravesteyn. Slechts 12 jongens volgden de lessen.
De commissie toonde zich zeer tevreden over de kwaliteiten van het lager onderwijs, maar ten aanzien van het meer uitgebreid lager onderwijs waren er enige bedenkingen.
Tenslotte geeft de schoolcommissie het volgende advies aan het College van B & W: “Vermeerdering van schoolruimte en onderwijzers en ruime toepassing ten aanzien van het gratis schoolgaan”.
Om een indruk te krijgen van de grootte van de schoollokalen laten we de maten hieronder volgen.
School Nr 1: 12,20 el lang, 8, 20 el breed en 4,3 el hoog
School Nr 2: 15,– el lang 7,– el breed en 6 el hoog
School Nr 3: 14,33 el lang, 8,25 el breed en 5,09 el hoog

School-0401Het college neem de schoolcommissie serieus
In 1858 ( 8 november) besloot de raad een terrein in de oostelijke Kerkbuurt aan te kopen. Op dit terrein werd de vierde gemeenteschool gebouwd. De opening vond plaats op 2 januari 1861. Schoolhoofd werd de heer E.D.C. Frahm. Naar Sliedrechts gebruik in die tijd kreeg de school in de volksmond al gauw de naam van de “Frahmeschool”. Naast het lager onderwijs werd aan deze school tevens meer uitgebreid lager onderwijs (M.U.L.O.) gegeven. De school was slechts toegankelijk voor kinderen waar schoolgeld voor werd betaald…….. .
Later stond het gebouw bekend onder de naam “De Korf”. Er was o.a. de huishoudschool en later de ambachtsschool in gevestigd. Weer later diende het gebouw als meubeltoonzaal.
Reeds drie jaar later (1864) bleek dat het probleem van meer schoolruimte met de opening van de school in wijk B niet opgelost was. Burgemeester en Wethouders stelden de raad voor geen leerlingen meer in te schrijven op te overbevolkte school in wijk C bij de kerk. De leerlingen moesten geplaatst worden op de school van de heer Frahm. Dit schoot bij de schoolcommissie in het verkeerde keelgat, want hierdoor zouden belangen van de leerlingen geschaad worden. Een toename van het aantal leerlingen en wie zou zeggen wanneer ook leerlingen waarvoor geen schoolgeld zou worden betaald toegelaten zouden worden, was kennelijk niet in het belang van de gegoede burgerij. In de notulen lezen we o.a.: “De gegoede ingezeten burgerstand heeft eene regtmatige aanspraak op het aanwezig zijn van eene zoodanige school” en ” het zeer ten naadeelen zal werken op de overige kinderen, welke alhoewel nog geen uitgebreid onderwijs ontvangen toch beschouwd kunnen worden, daar aanwezig te zijn om opgeleid te worden tot dat meer uitgebreid onderwijs”. Kunnen we hier spreken van een “eliteschool”?
Het eind van het liedje was, dat de schoolcommissie maar weer met een voorstel kwam tot het stichten van een nieuwe school in wijk B of C met een ruimte voor 500 leerlingen en de bestemming voor de school van de heer Frahm te laten voor wat het was. Tevens zou hiermee een oplossing gevonden worden voor de bijzondere school van Van der Bunge. De school en het schoolhuis in wijk C kwamen zodoende vrij voor de meisjes.
De raad toonde zich niet gevoelig voor het voorstel. Integendeel door het schoolgeld van de school in wijk te verlagen en gelijk te stellen met de andere scholen “degradeerde” men de school van de heer Frahm tot een “ordinaire” volksschool. Alleen de restrictie dat kinderen waarvoor schoolgeld werd betaald toegelaten werden bleef voorlopig nog gehandhaafd. Op de school van Van der Hoeven werden de kinderen van de minder vermogende ouders toegelaten Om een beeld betreffende de bekrompenheid van de school bij de kerk te schetsen enige cijfers. De vloeroppervlakte bedroeg ongeveer 70 m², het aantal leerlingen dat daarop bivakkeerde in september 1866: 284. Dat wil zeggen ongeveer 4 per m² …. . Duidelijk een noodsituatie om onder deze omstandigheden te werken. De commissie zette terecht meer druk op de ketel door de gemeenteraad aan te sporen tot nieuwbouw. Zelfs het dreigement de schoolopziener in de zaak te mengen werd gebruikt.
In 1866 was de raad uiteindelijk ook overtuigd van de noodzaak een nieuwe school te bouwen, maar het zou echter nog 8 jaar duren eer het zover was dat het schoolgebouw geopend werd. De school in wijk C kon en mocht voorlopig geen nieuwe leerlingen aannemen, zodat naarstig werd gezocht naar een oplossing. De school in wijk A zou vergroot moeten worden, waardoor een tijdelijke oplossing zou komen voor het ruimteprobleem.

Problemen op de school van Frahm

School-0402
Frahm

Merkwaardig te noemen is dat de zomervakantie, door de raad vastgesteld, van school tot school kon verschillen. Zo kreeg de leerlingen van de hierboven genoemde school in 1863, op verzoek van hoofdonderwijzer Frahm, 14 dagen vakantie in plaats van de gebruikelijk week. De overige scholen moesten na een week de schooldeuren weer openen.
Aan regels werd door de schoolcommissie veel waarde gehecht. Dit bleek wel toen het schoolhoofd, Frahm, werd aangesproken op het feit dat de tafel der werkzaamheden (het leesrooster), niet voorhanden was. Genoemd schoolhoofd had het echter te druk om een rooster op te stellen. Hij verzocht prompt (1862) de raad een tweede hulponderwijzer aan zijn school aan te stellen – wat ingewilligd werd – en daarna kreeg hij zijn handen vrij om aan de gestelde eis van de schoolcommissie te voldoen.
Frahm
Veel meer tongen kwamen los, toen bekend werd dat op de school van meester Frahm de hand werd gelicht met artikel 11 van het huishoudelijk reglement, namelijk de verordening de schooltijd te openen met gebed. Dadelijk kwam de schoolcommissie in actie en werd Frahm op het matje geroepen. De hoofdonderwijzer verklaarde ” een overwegend bezwaar te hebben, ook in verband met de wet op het openbaar onderwijs, in zake van godsdienstige overtuiging”.
Zowel tegenover de onderwijzers, als de leerlingen diende genoemde wet in acht te worden genomen. Het gewraakte artikel diende volgens Frahm te verdwijnen uit het reglement. Aan de onderwijzers moest de vrijheid gelaten worden al of niet met een gebed de schooltijd te beginnen. De commissie veranderde haar standpunt niet en wees het schoolhoofd nogmaals op zijn verplichting ten aanzien van het gebed. Mocht hij nog niet tot inkeer gekomen zijn dan diende hij zich maar met zijn verzoek tot de raad te wenden. Al met al een duidelijke vorm van protest tegen het gezag en dat in het jaar 1865… .

Telegraafkantoor
Een probleem van een geheel andere aard was de inkwartiering van een telegraafkantoor op de bovenverdieping van de school. In de school heerste blijkbaar een enorme rust, want de vloeren dienden belegd te worden met matten om geluidsoverlast te voorkomen. De telegrafist werd te kennen gegeven zo weinig mogelijk bewegingen te maken die het onderwijs in de school stoorden… .
De telegrafist op zijn beurt sloeg onmiddellijk terug. Bij de schoolcommissie komt zijn brief aan, waarin hij klaagt over de verregaande ongeregeldheden, welke plaats vinden op de school in wijk B. Na onderzoek bleek dat een school en een telegraafkantoor niet binnen één gebouw konden functioneren. De gemeenteraad werd geadviseerd uit te kijken naar een andere ruimte voor het telegraafkantoor.
De school van de heer Frahm kwam ook weer in opspraak, nadat een raadslid te kennen had gegeven, dat op het gedeelte, uitsluitend bestemd voor lager onderwijs, door de leerlingen zeer onzedelijke woorden gebezigd werden.
De heer Frahm, hierover aangesproken, vraagt opheldering naar de informant van het raadslid om zodoende de zaak nader te kunnen onderzoeken.

Gymnastiek
Zoals eerder gezegd nam in 1866 het plan tot stichting van een nieuwe school serieuze vormen aan. De schoolcommissie zat al enige tijd met het probleem in de maag dat aan de wet op het lager onderwijs geen uitvoering kon worden gegeven ten aanzien van het vak gymnastiek. Dit om de eenvoudige reden dat er in de gemeente geen geschikte ruimte aanwezig was voor deze lessen. Het op termijn vrijkomen van het schoolgebouw aan de kerk werd als een unieke mogelijkheid gezien om daarin te voorzien.
De behoefte was groot en de kosten, f 200,00 per jaar, voor een gymonderwijzer mochten geen bezwaar vormen. In 1868 ging dit voorstel naar de raad. De gezondheid van de leerlingen had hierbij duidelijk een prioriteit. Immers ziekten zoals t.b.c., epidemieën (cholera) kwamen in deze tijd nog veelvuldig voor. Het voorstel van één der schoolcommissieleden, de heer Prins Visser, waarin werd voorgesteld de schooldag met een half uur per dag in te korten, werd door de gemeenteraad aangenomen.

Klachten en feest
Klachten kwamen op het bureau van de schoolcommissie terecht. Het ging daarbij om het feiten zoals; het sluiten van de schooldeuren, waardoor telaatkomers hun vertier maar op straat moesten zoeken, het niet toestaan van verblijven tijdens pauzen in de school bij regen of bij het opeten van de boterham in de middagpauze. “Schooltje makken” kwam ook nog wel eens voor. De onderwijzers werd opgedragen de namen van de wegblijvers aan de commissie door te geven. Dit gold ook voor wat betreft de leerlingen die zich misdroegen ten opzichte van de hulponderwijzer. Als maatregel zou verwijdering van de school plaats kunnen vinden. Ook toen waren kennelijk niet alle kinderen lieverdjes…
Onderwijzers ontkwamen evenmin aan ingediende klachten. De hulponderwijzers van de school in wijk D werden beschuldigd van het kastijden van de schooljeugd.
De leerlingen bezorgden ook buiten de school nogal eens voor overlast. In 1864 werd in het herziene schoolreglement opgenomen dat de hulponderwijzers opgedragen werd de jongelui bij het verlaten van de school een eind weegs te volgen. De leerkrachten hadden enige moeite met deze nieuwe regel en ook het doorgeven van het schoolverzuim gebeurde niet nauw gelet.
In 1863 werd het feit herdacht dat ons land 50 jaar daarvoor zijn vrijheid had heroverd op de Franse overheersing. Op de scholen werd dit feit met een feestdag herdacht. De kinderen ontvingen een feestplaat met uitleg van de gebeurtenissen enige toepasselijke liedjes, waarmee men hoopte dat de leerlingen een goed denkbeeld zouden krijgen van het leed ons land 50 jaar daarvoor had geleden.
Het jaar 1866 was, vanuit het standpunt van de kinderen gezien, een prima jaar. De schoolbanken werden geverfd en deze klus was zo groot dat dit een week extra vakantie opleverde.

03 – Toename aantal leerlingen vereist een tweede school

Onder schoolmeester Jan de Groot zou het leerlingenaantal sterk toenemen. Nu was de tijd gunstig. De Franse overheersing was voorbij (1813) en het aantal ouders dat onderwijs voor hun kinderen wenste groeide. Gedurende de jaren 1826-1830 werd de school bevolkt door rond de 200 leerlingen. Zo’n 70 à 80 kinderen gingen voor rekening van de gemeente naar school. Een feit was dat de belangstelling onder het armlastige deel van de bevolking eveneens toenam. De Groot diende een ondermeester in dienst te nemen. Er werd zelfs in “ploegen” les gegeven. Voor de kosten draaide hij wel zelf op. Het schoolgeld werd hoger en bedroeg minstens 10 cent per leerling per week. De leerplichtige leeftijd was gesteld op 5 jaar. Dit lijkt aardig, maar dient wel te weten dat de kinderen na het bereiken van het 8e levensjaar de school dienden te verlaten. Het werk wachtte! Kennelijk eiste de gemeente wel waar voor het beschikbaar gestelde geld, immers de kinderen die voor hun rekening school gingen werden bij het verlaten van de school geëxamineerd door de burgemeester en drie raadsleden!

Een school voor het gehele dorp was uiteindelijk te weinig. Bij een besluit van de gemeenteraad van 16 maart 1827 werd overgegaan tot de aankoop van 2 huisjes aan de Tolsteeg.
School-0301Deze werden verbouwd tot onderwijzerswoning en de 2e school werd er in gevestigd.
Schoolmeester van de school werd de eerder genoemde Hendrik Slingerlandt. Hij heeft niet lang aan de school gewerkt. In overleg met de schoolopziener werd Hendrik wegens verregaande onkunde en slecht gedrag op 16 maart 1832 ontslagen. Trieste bijkomstigheid was dat de man door lichamelijke gebreken ook niet geschikt was voor handenarbeid. Vanuit de gemeentekas werd hem een bedrag uitgekeerd van f 2,50 per week.
Intussen (1829) was het aantal kinderen dat de school kon bezoeken reeds gestegen tot 500. Slechts voor 350 leerlingen was er maar plaats.
De plannen om een derde school te stichten waren serieus aanwezig, maar geldgebrek zorgde voor uitstel. Het gebouw aan de Tolsteeg werd gedeeltelijk vernieuwd en vergroot (1836). Het hoofd van de school was intussen Jan Bogaard.

Maranatha
School-0302Het plan een derde school te stichten werd in 1844 toch weer boven tafel gehaald. Op 25 januari van dat jaar besloot de gemeenteraad het gebouw van de voormalige wolspinnerij van Marinus Verschoor aan te kopen.
Dit gebouw, nu nog voor een gedeelte aanwezig en bekend onder de naam Maranatha, had oorspronkelijk een wolspinnerij binnen de muren gehad.
Later was er een synagoge in gevestigd.
In maart 1845 vond de aanbesteding voor de verbouw plaats en al in augustus van dat jaar zouden de eerste lessen gegeven kunnen worden. Er ontstond echter een probleem tussen het Rijk en de gemeente Sliedrecht rond de benoeming van de onderwijzer aan de school.

Aan sollicitanten was er geen gebrek. Een dertiental personen stond in de rij om aan de slag te gaan. Sliedrecht had een voorkeur voor de heer Teunis Dorland, op dat moment ondermeester aan de school bij de kerk. Het raadsbesluit de heer Dorland te benoemen werd door hogere instanties geschorst.
Wat speelde op dit moment namelijk? In 1840 was het Kantongerecht in Sliedrecht gevestigd. Vanuit de regering werd er op aangedrongen ook een gevangenis aan het gebouw te verbinden. De Sliedrechtse raad wenste hieraan niet mee te werken. Zo ontstond een probleem. Geen nor, geen onderwijzer. Aan deze strijd kwam eerst op 3 februari 1848 een eind. Aan de school werd benoemd Marie Jozef Michael Dahlburg Schieff. Uiteindelijk kwam er tevens een nor onder het Kantongerecht, evenals onder het 5 jaar later gebouwde Raadhuis in de Kerkbuurt. Beide gebouwen zijn nu in gebruik door het Sliedrechts Museum..
Sliedrecht was zodoende drie scholen rijk, welke te vinden waren aan het benedeneind (Tolsteeg), het midden (bij de kerk) en aan het boveneind (Maranathagebouw).

Weer een nieuwe school
Het gebouw aan de Tolsteeg moest in 1851 plaatsmaken voor een nieuwe school Op 28 november 1849 had de gemeente het huis “Bleyburg” met de bijbehorende grond gekocht. Op dit terrein werd de school gebouwd. Op 17 maart 1851 werd de school op Baanhoek in gebruik genomen.
Keren we terug tot de school bij de kerk. Daar was Jan de Groot ruim 40 jaar bij het onderwijs. Gelet op het grote aantal leerlingen moet zijn taak enorm zwaar geweest zijn. Op een leeftijd gekomen van 63 jaar werd het hem onmogelijk nog verder te werken. Ook bij de gemeente zag men dit in. Aan de meester werd in overweging gegeven ontslag te vragen. De Groot kon zich hiermee verenigen, maar vroeg wel een pensioen van f 800, = per jaar. Dit ging de gemeente te ver en het bedrag werd na enig heen en weer gepraat gesteld op f 700, = per jaar. Uit de gemeentekas ontving hij f 350, = en de rest diende zijn opvolger af te dragen……. . Tussen 1847 en 1858 vond deze aanbetaling plaats.
Cornelis Johannes van der Hoeven was eerder ondermeester geweest te Breda. Uit de vele sollicitanten was hij als de bekwaamste te voorschijn gekomen. Vooral zijn kennis op het gebied van de Franse, Duitse en Engelse taal, wiskunde en tekende had de doorslag gegeven bij zijn benoeming. Van der Hoeven zou zijn keuze later op velerlei terrein waarmaken.
Naast een aanstelling bij de gemeente kreeg Van der Hoeven ook een aanstelling bij het kerkbestuur als koster, voorzanger en klokluider. Hij werd geen doodgraver meer. Begraven in de kerk was een aflopende zaak en ook buiten de kerk, op het kerkhof gebeurde dat in latere jaren niet meer. Een nieuw kerkhof, gelegen aan de Stationsweg ten noorden van het kruispunt met de huidige Thorbeckelaan verving de oude begraafplaatsen.
Een enkele maal werd nog in de kerk begraven. Deze eer kreeg de oude meester De Groot. Hij werd begraven op de plaats waar hij vele jaren als voorlezer recht over de preekstoel had gestaan.
Een belangrijk jaar op onderwijsgebied was ook 1855. In dit jaar vond een volledige scheiding plaats tussen kerkelijke en burgerlijke gemeente. Bij de notaris werd een acte opgemaakt, waarbij overeengekomen werd dat het kerkbestuur afstand dee van de toren, de school, het erf ten noorden van de school en de onderwijzerswoning.
Van der Hoeven had nu dus duidelijk twee bazen. Er kwam dan ook een bepaling dat wanneer de onderwijzer die in de kosterswoning woonde, geen koster zou zijn het kerkbestuur jaarlijks f 75, = zou ontvangen voor het gemis van de kosterswoning. Over en weer werd het recht van overpad verleend.

02 – Wie er na Abraham kwamen

Tussen Abraham en Hendrik zou eerst nog een lange rij van leerkrachten passeren. Van een aantal weten we niet meer dat zij werkzaam zijn geweest op de Sliedrechtse school als de eerste opvolgers van Abraham Adriaensz. Dat waren: Herman Dircks Stip, Cornelis Vincenten,  Henrikus Buijtendyck en S.A. van der Sluys.

Alle genoemde personen hadden wel te voldoen aan de eisen gesteld in het schoolreglement. Daarin stond te lezen dat:
1e Alle gedrukte boeken en brieven prompt moet kunnen lezen.
2e Een goede hand van schrijven moest hebben.
3e De Psalmen Davids “bequamelijck” moest kunnen zingen.
4e “Ter nooddruft” moest kunnen rekenen”.
5e Een goede methode moest hebben “om de jeugd ten spoedigste te leeren”.

Een niet geringe lijst van eisen. Vraag is echter hoe de 17e eeuwse schoolmeester hieraan kon voldoen. Mogelijkheden tot scholing waren er nauwelijks. De positie van de schoolmeester was niet te benijden. Leerplicht bestond niet. Het analfabetisme was ontstellend. Op financieel gebied was het vooral voor de dorpsschoolmeester een treurige zaak. Bittere armoe noodzaakte tot het aannemen van allerlei bijbaantjes zoals we ook al zagen bij Abraham Adriensz.

Een brief met gevolgen
Pas rond 1657 kunnen we de draad weer opnemen. Schoolmeester is dan Andries van der Sluys. Veel zouden we ook van hem niet gehoord hebben als hij niet een brief verzonden had, welke gericht was aan sinjeur Michiel de Visser. In dit schrijven uitte hij beschuldigingen aan het adres van Schout Barent van Asperen. Bovendien was er het verzoek de brief te laten lezen aan de Heer van Sliedrecht. Grote beroering ontstond. Van der Sluys beweerde bij hoog en bij laag dat de brief geschreven zou zijn door de dominee. Hierbij gebruikte hij woorden als “soo moet de duivel mij halen” en “daer wil ik mijn ouden hals onder zetten”. Het schijnt meer een strijd geweest te zijn tussen de drie schouten van Sliedrecht. Dat waren Cornelis van de Graef (Naeltwijck), Barent van Asperen (Lockhorst) en Joost Boon (Niemantsvriend). De schoolmeester werd uiteindelijk de dupe van de kwestie. Op de vraag van de kerkenraad, of ” het niet syn amt was, het school waar te nemen, en op ‘t leeren van de kinderen te passen, sonder met de kercke ofte ‘t gerechte sich te bemoeyen “, antwoordde hij met een volmondig “ja”. Hij hield echter vol de brief niet geschreven te hebben. Toen een der aanwezigen de brief te voorschijn haalde en zei: “Gij oude schelm, gij hebt uw ziel al genoeg voor den duyvel gesworen” en daarna de hele brief voorlas kon meester Andries ” sich van schaamte niet onthouden “. De zoon van de meester herkende zijn vaders handschrift en de dochter nam vader onder haar hoede en leidde hem naar buiten.
Schoolmeester Van der Sluys was al eens eerder in opspraak geweest en wellicht was de brief de bekende stok om de hond te slaan. In ieder geval in 1672 is de man afgezet als schoolmeester. Kennelijk ging het ontslag van de oude leermeester velen te ver. De man had immers zijn beroep goed uitgeoefend. Het verzoek hem in ere te herstellen werd echter afgewezen. Zijn opvolger werd een zekere Jan de Heck. Toen deze in 1706 overleed maakten de kinderen kennis met meester Ambrosius Kool. *

Van de heer W. Bos te Sliedrecht ontvingen we een artikel dat enige informatie geeft over de persoon Ambrosius Kool.

Ambrosius Kool, maar kort schoolmeester te Sliedrecht

“Uit de genealogie Kool, gepubliceerd in de Nederlandse Leeuw, jaargang 110, nr. 7 en 8 is het volgende op te maken:

In 1674 kwam Jan de Heck in het schoolhuis van Sliedrecht. Hij overleed in 1706.
Het vinden van een opvolger was niet zo gemakkelijk. Min of meer ten einde raad droeg de kerkenraad Ambrosius Kool ter benoeming voor bij ambachtsheer Johan van der Burch. Het contact was ontstaan, doordat Ambrosius Kool, via zijn huwelijk met Grietje Gillesdr. de Heck, verwant was aan de overleden schoolmeester. Bovendien woonde hij dichtbij, in Hardinxveld.
Ambrosius Kool (1661-1726) was bij zijn benoeming al 45 jaar oud en niet echt in het onderwijs geïnteresseerd. Hij was niet onbemiddeld door zijn handel in grienden. Daar bleef hij mee bezig. Op 11 april 1710, toen hij al geen schoolmeester meer was, verkochten de erven van zijn zwager Adriaen Gillessen de Heck hem “eene buytengriend geleegen op de Steenplaets.”
Van 1688 tot 1690 was Kool diaken te Boven-Hardinxveld. Hij was daar ouderling in de jaren 1695 tot 1699 en in 1706, het jaar van zijn benoeming te Sliedrecht.
Gezien zijn belangen, zowel te Neder- als te Boven-Hardinxveld, was er vanaf het begin sprake van een “ad interim periode” in Sliedrecht.
Na voorlezing van de aanstellingsbrief werd “de schoolorde voorgelesen”, waarna de kerkenraad de papieren zoals gebruikelijk opborg ” in den kerckekist”.
Al spoedig bevielen Kool vooral de bijbaantjes van koster en voorzanger niet. Hij had ze, in tegenstelling tot de meeste schoolmeesters uit die tijd, financieel ook niet nodig en belastte graag anderen met het opwinden van “de horlogerie” en het luiden van de kerkklok.
Hij trachtte zich zo veel mogelijk op het onderwijs te concentreren, maar moest wel de doop-, trouw-, en begraafregisters zien bij te houden en opzicht uitoefenen op de grafdelvers.
Of Kool ontslagen werd of zelf ontslag nam is niet bekend. In 1708 kwam er al een opvolger in de persoon van Leendert Willemsz. Versteeg uit Moercapelle. Ook met hem was men niet gelukkig. Reeds op 15 juli 1714 ontving Versteeg “syne dismissy weegens syne benoeming te Berckel in het Delfland.”
Kool zat toen al weer hoog en droog in Hardinxveld, waar hij in 1726 overleed Hij zal zeker kennis hebben genomen van de feiten rond zijn opvolgers. Binnen korte tijd volgden de schoolmeesters elkaar op. In 1714 was daar Johan Storm. Hij vertrok nog hetzelfde jaar naar Beesd. Zijn opvolger in 1715, Johan de Soete. deed zijn naam geen eer aan. Hij raakte betrokken bij een zedenschandaal.”

In opspraak
Johannes de Zoete, een “jongman van Rijnsaterwoude”. De Zoete verrichtte zijn werk in het schooltje onder de kerk aanvankelijk naar tevredenheid.
Ook hij zou in opspraak komen. Als jongeman was hij niet schuw voor het vrouwelijk schoon, wat hem in de problemen bracht toen een zekere Agnietje Schram zwanger werd en Johannes als de vader werd aangewezen. Zelfs de deelname aan het Heilig Avondmaal (1725) werd hem ontzegd. Zelfs de deelname aan het Heilig Avondmaal (1725) werd hem ontzegd. Agnietje zuiverde hem echter van alle blaam. Hoewel meester De Zoete kon aanblijven, had hij kennelijk zijn conclusies al getrokken. In 1730 vertrok hij naar Lekkerkerk.
Jan Alblas werd in hetzelfde jaar door de Ambachtsheren van ons dorp benoemd tot de nieuwe schoolmeester. Hij vervulde naast deze baan de gebruikelijke taken om zijn toch wel schamele loon van f 80, = per jaar, aan te vullen. Als voorzanger moest hij verplicht gekleed gaan in een zwart kostuum op straffe van een boete van f 15, = aan de kerk. Dit baantje gecombineerd met dat van koster bracht f 40, = per jaar op. De drie ambachten. Naaldwijk, Sliedrecht, en Niemandsvriend dienden dit bedrag gezamenlijk op te hoesten. Dit gebeurde in verhouding tot hun grootte. Naaldwijk betaalde de helft f 60, =, Sliedrecht f 40, = en Niemandsvriend de rest.
Verder werd er van Alblas verwacht dat hij klok opwond en luidde. Hij zette de stoven in de kerk, zodat de voorname ingezetenen in de onverwarmde kerk in ieder geval geen last zouden hebben van koude voeten. Hij hield dit vol tot zijn dood in 1760.

Reglement voor de schoolmeester
Zoon Pieter Alblas verwierf de eer ” op de onderrigtinge en rapporten ” die de Ambachtsheer had ontvangen en ” vertrouwende op sijn vroomheijt, bequaamheijt en welgesintheijt in de ware gereformeerde Christelijke Religie ” zijn vader op te volgen tegen hetzelfde salaris.
Uit de salarisregeling blijkt verder dat Pieter Alblas ook les ging geven in Frans, Italiaans, boekhouden en stuurmanskunst
Alblas junior kreeg een uitgebreide instructie mee ” belangende ‘t Schoolmeestersambt”. Hierin lezen we o.a.:

1. Er zal elke dag school worden gehouden van 9-12 uur en van 1-4 uur, behalve op de zaterdagmiddag, “welke dagh weeckelijks aan de kinderen vergunt wert tot desselft uitspanning en recreatië”.
2. In de koude tijd des jaars, of wanneer de schout het gelast, zal hij een vuur moeten stoken van het hout ” dat de knegjes ter schoole koomende, meede brengen”.
3. Elke schooltijd zal worden begonnen met gebed en geëindigd met het zingen van een psalm en dankzegging.
4. Hij zal onderwijs hebben te geven, niet alleen in het leren der letters, spellen, lezen en schrijven en cijferen, ” maar ook wel degelijk in de goddelijke waarheeden, specialijk alle de kinderen van buyten doen leeren het Register van het oude en het nieuwe testament, de articulen des geloofs en sodanige gebeeden voor ‘s morgens en ‘s avonds mitsgaders voor en na den eten, als daartoe aan hem, nevents dese instructie ter hant gestelt zal worden.”
5. De hele woensdagmorgen moet besteed worden aan het leren en opzeggen der psalmen, evenzo de hele zaterdagmorgen moet hij hen bijbrengen ” een generale kennisse en bevattinge van de voornaamste grontwaarden der religie en belijdenisse van de ware gereformeerde kerke, en voorts van alle hetgeene behoort tot een genoegzaame generale eenvouwdige en practicale kennise van alle grondwaarden die na de godsaligheijt sijn.”
6. Voorts moet hij zijn leerlingen diverse teksten, vooral uit de Spreuken en de Psalmen van buiten laten leren.
De bekwaamste leerlingen moeten elke week uit het hoofd leren de vragen en antwoorden van de Heidelbergse Catechismus, waarover op de volgende zondag in de kerk zal worden gepreekt. Deze kinderen moesten naar oud gebruik in de godsdienstoefeningen deze vragen en antwoorden voor de preekstoel, ten aanhore van de gemeente, opzeggen.
7. De schoolmeester heeft verder toezicht op zijn leerlingen, zowel in school als daar buiten. Hij moet dan ook bij het uitgaan van de school nu eens de kinderen die benedenkerks wonen dan weer die bovenkerks gaan in het oog houden, en als ze zich op de dijk niet netjes gedragen hen in de school straffen.
8. Vanaf 1 november tot de laatste februari wordt er bovendien avondschool gehouden.
9. De vakanties worden vastgesteld als volgt: de Paasweek, met Pinksteren een halve week, Nieuwjaarsdag en een week met Kerstmis. (Zomervakantie bestond dus nog niet!)
10. Ten slotte moet hij de kinderen van hen die bedeeld worden, zonder schoolgeldbetaling onderwijzen en hen net als andere leerlingen voorzien van boeken, papier, pennen en inkt, waarvoor hij echter 9 gulden per jaar zal genieten. Elke week moet hij de schout een lijstje geven van de arme kinderen die niet op school komen. Deze kan dan hun ouders bij de armbedeling daarover doen onderhouden.

Het eerste schoolgebouw
De schoolwoning welke in 1952 bij de noodzakelijke restauratie van de toren werd afgebroken, was te vinden aan de west- en zuidzijde van de toren. De school zelf lag aan de noordzijde van de toren.
Meester kon vanuit zijn huis rechtstreeks binnendoor de school en de toren bereiken. Voor het luiden van de klok en het opwinden van het uurwerk hoefde hij dus niet naar buiten. Vanuit de toren kwam hij in de kerk, waar hij zijn eerder genoemde “bijbaantjes” deed.
Hierover mogen we zeker niet te licht denken. Onderstaande maakt dit duidelijk.

Drukke werkzaamheden als koster en doodgraver
1. Er werden ‘s zondags twee kerkdiensten gehouden en wel om 9 uur en om half 2 of 2 uur. Dit laatste was het geval als ‘s morgens het Heilig Avondmaal was bediend of de predikant eerst op een andere plaats had moeten preken.
De koster-schoolmeester diende om 7 uur en om 8 uur de klok te luiden. Om kwart voor negen begon de meester te lezen en om negen uur precies liet hij de klok driemaal, met korte tussenpauzen, kleppen. Hij gaf daarbij de psalm op en liet deze zingen. Dit ritueel herhaalde zich in de middaguren. Aan de pastorie moest vooraf vermeld worden wat er gelezen zou worden. De meester mocht niet verzuimen en moest bij de kerkdiensten in het zwart gekleed zijn. Overtreding van genoemde kwam hem te staan op een boete van f 15, = ten behoeve van de kerk.
2. De sleutels van de kerk mocht de koster nooit afgeven op straffe van een boete van f 6, =. Herhaling van het feit kostte hem zelfs f 12, =.
3. Na de bediening van het Avondmaal ging van de korsten, het overblijvende brood en de wijn de helft naar de predikant en de andere helft was voor de koster.
4. De klok moest geregeld worden opgewonden. Dit gebeurde ‘s morgens om 8 uur. De klok werd geluid ‘s middags om 12 uur en ‘s avonds om 8 uur. Indien nodig werd de klok na zonsondergang verzet.
5. Als de schout het nodig oordeelde moesten er door de koster warme stoven worden gezet op de plaatsen van de voorname ingezetenen, zoals de schout, de schepenen en de kerkenraad.

Als doodgraver was de taak van de schoolmeester ook nauwkeurig omschreven. Bij elke begrafenis van een volwassene werd een uur de klok geluid en bij die van een kind een half uur.

Verdiensten
Niet alleen de taken, maar ook de financiën waren vastgelegd.
Dit lezen we in een voor 1760 opgestelde “Ordonnantie en Reglement voor de Schoolmeester,
Coster en Dootgraver van de heerlijkheeden Naaltwijk en Sliedrecht.”

Den Schoolmeester sal voor sijn loon genietten en ontfangen van:

die leren spellen off lesen ‘s weeks f –, 1 , –   **
die leren lezen f –, 1 , 4
die leren cijferen f –, 3 , –
die frans leren f –, 6 , –
die in ‘t avontschool leren spellen off lesen f –, 2 , –
die frans leren in ‘t winterschool f –, 4 , –
die italiaans boekhouden leren in ‘t particulier commissie en compagnie eens f 36, – , –
die de stuurmanskonst leren  f 36, – , –
voor het leren van de armkinders met de leverantie van boecken, papier, pennen en inkt ‘s jaars
f 9, – , –

** Te lezen van links naar rechts: guldens, stuivers en penningen.
( 1 stuiver = 16 penningen).

De schoolmeester zal jaarlijks voor tractement genieten van den geheelen dorpe van Sliedrecht.

Een hondert twintig guldens, welke 120 guldens als vanouds sijn en sullen betaalt worden uyt den binnenlandschen ommeslag van Sliedrecht, Naaldwijk en Niemandsvriend. De op school gebruikte materialen moesten de leerlingen zelf betalen, o.a. voor elk vel papier een oortje.

Als coster kwam de schoolmeester het volgende toe:

Den coster sal trecken voor het luyen voor een doode boven de 12 jaren ieder uur f –, 6 , –
voor een doode beneden de 12 jaren ieder half uur f –, 3 , –
hij sal treckken uijt de kerkeinkomste voor ‘t smeren, opwinden en verstellen van het uurwerk jaarlijks
f 12, – , –
voor het wegsetten der baren f   3, – , –
voor ‘t opsteecken der kaarssen in de avontpredicaten f   3, 3 , –
voor ‘ t schoonmaacken en wassen van ‘ t tafellaken, servetten en schuuren van de schotels en beeckers
tot gebrijk van ‘t Heilig Avondmaal   f   3, – , –
voor ‘t wegnemen en ‘t stellen van de tafel  f  1 ,12 , –
voor ‘ t smeren van de klock, schoonmaken van de kerk f   1, – , –
voor een graft op het kerkhof van een persoon beneden de 12 jaaren f –, 5 , –
voor een persoon boven de 12 jaaren f –, 10 , –
in ‘t winter zaaysoen voor een beneden de 12 jaaren f –,  8 , –
voor een boven de 12 jaaren bij vorst f –, 15, –
voor een graft in de kerk één diep f –, 12 , –
voor twee diep f – -,18 , –
voor drie diep f   1, 4 , –
voor vier diepf   1,10 , –

Bijschooltjes
Omstreeks zien we dat er op een aantal plaatsen “bijschooltjes” weden gehouden. Hier was het schoolgeld meestal lager. Een concurrentie voor de schoolmeester van de eerste orde! Meester Alblas was hierop zeker niet gesteld. Zijn inkomsten liepen terug. Bovendien was de kwaliteit van het onderwijs in de “bijschooltjes” van een mindere kwaliteit. Het zou wel eens zover kunnen komen dat er geen schoolmeester met voldoende kennis meer te vinden zou zijn voor een grotendeels verlopen school aan de kerk.
Daar de “bijschooltjes” zonder vergunning werkten, was het eenvoudig een eind aan de situatie te maken. In 1774 was het dan ook zover. “Het houden van bijscholen werd verboden, behoudens vergunning om kinderen beneden de 6 jaar te onderwijzen in het ABC.” Overtreding zou worden bestraft, de eerste keer met drie gulden, te betalen door hen, die een kind naar een dergelijke school zouden zenden en door de schoolmeester of onderwijzeres (schoolmatres), een volgende keer met negen gulden boete en verbod van school houden. Bij het uitgaan van de kerk werd dit besluit aan de gemeente voorgelezen.

Een nieuwe wet (1806)
Het onderwijs was tot nu toe een plaatselijke zaak geweest. In de Franse tijd kwam er een eerste landelijke onderwijswetgeving. De wet kende het beginsel van: “Vrijheid van Onderwijs” niet. De wet kende openbare (uit de overheidskas bekostigde) en bijzondere scholen van de eerste klasse (door een instelling als de diaconie of het “Nut” bekostigde scholen) en van de tweede klasse (particuliere scholen).
De openbare school moest een gemengde school zijn, toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige richting. De school was niet onchristelijk. De kinderen dienden te worden opgevoed “tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden”.
Bepaald werd dat de schooltijd, hetzij wekelijks, hetzij dagelijks, met gebed zou worden geopend en gesloten, waarbij ook een psalm mocht worden gezongen. Voor Christelijk leerstellig onderwijs gegeven door de onderwijzer was echter geen plaats op de openbare scholen. De kerken werden uitgenodigd de godsdienstlessen te verzorgen op de scholen.
De scholen waren duidelijk aan voorwaarden gebonden. Dit zou in de komende jaren aanleiding geven tot een langdurige strijd.
Ieder kreeg in principe recht op onderwijs, een lesprogramma werd aangegeven.

Klassikaal onderwijs
In de vorige eeuw werd het onderwijs nog individueel aan de leerlingen gegeven. De wet van 1806 maakte hier een einde aan. De leerlingen werden vanaf dan verdeeld over drie klassen die een afzonderlijke plaats in het schoolgebouw kregen. De meester stond voor de klas bij zijn onafscheidelijke bord en gaf klassikaal les. De kinderen zaten in lange banken, waarin plaats was voor 8 à 10 leerlingen. Eerst in 1866 wordt er voorzichtig gesproken over banken voor twee personen. Waren er meer meester in een lokaal werkzaam, dan hingen er uiteraard ook meer borden langs de voorwand, waar zich ook nog het telraam bevond.
Vaak hingen achter in de klas de jassen en mantels, petjes, mutsen en hoeden van de leerlingen wat weinig bevorderlijk was voor de frisheid en de atmosfeer en de activiteit van de kinderen. Die hadden dan gelegenheid genoeg om dromerig te staren naar de wandkaarten, vaak een product van meesters eigen vlijt en talent, of naar platen met afbeeldingen van dieren of planten. Op de kast stonden de meetkundige figuren; de kubus, de piramide, en de kegel, die dienst deden bij de “vormleer”. Ook de decimale maten en gewichten ontbraken niet.
Tot de “hoofdelijk” leermiddelen voor het kind behoorde in de eerste plaats de lei. Bij de lei behoorden de griffels die in eenvoudige spanen doosjes of houten griffeldozen werden opgeborgen, versierd met het opschrift “Voor het vlijtige kind”. Verder was er de spons in een blikken of glazen doosje, tezamen met een boon of een erwt die daar het wonder van hun groei demonstreerden. Boven in de bank bevond zich het inktpotje, meestal van glas, maar het kon ook van lood gemaakt zijn.

Inspectie en schoolopziener
Een onderwijsinspectie werd ingesteld en schoolopzieners hielden de naleving van de wet goed in de gaten. Met de plichten van de schoolmeester bemoeide hij zich pijnlijk precies.

“Hij -de meester- zal zorgen dat de scholieren niet onnodig naar buiten gaan, dat zij zich, gedurende de ganschen schooltijd stil en aandachtig, alsmede op straat als op den weg steeds vreedzaam, zedig en beleefd gedragen. Geen gelegenheid zal hij verzuimen om het schoolbord, dat klassikale leermiddel bij uitstek, te gebruiken. De schooltijd, zal tenminste bij het begin en het einde van elke schoolweek, met een gepast Christelijk gebed geopend en gesloten worden.”

De schoolopziener bezocht de scholen minstens tweemaal per jaar. Daar werd hij met veel egards ontvangen. Het is zelfs bekend dat een schoolopziener door de jeugd met het volgende lied werd ontvangen:

Dag Lieve Schoolopziener!
Gij bezoekt ons weer, wij zijn nu blij.
Gij houdt niet op te zorgen.
Wees welkom dan, o brave man!
Elke onzer zal, zoveel hij kan Uw zorgen dankend lonen.

Niet alleen bij de jeugd was de schoolopziener in ere, ook de onderwijzers hadden voor hem een diep respect. Zij kenden hem van zijn schoolbezoek, als lid van examencommissie. Hij was present bij de opening van een nieuwe school, bij de begrafenis van een voortreffelijke bovenmeester, of speldde het schoolhoofd voor zoveel jaren trouwe dienst het goud op de borst. Met “menschkundig beleid” diende hij moeilijkheden uit de weg te ruimen.
Zijn werk deed hij op strenge en rechtvaardige wijze. Met argusogen bekeek hij o.a. of de school wel voldoende aandacht besteedde aan het nieuwe metrieke stelsel. Aan de tijd dat ons volk rekende met ellen, palmen, duimen en strepen moest een einde komen.

Eisen
Er werden minimumeisen ingesteld waaraan onderwijzers moesten voldoen.
Deze waren:
1. Er werd tweeërlei toelating als onderwijzer geëist; één voor de Staat en één voor een bepaalde school of plaats.
2. De uitgereikte akten waren van de 4e, 3e, 2e en de 1e rang die konden worden behaald op de leeftijd van 16, 18, 22 en 25 jaar.
Onderwijzers van de eerste en tweede rang mochten aan alle scholen lesgeven; die van de derde en vierde rang konden alleen naar de kleine plaatsen en gehuchten.
Met vacatures werd een vergelijkend examen ingesteld.
3. Als de school meer dan 70 leerlingen telde, mocht er een ondermeester of tweede meester worden aangesteld
4. De inkomsten van de schoolmeester moesten “toereikend” zijn.

“Toereikend” betekende een laag salaris, een pensioen weinig meer dan een fooi. Zijn nabestaanden zouden geen cent inkomen hebben als hij eens onverwacht “tot hoger werkzaamheid werd geroepen”, zoals de term in die tijd luidde.

De wet van 1806 had er eveneens toe bijgedragen dat de oude schoolmeester zoals wij hem kennen van prenten, schilderijen uit de achttiende eeuw verdween. De tabberd, de baret of pruik, de plak, de gard, de tiendkam, waarmee de luizenhoofden van de kinderen hardhandig werden bewerkt, werden langzamerhand museumstukken, evenals het schandbord en de ezelskap, waarmee de meester de ijver en het IQ van zijn leerlingen had trachten op te vijzelen. Verlopen handwerkslieden, soldaten zonder emplooi, koetsiers en tuinlieden stram van de reumatiek kwamen niet langer in aanmerking om de kinderen les te geven; de onderwijzersopleiding was bij schoolwet geregeld.

School-0201

Een nieuwe school
Tot 1777 was Pieter Alblas de schoolmeester in ons dorp. Hij werd opgevolgd door de 21 jarige Leendert de Groot die daarvoor schoolmeester was te Ottoland. Hij diende zijn voorganger gedurende 5 jaar een bedrag te betalen van f 200, =. Wellicht had Alblas dit bedrag hard nodig voor zijn studie voor predikant die hij op ver gevorderde leeftijd ging volgen.
Het jaar 1807 werd een belangrijk jaar voor het plaatselijke onderwijs. Tot dit moment was de school eigendom van de kerk. In genoemd jaar kwam er een nieuw plaatselijk reglement. Hierin werd vastgesteld dat het gemeentebestuur voortaan ging deel uitmaken van het kerkbestuur en uiteraard van het schoolbestuur.
Het positieve van dit feit was het besluit tot afbraak van de oude school en tot bouw van een nieuwe school bij de kerk. De oude school was klein om alle kinderen op te vangen. Het bedrag dat nodig was voor de bouw van de nieuwe school en consistorie werd door de ingezeten vrijwillig bijeengebracht. De bouw werd gegund aan de laagste inschrijver, Leendert de Landgraaf. Dit alles voor een bedrag van f 2704, =. Uiteraard kwam daar nog heel wat bij aan bijwerk.

De eerste steen werd gelegd door Jacobus van Hattem, het zoontje van de toenmalige burgemeester. Dit gebeurde op 14 juni 1807. Deze steen is nu zien in het Sliedrechts Museum. Eind 1807 werd de nieuwe school in gebruik genomen. door meester Jan de Groot die zijn vader in 1805 was opgevolgd.De nieuwe school betekende voor de ouders van de leerlingen een hogere bijdrage. In de oude school had men een open vuur gestookt. Wat moet dit voor kinderen hebben betekend wat betreft atmosfeer en ventilatie!? Van oudsher brachten de leerlingen, zoals we eerder lazen hout en andere brandstof mee naar school. Dit gebeurde in de wintermaanden van 15 november tot 15 maart. In de nieuwe school was het niet mogelijk een open vuur te stoken. De schoorsteen was zodanig gebouwd dat er een kachel diende te worden geplaatst. Daar de schoolmeester het geld voor het stooksel onmogelijk kon opbrengen, moest men er toe overgaan het schoolgeld met vier duiten per week gedurende de wintermaanden te verhogen. De kinderen en de meester waren verzekerd van een verwarmd gebouw en de lucht in het lokaal was heel wat zuiverder!

01 – Inleiding

Inleiding
Wie aan onderwijs denkt, laat de gedachten al snel teruggaan naar de eigen schooltijd. Herinneringen uit de jeugdjaren komen weer boven en langzaam wordt het vage beeld van de school steeds duidelijker. Weinigen zullen zich realiseren dat het woord school uit een ver verleden stamt. De oude Grieken spraken van scolè en bedoelden hiermee vrije tijd voor studie van kunsten en wetenschappen. Ook werd met het begrip scolè de plaats aangegeven, waar men terecht kon om te studeren.
Bovenstaande wil niet zeggen dat de eerste vorm van onderwijs in Griekenland plaats vond. Al van het oude Mesopotamië en Egypte is het bekend dat er, zo’n 5000 jaar geleden, scholen bestonden. Meestal waren de scholen nauw verbonden met de kerkelijke (paleis) of wereldlijke (tempel) macht. Er was echter ook al een aantal particuliere scholen. Slechts een select groepje leerlingen volgde de lessen in o.a. lezen, schrijven, rekenen en landmeetkunde.
De joden bepaalden zich meer tot de godsdienst en de ethiek. Merkwaardig was hierbij dat men probeerde het gehele volk bij deze vorm van onderwijs te betrekken.
Door de Grieken werd een systeem van vakken opgesteld. Leerplicht bestond niet, maar het was een normale zaak dat ieder kon lezen en schrijven! Het onderwijs werd gegeven door particulieren.
Door de Romeinen is de Griekse opzet later overgenomen hoewel bij dit volk het accent meer lag op het hoger onderwijs. Bovendien was sprake van staatsbemoeienis ten aanzien van het onderricht.
Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk (400) kreeg het onderwijs een christelijk stempel opgedrukt.
De verzorging was in handen van de kerk, het klooster, of de landheer. In de steden speelden bisschoppen, gilden, stadsbestuur en particulieren een belangrijke rol. De kinderen kregen les in: zingen, kennis van het Onze Vader, godsdienst en de Tien Geboden. In feite waren de lessen voor iedereen bestemd, een vorm van volksonderwijs waarin de praktijk niet veel van kwam. De kinderen van de kasteelheer gingen niet naar één van bovengenoemde scholen, maar kregen hun opleiding op het slot bij een bevriend adellijk heer. Van belang waren: jagen, vechten, het schaakspel en de dichtkunst. De meisjes werden onderwezen en opgeleid door hun moeder op het eigen kasteel. Goede manieren en sociale omgang namen hierbij een belangrijke plaats in.
Hogere vormen van onderwijs trof men in de grotere steden aan, zoals de Latijnse school. In de 12 e en 13 e eeuw werden de eerste universiteiten gesticht: Bologna, Oxford, Parijs, Leuven, e.a.

Nederland
Op het gebied van onderwijs bleef ons land achter ten opzichte van de boven beschreven situatie. Van de periode voor 1200 tasten we in het duister. Drie eeuwen later treft men vele parochiescholen aan, waar de leerlingen in ‘t algemeen gedurende twee jaar onderwezen werden. Latijnse scholen waren gevestigd binnen de muren Utrecht en een aantal Hanzesteden.
Het onderwijs stoelde op het eind van de Middeleeuwen op de Rooms Katholieke leer. De tachtigjarige oorlog zorgde voor een ommezwaai en een calvinistisch tintje.

School-0101
Dit was de eerste universiteit
in Nederland (1575).

Universiteit te Leiden
Een geschenk van Prins Willem van Oranje aan de stad Leiden voor het kranige verzet tegen de Spanjaarden in de 80 jarige oorlog.

De eerste universiteiten in ons land werden gevestigd te Leiden (1575),Franeker(1585), Groningen (1614) en Utrecht (1636) en Harderwijk 1648.

Sliedrecht zal geen uitzondering geweest zijn in geschetste ontwikkeling. We moeten echter wachten tot het eind van de 16e eeuw eer we houvast krijgen aan de Sliedrechtse onderwijsdraad.

Armoede en geen onderwijs
Lange tijd was onderwijs in Sliedrecht een ongekende zaak. De grote verandering binnen de kerk – De Hervorming – had niet direct gezorgd voor een stichting van een school binnen onze in het kader van de verdediging tegen de Spanjaarden – we vertoefden immers in de jaren van de tachtigjarige oorlog – eisten hun tol. De beurs liet geen uitgaven toe tot de bouw van een school.
Tegen het eind van de 16e eeuw wordt voorzichtig gesproken over het lesgeven aan kinderen. Het was de eerste Sliedrechtse dominee Wilhelmus Lontius (1582-1584) die zich beklaagde over het feit “datter te Sliedrecht en de Wijngaerde geen schole is”. Hij heeft kennelijk geen schoolmeester kunnen begroeten, want ook zijn opvolger dominee Arnoldus Wassenburgh (1584-1603) zat nog steeds zonder meester. De kinderen zouden “woestelijk opwassen der kindre daer er geen schoolmeester is.”
Govert Ollendorp, ook wel bekend onder de naam Godefridus, kreeg van de classis in 1587 de opdracht “voor eene goede schoolmeester bij sijne overheijt te schriven”.

De eerste schoolmeester
Het zou tot 1594 duren eer er sprake is van de benoeming van een schoolmeester, Abraham Adriaensz was zijn naam. Ondanks de voortwoedende oorlog was er geld voor zijn aanstelling. Abraham die ” gesont in leere ende leeven was bevonden” ging de kinderen les geven in een lokaaltje bij de kerk. Zijn taak bestond uit “de kinderen leeren lesen, schrijven, spreken ende vrije konsten kennen, maer deselve oock in de godsaligheyt ende Catechismus onderwijsen.”
Gelet op het laatstgenoemde zal ook hij, zoals in die tijd gebruikelijk was, aan de eis hebben moeten voldoen zuiver in de Calvinistische leer te zijn.

De schoolmeesters moesten daartoe een formulier ondertekenen met de volgende tekst:
“Wij ondergeschrevene Schoolmeesters verklaren oprechtelijk in goede conscientie voor den Heer met deeze onderteekening, dat wij van herte gevoelen en gelooven, dat alle Artikels en stukken der leer in deze belijdenis en Cathechismus der Gereformeerden Kerken begrepen, mitsgaarders de verklaring van eenige Artikelen der voorzegde leere, in de Nationale Synodus te Dordt gedaan, in alles met Gods woord overeengekomen. Beloven derhalve, dat wij de voorgezegde leer getrouwelijk zullen voorstaan, en de jeugd naar eisch van ons beroep en haar begrip naarstiglik inscherpen, op poene, dat wij hiertegen doende, van onze schooldienst zullen afgezet worden.”

School-0102Ook op de door de schoolmeester gebruikte boeken werd streng toezicht gehouden. Ze moesten beslist niet in strijd zijn met de “ware Gereformeerde Religie”.

Ook Abraham zal onder vergelijkbare omstandigheden gewerkt hebben in zijn schooltje aan de voet van de Sliedrechtse kerk …
Abraham zal zijn schamele inkomen, zoals gebruikelijk in die tijd, hebben aangevuld met zijn nevenfuncties van koster, voorzanger in de kerk, doodgraver, klokkenluider, enz.
Trouwens om in aanmerking te komen als schoolmeester diende door de kandidaten een proeve van bekwaamheid te worden afgelegd. De sollicitanten bij een vacature moesten, per drietal, op zondag in de kerk hun vaardigheid tonen in het voorlezen uit de bijbel en het zingen van psalmen. De kerkenraad maakte vervolgens een voordracht. Benoeming vond plaats door de Heer van het Ambacht.

Abraham Adriaensz. werd later beroepen naar Kedichem, daar ruilde hij met de classis Leiden naar Zoeterwoude, vandaar gaat hij naar Zunderdorp c.s., Eethen en Drongelen, Aalburg, om tenslotte in Arkel te blijven tot zijn dood in 1629.

Het zou tot 1827 duren eer er een tweede school in Sliedrecht bij kwam. De stond ter hoogte van de Tolsteeg. Een tweetal woningen werd verbouwd tot een school en een schoolmeesterswoning. De eerste onderwijzer van deze school heette Hendrik Slingerlandt over wie we later meer zullen vernemen.

Sliedrecht versus Oversliedrecht

Bij mijn aantreden als adviseur bij het vieren van het 950-jarig bestaan van Sliedrecht kwam ik er achter dat er enkele misverstanden bestaan over of er wel een Sliedrecht aan de overkant heeft gelegen en wat de verhouding tussen de beide dorpen was. De argumenten die ter tafel werden gebracht waren de volgende:

– Er is geen Sliedrecht verdronken in 1421, omdat het niet op de lijst van verdronken dorpen voorkwam.
– Er staat in het huidige Sliedrecht een kerktoren met een fundering van rond 1000, en de bijbehorende kerk is gewijd aan St Pieter, waardoor hij dus belangrijker was dan omringende kerken.
– Dus Sliedrecht was altijd al op deze zijde. De overkant behoorde wel tot de parochie Sliedrecht, maar droeg die naam niet.

Ik zou niet graag willen dat deze discussie het jubileum gaat verstoren, dus ik zal proberen te bewijzen dat het oorspronkelijke dorp wel degelijk aan de overkant lag, ook al is de oudste vermelding in 1064 gebaseerd op een vervalste oorkonde. Dat betekent echter niet dat er in 1064 niet een dorp van die naam lag. De geschiedenis van de ontginningen langs de Merwede gaat terug tot de vroege elfde eeuw en de tekenen wijzen erop dat ze aan beide oevers ongeveer tegelijkertijd plaatsvonden. Het vervalste document uit 1064 en het erop volgende charter uit 1105, dat wel echt is, waarin Sliedrecht wordt genoemd, geven niet aan waar het dorp lag, noordelijk of zuidelijk van de rivier. Helaas gaat de regelmatige notering van gebeurtenissen in dit gebied pas rond 1200 beginnen, maar dan krijgen we wel voldoende bewijzen voor wat waar lag. Hiervoor zijn vooral de oorkonden van de grafelijkheid en de leenregisters van de diverse adellijke huizen die in Holland bezittingen hadden van belang. Hierin staat duidelijk aangegeven waar deze lenen lagen, omdat de leenmannen daar aan hechtten en de begrenzingen helder moesten zijn. Maar eerst zal ik proberen de bovenstaande drie argumenten te behandelen.

Sliedrecht staat niet in de lijstjes
De oudste verslagen over de ramp van 1421 noemden grote aantallen verdronken mensen en dorpen. Men ging wel tot 100.000 doden en 72 verdronken parochies.1 Dat is later allemaal behoorlijk afgezwakt. De Dordtse archiefbibliothecaris Jan Alleblas concludeerde in 2007 dat er ca 31 verlaten en verdwenen dorpen geweest moesten zijn en ex-stadsarcheoloog van Dordrecht, Johan Hendriks, zou het niets verbazen als er maar zo’n 200 mensen verdronken waren.2 De eerste lijsten van welke dorpen er dan verdwenen waren dateren uit het begin van de zeventiende eeuw, twee eeuwen na de ramp, toen Sliedrecht (Noord) al een gevestigd gegeven was, waar niemand zich verder nog vragen over stelde. Als je kijkt naar de reconstructiekaarten die in de zestiende eeuw van het overstroomde gebied werden gemaakt, voornamelijk om oude grenzen van het bezit vast te leggen, dan blijken daar diverse dorpen al niet meer op voor te komen.3 De kaartmakers en chroniqueurs, welke laatsten meestal niet uit de buurt kwamen (er waren de nodige vreemdelingen bij) waren hier niet bekend. Toch wisten de mensen uit de omgeving na 100 jaar nog heel goed waar wat gelegen had. In de Informatie roerende den Verdroncken Waert in Zuijthollant anno 1521 staan de naast elkaar gelegen dorpen aan de zuidoever keurig opgenoemd: Craiesten, tLange Ambocht van Slijdrecht, tCorteambacht van Slijdrecht en Houweningen.4 Alleen al deze opsomming zou de discussie over het al of niet bestaan van het oorspronkelijke Sliedrecht (Zuid) moeten doen verstommen, maar ik kom er verderop nog op terug, want er is veel meer, en vroeger, bewijs voor.
Dat deze dorpen niet in de lijsten van onder water verdwenen nederzettingen staan heeft meer met de kennis van degene die ze opschreef te maken dan met de werkelijke situatie. Jan Smits, in zijn ellenlange lezing over de Elisabethsvloed uit 1421, heeft in zijn aantekeningen daarop ook een lijst van die 72 dorpen gegeven, en daar komen Sliedrecht en haar aparte ambachten, behalve ‘Craijenstein’, inderdaad niet in voor. En dat geldt ook voor de door hemzelf getekende reconstructiekaart van de Grote Waard.5 Die kaart is echter al bijna 200 jaar achterhaald.
Hoe verder van de gebeurtenis, hoe minder duidelijk de oorspronkelijke situatie dus was. Het probleem is dat juist die latere gegevens, zoals die van Smits en later Van der Aa, het best zijn blijven hangen.6

Kerk dateert uit het jaar 1000
Het tweede argument, dat de kerk van Sliedrecht (Noord) uit het jaar 1000 zou dateren, aan St Pieter gewijd was en dus belangrijker was dan de omringende (lees: die van de overkant) kerken is gebaseerd op wel heel los zand. Bij het speculeren over de ouderdom van de toren en de daaronder gevonden stenen sarcofagen hebben de mannen van gemeentewerken ten tijde van de restauratie van de toren in 1952 behoorlijk lopen fantaseren. Maar ook de toenmalige rijksdienst voor de Monumentenzorg, die niet wist dat de onderkant van de toren van tufsteen was gebouwd, heeft schuld aan het verspreiden van dubieuze dateringen. In het artikel in de Merwestreek van 11 april 1952 worden ze geciteerd dat het onderstuk uit de Romaanse tijd stamde en dat die tussen 1000 en 1100 te dateren valt.7 Het Romaanse bouwen, ook met tufsteen, duurde in ons land echter tot ver in de dertiende eeuw, want de in andere landen al omstreeks het midden van de twaalfde eeuw beginnende stijlperiode van de Gotiek kwam toen pas bij ons in de mode.
Daar komt nog bij dat het bouwen van stenen kerken bij ons pas vanaf ca 1050 aan te wijzen valt en dan nog voornamelijk waar men over, Romeinse, ruines beschikte, zoals bijvoorbeeld in Utrecht of Valkenburg (ZH). In de eerste locatie was ook een rijke bisschop met een hele hofhouding van hoge geestelijken aanwezig die voldoende invloed en geld hadden om met de aanwezige tufsteen en eventueel voorzichtige import van elders, grote stenen kerken te bouwen. Dergelijke kerken werden elders ook alleen maar gebouwd waar de lokale vorst, dus de graaf of de hertog, er het geld voor over had om een statussymbool neer te zetten.8 De graaf van Holland was er in dit opzicht vroeg bij want hij liet in Egmond, binnen de door hem gestichte abdij, al rond 950 een klein stenen kerkje (10,5 x ca 24 m, maar waarschijnlijk is de opgegraven rest een deel van een groter geheel) bouwen. Een kroniekschrijver die Egmond in 980 bezocht, verbaasde zich over de aanwezigheid van zo’n dure, zware kerk in die verre uithoek van het Duitse rijk.9 De echte belangrijke Romaanse kerken in Holland dateren echter van na 1100. Het klooster van Egmond bouwde een nieuwe over het eerste stenen kerkje heen vanaf ca 1130. Van ongeveer diezelfde tijd dateren de oudste stenen kerken in Dordrecht, Haarlem en wat later Vlaardingen en Leiden.10 Het klooster van Rijnsburg, ook een grafelijke stichting (1133), kreeg pas aan het eind van de twaalfde eeuw een tufstenen kerk (1183).
Een overeenkomst van deze kerkstichtingen was dat ze alle of door de bisschop of door de graaf waren gesticht, lieden die het geld en de middelen hadden om zo’n dure kerk te bouwen. Wie zou dat in een eenvoudig, klein dorp aan de Merwede gehad moeten hebben? Den Hartog noemt in haar boek ook de hoge adel als bouwer van stenen dorpskerken.11 Toevallig waren beide Sliedrechten onderdeel van de goederen van de heren van Voorne, van wie gezegd wordt dat ze uit het grafelijke huis stamden. Zij waren zo rond 1200 zeker zo rijk dat ze konden beginnen aan dergelijke projecten, maar waarom dat juist langs de Merwede was en niet op Voorne, waar hun stamgoederen lagen, is de vraag. In dat gebied zijn geen tufstenen kerken uit de twaalfde eeuw te vinden. En of ze in de twaalfde eeuw hier al zo invloedrijk waren is ook niet bekend.
In de gebieden van de bisschop van Utrecht in het noorden (Groningen, Drenthe) en oosten van het land (Deventer, Zutphen, Tiel) ontstonden dergelijke kerken wat eerder, meestal zo in de tweede helft van de elfde eeuw.
Dorpskerken in het rivierengebied van Holland waren toen echter nog alle van hout en zeer klein: zo’n 6/8 x 12/16 m en eventueel met een versmald koor aan de oostkant er tegenaan gebouwd.12 Of er ooit, zowel in Sliedrecht als Oversliedrecht een eerste houten kapel of kerk gestaan heeft is nu niet meer te achterhalen, tenzij er via archeologisch onderzoek nog eens onder de huidige kerk gegraven kan worden. Of aan de overkant in de Merwelanden…

St Pieter was de belangrijkste heilige
De kerk van Sliedrecht (Noord) was aan St Pieter gewijd. Dat wordt tenminste beweerd in diverse boeken en artikelen, o.a. omdat een achttiende-eeuwse bron zegt dat er een windwijzer met daarin een afbeelding van St Pieter op het dak van het koor stond. De bron zegt dat het daarom waarschijnlijk is dat de kerk aan die heilige is gewijd.13 Ik heb proberen uit te vinden waar dat idee vandaan komt, maar dat is nog niet gelukt. Ik zal in de bronnen in Utrecht moeten kijken of dit klopt. De indruk bestaat dat men elkaar heeft nageschreven en dat het daarom een zekerheid is geworden. Historisch onderzoek werkt echter niet met zulke aannames en gaat van bronnen uit. En dan moet je nog oppassen dat er geen vervalsingen hebben plaats gevonden.
Het is niet echt bijzonder dat een kerk in het Nederlandse taalgebied aan deze heilige apostel is gewijd; dat waren er tientallen. Enkele zeer bekende Hollandse waren (en zijn soms nog) het klooster van Egmond (net als de St Pietersabdij in Gent, waar de monniken vandaan kwamen die Egmond het eerst bevolkten toen het een mannenklooster werd) en de kerken in Leiden, Noordwijkerhout en Zuid-Scharwoude. Elders in Nederland waren er St Pieterskerken in Maastricht, Middelburg en natuurlijk Utrecht. De kapittelkerk van St Pieter in de stad Utrecht had zelfs nogal wat bezit aan de Merwede en Maas in Holland. Brabant en Vlaanderen hadden beide de apostel als patroon.14 Vergeet ook niet dat de abdij van St Pietersdal bij Heisterbach (onder Bonn) een uithof had in de Grote Waard en dat het patronaat van de kerken van Dordrecht en Sliedrecht in de dertiende eeuw beide aan die abdij geschonken waren.15 Beide kerken waren echter aan Maria gewijd, dus het hoefde niet zo te zijn dat de patroon dezelfde was als die van het klooster waar het een bezitting van was of werd.
16 Of deze abdij invloed had op het patronaat van Sliedrecht (Noord) is niet bekend.
Dat Sliedrecht (Noord) een St Pieterskerk had was dus helemaal niet bijzonder en het was zeker geen reden om die kerk belangrijker te vinden dan die van het dorp aan de overkant.

Oversliedrecht had meer parochies onder zich
Het derde argument was: Sliedrecht was altijd al op deze zijde. De overkant behoorde wel tot de parochie Sliedrecht, maar droeg die naam niet. Dit zegt in zoveel woorden dat Sliedrecht tot de parochie van Oversliedecht behoorde. Dat kan niet. In dit deel van de middeleeuwen, zeg maar van ca 1000 tot 1300, was elke kerk een parochiekerk. Hij bezat een parochiepriester of pastoor en bediende de omwonende parochianen. Een nieuwe kerk in een nieuwe ontginning was meestal een eigenkerk van de ontginner, maar kon tegelijk een dochterkerk van een moederkerk zijn, zoals in het geval van Sliedrecht en Houweningen, maar ook die dochterkerk werd een parochiekerk. Wel had de pastoor van de moederkerk nog het nodige te zeggen in die dochterparochie, mocht o.a. de priester daar aanstellen en kreeg een deel van de opbrengst omdat de afsplitsing van een dochterkerk hem inkomsten scheelde. Het is dus niet zo dat een parochie uit meerdere kerken bestond: één kerk=één parochie. Later kon in een uitgebreide parochie ergens een kapel bijgeplaatst worden die door een kapelaan van de parochiekerk werd bediend. Dergelijke kapellen konden soms uitgroeien tot een nieuwe parochiekerk (dat gebeurde nogal eens in groeiende steden) maar kapellen in dorpen werden zelden zelfstandig.17
Het bewijs voor het voorkomen van twee parochies is nog sterker. In 1394 gaat het ambacht Oversliedrecht tussen de kerk en de Matena, over op Arnoud van Lokhorst: met de werftiende, de visserij, de vogelarij en de kerkgift, aanstelling van de schout, secretaris, heemraden en bode. De kerkgift, of het patronaatsrecht, was dus in handen van de leenheer, in dit geval de heer van de Merwede. Van Sliedrecht (Zuid) weten we dat dit recht al in 1267 aan de abdij in Heisterbach werd geschonken.18 Het waren dus duidelijk twee verschillende parochies.

Wat zeggen de leenregisters?
Uit de oorkonden van het grafelijke huis van Holland en de leenregisters van zowel de graven als zijn hoge edelen blijkt dat het niet klopt dat het huidige Sliedrecht het oorspronkelijke was. Er was een duidelijk verschil tussen Sliedrecht en Oversliedrecht, dat pas verdween na de St Elizabethsvloed, toen Sliedrecht (Noord) als enige overbleef en zijn voorvoegsel, Over-, verloor.
Het mag duidelijk zijn dat als er een Oversliedrecht wordt genoemd, er ook een Sliedrecht is. Het laatste dorp is bewijsbaar in 1105 met die naam genoemd in een conflict met de plaats, Houweningen, waar een dochterkerk stond van die in Sliedrecht zelf.19 Oversliedrecht wordt pas in 1203 voor het eerst genoemd, maar het is dan niet duidelijk of het een ambacht/dorp is of de naam van een visserij in de Merwede tegenover Sliedrecht.20 Ik schrijf hier dat de plaatsnamen ‘genoemd’ werden, maar dat is eigenlijk een verkeerde benaming. Toevallig zijn er twee bronnen, oorkonden op perkament, bewaard gebleven waar die namen in voorkomen.
Het zou best kunnen wezen dat er veel meer geweest zijn en dat ze nog vroeger waren ook, maar die zullen we helaas nooit zien. Tenzij er natuurlijk nog eens een charter opduikt in een bibliotheek, museum of particuliere verzameling. Daar kun je echter niet vanuit gaan. We moeten het doen met de oorkonden zoals die in de grote verzameling die het Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 heet en die tussen 1970 en 2005 zijn gepubliceerd. Ze staan inmiddels ook op internet en vormen de ruggengraat van het historisch onderzoek voor 1300 in Holland.21
We kennen dus de naam Oversliedrecht al uit 1203, maar pas in 1290 weten we zeker dat het een ambacht is en bij de tol van Niemandsvriend ligt.22 Dat is nogal vaag, maar uit de omschrijvingen van diverse lenen in de leenregisters van de graaf en hoge edelen als de Van Voornes, de Van de Leckes, de Van Nijenrodes en de Van de Merwedes, blijkt duidelijk wat waar lag.23 In 1329 is er namelijk een aanwijzing waar de grootste scepticus niet omheen kan. Op 13 mei van dat jaar beleent Gerard van Voorne, burggraaf van Zeeland, Floris van de Merwede met het ambacht Oversliedrecht nadat diens vader Daniël (IV) van de Merwede er afstand van heeft gedaan. Het zijn met name de tienden te Sliedrecht en Oversliedrecht aan beide zijden van de Merwede in het ambacht van Nicolaas van de Merwede (heer van Langambacht) en Nicolaas van de Kortenambacht (is hij familie?) enerzijds en Floris van de Merwede Daniëlsz (heer van Oversliedrecht) en Herbaren, zoon van wijlen Herbaren Florekensz. en van Herbaren van Kraaienstein (die dan heer van het latere Naaldwijk is, naast ook nog heer van Kraaienstein aan de overkant) anderzijds. De heren zijn familie van elkaar, maar komen uit verschillende takken. In de verdere registers zijn beide takken goed te volgen. Dat ze heren van dit gebied zijn komt rechtstreeks voort uit het feit dat beide complexen tot de goederen van de Van Voornes horen. En waarschijnlijk wat dat al heel vroeg zo, ca 1200, maar de vroegste vermeldingen van leenovereenkomsten gaan helaas niet verder terug dan ca 1290. Misschien hebben de Voornes te maken gehad met de ontginningen, maar het kan ook zijn dat dit gedeelte van Holland bij het bezitsgebied van deze hoge edelen gerekend werd die voornamelijk op de Zuid-Hollandse eilanden, in het uiterste zuiden van het graafschap, gegoed waren.
In de leenregisters zijn nog tientallen aanwijzingen voor het voorkomen van de ambachten Niemandsvriend, Oversliedrecht (later Lokhorst) en heer Symons ambacht van Teylingen (later Naaldwijk) ten noorden van de Merwede en Craijestein, Langambacht en Kortambacht, samen Sliedrecht genoemd, ten zuiden van de Merwede. Wie het niet gelooft laat ik graag de bewijsplaatsen zien.

Conclusie
Ik hoop hiermee aangetoond te hebben dat aan beide zijden van de Merwede rond 1050, misschien iets vroeger, poldertjes ontgonnen zijn, waarvan de zuidelijke tussen het ambacht Merwede (dat heette pas sinds ca 1240 zo) en Houweningen, al snel Sliedrecht werd genoemd. Aan de noordkant lagen ca 1100 tussen Papendrecht en Hardingsveld ook polders, maar die komen tot aan 1203 (1290) niet met een eigen naam voor. Tenzij we Menkenesdrecht hier moeten zoeken, maar die naam komt alleen in een valse oorkonde uit 1064 (eigenlijk ca 1145) voor. Het feit dat Sliedrecht in 1105 al enkele tientallen jaren in Houweningen een dochterkerk bezat en we in Oversliedrecht pas in de loop van de twaalfde eeuw een tufstenen kerk kunnen vermoeden, betekent dat het eerste belangrijker was dan het tweede. Daar doet de patroon St Pieter van de noordelijke kerk niets aan af.
In 1521 wisten de vissers en vogelaars, riet-, rijs- en biezensnijders uit Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam en Hardingsveld nog precies wat er onder het water aan de overkant lag en konden ze nog resten van de dijken, dorpen, kerken en kerkhoven herkennen en benoemen. Lijstjes met verdronken dorpen uit nog weer honderd jaar later en nog recenter, waar Sliedrecht niet op voorkwam, zijn daarom geen bewijs dat het oorspronkelijke Sliedrecht niet op de zuidoever van de Merwede lag.

Henk ’t Jong MA
Dordrecht, 22.2.2014

 
1 – Joh. van Beverwijck, ’t Begin van Hollant in Dordrecht (Dordrecht 1640) 313; Jacob van Oudenhoven, Beschrijvinghe van Dordrecht (Haarlem 1670) 509; Matthys Balen, Beschrijvinge der Stad Dordrecht (Dordrecht 1677) 769-770; Pieter Hendrik van de Wall, Handvesten, privilegien , etc. der stad Dordrecht (Dordrecht 1790).
2 – Jan Alleblas, ‘Het kindje in de wieg en de Elisabethsvloed van 1421’, in H.A. van Duinen en C. Esseboom, Verdronken dorpen boven water (Dordrecht 2007) 95; Johan Hendriks, ‘De watersnoodrampen van 1421 en 1424’, ibidem, 125. Dit artikel raad ik iedereen aan te lezen. Het ontkracht een heleboel onhistorische verhalen.
3 – Kaarten van Pieter Sluijter, 1560, die wel Lang- en Cortambacht heeft, en N. Diert, 1565, die tussen het huis Te Merwede en Werkendam niets heeft.
4 – Valentine Wikaart, ‘Nijet dan water ende wolcken’ (Tilburg 2009) 134-136.
5 – Jan Smits, Verhandeling over de inbraak en overstrooming van den Grooten Zuid-Hollandschen Waard (Dordrecht 1822).
6 – A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek, 13 delen (Gorinchem 1839-1851). Het foutieve verhaal over Sliedrecht in deel 10, p. 421.
7 – Knipselmap bij De Stamboom, vriendelijke mededeling van K. Blokland.
8 – Elizabeth den Hartog, De oudste kerken van Holland (Utrecht 2002) 47-81.
9 – E.H.P. Cordfunke, Opgravingen in Egmond. De abdij van Egmond in historisch-archeologisch perspectief (Zutphen 1984) 87-89; Den Hartog, Oudste kerken, 83-84.
10 –  Herbert Sarfatij, Archeologie van een Deltastad. Opgravingen in de binnenstad van Dordrcht (Utrecht 2007) 255-256; Den Hartog, Oudste kerken, 107-108, 129-140..
11 – Ibidem, 165-209.
12 – Ibidem, 35-39.
13 – Geciteerd in Kees Blokland, Een moment voor een monument (Sliedrecht 2005) 31.
14 – Stijn van der Linden, De heiligen (Amsterdam/Antwerpen 2002) 700.
15 – OHZ I, nr 261, voor 5.11.1203; OHZ I, nr. 386, 1217; OHZ II, nr. 665, 27.7.1245; OHZ III, nr. 1459, 11.10.1267.
16 – Wikaart, ‘Nijet dan water’, 135.
17 – Jan Kuys, Kerkelijke organisatie in het middeleeuwse bisdom Utrecht (Nijmegen 2004) pp. 43-50.
18 – OHZ III, nr. 1459, 11.10.1267.
19 – OHZ I, nr. 93, 1105.
20 – OHZ I, nr 261, voor 5.11.1203.
21 – http://resources.huygens.knaw.nl/oorkondenhollandzeeland.
22 – OHZ IV, nr. 2435, 23.2.1290.
23 – De leenregisters voor ons gebied zijn tussen 1972 en 1997 alle gepubliceerd in het genealogisch tijdschrift Ons Voorgeslacht.

Sliedrecht 950 jaar oud

Sliedrecht 950 jaar oud. Of nog ouder?
Sliedrecht viert in 2014-2015 zijn 950-jarig jubileum. Dat getal is gebaseerd op het noemen van het dorp in een oorkonde uit 1064. Maar er is wat met die oorkonde… Het gedeelte waarin Sliedrecht genoemd wordt, luidt als volgt:

Sliedrecht-950-01
Fig. 1: detail uit de tekst van de oorkonde van 2.5.1064.

…van het einde der rivier Alblas tot de Merwede, vandaar tot Menkenesdrecht de helft van het gehele land, met alle ambachten , voorts van Riede langs de Merwede tot Sliedrecht, voorts langs de Merwede in de Dordrecht, vandaar in de Dubbel, vandaar in de Duvelhara (Devel), vandaar in de Waal, vandaar weer in de Merwede tot in Dordrecht, met de pas gebouwde kapel, van Dordrecht oostwaarts tot Godekins hofstede die bij Werkenmonde staat.1

Eigenlijk staat er Sclidreth in dit citaat uit een oorkonde, want zo schreef men de naam toen. Wat u hier leest is een vertaling uit het oorspronkelijke latijn. In die taal werden alle officiële teksten in de vroege en hoge middeleeuwen (500- 1200) geschreven. De oorkonde zou op 2 mei 1064 door de Duitse koning aan de bisschop van Utrecht gegeven zijn. Dit jaartal is de basis onder het 950-jarig bestaan van Sliedrecht dat vanaf 2.5.2014 tot en met 2.5.2015 gevierd zal worden. Er is echter wat aan de hand met dit geschrift; het is namelijk een vervalsing. Ik zal in dit artikel uitleggen hoe we dat weten, wat dat betekent en of het invloed heeft op wat we weten over het ontstaan van Sliedrecht.
Ik ben echter lang de eerste niet die aandacht besteed aan dit feit. Cornelis Lips (1903-1999), medewerker van het Dordtse gemeentearchief, schreef in de late jaren dertig een serie artikelen over de geschiedenis van Sliedrecht in de Merwebode. De hele reeks werd later nog eens herhaald in de Merwestreek en in de jaren negentig in het clubblad van de Historische Vereniging Sliedrecht. Inmiddels staat hij ook al weer een aantal jaren op de website van de HVS.2 Die geschiedenis van Sliedrecht is dus inmiddels al meer dan 75 jaar geleden opgeschreven. De geschiedvorsing heeft sinds 1938 niet stil gestaan en we weten nu veel meer over de middeleeuwen in Holland dan toen. Het wordt eigenlijk tijd voor een nieuwe middeleeuwse geschiedenis van het dorp, maar dat is een ander verhaal.
Uiteraard behandelde Lips in zijn geschiedenis ook het ontstaan van Sliedrecht. Hij deed dat echter nogal hap-snap en had duidelijk een voorkeur voor sappige anekdotes. Die voegden niet veel toe aan de kennis over middeleeuws Sliedrecht, maar lazen journalistiek wel lekker weg. Het maakte ook dat er weinig uitgelegd werd over het hoe en waarom van het ontstaan van het dorp en de verdere gebeurtenissen die plaatsvonden. Hij besteedde ook zo goed als geen aandacht aan de politieke en maatschappelijke achtergronden van het ontstaan van de veenontginningen langs de Merwede. Dat is toch een belangrijke voorwaarden om te kunnen begrijpen wat voor dorp Sliedrecht was.
Lips was op de hoogte van de archiefstukken waarin Sliedrecht voor het eerst genoemd werd. Het waren er maar twee, beide van voor 1200, en één daarvan was dus een vervalsing. En ook dat wist hij. Hij schrijft er tenminste over in het artikel ‘Sliedrecht in de middeleeuwen’:3
Bij nader onderzoek is echter gebleken dat dit charter niet in 1064 gegeven is, maar eerst omstreeks 1140 door de ambtenaren van de bisschop van Utrecht zelf vervaardigd is.
In de twaalfde eeuw bestond het begrip ambtenaar nog niet, maar het was wel een bisschoppelijke klerk die het opschreef.
Met medeweten van de bisschop uiteraard. Lips vervolgt met:
Dit doet natuurlijk veel af van de waarde van het stuk als bewijs voor de eigendomsrechten van de bisschop maar de aardrijkskundige gegevens, waarom het ons te doen is, zijn stellig juist. Had de bisschop in het onechte stuk onjuiste aardrijkskundige gegevens opgenomen, dan zou men hem natuurlijk direct betrapt hebben.
En dat klopt. Lips geeft hier gelijk aan waar de oorkonde over gaat: een claim van de Utrechtse bisschop op land dat hem door de ‘Hollandse’ graven is ontnomen.
Wat hij verzuimt te doen is uitleggen waarom de bisschop bijna honderd jaar na dato meent een vals document te moeten maken en wat de naam Sliedrecht daarin doet. Dat die aardrijkskundige gegevens, ondanks dat ze in een vervalsing staan, toch bewijzen dat er omstreeks 1064 al een dorp bestond dat Sliedrecht heette is aanvaardbaar. En het was daarom een goede reden om in 2014 het 950-jarig bestaan te vieren. Maar het is niet het hele verhaal. Een historicus zou zeggen: om te begrijpen wat er staat moet je het in zijn context plaatsen. In zijn situatie in ruimte en tijd. In het geheel van politieke, kerkelijke, maatschappelijke en misschien zelfs economische gebeurtenissen. Dat wil ik in het hierna volgende betoog doen.

Sliedrecht-950-02
Fig. 2: Afschrift van de oorkonde van 2.5.1064, eind 12e eeuw. Rijksarchief Utrecht – archief van de bisschoppen, inv. nr. 43 (Liber Donationum) fol. 53.

Die vervalste oorkonde is één van de weinige bewijzen voor het bestaan van Sliedrecht. Die periode van de middeleeuwen, van vóór 1200, wordt voor heel de geschiedenis van ons land gekenmerkt door een groot gebrek aan ‘bronnen’, zoals dat soort geschriften genoemd wordt. Het zijn, zoals gezegd, voor Sliedrecht letterlijk twee stukken perkament en meer niet. Pas ver na 1200 komt er wat meer bewijs voor wat er in deze omgeving gebeurde. De ene oorkonde, de onechte, is opgetekend in een boek en de andere is een flink blad perkament met een zegel erop. Daar moeten we het mee doen.
Lips heeft die vervalsing niet zelf ondekt; die was al sinds 1909 bekend. Dr. Otto Oppermann (1873-1946) was een geniale Duitse geleerde, die nogal met de Nederlandse geschiedenis bezig was. Hij werd op den duur dan ook professor aan de universiteit van Utrecht. Hij was een groot kenner van de diplomatiek of oorkondenleer; de wetenschap die de echtheid van oorkonden onderzoekt en introduceerde die in Nederland. Het is zijn verdienste dat hij als een stofzuiger door de toen bekende middeleeuwse bronnen heen om ze te controleren op hun echtheid. Hij vond honderden vervalsingen; dit was echt de enige niet. Er zijn er later nogal wat teruggedraaid, want op een bepaald moment zag hij ze overal, maar veel bleven vals. Over de acte van 1064 was geen twijfel mogelijk. Oppermann somde in een artikel erover in het Westdeutsche Zeitschrift fúr Geschichte und Kunst niet minder dan 13 bewijzen op. Daar kon niemand omheen.4
Hijzelf dacht dat de vervalsing tussen 1156 en 1160 gemaakt kon zijn, anderen zochten het rond 1120. Zelf kwam hij er nog een keer op terug en stelde 1129 voor, maar die datum was om allerlei redenen niet vol te houden. Pas in 1997 is bekend geworden dat hij van ca 1146 moet zijn.5
Lips zat er met zijn schatting van het ontstaan rond 1140 dus best dichtbij.
Zoals Lips al aangaf betekent een dergelijke vervalsing niet dat de informatie die erin staat niet klopt voor de tijd waar het over gaat. In 1064 moet die situatie van de ligging van de door de graaf ingepikte landen en hun namen al zo geweest zijn. De bisschop zal zijn lijst van bezittingen uiteraard op de toestand ter plekke, voor zover in Utrecht bekend, gebaseerd hebben want anders zou hij wel heel ongeloofwaardig zijn geweest. Er lagen daar inderdaad al allerlei dorpen aan de met name bekende rivieren. Archeologen en historisch geografen hebben ook aangetoond dat er hier voor 1050 al langs de Merwede begonnen werd met ontginnen. De ontginningsactiviteit in deze streek blijkt ook uit andere bewaard gebleven schriftelijke bronnen.6 Dus er zal in 1064 best een dorp Sliedrecht geweest zijn.

De vraag is dus waarom de bisschop het nodig vond bijna honderd jaar na dato zo’n lijst te vervalsen. De reden was dat het een laatste oprisping was in een strijd tussen de bisschop en de graven die over dit gebied aangesteld waren door de Heilige Roomse keizer. Die strijd duurde al zo’n 150 jaar en hiermee werd een laatste keer geprobeerd om oude rechten terug te krijgen.
De graven die deze streken voor de keizer bestuurden werden de Westfriese graven genoemd. Hun graafschap of gouw heette Westfrisia, niet te verwarren met het huidige West-Friesland.7 Het graafschap omvatte Kennemerland tussen Alkmaar en Haarlem, de monding van de Rijn bij Koudekerk en Rijnsburg en het domein Maasland, het zuidelijk deel van het huidige Westland, plus beide kanten van de Maasmonding.8
Naar een vroege bezitting, met burcht, langs de Maas, Vlaardingen genaamd, stonden ze ook wel bekend als de Vlaardingse graven. In de valse acte wordt de graaf echter ‘van Holland’ genoemd. Die naam werd echter pas tegen 1100 in gebruik genomen door Floris II. Blijkbaar wist de klerk van 1146 dat niet meer en maakte zo een opvallende fout.
Oppermann gebruikte die natuurlijk als één van zijn bewijzen.
Al rond 1010 was graaf Dirk III begonnen land in te pikken dat oorspronkelijk van de bisschop was. Het was weliswaar voornamelijk veenmoeras, maar hij betrok er inkomsten van. Toen Friese boeren, beschermd door de graaf, het land ontgonnen en in bezit namen droogden die inkomsten voor hem op en verdwenen ze in de zakken van de graaf.Toen die ook nog eens kooplui die langs voeren uit ging schudden werd het oorlog. Gedurende ruim 50 jaar werd er regelmatig gevochten waarbij zowel de graaf als de bisschop wel eens verloor of won. Sommige graven sneuvelden (Dirk IV in 1049 en Floris I in 1061) daarbij, soms werd een bisschop gevangen genomen (Koenraad 1076) of zelfs vermoord (dezelfde Koenraad in 1099). In 1061 kon bisschop Willem vanwege het feit dat Dirk V nog maar een kind van circa zes jaar oud was het hele graafschap veroveren. Omdat de bisschop op goede voet stond met het koninklijk hof kon hij koning Hendrik IV, toen nog maar 16 jaar oud, en zijn raadslieden bewegen hem het leen van de Westfriese graaf te schenken. Dat gebeurde in een echte oorkonde van 30 april 1064 (!).10

Sliedrecht-950-03
Fig. 3: Liber Donationum.

De meeste van dergelijke oorkonden bestaan niet meer, maar ze werden wel allemaal gearchiveerd. De bisschoppen van Utrecht hadden een boek, dat Liber Donationum werd genoemd, waarin alle schenkingen stonden die ze sinds 777 hadden ontvangen van de koning of keizer of van particulieren.
Dat boek is later nog een paar keer overgeschreven, maar de meeste exemplaren zijn verdwenen. Er bestaat nog één versie en die dateert uit de late twaalfde eeuw. Het boek ligt in het Utrechtse archief.11
Op pagina’s 39-40 staat de acte van 30 april 1064. Maar de oorkonde van 2 mei 1064 staat helemaal achterin het boek afgeschreven op pagina’s 53-54, na een oorkonde uit november 1145. Het is waarschijnlijk dat dit exemplaar van het Liber Donationum letterlijk is overgeschreven van een ouder exemplaar dat werkelijk in 1145 eindigde en waar die valse actie aan het eind aan is toegevoegd. Dat is op zichzelf natuurlijk al verdacht. Maar delen ervan blijken echter nogal knullig gekopieerd te zijn uit de oorkonde van 30 april. Dat, plus nog de nodige kleine details, en de aanhef dat het over de graaf van Holland gaat, zijn voldoende bewijs dat hij vals is.

Wat was dan precies de aanleiding om een koninklijke schenkingsoorkonde te vervalsen? Met het dateren van deze acte circa 1146 past hij precies in de politieke situatie van die periode. We moeten wel eerst even terug in de tijd. Graaf Dirk V had in 1076, toen hij volwassen was, zijn graafschap terug veroverd op de bisschop. Wel bleef de door zijn voorvaderen gestichte abdij van Egmond onder de Utrechtse bisschop horen. Zijn kleinzoon graaf Dirk VI droeg na een tocht naar het Heilige Land in eigen persoon Egmond en de in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg in 1140 op aan de paus. De bisschop kon niet anders dan daarmee akkoord gaan, maar hij kreeg zo wel nog minder grip op de graaf, die toch al zijn eigen gang ging en zich niets van Utrecht aantrok.
Dirk ontzag zich zelfs niet om regelmatig het Sticht, het gebied waar de bisschop zowel geestelijke als werelds vorst over was (nu de provincie Utrecht), binnen te vallen. Omdat de bisschop, Hartbert, het zat werd, werd de graaf door hem geëxcommuniceerd. Dat was een strenge straf die de graaf toegang tot de kerk en zijn sacramenten verbood. Voor een vrome vorst als Dirk VI, de Jeruzalem pelgrim, was dat zwaar.
Hij smeekte op zijn blote voeten om opheffing van die ban en toen had de bisschop hem waar hij hem hebben wilde. Hij toonde hem de vervalste oorkonde en Dirk moest toegeven dat het land rond de Merwede bisschoppelijk bezit was.
Bisschop Hartbert overleed echter al in 1150 en de graaf kon zijn eigen bisschopskandidaat op de troon in Utrecht krijgen. Het gevaar was geweken en het hele betwiste gebied bleef Hollands.12 De valse acte had dus niet echt geholpen, maar we hebben er wel een verwijzing naar Sliedrecht in 1064 van overgehouden en daarom herdenken we 950 jaar Sliedrecht.

Sliedrecht-950-04
Fig. 4: Reconstructiekaartje van de route in 1064.

De acte bevat nog veel meer bezittingen dan het lijstje uit de aanhef van dit artikel; ze liggen over geheel westelijk Holland. Het citaat geeft echter een indruk van waar de diverse ontginningen in het Merwede gebied lagen. Het doet dat door de langs de rivieren liggende ontginningen te noemen in een volgorde zoals je er voorbij zou varen. Op het kaartje ziet u waar ze ongeveer lagen. Let even op de rivierenlopen, de doorbraak tussen de Merwede en de Maas, die nu de Oude Maas heet, was er nog niet, die ontstond pas na een grote stormvloed in 1170.13

De andere bron van voor 1200 waarin Sliedrecht voorkwam, was een echte oorkonde uit 1105. Deze komt van de toenmalige bisschop, Burchard, zelf en zijn zegel zit er nog steeds op. Ook die berust in het Utrechtse archief.14
De naam Sliedrecht komt er als Schlidreht wel zeven keer in voor. Omdat deze oorkonde tenminste veertig jaar ouder is dan die in het Liber Donationum, is dit dus echt de oudste vorm van de naam: Schlidreht in 1105, Sclidreth in 1146. De uitspraak is trouwens hetzelfde, een beetje slissend: Sjliedrecht. Later is die slis vervallen. Aan het handschrift uit 1105 kan je verder ook zien dat het antieker is.

Sliedrecht-950-05
Fig. 5: De oorkonde van 1105. Rijksarchief Utrecht – archief kapittel van St. Jan, inv. nr. 321.

Deze oorkonde is een uitspraak over een ruzie, maar nu één tussen twee dorpen: de graaf had er niks mee te maken. In het dorp even verderop, Houweningen (het lag tegenover Giessendam), had de ontginner, of zijn zoon, een man met de voornaam Boite (spreek uit: Boote), een kerk gebouwd. Het was waarschijnlijk een simpel houten kerkje, met riet gedekt, maar er werd daar wel de mis opgedragen door een eigen priester.15 Die was door Boite zelf aangesteld, maar dat vond de pastoor van de Sliedrechtse kerk niet goed. Hij claimde dat Boiteskerke een dochterkerk van zijn kerk was en dat hij daar de priester mocht aanstellen. Boite toonde hem echter een oorkonde van de vorige bisschop, Koenraad, waarin stond dat hij de baas was in zijn eigen kerk. Het meningsverschil liep hoog op.
Zo hoog dat de aartsdeken van dit deel van Zuid-Holland, een soort hulp van de bisschop om ver van Utrecht gelegen gebieden te controleren, er niet uitkwam.16 Hij verwees de pastoor naar de bisschop van dat moment, Burchard (1100-1112). Dus trokken de pastoor en enkele van zijn parochianen, allemaal vrije mannen, naar Utrecht. Ze werden vergezeld van wel acht pastoors van omliggende parochies, waaronder Papendrecht en Hardingsveld, als getuigen. Dat was nog best een flinke reis; je was wel een paar dagen per schip onderweg.
De bisschop gaf de Sliedrechtse pastoor gelijk, want hij zag wel dat die zogenaamde oorkonde van zijn voorganger niet erg betrouwbaar was. Hij noemde hem in zijn uitspraak in de ruzie ‘niet wettig’ en dat betekent dat er geen zegel aanhing waaraan je kon zien dat de bisschop hem echt had laten opstellen. De vervalser had natuurlijk geen bisschoppelijk zegelstempel tot zijn beschikking.
Het conflict was dus opgelost, de kerk van Sliedrecht was de baas over die van Houweningen. Alleen de Sliedrechtse pastoor mocht daar de mis opdragen of een plaatsvervanger aanstellen die dat deed. Niet heer Boite. Hoe het verder afliep is niet bekend, maar Houweningen werd op den duur een eigen parochie en was toen niet meer van Sliedrecht afhankelijk.
Dat is het: deze twee stukken, waarvan één een vervalsing en één waarin ook een vervalsing voorkomt, zijn de oudste bewijzen van het bestaan van Sliedrecht. Tot meer dan een eeuw later hebben we geen bewaard gebleven documenten over Sliedrecht.

Sliedrecht-950-06
Fig. 6: Reconstructiekaart van de ontginningen rond de Merwede, ca. 1050.

Er moet nog wel gezegd worden dat het in beide oorkonden over het oorspronkelijke Sliedrecht gaat en dat lag een de overkant van de Merwede. De bewijzen daarvoor zijn duidelijk en hier komt ook die vervalsing van 1064 weer om de hoek kijken. Uit de volgorde van de daarin genoemde ontginningen en het feit dat Sliedrecht aan dezelfde kant van de rivier lag als Thuredrecht (het latere Dordrecht) is er niet aan dat feit te ontkomen. Maar als je weet dat in de dertiende eeuw aan de overkant van de Merwede, dus de kant van het huidige Sliedrecht, Oversliedrecht ligt dan moet het oorspronkelijke zuidelijk van de rivier gelegen hebben. Later blijkt uit bewaard gebleven leenregisters dat de ambachten ten noorden en ten zuiden van de rivier in verschillend bezit zijn.
Daarin wordt ook duidelijk aangegeven waar wat lag.
Trouwens: pas na 1421, als Sliedrecht zuid verdronken is, wordt Oversliedrecht Sliedrecht genoemd.17

De vraag die nog wel beantwoord moet worden is: was ons Sliedrecht dan ook zo oud? Hij kan met ja beantwoord worden. Historisch geografen hebben aangetoond dat beide oevers van de Merwede tegelijk ontgonnen zijn. Dus ergens rond de jaren 1040-50.18 In 1105, zoals ik hiervoor besprak, lagen Papendrecht en Hardingsveld er al. Wat er tussen lag wordt jammer genoeg niet genoemd, maar je laat een ontginning niet onbewoond en onbewerkt liggen Dus daar moeten ook boerderijen gestaan hebben en misschien al een kerkje.
Er zijn mensen die zeggen dat Menkenesdrecht, genoemd in het lijstje uit 1064, de naam voor deze ontginning tegenover Sliedrecht was.19 Het probleem is dat uit die lijst niet precies is op te maken waar Menkenesdrecht lag. Het kan zelfs de oudere naam voor Papendrecht zijn, maar als het in 1064 Menkenesdrecht genoemd wordt en al in 1105 Papendrecht heet, lijkt dat onwaarschijnlijk.20 Maar misschien was het Zuidelijk Oud Alblas wel.

Om af te sluiten zet ik de feiten nog eens op een rijtje.
– Rond 1040-50 worden de beide Merwedeoevers ontgonnen.
– De bisschop zegt dat in 1064 o.a. Sliedrecht aan de  zuidoever van die rivier van hem was.
– In 1105 heeft de kerk van Sliedrecht al een dochterkerk in een ontginning even verderop. Een kerk moet toch al zo’n generatie of misschien langer bestaan hebben voor ze dochters kan hebben, dus tussen de 25 en 50 jaar daarvoor moet er In Sliedrecht al een kerk hebben gestaan.
– Dat de bisschop pas in 1146 Sliedrecht noemt maakt hierin geen verschil: hij beschrijft dan een situatie die in 1064 bestaan moet hebben, anders was hij met zijn valse oorkonde toen al door de mand gevallen.

De conclusie moet dus luiden dat Sliedrecht ten zuiden van de Merwede nu minstens 950 jaar oud is. En dat Sliedrecht ten noorden van de Merwede er in aanleg ook al gelegen moet hebben. De ontginningen gingen gelijk op en je laat een stuk nieuwe polder niet ongebruikt liggen. Het dorp wordt jammer genoeg niet genoemd, tenzij hiermee Menkenesdrecht bedoeld werd, maar dat zal nooit bewezen kunnen worden.
Kortom: het is hier echt 950 jaar oud, maar misschien al wel 960 of 970 jaar. Dus er is zeker wat te vieren dit jaar. Het is jammer dat we inmiddels niet meer kunnen wijzen naar resten uit de periode van het ontstaan van het dorp. De oudste gebouwen gaan terug tot de zeventiende eeuw en dat is toch een behoorlijke tijd later. Er zijn echter nog wel andere resten over uit de ontginningstijd.
In het midden van de elfde eeuw werd in de zomers door de toekomstige bewoners het moeras te ontgonnen. Ze stonden waarschijnlijk vele weken, misschien wel maanden, tot over hun knieën in het water met een schop sloten te graven en het kleiige veen op hopen te gooien. Daar maakten ze dan weer achter- en zijkaden van. Ze moesten trouwens langs de rivier ook nog een heel elzenbroekbos omhakken, maar daar konden ze dan weer boerderijen van bouwen. En die konden ze dekken met het riet uit het veen. De wanden werden aangesmeerd met de gedolven klei.
Die sloten waren in eerste instantie meer dan een kilometer lang en ze lagen elk ruim 100 meter uit elkaar. Dus ze liepen van de rivier, die toen nog geen dijk maar alleen een wat verhoogde oeverwal had, tot de Tiendweg, die oorspronkelijk de achterkade van de eerste ontginning was.
Later in de middeleeuwen werd de ontginning met nog een paar kilometer verlengd tot hij Wijngaarden bereikte.

Sliedrecht-950-07
Fig. 7: Gezicht op de sloten in de polder van Sliedrecht (Google Earth).

Men realiseert zich misschien niet dat men hier nog steeds langs bijna 1000 jaar oude sloten leeft. De Tiendweg is nog een beetje zichtbaar langs de zuidrand van de Rijksweg, en voor de rest overbouwd, maar als je even de spoorlijn over- of onderdoor gaat, dan beginnen daar de genoemde sloten. Er zijn er door de eeuwen wat bijgekomen en natuurlijk zijn ze steeds gekant en uitgediept, maar het zijn nog wel steeds die sloten.
Als men dus nog wat wilt zien uit de tijd van 950 jaar geleden moet men even over de spoorlijn gaan kijken.

Henk ’t Jong MA
19.5.2014

1 – Vertaling van de originele tekst zoals gepubliceerd in A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel 1: eind van de 7e eeuw tot 1222 (’s-Gravenhage 1970), nr. 86 (voortaan OHZ, 1), gemoderniseerd naar o.a. F. van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, etc. deel 1 (Leiden 1753) 68.
2 – https://www.historie-sliedrecht.nl.
3 – https://www.historie-sliedrecht.nl/gesch%20sliedrecht.htm
4 – O. Oppermann, ‘Untersuchungen zur Geschichte van Stadt und Stift Utrecht, vornehmlich im 12. und 13. Jahrhundert’, Westdeutsche Zeitschrift für Geschichte und Kunst 28 (1909) 233-243 (‘Exkurs: Ein falsches Utrechter Diplom Heinrichs IV.und die Entstehung des Utrechter Liber donationum).
5 – P.A. Henderikx, ‘De bisschop van Utrecht en het Maas-Merwedegebied in de elfde en twaalfde eeuw’, in: B. van Bavel, G. van Herwijnen, K. Verkerk (red.), Land, water en bewoning. Waterstaats- en
nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de middeleeuwen (Hilversum 2001) 56, noot 71. Zie ook dezelfde, ‘Het cartularium van Radbod’ in hetzelfde verzamelwerk, pp 251-252.
6 – P.A. Henderikx, ‘De zorg voor de dijken in het baljuwschap Zuid-Holland en in de grensgebieden ten oosten daarvan tot het einde van de dertiende eeuw’. Geografisch Tijdschrift, Nieuwe Reeks, 11 (1977) 410, noot 10; P.A. Henderikx, ‘De ontginning van de veengebieden in de Rijn-Maasdelta, tiende tot dertiende eeuw’, lezing uit 1988, gepubliceerd in: B. van Bavel, G. van Herwijnen, K. Verkerk (red.), Land, water en bewoning. Waterstaats- en nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de middeleeuwen (Hilversum 2001), 21-37, met name 25-27; C. de Bont, Vergeten land. Ontginning, bewoning en waterbeheer in de WestNederlandse veengebieden (800-1350), 2 delen, academisch proefschrift universiteit van Wageningen (Wageningen 2009) 76, 145, 290-293;
7 – OHZ 1, 52-141; D.E.H. de Boer, E.H.P. Cordfunke, Graven van Holland. Portretten in woord en beeld (880-1580) (Zutphen 1995) 15-17.
8 – De Boer-Cordfunke, Graven, 15 (kaartje).
9 – Alpertus van Metz, Gebeurtenissen van deze tijd & Een fragment over bisschop Diederik I van Metz(H. van Rij, red.)(Amsterdam 1980) 79-87; De Boer-Cordfunke, Graven, 26-48, voor deze periode, waarin de hieronder beschrevengebeurtenissen plaatsvonden.
10 – OHZ, 1, nr. 85.
11 – Utrechts Archief, 218-1 Archief bisschoppen, invr. nr. 43.
12 – De Boer-Cordfunke, Graven, 44-48.
13 – H. Sarfatij, Archeologie van een deltastad. Opgravingen in de binnenstad van Dordrecht (Utrecht 2007) 42-45.
14 – Utrechts Archief, 222, Archief kapittel van St. Jan, inv. nr. 321. Vreemd genoeg wordt deze acte gerangschikt onder die voor de Zeeuwse bezittingen van het kapittel.
15 – E. den Hartog, De oudste kerken van Holland (Utrecht 2002) 34-45.
16 – Voor meer informatie over de aartsdekens zie: C. Dekker, ‘De vorming van aartsdiakonaten in het diocees Utrecht in de tweede helft van de 11e en het eerste kwart van de 12e eeuw’, Geografisch tijdschrift, nieuwe reeks 11, 5 (1977) 339-360.
17 – Zie ook mijn artikel: H.C. ’t Jong, ‘Sliedrecht versus Oversliedrecht’ (Dordrecht 2014), te vinden op: https://www.academia.edu/6684398/Sliedrecht_versus_Oversliedrecht.
18 – Zie noot 6, hiervoor.
19 – Waaronder Lips in https://www.historie-sliedrecht.nl/gesch%20sliedrecht.htm. Henderikx noemt het in ‘De bisschop’, noot 20: “de onbekende plaats Menkenesdrecht”.
20 – Al in 1770 werd hier aan getwijfeld: P.H. van der Wall, Handvesten, Privilegien, Vrijheden, Voorregten, Octrooijen En Costumen; Midsgaders Sententien, Verbonden, Overéénkomsten en andere Voornaame Handelingen Der Stad Dordrecht: Beginnende met de Oudste Brieven, en eindigende met de Graaflijke Regeering uit het Huis Van Henegouwen, deel 1 (Dordrecht 1770) 4.

Het kasteel Crayenstein volgens Henk ‘t Jong

Enkele opmerkingen naar aanleiding van een bijschrift over kasteel Crayenstein.

Kasteel Crayenstein 01
Uit: C. Baardman, Leo J. Leeuwis, M.A. Timmermans, Langs Merwede en Giessen (Den Haag 1961)

Op de zuidelijke oever van de Merwede lag tussen de heerlijkheid van die naam en het dorp Houweningen het dorp Sliedrecht (Sclidreth, Slydrecht). Dat bestond uit drie aparte ambachtsheerlijkheden die elk hun eigen heer hadden. Van west naar oost waren dat Crayenstein, Langambacht en Kortambacht. In het eerste stond sinds ca 1250 het door Zeger van Riede gebouwde huis Crayenstein. De heerlijkheid was dus naar het kasteel genoemd. Van Riede was een edelman uit een oude familie die al in de 12e eeuw in de omgeving van de graaf van Holland en de heren van Voorne wordt genoemd. Hun oorspronkelijke bezit lag in wat later de Riederwaard zou worden en ze waren daar heren van Ri(e)derkerk, Barendrecht en Pendrecht. Er zijn aanwijzingen dat zij ook heer waren van het oostelijk van Dordrecht gelegen bezit Merwede. De heren van die naam komen pas ca 1240 voor en voeren een duidelijk van de Van Riedes afgeleid wapen. Het zit erin dat de Van de Merwedes een jongere tak van de Van Riedes waren. Die familie bezat dus ook Crayestein, dat pas zo ging heten nadah het kasteel werd gebouwd, want een ‘stein’ of ‘steen’ was de middeleeuwse benaming van wat wij een kasteel noemen. Dat woord werd toen nog niet voor een versterkt stenen huis gebruikt. Zeger was ook heer van het oostelijke ambacht van Oversliedrecht, dat later Naaldwijk werd genoemd. In die hoedanigheid was hij ook betrokken bij het stichten van het waterschap van de Alblasserwaard in 1277.
Kasteel Crayenstein 02
De Elisabethsvloeden van 1421 en 1424 hebben gaten geslagen bij Werkendam en Broek (ongeveer tussen Moerdijk en Zevenbergen) waardoor de Grote Waard langzaam onderstroomde. Na de tweede vloed was er geen initiatief meer om de dijken te dichten, hoewel dat na de eerste keer nog wel geprobeerd was. De dorpen in dit gebied werden dan ook langzamerhand verlaten. Stenen gebouwen werden voor zover mogelijk afgebroken en de stenen werden elders hergebruikt. De houten en lemen huizen en boerderijen vervielen langzamerhand. Er zullen weinig mensen zijn verdronken, want de overstroming kreeg pas langzaam greep op het gebied. De bevolking, die natuurlijk alles achter moest laten behalve wat ze in een bootje konden laden, verspreidde zich over de omgeving. Velen waren verarmd en moesten door liefdadigheid geholpen worden. Anderen vestigden zich tussen de boeren aan de noordkant van de Merwede of in de Langstraat. Tussen de wat hogere stukken oeverwal of donken ontstonden op den duur kreken en moerasgebied.

De dijk langs de Merwede bleef er echter nog lang liggen, al ontstonden er soms wel gaten in waar kreken in uitkwamen. De kasteelplaatsen van de huizen te Merweden en Crayenstein lagen hoger en de kastelen bleven gewoon staan. Merwede werd echter verlaten door de heer, ook omdat de familie uitstierf. Het kasteel werd door Dordtenaren dankbaar als steengroeve gebruikt. Crayenstein bleef waar het stond en was soms ook bewoond door de heren. Tot het land eromheen niet langer meer bruikbaar was en de laatste ambachtsheer, Splinter van Hargen, het huis in 1563-64 af liet breken. De stenen verkocht hij aan de inwoners van Sliedrecht aan de overkant. Misschien zitten er nog fundamenten onder de oever of in de rivier, maar die zijn nooit opgegraven. In 1592 was het dus al bijna 30 jaar verdwenen en zeker niet langzaam in het moeras gezakt.
Kasteel Crayenstein 03Op dezelfde plek werd trouwens ten tijde van de opstand (dus na 1568) een redoute gebouwd, een klein vierkant fortje, dat er een flinke tijd heeft gelegen. Misschien is het fortje wel opgericht op de fundamenten van het kasteel. De naam werd op den duur verbasterd tot ronduit en tot de Derde Merwehaven werd aangelegd heette de polder hier de Ronduit en kwam de Ronduitsloot er uit in de rivier.

Kasteel Crayenstein 04
De tekening boven het bijschrift.

Of de getekende afbeelding uit 1537 dateert is onwaarschijnlijk; hij ziet er eerder 17e of 18e eeuws uit. Waarschijnlijk is het daarom een fantasietekening. Lips schreef in zijn Geschiedenis van Sliedrecht dat het kasteel nog is afgebeeld op een kaart van het gebied uit 1537 die door ene Cornelis Schilder gemaakt zou zijn, dus hij bedoelt hier niet dit aanzicht mee. De schrijver van het bijschrift heeft die verwijzing dus verkeerd begrepen.

Kasteel Crayenstein 05
De gekopieerde kaart uit 1537 van Cornelis Schilder (12.9.1591) – Hingman 1890A.

Deze kaart, een kopie uit 1591, berust nog steeds bij het Nationaal Archief en erop is heel goed te zien dat het kasteel geen ruïne is. Op een kaart van het ambacht Crayenstein zoals dat er in 1543 uitzag is verder heel duidelijk te zien dat het kasteel op het uiterste oosteinde van het nog tamelijk goed herkenbare ambacht lag. Het nog steeds niet vervallen gebouw, met een flinke toren, werd aan drie zijden omgeven door water. Geen wonder dat Van Hargen er niet helemaal rustig woonde, als hij dat al deed, want hij was ook nog heer van Oisterwijk.

Kasteel Crayenstein 06
Kaart van de ambachten Merwede en Crayenstein, 1543 (Hingman 1978) uit W. van Wijk, Historische atlas van de Biesbosch (Zwolle 2012) 38-39.

Overigens is uit deze kaart ook op te maken waar het kasteel precies lag; pal ten zuiden van de kerktoren van Wijngaarden. Als je nu een loodlijn van die toren naar het zuiden trekt kom je uit op de oever boven de Derde Merwedehaven, ongeveer tegenover het Kerkerak in Sliedrecht. Volgens kaarten uit de 17e eeuw lag het kasteel waarschijnlijk schuin tegenover de molen in het vroegere wijk C, waar de huidige Molendijk naar genoemd is, iets naar het westen.

Hoeveel dorpen er tijdens en na de Elisabethsvloeden zijn ‘verdronken’ is bijna niet te reconstrueren. Het hangt er maar vanaf wat je als een dorp beschouwt. Er kunnen, net als Sliedrecht, meer dorpen geweest zijn die uit meer ambachten hebben bestaan. Daar is echter nooit onderzoek naar gedaan. Tegenwoordig wordt uitgegaan van rond de 15 kerkdorpen of parochies, waarbij die soms in enkele ambachten onderverdeeld kunnen zijn. Meer dan 30 kunnen het er bijna niet geweest zijn, misschien inderdaad maar 23, maar nader onderzoek zal dat uit moeten wijzen .

Waarom Arnoud van Crayenstein als een belangrijk heer wordt aangeduid is me echter een raadsel. Er is bijzonder weinig van hem bekend, behalve dat hij tussen ongeveer 1315 en 1339 ambachtsheer was na de dood van zijn oudere broer Zeger. Hij was een jongere zoon van Sophia van Riede, vrouwe van Crayenstein en Herbaren van Drongelen en was dus eigenlijk een Van Drongelen. Hij ging zich echter Van Crayenstein noemen en wijzigde de achtergrond van zijn vaderlijk wapen met het zilveren rad van blauw in zwart. Hij had een zoon Herbaren, die vroeg stierf, en een dochter Sophia, die met Dirk van Teilingen trouwde, waarna het ambacht in die familie kwam. Dat is het.

Het bijschrift laat dus nogal wat fouten, aannames en een verkeerd begrepen beschrijving zien en de vraag blijft waarom Arnoud van Crayenstein zo belangrijk werd gevonden.

Henk ’t Jong MA
Dordrecht , 1.11.2014

31 – Aanleg Rijksweg 15

Al in een ver verleden is een goed wegennet van belang. Zo hebben de Romeinen de heerwegen. Heer betekent hier leger. De naam wijst op het oorspronkelijk doel van deze ’snelwegen’. Na de val van het Romeinse Rijk raken deze wegen in verval.

Een latere vorm zijn de handelswegen, de Hanzewegen, vanaf 1400 tot aan het eind van de Middeleeuwen. Ze vormen een verbinding tussen de oude Gelderse Hanzesteden. Het wegennet in de Nederlanden van de zeventiende en achttiende eeuw bestaat vrijwel alleen uit wegen die het ene dorp verbinden met het andere. Uitzonderingen hierop zijn de Hessenwegen (oude handelswegen).

Later, ten tijde van Koning-Stadhouder Willem III (eind zeventiende eeuw), maken we kennis met de Koningswegen. Deze zijn aangelegd ten behoeve van de jachtactiviteiten van de koning.

De Franse bezetting brengt verandering. De  Napoleonswegen zijn verhard,  meestal kaarsrecht. Gepland om voor het Franse leger snel militaire troepen en materieel te verplaatsen. Pas in de negentiende eeuw ontstaat een verhard wegennet. Tussen 1820 en 1850 wordt 500 km extra bestrate rijksweg bijgebouwd. Daarna zijn er lange tijd vrijwel geen nieuwe wegen aangelegd.

De opening van de eerste Nederlandse spoorweg in 1839 zet echter een rem op de ontwikkeling van het in 1814 door koning Willem 1 gepresenteerde wegenplan. Een andere concurrentie voor de verkeersweg vormt de trekvaart.

De roep om een modern wegennet wordt steeds luider
De grote verandering komt rond 1900. Nieuwe transportmiddelen, de fiets en even later de auto. Begin 1898 telt ons land dertien autobezitters. Bij het verlenen van een vergunning krijgt de automobilist een volgnummer. Nummer één wordt uitgereikt op 26 april 1898; het laatste klassieke volgnummer op 30 december 1905. Hierna worden de autonummers een zaak van de provincie. Het nummerbord krijgt een toevoeging in de vorm van een provinciale letter.
Het is Ir. Lely die als minister van Waterstaat erop aandringt te komen tot een landelijk hoofdwegennet  Erg serieus neemt de overheid auto’s en auto(snel)wegen nog niet. In 1915 lukt het Ir. Lely  te komen tot een introductie van de Rijkswegencommissie. Dat is de eerste aanzet tot het Rijkswegenplan van 1927.

Geschiedenis-3101Het Rijkswegenplan 1927
Dit plan is het eerste echte wegenplan dat sinds Napoleon wordt gepresenteerd. Liefst 2800 km aan rijkswegen zullen in een tijdsbestek van nog geen dertig jaar aangelegd moeten worden. Andere provinciale en gemeentelijke wegen zullen worden uitgebreid. Twaalf bruggen over de grote rivieren zijn gepland. De kwaliteit van de Nederlandse wegen is slecht. De meeste wegen zijn smal, meestal maar drie meter of minder. Intensiever gebruik beschadigt het wegdek en de reparaties zijn onvoldoende. Bovendien zorgen tolplaatsen en veerponten voor enorm veel oponthoud. Intussen zijn er een aantal dingen gebeurd die van belang zijn voor de latere ontwikkeling van het Rijkswegennet in Nederland.

We denken dan aan de groeiende populariteit van asfalt. Het probleem met de negentiende-eeuwse wegen is vooral het onregelmatige oppervlak en stof. Stof vormt een bedreiging voor de gezondheid. Wegen worden besprenkeld om het stuiven te voorkomen In 1850 wordt in Europa de eerste asfaltweg geopend. De eerste Nederlandse proef met asfaltsteenslag wordt in 1923 genomen bij Wassenaar. Op aansturen van Gerrit Jan van den Broek wordt de Wegenbelastingwet (1926) aangenomen, waarin het meebetalen aan de wegenbouw door de gebruikers wordt geregeld. Het plan van Van den Broek krijgt vorm in juni 1927, als hij het Rijkswegenplan presenteert.

Nieuwe trajecten en bruggen
In het plan worden de belangrijkste steden van ons land met elkaar verbonden. Ook komen er een aantal nieuwe trajecten, waaronder Den Haag-­Utrecht, Den Haag-­Rotterdam, Rotterdam-­Gouda­-Amsterdam, Amsterdam­-Utrecht en Amsterdam­-Leiden. Verder bevat het plan een aantal grote verkeersbruggen. Doorgaande wegen zullen niet langer  gehinderd worden door talloze pontveren. In een kort tijdsbestek krijgt Nederland de beschikking over geweldige verkeersbruggen, waaronder de brug over de Noord bij Alblasserdam (1939).

Rijksweg 15
In 1932 vinden we een bericht in de Nieuwe Rotterdamse Courant over het feit dat de minister van Waterstaat het tracé van de nieuwe rijksweg door de Alblasserwaard heeft vastgesteld. Vanaf Alblasserdam over de Achterdijk naar Papendrecht, naar Sliedrecht over de Oude Tiendweg, bij Giessendam over de Peulen en voorts naar Gorinchem tussen het Kanaal van Steenenhoek en de spoordijk. Vanuit de kant van de gemeenten ziet men de weg liever iets noordelijker geprojecteerd. Ondanks diverse protesten, o.a. van de kant van de landbouwers, zal de weg er uiteindelijk  zoals boven beschreven komen. Begin 1933 is het zover dat er een proefstuk in de Sliedrechtse polder zal worden aangelegd.

Het aanleggen van een nieuwe rijksweg gaat uiteraard gepaard met de onteigening  van gronden en het slopen van woningen. De prijzen variëren van f 1,25 tot 30 cent per m². Het zal niet vreemd in de oren klinken dat dit nogal op bezwaren stuit. Reikhalzend ziet men in januari 1934 uit naar het tijdstip waarop de eerste spade in de grond zal worden gestoken. Hierbij is men echter afhankelijk van de gelden die van het ministerie moeten komen. Hoewel de minister 40 miljoen gulden heeft uitgetrokken voor de uitvoering van de werken, is het nog lang niet zeker dat Rijksweg 15 hiervan zal profiteren! Dit wordt bewaarheid door het volgende bericht in de krant van april 1934: Naar wij vernemen zal met de aanleg van de rijksweg door de gemeente Hardinxveld dit jaar nog niet worden begonnen. Enige woningen, die al zijn onteigend en ontruimd, worden nu weer bewoond! Echter, een maand later lezen we over de aanbesteding van de rijksweg Rotterdam-Elst, (gedeelte Buldersteeg tot aan Schelluinen). De raming is f 150.000,-.

Werklozenproject
Het bestuur van de vereniging ‘Hardinxveld Vooruit’ verzoekt de minister van Waterstaat te bepalen dat een gedeelte van het werk met handarbeid moet worden uitgevoerd in plaats van met machines, waardoor een groot aantal werklozen uit de gemeente te werk gesteld zal kunnen worden, terwijl de kosten van het werk er niet door zullen stijgen. De laagste inschrijver is de N.V. Aannemingsmij en Wegenbedrijf P. C. Zanen  te Haarlem voor een bedrag van f 119.000,-, volledige machinale behandeling en voor f 149.000,-  met zoveel mogelijk gebruikmaking van handkracht.
Geschiedenis-3102
De aanleg wordt echter gegund aan de N.V. De Geruischlooze Weg te Heemstede die het werk in het kader van de werkverschaffing met zoveel mogelijk handkracht zal uitvoeren.  De kans op het vinden van werk voor een groot aantal werklozen uit de gemeente Hardinxveld is hierdoor groot geworden. Dit lukt inderdaad. Er worden 74 werklozen  tewerkgesteld. Dit voor een uurloon van f 0,30.

In september 1934 vordert men al goed met de aanleg. Twee stoomwalsen bewer-ken een dikke laag hoogovenslakken. De slakken zullen bedekt worden met klinkers, die in november aangebracht worden. Ongelukken blijven bij de werkzaamheden niet uit. Een met zand beladen kipkar kantelt, doordat het zand te ver is weggegraven. Een van de arbeiders wordt bedolven. Gelukkig is er bij hem niets gebroken!

In maart 1935 is het eerste deel van de rijksweg, ruim 3 km, gerealiseerd. Op 15 april is de openstelling voor het verkeer tussen Schelluinen en de Buldersteeg te Hardinxveld. Het nieuwe rijwielpad langs het kanaal van Steenenhoek is dan al in gebruik genomen. De aanbesteding van deel twee van de rijksweg, het deel door de Peulen, zal spoedig daarna plaatsvinden.

Door de Peulen zal een aarden baan worden aangelegd. Verder staat de inpoldering van dit gebied op de agenda. Hiertoe zal een sluis gemaakt moeten worden, zodat een afwatering naar de Merwede mogelijk is. Een zaak waarmee zowel de gemeenteraad van Hardixveld als die van Giessendam hebben ingestemd.

Geschiedenis-3103Aanbesteding in augustus 1935
De aanbesteding, gepland voor 17 september betrefende het deel van de Peulen tot Papendrecht, is verschoven naar 1 oktober. Het betreft een bedrag van f 1.400.000,- aan grondwerken.

De diverse viaducten en bruggen zullen over twee jaar apart worden aanbesteed. Een laag zand ter dikte van twee meter zal aangebracht moeten worden. Gerekend wordt op een verzakking van de bodem met één meter. Dit kan plaatselijk mee- en tegenvallen. Berekend is dat de veenlaag hier en daar negen meter dik is!  Het zand zal zich gedurende een periode van twee jaar moeten zetten. Bij het Sliedrechtse station zal meer zand gestort moeten worden i.v.m. de aan te leggen op- en afritten. Juist op die plaats heeft men een zeer dikke veenlaag aangetroffen. Het viaduct over de Stationsweg zal een lengte hebben van honderd meter. De hoogte zal vier meter zijn. Het viaduct bij de spoorbaan te Baanhoek zal een zogenaamd etage-viaduct worden. Het snelverkeer gaat ter halve hoogte door de spoorbaan, terwijl de voetgangers, wielrijders en paardentracties een verdieping lager de spoordijk zullen doorkruisen. De Parallelweg loopt dan weer met een eigen viaduct onder de aan te leggen rijksweg door.

Op de grens Sliedrecht – Giessendam zal de nieuwe rijksweg de dijk kruisen. Op die plaats komt een viaduct, in de vorm van een boogbrug, waaronder het verkeer richting de Peulen  zal gaan. De rijksweg zal ter hoogte van de Peulen tevens dienst gaan doen als nieuwe waterkering. Een tweede kruising van de rijksweg met de dijk gaan we krijgen in Hardinxveld nabij de ijzergieterij Versteeg. Eenzelfde boogbrug zal hier gebouwd worden. Er vindt echter opnieuw uitstel van aanbesteding plaats. Dit in verband met problemen inzake het grondwerk dat men voornemens is te doen in het kader van de werkverschaffing.

De rijksweg zal een aarden baan met een kruinbreedte van 19 meter krijgen. Het traject tussen Baanhoek en de Buldersteeg heeft een lengte van 10 km. Op- en af-ritten staan gepland bij de spoordijk te Baanhoek, bij de Stationsweg te Sliedrecht en de Nieuweweg te Hardinxveld. Het werk wordt gegund voor f 1.080.000,-. De oplevering dient plaats te vinden na 600 dagen. De laagste inschrijver voor dit traject is aannemer A. J. Siepe te Winterswijk voor een bedrag van f 950.000,-. Er zullen circa 150 werklozen te werk worden gesteld. Dit gaat in de volgende verhouding: Hardinxveld:Giessendam:Sliedrecht als 3:2:5. Het loon bedraagt 35 cent per uur.

Peulen
In 1936 wordt voor de aanvoer van zand een spoorrails gelegd over de Nieuweweg en de Merwededijk door de firma Siepe. Gedeputeerde Staten geeft toestemming voor de bouw van een sluis ten noorden van de ontworpen rijksweg ten behoeve van de drooglegging van de Peulen. Merkwaardig is wel dat het deel van de rijksweg tussen Schelluinen en Gorinchem is overgeslagen bij de werkzaamheden. Dit heeft te maken met de onzekerheden over de plaats waar een brug over de Merwede zal komen. Pas in 1963 zal de ingebruikname van de brug plaatsvinden. (Het deel Schelluinen-Gorinchem wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog op provisorische wijze aangelegd en in gebruik genomen.)
Geschiedenis-3104
De opdracht tot het maken van de viaducten aan de rijksweg wordt gegund aan de N.V. Zwolsche Bitumenbouw voor f 103.343,-. Het werkverschaffingsproject verloopt niet zonder strubbelingen. Na een staking volgen ontslagen bij de tewerkgestelden.

Bij het inheien van de betonpalen voor het viaduct rijksweg te Sliedrecht zakken de zes ton wegende palen zonder enige druk meters diep in de veenbodem weg. Het zand is intussen aangevoerd. De rijksweg krijgt een breedte van 31 meter. Er komen twee rijstroken van 6,25 meter, fietspaden en een middenstrook van 4,50 meter met bermen tussen de rijweg en de fietspaden.

Geschiedenis-3106Boogbruggen
Het maken van de schutsluis met overbruggingen in rijksweg 15 voor het sluisschap Giessendam-Hardinxveld wordt gegund aan N.V. Kraaijeveld Aannemers Maatschappij en A. Hofman te Heemstede voor een bedrag van f 136.000,-. Aan het werk begint men in juni 1937. De sluis zal ongeveer in januari 1938 gereed zijn.

Voor de bouw van de brug over de rijksweg te Hardinxveld vindt een tijdelijke omlegging van de dijk bij ijzergieterij Versteeg plaats. Langs de rijksweg zal een fietspad komen richting Sliedrecht. In 1938 is de zandtoevoer gestopt en gaan de werklozen aan de slag met het afdekken van de rijweg met klei. Niet iedereen is het eens met de onteigeningen. Er wordt zelfs een vereniging opgericht om de gezamenlijke belangen te behartigen! Op 7 juni 1938 vindt de aanbesteding van de verharding van de  aarden baan tussen Buldersteeg en Baanhoek, en de bouw van drie boogbruggen van gewapend beton met bijkomende werken, plaats. Dit zijn de passages bij Oud-Alblas, Sliedrecht en Giessendam-Hardinxveld. De N.V. Bato te ‘s Gravenhage is met f 576.890,- de laagste inschrijver.

Schutsluis
Kennelijk valt de bouw van de nieuwe sluis tegen. Pas in augustus 1938 wordt bij de Molenplaat de vlag gehesen! Gemeentebesturen van Giessendam en Hardinxveld en verdere genodigden maken de feestelijke gebeurtenis mee. Schepen liggen al voor de sluis te wachten op de doorvaart. Al 25 jaar eerder was er nagedacht over deze bredere vaarweg naar de Merwede. Een tweede nut is de  verversing van het water in het Peulengebied. Tot sluismeester wordt benoemd de heer W. Breur.

De hoop is om de rijksweg eind 1939 gereed te hebben, inclusief de brug over de Noord. Voor de onderbouw van een spoorbruggedeelte te Baanhoek bij km 86.188. is N.V. Zwolsche Betonijzerbouw  met f 27.881,- de laagste inschrijver.

De openbare aanbesteding in januari 1939 voor het maken, leveren, stellen en verven van een brug voor enkelspoor over rijksweg 15 nabij Baanhoek bij km 86.188 is de laagste inschrijver: Kon. Ned. Machinefabriek v.h. E.H. Begemann te Helmond.

In januari 1939 worden de overige 200 palen geheid voor de tunnel rijksweg 15 te Neder-Hardinxveld. De palen hebben een lengte van 12 tot 17 meter. Voor de twee viaducten van gewapend beton in rijksweg 15 langs de spoorweg Dordrecht – Gorinchem onder de gemeente Sliedrecht is de laagste inschrijver N.V. G en A. Schrale te Zwolle. Prijs f 123.867,-.

In oktober 1939 is het zover dat het wegdeel tussen de Buldersteeg en de Nieuweweg wordt opengesteld. In die maand zal ook de brug over de rijksweg bij Hardinxveld worden geopend.

Geschiedenis-3107Geschiedenis-3108Geschiedenis-3109Opening brug over de Noord
Dinsdag 14 november 1939 vindt de opening van de brug over de Noord plaats. Hoofdoverspanning 165 meter. Aan weerszijden kleinere overspanningen van respectievelijk 48 en 42 meter. Aan de oostzijde een viaduct van 615  meter. Deze zijde is gekozen daar de bodem ter plaatse zeer drassig is. Op deze dag wordt ook het deel tussen Ridderkerk tot aan Stationsweg te Sliedrecht opengesteld. Een traject van 13 km met aan de westzijde twee rijbanen, naar het oosten voorlopig één rijbaan. De grondbaan is ter plaatse al wel geschikt voor twee rijbanen! Aan de opening is geen feestelijk tintje gegeven. De openstelling van het traject voor het verkeer is 14.00 uur. Het plan tot de openstelling tussen Sliedrecht en Hardinxveld is december 1939. Het fietspad  langs de rijksweg wordt vanuit de richting Baanhoek in november 1939 geopend tot aan de Stationsweg. Het viaduct nabij de Veerweg te Papendrecht wordt een maand later opgeleverd. Zaterdag 27 april 1940 vindt de openstelling van rijksweg 15 tussen de Nieuweweg te Hardinxveld en de Stationsweg te Sliedrecht plaats. Hiermee is het plan rijksweg 15 in onze omgeving voltooid! De Duitsers maken in mei 1940 al rap gebruik van de nieuw aangelegde weg!

 

Tekst: Bas Lissenburg

Bron: Diverse digitale kranten

30 – Winter 1954

Bron Digitale archief Gorinchemse couranten.

Een jaar na de Watersnoodramp van 1953 wordt ons land ‘getrakteerd’ op een ouderwetse strenge winter. Het gevaar van een overstroming bij een invallende dooi is niet denkbeeldig. Door kruiend ijs is dit gevaar zeker aanwezig! Op 4 februari 1954 komt Prinses Wilhelmina, tijdens een niet aangekondigd bezoek, bij de Tolsteeg naar het werk van de ijsbrekers op de Merwede kijken. Drie binnenschepen worden door de ijsbrekers uit het ijs verlost. Het zijn de Spanje, de Linge en de Spaarne en twee slepers van de rederij Haniël, eigenaar van de ingevroren schepen.
Geschiedenis-3001
De inwoners van Sliedrecht hebben vanaf de dijk een prima uitzicht! Rijkswaterstaat heeft een plan opgesteld om het ijs op de veiligste manier door ijsbrekers te laten te breken. Eerst zal men in de Nieuwe Merwede en de Boven-Merwede het ijs breken. Dit gebeurt vanaf Moerdijk. De ijsbrokken dienen weg te stromen, richting zee, via de Nieuwe Merwede! Pas later zal het ijs in de Beneden-Merwede gebroken worden.

De Prinses arriveert rond één uur per auto met de pont vanuit Dordrecht te Papendrecht. Bij de Tolsteeg verschijnt ze om half twee. Men is op die plaats bezig met het bevrijden uit het ijs van drie ingevroren rijnschepen. Al spoedig wordt de Prinses herkend. Talloze nieuwsgierigen komen op het bericht van het Koninklijk bezoek af. Burgemeester Winkler en de gemeentepolitie weten het publiek op de juiste afstand te houden. De Prinses kijkt vanuit haar auto naar het werk van de ijsbrekers. Onder luid applaus vertrekt de vroegere Koningin weer.

Geschiedenis-3002Terug in de historie
We schrijven januari 1954. De Merwede ‘zit’ en de eerste men-sen hebben al een tocht te voet over het ijs afgelegd. IJsbrekers hebben al een poging gewaagd om bij Werkendam door het ijs heen te komen, maar Gorkum en het eindpunt van de Beneden-Merwede is nog lang niet bereikt. De rivier zal nog wel even in de koude greep gevangen blijven…

Het komt in de geschiedenis meermalen voor dat zich drijfijs op de Merwede bevindt, maar dat men er over heen kan lopen komt minder voor. In 1917 is dat het geval en pas daarna gebeurt het in 1929. In dat jaar heeft de rivier een behoorlijk lange tijd onder het ijs vastgezeten. Op 11 februari heeft het zich gehecht en pas op 7 maart is er weer open water te zien. Bijna een maand heeft de Merwede toen ‘gezeten’.

Geschiedenis-3002aHet verloop in de maand februari 1929 is zeer vlot. Op 11 februari ‘zit’ de rivier en op 12 februari kan men er al overheen lopen! Op 14 februari worden er bij Gorkum voetpaden gelegd naar Sleeuwijk en Woudrichem. Zelfs auto’s gingen al spoedig over de ijsvlakte. De ijsdikte bedroeg gemiddeld 1,25 meter. Het heeft die winter bar hard gevroren. Van de 672 uren die de maand februari telt, vroor het 526 uur!

Geschiedenis-3003Ook in 1940 heeft de rivier ‘gezeten’, zij het slechts kort. In het begin van januari is er al drijfijs en na een korte periode van dooi, wordt de vorst hervat en het drijfijs wordt veelvuldig. Op 19 januari wordt het drijfijs zeer zwaar en de overzichten melden, dat op 20 januari reeds mensen te voet overstaken. Dit heeft niet lang geduurd. Op 25 januari verschijnen ijsbrekers, die echter zo langzaam en moeilijk opschieten dat als ze in de buurt van Vuren zijn, zij geholpen moeten worden door militairen met springstoffen om hun weg te kunnen vervolgen! Nadien heeft de rivier nog drijfijs gehad. Het is dan echter uitgesloten om een overtocht te doen. In de winter van 1942 was het weer prijs. Ook dan bedekt een dikke ijslaag de rivier. Dit gebeurt eveneens in de vorstmaanden van 1946/1947.

Op de Nieuwe Merwede al actief
In 1954 is dit ook weer wel het geval. De eerste voetgangers hebben de risicovolle tocht over de rivier al gemaakt! Tussen de aaneengevroren schotsen bevinden zich nog open gedeelten! Mensen begeven zich op de schaats op de rivier. Hoe lang het deze keer allemaal zal duren? We moeten de komst van de ijsbrekers afwachten. Wanneer en waar de rivier zal worden opengebroken is nog maar de vraag. Er wordt gemeld dat de ijsbrekers op de Nieuwe Merwede al actief zijn. Ze zullen nog zo’n zeven kilometer van Werkendam verwijderd zijn. De Beneden-Merwede is ook al voor een deel ijsvrij gemaakt daar er voor Dordrecht schepen liggen in gevroren.

Het kan echter nog wel even duren voordat al het ijs in de Boven-Merwede zal zijn verwijderd. De gemeentelijke veerdienst heeft een voetpad over het ijs aangelegd naar Sleeuwijk. Binnenkort is de overtocht te voet te maken! De veerpont is uiteraard uit de vaart genomen.

Zware ijsbarrières in de Merwede
De ijsbrekers die in dienst van Rijkswaterstaat op de Nieuwe Merwede werken, hebben opnieuw een poging gedaan om Werkendam te bereiken en ditmaal zijn zij er na een zware strijd in geslaagd om dit kritieke punt te bereiken. ’s Morgens om 10.30 uur zijn ze reeds op zeven kilometer afstand van deze plaats; het punt waar zij twee dagen achtereen moesten terugkeren. De vloot is nu versterkt met de Spitsbergen en ook de zware Siberië is weer present, maar de Canada laat nog verstek gaan wegens averij. De zes zwaarste schepen rukken op naar Werkendam, gevolgd door twee ‘En Avants’ die de schollen kleiner maken. Drie ijsbrekers blijven achter bij de Moerdijkbrug, om daar het vastraken van de ijsvelden te voorkomen.

Geschiedenis-3004Het is de zwaarste dag geworden voor de ijsbrekervloot. Op het punt bij Werkendam, waar de drie rivieren samenkomen, blijkt zich aan de zuidzijde een zware ijsdam gevormd te hebben, die de helft van de rivier in beslag neemt en zich over een lengte van een kilometer uitstrekt. De acht ijsbrekers hebben drie uur moeten zwoegen om deze muur van ijs te doorbreken. Men was er wel op voorbereid, dat het ijs hier zware tegenstand zou bieden, maar dit had men niet verwacht! Het is nu nog onmogelijk door te stoten naar Gorinchem. Op de terugweg stuit de vloot op weer zwaar opnieuw vastzittend ijs bij de Kop van ’t Land en het duurt geruime tijd eer hier de weerstand is overwonnen. Pas om zeven uur vaart men de haven van Moerdijk binnen. De bemanningen hebben het zwaar te verduren gehad en zijn dan ook doodmoe.

Geschiedenis-3005IJsdammen
“Een van de grote angsten van de bewoners van het rivierengebied was de ijsgang in de rivieren tijdens vorstperioden. Zware ijsgang en kruiend ijs konden immers veel schade aan dijken en bruggen toebrengen. Nog gevaarlijker waren de ijsdammen van soms wel 10 meter hoog die de afvoer van het water blokkeerden. Hierdoor kon het water achter de dam dramatisch snel stijgen en moesten de bewoners, voor zover mogelijk, een goed heenkomen zoeken. Hoewel ze meestal niet volkomen waterdicht waren, liep al bij normale watertoevoer het water voor deze ijsdammen vaak zo hoog op dat de dijken overliepen en doorbraken. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw werd een start gemaakt om de loop en de bedding van de rivieren drastisch te reguleren en te verbeteren. Het graven van de rivier de Nieuwe Merwede is hiervan een mooi voorbeeld.”

Sliedrecht moet geduld  hebben
Er wordt in totaal met veertien schepen gewerkt op de Nieuwe Merwede, de Boven-Merwede en De Waal. Een ploeg van zes opereert stroomopwaarts en een groep van acht schepen zorgt er voor dat het ijs rustig naar zee kan worden afgevoerd. Het is daarom noodzakelijk, dat het ijs in de Beneden-Merwede, dus van Hardinxveld tot Dordrecht, blijft ‘zitten’. Er is bij Hardinxveld-Werkendam een mooie bocht in het ijs ontstaan, waarlangs het ijs van bovenaf wordt afgevoerd naar de Nieuwe Merwede. Als deze bocht er uit zou zijn, dan zal het ijs rechtdoor willen gaan en onherroepelijk vastlopen. Als men de Beneden-Merwede ook zou openbreken, zal er te veel ijs langs Dordrecht worden gevoerd. Een opeenhoping zou ontstaan, die zeer gevaarlijk zou zijn. Tevens zou er dan geen scheepvaart van Dordrecht naar Rotterdam meer mogelijk zijn. Willens en wetens laat men de Beneden-Merwede dicht zitten.

Geschiedenis-3006Hetzelfde liedje
De vorst is zo hevig, zo hardnekkig dat de ijsbrekers er in de Nieuwe Merwede enkele dagen over hebben moeten doen om deze ijsvrij te krijgen. Telkens als zij ’s morgens uit de haven van Moerdijk varen, is de rivier weer dichtgevroren en kan men opnieuw gaan breken. Zo wordt enige malen Werkendam bereikt, maar verder komt men niet. Het is dan al weer tegen donker geworden, zodat de thuishaven Moerdijk weer opgezocht wordt. En de volgende dag is het dan weer hetzelfde liedje. Maar eindelijk is men dan toch doorgestoten naar Gorinchem! Het is ’s morgens nog erg heiig en met een verrekijker is er in Gorinchem nog geen spoor van de ijsbrekers te bekennen. Deze kunnen toch niet zo heel ver weg zijn. ’s Middags is er enig leven in westelijke richting te bespeuren. Even later doemen de boten uit de nevel op. De ijsbrekers zijn in aantocht. Velen willen het breken van het ijs zien. Van grote afstand worden de vorderingen van de boten gevolgd. Vooruit, achteruit, stukje vooruit… Zwaar slaan de schroeven door het water, ijsbrokken kapot beukend. Grote ijsvelden raken los en drijven van de rest westwaarts weg. Als de schepen zich tegen de avond afmeren, gaat er een hoeraatje op onder de toeschouwers. De bemanning is blij dat de bestemming Gorkum is gehaald. Anders zouden ze weer helemaal terug moeten gaan naar Moerdijk. Tussen de genoemde plaatsen is namelijk geen haven te vinden met genoeg diepgang! De volgende dag, zondag, wordt het werk voortgezet. Richting Loevestein gaat het. De ijsvelden worden in  brokken gesneden. Er zit goede vaart in het wegstromende ijs. Men kan de verschillende voetpaden, nog bedekt met zand en afgezet met palen, richting Nieuwe Merwede langs zien drijven.

Geschiedenis-3007Einde schaatspret
In Sliedrecht kan men nog enige tijd op de rivier schaatsen, maar … het einde van de winterpret nadert. Donderdag 18 februari wordt, na een stremming van 18 dagen, door de ijsbrekers het ijs gebroken. Na vijftien minuten is er alweer vaart op de rivier mogelijk. De natuur kent toch onnavolgbare krachten! Eerst de storm en het alles vernielende water in 1953; een jaar later de koude die een altijd maar stromende rivier in een vaste greep weet te houden.
Artikel bewerkt door Bas Lissenburg (december 2010)

29 – Watersnood 1953

Het weerbericht voorspelt zaterdag 31 januari 1953 weinig goeds. Via de radio vernemen we het weerbericht van 18.00 uur: “Boven het noordelijke en westelijke deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen noordwest en noord. Het stormveld breidt zich verder uit. Verwacht mag worden, dat de storm de gehele nacht zal voortduren en in verband hiermede werden vanmiddag om half zes de groepen Rotterdam, Willemstad en Bergen op Zoom gewaarschuwd voor gevaarlijk hoog water.” Om elf uur ’s avonds is het zover. Het waterpeil in de Merwede stijgt met de minuut. De buitendijks wonende mensen zijn op hun hoede. Heel Sliedrecht is in rep en roer.

Geschiedenis-3001
Het anders zo lieflijke ‘Klaaindiepie’, een boosdoener voor de bewoners van Wijk C tijdens de Watersnoodramp van 1953

Al omstreeks twaalf uur staat er water in de Kerkstraat en de Dijkstraat. Het Klein Diep is buiten de oevers getreden. Langs de gehele dijk is men buitendijks aan het ‘kisten’. Planken worden voor deuren en ramen aangebracht. De hamerslagen klinken door het hele dorp. Het is dé manier, die in de buitendijkse woningen al eeuwenlang wordt toegepast, om het water buiten te houden.

Geschiedenis-3002“In de buitendijkse stoepwoning, A 178, waar ik opgroeide, is het al niet anders. Mijn vader is bedreven in het ‘kisten’. Als hij zelf klaar is, wordt er nog bijgesprongen bij de buren. Het water komt echter steeds verder richting dijk. Tijd om binnen maatregelen te nemen. Het vloerkleed in de kamer verhuist naar de zolder. De haardkachel en het dressoir worden bovenop de tafel gestald. Andere meubel-stukken verhuizen via het laddertje in de keuken naar de zolder. Nog is alles droog in huis. Het water staat al op het stoepje voor de deur. Een tijdje later horen we het tegen de kistplank aanklotsen. De wind giert door de stoep. Een uur later nadert het water de dijk. Bij ons binnen luidt op dat moment de noodklok. Het water is via het raam en even daarna over de kistplank heen ons huis binnengedrongen. Het zeil wordt al als verloren beschouwd. Van het behang zal weinig overblijven … We hopen maar dat het hier bij zal blijven.”

Geschiedenis-3003Wellicht zijn de mensen in de polder, zoals in Wijngaarden, nog niet op de hoogte van wat er rond de dijken afspeelt. Tijd om de noodklok te luiden, mobiele telefoons zijn uiteraard nog onbekend. Om half vier ’s nachts begint het gelui van de torenklok van de Grote Kerk. De polderbewoners zijn gewaar-schuwd! De dijk bij Papendrecht is doorgebroken! In Sliedrecht is de toestand eveneens zorge-lijk. De dijk bij de Tolsteeg loopt gevaar. Velen sjouwen met zandzakken om een dijkdoorbraak te voorkomen. Gelukkig slaagt men hierin.

“Intussen zijn we naar de zolder verhuisd. Het water staat zo hoog in de benedenverdieping dat de kolenhaard in de keuken met de poten in het water staat. We hebben nog wel kunnen zien dat het water tot aan het randje van de dijk gestegen is. Van mijn vader hoor ik dat het springtij is! Het wordt – dat zal duidelijk zijn – een onrustige nacht. Van slapen komt niets. Achteraf vraag ik me wel eens af of mijn vader beseft heeft wat er met het oude huisje had kunnen gebeuren. De muren waren beslist niet zo solide. Ik denk hier wel eens aan terug als ik de ravages zie na een aardbeving ergens in de wereld …”
Geschiedenis-3004
Om zeven uur in de morgen luidt de torenklok opnieuw. Op de grens tussen Giessendam en Sliedrecht is de dijk doorgebroken! Met grote kracht stroomt het water al onder de ‘Witte Brug’ over de rijksweg de Sliedrechtse polder in. Deze wordt nu van twee kanten bedreigd.
Gelukkig begint rond acht uur het water in de rivier te zakken. Honderden koeien worden uit de Binnenwaard, uit hun warme stallen, naar hoger gelegen delen gedreven. Ook op de dijk in Sliedrecht loopt het vee, klaaglijk loeiend, onder begeleiding rond. De dieren worden in loodsen en schuren, zelfs in tuinen ondergebracht.

Geschiedenis-3005Naar een veilige plaats !
“Gelukkig begint het water in onze stoep te zakken. De kistplank gaat er uit en langzaam loopt het vieze water – we woonden nabij een kolenopslag – via de deur naar buiten. Wat een troep blijft er over in de kamer en de keuken. Op meer dan een meter hoogte is het behang drijfnat en donkergrijs gekleurd. Het zeil lijkt veel breder en langer te zijn en bobbelt aan alle kanten. Het huilen staat mijn moeder nader dan het lachen. Ik, als 11-jarige jongen, zie er de ernst niet zo van in. Integendeel, ik vind het allemaal reuze spannend. Vooral als ik hoor dat de dijk op de ‘Kaoi’ doorgebroken is. Gauw er heen, slapen kan later wel! Wat ik daar zie, zal ik nooit meer vergeten. Beseffen wat de gevolgen zijn, doe ik niet echt. Het ergste vind ik nog wel dat een deel van ons voetbalveldje weggespoeld is.”

Geschiedenis-3006Zondag 1 februari 1953 wordt er in niet één kerk een dienst gehouden. Verbijsterd luistert men naar de radio. Het besef van een nationale ramp dringt tot de mensen door. De toen nog kleine binnendijkse uitbreiding komt langzaam maar zeker onder water te staan en de bewoners moeten uit hun woningen vertrekken. Dit lot treft ook de bewoners van de vele stoepen die Sliedrecht in deze tijd nog kent. De begraafplaats wordt onbereik-baar. Op een open terrein aan de Merwesingel wordt een noodbegraaf-plaats ingericht. Sliedrecht telt in 1953 het aantal van 16335 inwoners. Hiervan zijn er 6161, een kleine 40%, binnen Sliedrecht bij familie, vrienden of kennissen ondergebracht. Bovendien worden ook nog eens 1100 personen van buiten Sliedrecht in ons dorp opgenomen. Helaas verliest een 86-jarige alleenwonende vrouw, L.Vogel-Kraaijeveld, in Wijk C het leven als zij bij het vluchten voor het water de zolder tracht te bereiken, maar van de trap valt. Als men haar later aantreft, komt de hulp te laat!
Geschiedenis-3007Geschiedenis-3008
In de polder verdrinkt helaas veel vee. De kadavers zijn maar moeizaam te verwijderen. De dode dieren worden naar de rijksweg overgebracht en vervolgens afgevoerd naar een destructiebedrijf.

Geschiedenis-3009Tijdelijk rijden er geen treinen meer. Dit komt doordat de spoorbaan tussen het Wantij en Baanhoek ernstig beschadigd is. De verbinding in de richting Gorinchem is volledig onmogelijk.

Het station Sliedrecht ligt te midden van een enorme waterplas.
Na de versterking van het baanlichaam kan de tijdelijke verbinding Baanhoek – Dordrecht worden ingesteld. Even wordt de oude halte Baanhoek weer in gebruik genomen. Op 19 februari kan de gehele spoordienst echter weer hervat worden.

“Mijn oma woont binnendijks. Als bij ons het water verdwenen is en de boel zo goed en kwaad als mogelijk opgeruimd is, komt in haar tuin het water juist opzetten. Langzaamaan zie ik het achterste deel van haar tuin vol lopen. Met een stok kras ik strepen op het tuinpad. Vol spanning ga ik elke morgen, middag en avond kijken hoeveel water erbij gekomen is. Ja, ik moet wel in de gaten houden dat mijn konijnen niet kunnen verdrinken. Weet ik veel hoe hoog dat het water zou komen? Nou ja, ik heb toch mooi de hele dag de tijd. Maandag nog even naar school geweest, maar gelijk weer naar huis. De school had ook last van het water! Dat vinden we niet erg. Een extra vakantie noemen we het. In de oude gepotdekselde schuur van mijn oma, waar normaal alleen maar wat oude rommel te vinden is, staan nu warempel een paar koeien. Best leuk eigenlijk allemaal …”

Geschiedenis-3010Herstel
Al op zondagavond 1 februari is het gat in de dijk bij de Kaoi dicht. In Papendrecht duurt dat heel wat langer. Pas op 5 februari 1953 lukt het daar om het veel grotere dijkgat te sluiten. Met veel pompen wordt het water afgemalen. Ongeveer 1800 huizen hebben in het water gestaan en 1521 stuks vee hebben in Sliedrecht onderkomen gevonden. Hulpacties komen op gang. Het zelf door de ramp getroffen Sliedrecht brengt 125.000,00 gulden op bij de inzameling voor het rampenfonds. Zodra mogelijk vertrekken de baggeraars naar het zwaar geteisterde rampgebied in Zuidwest-Nederland. De baggermaatschappijen beginnen met hun nieuwste werktuigen aan het sluiten van de dijkgaten. Dit is een nog moeilijker karwei dan het dichten van de dijken op Walcheren in 1946. Boskalis werkt o.a. aan de dijkdichting bij Kruiningen op Zuid-Beveland. Volker werkt o.a. aan het dijkherstel bij Schelphoek op Schouwen.

Geschiedenis-3011“Kom ik op een morgen de waterstand weer ‘opmeten’ en zie dat de watermassa bedekt is met een ijslaagje. Nou dat kan een mooie ijsbaan worden, denk je dan. Dat wordt het inderdaad, maar schaatsen is er niet bij! De politie kijkt er streng op toe dat er geen personen met minder goede bedoelingen bij de leegstaande huizen komen. Zodoende ook voor ons jongens verboden terrein! Met de koeien gaat het prima, de rest van de schuur is intussen gevuld met hooi en stro. De waterhoogte zie ik teruglopen. De dijken zijn weer dicht hoor ik verluiden. Nog steeds geen school. De kachel van de centrale verwarming heeft in het water gestaan en is nu kapot gevroren. Met nog een paar jongens moet ik me soms melden bij de bovenmeester om wat huiswerk op te halen. Geen probleem, toch tijd zat! Natuurlijk wagen we ons wel op verboden terrein. Dat geeft wat spanning. Leuk is het vlotje varen op de losgespoelde bruggetjes over de sloten waarover de boer normaal met paard en wagen van en naar zijn weiland rijdt. Dat je daarbij wel eens een nat pak haalt, als je net boven een sloot zinkt, neem je maar op de koop toe. Al met al was de tijd van de watersnoodramp voor ons toch ook wel een spannende belevenis. O ja, voor we vanuit de 6e klas op 1 april naar een nieuwe school gegaan zijn, hebben we nog een paar gewone schoolweken meegemaakt…”

Bron: De Tijd van Toen … Van Ir. W. Bos.
Cursieve teksten: Jeugdherinneringen van Bas Lissenburg.
Geheel bewerkt door Bas Lissenburg.

28 – Wederopbouw

Geschiedenis-2801Om na afloop van de Tweede Wereldoorlog zo spoedig mogelijk aan de slag te kunnen gaan met de wederopbouw van ons land wordt het in de Biesbosch verborgen baggermaterieel van Volker, Boskalis, de H.A.M. enz. naar de scheepswerven in Sliedrecht gebracht.
Met het opgekalefaterde materieel trekt men in 1945 onder andere naar het door een dijkbreuk getroffen Walcheren, een groot karwei voor de Sliedrechtse baggeraars. Pas in september 1946 zal de klus geklaard zijn. Als feestuiting wordt in de zaal ‘Schuttershof’ te Middelburg tijdens de afscheidsavond door de baggeraars een revue opgevoerd.

1945:
Dijk Westkapelle juist gesloten. De vuurtoren staat nog. De nieuwe dijk is nog maar een mager gevalletje. De oude dijk lag ongeveer aan de linkerrand van de foto. Het meer op de achtergrond is het overstroomde land.
Geschiedenis-2802Nederland gaat na de wereldbrand aan de ‘vooruitgang’ werken. Sliedrechtse baggeraars laten zich niet onbetuigd. Volker gaat aan de slag in Rotterdam. Boskalis heeft een groot aandeel in de uitbreiding van de hoofdstad. Vanuit o.a. de Sloterplas wordt zand opgespoten naar de terrei-nen van de nieuw te bouwen ‘tuinsteden’ Slotermeer, Sloter-vaart, Osdorp, enz.

Schaars
In het eigen dorp begint de zoektocht naar de eerder tijdens de oorlog in de bodem verstopte spullen. Veel metalen voorwerpen zijn door zuren behoorlijk aangetast. Ingemetselde voorwerpen in de woningen of onder de vloeren komen wel goed weer te voorschijn. Ook aan diverse Sliedrechtse woningen is heel wat te herstellen. De scholen beginnen weer met de lessen, maar in de winter tijdens de vorst worden de kolen gespaard en blijven de scholen gesloten. Dit niet tegen de zin van de leerlingen! Scholen hadden overigens direct na de oorlog gebrek aan allerlei middelen, zoals speelgoed op de bewaarschool en papier op de lagere school. Levensmiddelen zijn nogal schaars en vaak alleen verkrijgbaar met daarvoor bestemde bonnen.

Geschiedenis-2803Vooruitgang
Vanaf 1947 worden de emmerbaggermolens vrijwel allemaal dieselelektrisch aangedreven. Op het gebied van de accommodatie voor de bemanning wordt na de oorlogsjaren grote vooruitgang geboekt! Wastafels met stromend water, douchecellen en kombuizen met stromend warm en koud water doen hun intrede aan boord. Veel zorg is tevens besteed aan de verwarming, de ventilatie en de isolatie.

Geschiedenis-2804In 1948 wordt herdacht dat het gemeentehuis aan het Dr. Langeveld-plein 25 jaar geleden in gebruik werd genomen.

Ter gelegenheid hiervan worden door de gezamenlijke Sliedrechtse baggermaatschappijen drie gebrand-schilderde ramen voor de trouwzaal aangeboden. Hierop zijn de diverse werkzaamheden van de baggeraars te zien. Naast de voordeur worden enige lantaarns geplaatst.

Geschiedenis-2805Kerk
In hetzelfde jaar vindt een heuglijke gebeurtenis voor de Rooms Katholieke bewoners van ons dorp plaats.
Nabij het viaduct van de rijksweg over de Stationsweg wordt een nieuwe stenen kerk gebouwd.
Deze vervangt het oude houten gebouw waarin tot nu toe de diensten worden gehouden.
Binnen een tijdsbestek van nog geen half jaar staat het gebouw er!

Geschiedenis-2806Einde veer
Per 1 januari komt er een eind aan het laatste van de vijf Sliedrechtse stoomveren. Op Den Hoek waren er in de gloriejaren twee Bovenveren. Een voor de FopSmitboten en een voor de stoomboot die op Heusden voer. Het derde was bij het Middelveer, het vierde nabij hotel-restaurant Bellevue en de vijfde in de rij was het Benedenveer te Baanhoek.
Het laatste veer dat opgeheven wordt, is dat van de Heusdense Boot. De veervrouw, Huibertje de Groot, van het ‘Heusische Veer’, nabij de gasfabriek wordt eervol ontslagen.

Geschiedenis-2807Koninklijk bezoek
Prins Bernhard brengt op 14 juli 1949 per auto een bezoek aan Sliedrecht. Op een toen nog onbebouwd gedeelte van de Merwesingel, ter hoogte van de huidige Piet Heinstraat, decoreert de Prins de helden en heldinnen van de verzetsstrijd. Mensen uit deze omgeving die nauw betrokken geweest zijn de bij de Biesboschcrossings.
Eenenzestig verzetsstrijders worden onderscheiden, waaronder acht personen uit Sliedrecht. Dit zijn J. de Landgraaf, J. Bakker, J. Visser, J. Meijer, D. H .van Gool, C. L. Bolijn, P. van Dam en A. Kunst.

Bijna een jaar daarvoor, op 30 augustus 1948, is Jan de Landgraaf (1921- 1979) uit Sliedrecht door Koningin Juliana onderscheiden met de Militaire Willemsorde vierde klas. Op de Sonsbeekheide te Arnhem wordt hem dit ereteken op 7 oktober 1948 door H.M. persoonlijk opgespeld tijdens dezelfde plechtigheid waarbij Prinses Wilhelmina gedecoreerd wordt met de Militaire Willemsorde eerste klas. Dertig keer heeft De Landgraaf met zijn kano de achttien kilometer lange Crossline bevaren. In samenwerking met anderen heeft hij als ondercommandant in de Biesbosch kleine groepen zwaar bewapende Duitsers overvallen, opgeborgen en streng bewaakt.

Rode Kruis
Juli 1950 kan de vereniging Het Nederlandsche Roode Kruis, afdeling Sliedrecht, de bouw van een eigen verenigingsgebouw aan het Burgemeester Drijberplein laten aanbesteden. Het werk wordt gegund aan de laagste inschrijver de firma P. van Houwelingen te Sliedrecht. Het ontwerp is van architect G. de Kluiver van het architectenbureau Groeneveld en De Kluiver te Sliedrecht. De officiële opening vindt plaats op zaterdag 17 maart 1951 in tegenwoordigheid van burgemeester Winkler, de wethouders, de gemeentesecretaris De Haas van Dorsser en een afvaardiging van het hoofdbestuur van het Rode Kruis. De openingshandeling – het hijsen van de Rode Kruisvlag wordt verricht door de kleinzoon (Dirk Zijp) van de in 1950overleden oprichter van de afdeling Sliedrecht, Dokter D. Zijp. Om de exploitatie van het gebouw rond te krijgen, moet er wel een verhuur plaatsvinden. L. de Jong krijgt het toezicht op het gebouw.

Geschiedenis-2808Weer hoog bezoek
Tijdens het streekbezoek aan de Alblasserwaard brengen Koningin Juliana en de Prins op 28 juli 1951een bezoek aan Sliedrecht. Zij bezoeken eerst het Hervormd Rusthuis aan de Stationsweg, waarna men naar het raadhuis vertrekt. Tegenover burgemeester Winkler uit H.M. haar bewondering voor het fraaie gebouw. Binnen bewonderen de Koninklijke gasten de gebrandschilderde ramen en luisteren zij naar een uiteenzetting over de baggerij door Adriaan Volker II. Met de Piet Hein – aan boord de Prinsessen Beatrix en Irene – vertrekt het Koninklijk Paar en hun gezelschap vanuit de Sliedrechtse haven. Het jacht vaart onder de enthousiaste toejuichingen van een duizendkoppige menigte langs het baggermaterieel naar het open water van de Merwede.

Geschiedenis-2809Kerktoren op instorten
In 1952 wordt Sliedrecht opgeschrikt door een schokkende gebeurtenis. In april wordt een ernstige bouwvalligheid geconstateerd van de eeuwenoude toren van de Grote Kerk. De godsdienstoefeningen moeten worden gestaakt. Er wordt dankbaar gebruik gemaakt van de gastvrijheid in de Gereformeerde Kerk in de Oranjestraat. Het zware verkeer wordt niet meer bij de toren toegelaten, het werd omgeleid via de Havenstraat en de Westerbrug.
Er wordt een speciale gemeenteraads-zitting belegd, omdat de toren in tegenstelling tot de kerk, gemeente-eigendom is. Men besluit tot restauratie van het historische bouwwerk. De kosten worden op f 60.000,- begroot.
Het oude schooltje – sinds lang gymzaal, kapperszaak en vergaderlokaal worden in overleg met het kerkbestuur afgebroken. Zo krijgt men meer ruimte in het centrum voor het toenemende verkeer. De voet van de toren wordt met een betonnen mantel verzwaard. Veel zeer oude stenen worden vervangen.

Geschiedenis-2810Bij de werkzaamheden worden twee sarcofagen gevonden. De zich daarin bevindende geraamten worden gedateerd uit de tijd van de Noormannen. De geheel gave sarcofaag gaat naar een museum in Leiden, de andere – beschadigde – behoudt de gemeente. Later is deze samen met de gevelsteen van het schooltje naar het Sliedrechts Museum verhuisd. Tijdens de restauratie worden nog meer menselijke resten gevonden.

In de torenkamer wordt de daar van oudsher aanwezige nor gesloopt. Hij was al zo’n 100 jaar niet meer in gebruik. Immers vanaf 1853 is een kerker onder het raadhuis in de Kerkbuurt in gebruik. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt een nieuw gebouw voor het kerkbestuur achter de kerk te bouwen. Zoals in vroeger eeuwen het geval geweest was, wordt onder in de toren weer de toegangsdeur naar de toren zichtbaar. De consistoriekamer wordt iets ingekort en van een nieuwe gevel voorzien. Een paar banken geven voortaan de mogelijkheid, rustig gezeten onder de oude toren, het komen en gaan in Sliedrechts centrum te bekijken. Hierbij zullen zeker heel wat herinneringen aan vroeger worden opgehaald. Bij de ingangen van de kerk worden de klompenhokken verwijderd. De gevelstenen met het jaartal 1763 (herbouw van de kerk) komen bij de werkzaamheden weer tevoorschijn.

Groene Kruisziekenhuis
Geschiedenis-2811Geschiedenis-2812In 1952 doet de leuze ‘Voor het nieuwe huis van het Groene Kruis’ in Sliedrecht in kranten en folders de ronde. Met deze kreet wordt een actie onder de bevolking gevoerd, die rond f 60.000,- opbrengt. Het gemeentebestuur verstrekt de garanties voor de financiering van de bouwkosten voor een gemoderniseerd ziekenhuis. Op 12 november 1952 legt mevrouw A.K. Volker-Schuytemaker de eerste steen voor een nieuw te bouwen gedeelte. Zij doet dit met de woorden: ‘Ik wens, dat dit huis zal worden een huis van heul en heil en heelkunde in de hoogste zin van het woord’. Medio 1954 wordt de nieuwbouw van het ‘Groene Kruisziekenhuis’ in gebruik genomen. Veel strubbelingen zorgen er voor dat eerst op 7 november 1955 sprake is van een Sliedrechts gemeenteziekenhuis.

Geschiedenis-2813Brandweerkazerne
In 1951 zijn er plannen om een brandweerkazerne achter school 3, op de hoek Oranjestraat – Middeldiepstraat, te maken. Wegens financierings-moeilijkheden wordt de bouw evenwel uitgesteld. Men moet zich blijven behelpen met de houten brandweergarage achter de school. Het drogen van de slangen blijft ook een probleem. Gelukkig kan men soms gebruik maken van de nieuwe droogtoren in Papendrecht, terwijl men overweegt de warmte van het badhuis aan de Middeldiepstraat te benutten.

Voorjaar 1954 legt brandweercommandant G. G. Lanser wegens drukke werkzaamheden het commando neer.
De plaatsvervangende commandant A. Baars Azn. wordt tot zijn opvolger gekozen. Inmiddels is de bouw van een brandweerkazerne met droogtoren en bovenwoningen toch begonnen.

Geschiedenis-2814Middeldiep
Het gebouw verrijst aan het einde van het Middeldiep, dat daardoor al weer een stukje wordt ingekort. De toren is binnenwerks twee bij twee meter en voorzien van stijgijzers, bordessen en jukken. Het ontwerp is van architect Jac. C. van den Hout uit Sliedrecht. Het gebouw bestaat uit een garage met boxen, een werkplaats, een magazijn, een wachtlokaal en een garderobe, waarboven twee woningen voor de chauffeurs van de autospuiten. Voor het snelle uitrukken vindt men het van belang dat de chauffeurs zo dicht mogelijk bij de bergplaats van de spuiten wonen. De kazerne wordt boven de reinwaterkelder gebouwd. Er voor komt een plein, dat gelegenheid biedt met het materieel te oefenen. De ligging in het centrum is uitermate gunstig, ook dichtbij de haven en de bedrijven aan de Industrieweg. Sinds de oprichting van het korps is altijd dankbaar gebruik gemaakt van het open water in het centrum van de gemeente zoals het Kleine Diep, en vele gantels. In verband met de demping van het Kleine Diep moet wel naar andere waterwinplaatsen worden gezocht.

Bron:
De Tijd van Toen van Ir. W. Bos
Sliedrecht in oorlogstijd van J. A. Batenburg

Bewerkt door Bas Lissenburg

27 – Oorlogswinter 1944

Geschiedenis-2701De geallieerde troepen landen op 6 juni 1944 in Normandië. Een enkeling in Sliedrecht weet via Radio Oranje het verheugende nieuws op te vangen. Geallieerde legers bevrijden in september 1944 Noord-Brabant. ‘Dolle Dinsdag’ breekt aan. Men rekent zich al bevrijd van het Duitse juk. Ondanks de gunstige berichten blijft Sliedrecht in bezet gebied liggen. De bevrijding is nog ver weg. De Biesbosch vormt de scheiding tussen het door de Duitsers bezette gebied en de bevrijders. Daden van verzet blijven, mede door een oproep van Radio Oranje, niet uit. In oktober 1944 wordt er springstof op de spoorlijn gevonden. Als represaille moeten mannelijke inwoners tot de leeftijd van 60 jaar, die in de dorpen langs de spoorlijn wonen, in ploegendienst dag en nacht wachtlopen om de spoorlijn te bewaken.

Geschiedenis-2702Bombardement
Zondag 15 oktober 1944 gaan de sirenes weer eens af. Geallieerde jagers zijn begonnen aan een aanval op een trein. Deze rijdt, met paarden, militairen en oorlogsmaterieel, aan Sliedrecht voorbij. De trein wordt vol onder vuur genomen. De locomotief komt tot stilstand bij het perron, de goederenwagons staan tot voorbij het Stationsplein. ‘s Middags volgt nog een bombardement. Niet alleen het station, maar ook de omgeving daarvan wordt getroffen. Op de laatste twee woningen van de Stationsweg vallen bommen. Mannen van het Rode Kruis zetten zich met leeuwenmoed in om slachtoffers te redden. Voor de heer Jongsma komt de hulp te laat. Als hij onder het gevallen puin vandaan gehaald wordt, is hij al overleden.

Geschiedenis-2703Van oktober 1944 tot Kerstmis 1944 worden er bij voortduring schoten gehoord. Gebieden ten zuiden van ons dorp, zoals De Biesbosch en Het Eiland van Dordt krijgen het zwaar te verduren. Een goed teken vormen de eindeloze rijen Duitsers die zich met hun resterende bezittingen, geladen op paard en wagen terugtrekken. Echter overal worden inwoners gedwongen tot inkwartiering van Duitse soldaten.
De scholen liggen stil. Ook in deze gebouwen verblijven veel Duitse soldaten. Het Duitse leger kan van alles gebruiken. Fietsen, paarden, dekens, bedden, enz. worden gevorderd.

Koud
Zeer koude wintermaanden breken aan. Bij Keizersveer wordt door de Duitsers de brug opgeblazen om de opmars van de geallieerden te stuiten. De rookwolken zijn vanuit Sliedrecht te zien. Twee weken later valt de elektriciteit uit en de gasvoorziening stagneert door gebrek aan kolen. Sliedrecht moet zich behelpen met kaarsen, olie- of carbidlampen. De voedselnood is hoog. Op 28 december 1944 wordt ook een centrale keuken geopend. Aan de bevolking wordt tegen inlevering van voedselbonnen een maaltijd verstrekt. Door gebrek aan kolen varen de veerponten naar Dordrecht niet meer. Alleen per roeiboot is de stad nog bereikbaar. Een nijpend probleem voor patiënten en bezoekers van de ziekenhuizen!

Geschiedenis-2704De voedselsituatie wordt kritiek, het broodrantsoen wordt tot 500 gram per week verlaagd. De kolen raken op, ook in Sliedrecht worden nood-gedwongen veel bomen omgezaagd en gebruikt als brandhout in de kachel. In februari 1945 komen zelfs de suikerbieten op de bon! Op 23 april 1945 sluit de gaarkeuken door gebrek aan grondstoffen. De waterleiding werkt nog maar op halve kracht. Hier en daar worden pompen aangesloten op het grondwater.

Toch weet men dat het einde van de oorlog nabij is. Duitse VI en V2 raketten vliegen weliswaar laag over, maar het zijn de laatste Duitse troeven in een verloren oorlog. Dagelijks is men dan ook bang, dat in Sliedrecht een ‘misser’ zal ontploffen.

Geschiedenis-2705Op Nieuwjaarsdag is het mooi vriezend weer. Plotseling verschijnen twee Britse vliegtuigen type ‘Hawker Typhoon’ aan de heldere hemel. De aanval is gericht op schepen die liggen in een gantel naast de Molenstraat. De bommen op de gantel missen hun doel en richten schade aan bij de woningen Molenstraat 17 en 19. De bommen gevallen op de Molenstraat hebben ook slachtoffers gemaakt. In de Molenstraat wordt het gezin Kazen getroffen. Vader Jacob, moeder Pietje, grootvader Teunis en grootmoeder Jannigje komen om het leven. Ook het buurjongetje Maarten Ruis vindt de dood. In de middag volgt nog een aanval gericht op de omgeving van de haven. Daar worden een baggermolen en twee laadbakken geraakt. Op de baggermolen staat Gerrit A. Teeuwe te vissen.
Een bomscherf treft hem dodelijk. De 15-jarige Jan Wisselink, die in de haven staat te vissen, wordt eveneens getroffen en ook hij overlijdt.

Vanuit een Brits toestel valt een bom op garage Kramer in de Oranjestraat. De naast de garage gelegen kleuterschool wordt ook getroffen. Gelukkig is Nieuwjaarsdag een vrije dag voor de scholen zodat er geen kinderlevens te betreuren zijn. In het woonhuis van de garage laat echter mevrouw Kramer-Leeuwestein het leven.

Geschiedenis-2706Spoorbrug opgeblazen
Doordat er geen treinen meer rijden en de spoorbrug zodoende haar functie heeft verloren, blazen de Duitsers de spoorbrug op. Dit om de opmars van de Geallieerden te stuiten. De overspanning van de brug is grondig vernield. Alleen de middelste boog blijft staan om de doorvaart mogelijk te houden. Dit in verband met de toevoer van voorraden.

In de Biesbosch
In de Biesbosch gebeurt intussen ook het een en ander. Dit gebied tussen bevrijd en bezet Nederland kent veel onderduikers. De daar wonende landbouwers en veehouders vormen een zeer welkome steun. Geschiedenis-2707De K. P. (Knok Ploeg) Sliedrecht, een ondergrondse verzetsorganisatie, vindt in het waterrijke gebied een onderkomen. De Knokploeg heeft het vooral gemunt op Duitsers die in de Biesbosch verdwaald of gedeserteerd zijn. Deze worden gevangen genomen en aan de Geallieerden uitgeleverd. K.P – leden zijn vaak zelf onderduikers. Onderduikers die uiteraard van voedsel moeten worden voorzien. November 1944 komen er echter nieuwe bonkaarten in omloop. Voedsel is alleen op de bonnen te krijgen. Om aan de gewenste bonnen te komen besluit men een distributiekantoor te overvallen. Het Sliedrechtse post0kantoor wordt als doelwit gekozen. Daar worden veel bonkaarten buit gemaakt. Daarvan worden er 11.600 naar de Biesbosch gebracht.

Verzetsgroep Albrecht
Naast de Knokploeg is er de Crossploeg. Mensen die in de nachtelijke uren in de Biesbosch op verkenning uitgaan. Later krijgen ze de taak om verbindingen te onderhouden tussen de Geallieerden en het bezette gebied. Hiermee worden tientallen door de Duitsers gezochte personen gered. Vanuit de Crossploeg wordt de verzetsgroep Albrecht gevormd. Via een zender wordt de nodige informatie aan het geallieerde leger doorgegeven. Op een oude stencilmachine worden vele blaadjes afgedraaid. Onder de bevolking van Sliedrecht en omstreken worden de geschriften verspreid door koeriers.
De bevolking weet zodoende hoe de strijd zich verder afspeelt.

Vooral bekend is de crossline van Sliedrecht door de Biesbosch naar bevrijde plaatsen als Drimmelen en Lage Zwaluwe. Langs deze weg kunnen geallieerde piloten, die hun vliegtuig boven Nederland hebben moeten verlaten, ontsnappen. Ook wordt een verbinding onderhouden tussen de B(innenlandse) S(trijdkrachten) en hun hoofdkwartier in Brabant en met de Geallieerden. Een leeuwenaandeel in de vele crossings neemt de Sliedrechtenaar Jan de Landgraaf voor zijn rekening. De Sliedrechtse verzetsstrijder J. Bakker, medewerker van de verzetsgroep Albrecht, werkende onder de schuilnaam Alblas, stippelt de route uit. De centrale figuur voor de crossers in Sliedrecht wordt D. H . van Gool. Hij regelt de tochten door de Biesbosch en is het contactadres voor de crossers.

Geschiedenis-2708Voor de eerste maal vindt een crossing over de Sliedrechtse route plaats op 10 januari 1945. De knecht op de Helsluis is hierbij een prima en betrouwbare hulp. Het crossen is een zeer gevaarlijke onderneming. Denk maar aan de patrouillerende Duitse stormboten. Een overtocht kan alleen bij een bewolkte hemel gemaakt worden. Verder speelt het getijde een rol. Met eb gaat men van huis en met vloed dient men terug te keren naar de woonplaats. Zoveel mogelijk van de stroom gebruik maken en zo weinig mogelijk lawaai maken bij het roeien is het credo. De vraag om mensen naar het zuiden over te zetten groeit met de dag. Naar belangrijkheid wordt gekeken bij voldoen van de aanvragen.

Geschiedenis-2709Molendijk 16
Bertus van Gool woont in het fraaie herenhuis op Molendijk 16. Deze woning zal later nog drie jaren als baggermuseum dienen. Tijdens de oorlog is het een belangrijk doorgangspunt. Het dient als het eindpunt van de koerierslijn over land en als het beginpunt van de crossline over water. In een verborgen schuilplaats onder het huis bevinden zich de eerder genoemde zender, een radio, een berichtenarchief en een voorraad wapens. Een andere bekende Sliedrechtenaar in het verzet is Jan Jasper Volker (bekend als Zwarte Jan). Op 5 mei 1945, de dag van de bevrijding, vindt de laatste crossing plaats. ’s Avonds op 4 mei is de melding van de overgave van de Duitse troepen bekend geworden.

Een plaatselijk nieuwsblad beschrijft die gebeurtenis als volgt:
‘Wij waren door dit overweldigend nieuws beduusd. Holland vrij! Verlost van tirannen! Het nieuws verspreidde zich die avond als een lopend vuurtje door onze gemeente. Het oranje werd voor den dag gehaald. Zingende mensen trokken al spoedig voorbij. En uit het raam kijkende zagen we de vreugdelichtkogels aan het front in het zuiden ontbranden.
Die avond werd nog hier en daar het zo geliefde rood wit en blauw uitgestoken. Verlossing! Uit Meijers muziekhandel (nu staat er de Geschiedenis-27010Zoutstoep flat) klonk het Wilhelmus!’ Echter de Duitse soldaten blijven nog in Sliedrecht. Waarschuwingen gaan uit om maar vooral niet te provoceren. Er zijn Duitsers die dreigen handgranaten door de ramen te werpen. Pas enkele dagen later komen de eerste geallieerde militairen in Sliedrecht. Grotere plaatsen verdienen de voorkeur om de Duitse soldaten te dwingen de omgeving te verlaten. Groot is de vreugde als ook hier de laatste Duitser afgemarcheerd is. Een zee van vlaggen en klokgelui begeleidt de Duitsers die te voet of met paard en wagen worden afgevoerd. Voorlopig nemen de Binnenlandse Strijdkrachten het heft in handen. Landverraders onder de dorpsgenoten worden opgepakt. In de roes van de bevrijding worden daarbij soms wel enige fouten gemaakt.

Op 20 november 1945 gaat de zaak van S. H. den Hartog weer open. Dochter Ro den Hartog heeft als onderduikster in Amsterdam de oorlog overleefd. Zij zet de zaak van haar vader voort. Voor de synagoge op de Kaai is voorlopig geen toekomst meer. Het leeggeroofde gebouwtje wordt een opslagplaats. Burgemeester Ir. H. Popping is weer terug in functie. Er ontstaat na de oorlog al snel een discussie rondom zijn persoon. In 1946 treedt de burgemeester af. Hij vertrekt uit Sliedrecht en overlijdt op hoge leeftijd op de Veluwe. De nieuwe burgemeester is J. H. Winkler. Hij wordt op 16 maart 1947 geïnstalleerd.

Bronnen:
“De Tijd van Toen” van Ir. W. Bos Jzn.
“Sliedrecht in Oorlogstijd” van J. A. Batenburg

26 – Oorlogsjaren

Na het bombardement met grote gevolgen in juli 1940 in de omgeving van de Prins Hendrikstraat (zie vorige uitgave) wordt de draad weer opgenomen. Op 25 oktober 1940 vallen er echter opnieuw bommen. Deze keer in de omgeving van de spoorbrug. De maatregelen, ingesteld door de bezetter, worden aangescherpt. Metalen voorwerpen moeten worden ingeleverd. Metaal was belangrijk voor de oorlogsindustrie! Slechts weinigen volgen het bevel op. Veel dingen worden op allerlei verborgen plaatsen in de grond verstopt. Zwarthandelaren zullen streng gestraft worden.
Geschiedenis-2601Geschiedenis-2602
Zelfs de postduiven moeten het ontgelden. Zij zouden immers ingezet kunnen worden bij het overbrengen van berichten. Mannen worden opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Straten met namen van het koninklijk huis worden omgedoopt. De Wilhelminastraat heet voortaan Noordsingel, de Julianastraat wordt getooid met het bordje Langstraat. Op de muur van de Julianaschool in de Merwestraat wordt de schoolnaam met planken uit het zicht gehouden. De school gaat in de oorlogsjaren door het leven als ‘De Planken School’,
Vanaf 2 juli 1940 worden er maatregelen tegen Joden en andere niet door de bezetter gewenste groepen ingesteld. Met de regelmaat van de klok worden de verordeningen aangescherpt. Een jaar later worden de eerste Joden naar het vernietigingskamp Auschwitch op transport gesteld…
Het leven in Sliedrecht gaat verder en de dagelijkse beslommeringen worden weer ter hand genomen. In de zomer van 1942 wordt men weer eens met de neus hard op de feiten gedrukt: Men leeft in een bezet land. Veel wordt er gemord t.a.v de onsympathieke maatregelen. De Duitsers voelen dit aan en nemen uit voorzorg een groot aantal Nederlanders – om verzetsactiviteiten te voorkomen – in gijzeling. Hieronder twee Sliedrechters.

Geschiedenis-2603Deportatie van Joden
Het gezin Kleinkramer, wonend aan de Merwesingel, wordt na een mislukte ontsnappingspoging naar de Biesbosch, door de Sliedrechtse politie huisarrest opgelegd en na enige dagen, op verzoek van de S.D., op het bureau in Rotterdam afgeleverd. Vanuit Rotterdam wordt de familie vervolgens naar Westerbork overgebracht. In Poolse vernietigingskampen wordt het gehele gezin vergast.
Hetzelfde lot ondergaat de Joodse familie Den Hartog. Het raadslid S. H. den Hartog is de bekendste joodse inwoner van Sliedrecht.
In 1874 is hij een textielwinkel begonnen. Sinds 1910 heeft hij een zaak nabij de Boslaan (tot voor kort bewoond door kapper Noorland).
Hij is voorzitter van de Sliedrechtse Middenstandsvereniging, bestuurslid van de uiteraard verboden Oranjevereniging, medeoprichter van ‘ziekenhuishulp’.
Geschiedenis-2604Den Hartog gelooft niet, dat de Duitse vijand uit is op de vernietiging van de joden. Hij krijgt het aanbod om met zijn familie onder te duiken in Den Haag. Den Hartog gaat hier niet op in. Hij wil andere mensen niet in gevaar brengen. Als hij en zijn gezin gedeporteerd zullen worden, dan zouden ze na de oorlog wel weer terugkomen in Sliedrecht, het dorp waar hij geboren is en ook zal sterven. Het is helaas anders verlopen. De gehele familie wordt op één dochter na, die elders woont, opgehaald. Ze zullen geen van allen ooit meer terug komen.

Geschiedenis-2605Treinongeluk
In de avond van vrijdag 27 november 1942 rijdt een trein met hoofdzakelijk grondwerkers, die voor de Heidemaatschappij in Gorinchem werken, vanuit Gorinchem richting Dordrecht. Op het station van Sliedrecht staat de stoptrein naar Dordt te wachten. Kennelijk staat de wissel verkeerd. De trein komt terecht op het verkeerde perron en knalt op de stilstaande trein. Een enorme klap, gevolgd door een vuurgloed in het donker van het geheel verduisterde Sliedrecht, waarschuwt de bevolking dat er bij het station iets vreselijks gebeurd moet zijn. De stoomlocomotief heeft zich in de houten wagons geboord. Eén vliegt er direct in brand. Zware rookwolken verspreiden zich boven het station. De locomotief schuift nog zeker honderd meter door, loopt uit de rails en kantelt.

Geschiedenis-2606Toevallig zijn twee E.H.B.O.-helpers ooggetuige. Zij kunnen alarm slaan en de eerste hulp verlenen. Hierna komen algauw meer Rode Kruis lieden en de brandweer opdagen. De tweede klas wachtkamer en de woning van de stationschef worden als opvang voor de 18 doden en de 60 gewonden gebruikt Door de Duitsers wordt intussen de gehele omgeving afgezet.
De luchtbeschermingsdienst brengt de gewonden naar een veilige plaats. Het Sliedrechtse Groene Kruis ziekenhuis heeft echter maar 15 bedden. De gymnastiekzaal (C12) in de Kerkbuurt wordt ingericht als noodhospitaal.
De brand wordt niet geblust. Het vuur geeft bij het bergen van de doden en gewonden de hoognodige verlichting in de donkere oorlogsnacht. Alles ligt immers in het donker. (De verduisteringsvoorschriften moeten, ondanks de buitengewone omstandigheden, toch gehandhaafd blijven!) Pas als het reddingswerk is voltooid, wordt het vuur door de brandweer snel gedoofd.

Geschiedenis-2607Geschiedenis-2608Maatregelen
De politieke partijen worden ontbonden, de gemeenteraad wordt opgeheven. In verschillende gemeenten in de omgeving worden de burgemeesters uit hun ambt gezet. In Sliedrecht zijn de Duitsers aanvankelijk nog niet zo ontevreden over burgemeester Popping. Tweemaal neemt hij dan ook, naast zijn taak in Sliedrecht. het ambt van waarnemend burgemeester elders waar: Alblasserdam 1940/41, Papendrecht 1942. Op 1 juni 1943 wordt echter ook Popping ontslagen als burgemeester.
De uit Schiebroek afkomstige N.S.B.-sympathisant J. P. H. Dhont volgt hem op.
De maatregelen van de bezetter worden steeds ingrijpender. Duiven houden wordt geheel verboden. In augustus 1942 moet ieder de fiets inleveren. Veel fietsen worden weggestopt of ingemetseld op geheime plaatsen in de woningen. Op 25 mei 1943 maakt burgemeester Popping bekend dat alle radio-ontvangers ingeleverd moeten worden. Luisteren naar radio Oranje, zendend vanuit Londen, moet zonder meer voorkomen worden! Op 19 juni 1943 herhaalt de dan aangestelde N.S.B. burgemeester Dhont de oproep. Op het niet inleveren staan strenge straffen. Het inleveradres is het gymnastieklokaal achter school 3. Inmiddels worden ook de distributiemaatregelen steeds ingrijpender en de winkels leger. De Arbeitseinsatz bedreigt in de zomer van 1943 steeds meer mannen met een oproep voor werkzaamheden in de Duitse oorlogsindustrie. Leden van de voormalige Nederlandse krijgsmacht worden weer voor gevangenschap opgeroepen.

Bommen
Op 10 februari 1944 schrikt Sliedrecht opnieuw op als er bommen worden afgeworpen. Tegen één uur in de middag wordt luchtalarm gegeven. Duitse jagers zitten achter een Amerikaans eskader aan. Eén van de Amerikaanse vliegtuigen raakt in moeilijkheden en blijft bij de andere Amerikaanse vliegtuigen. De piloot van het toestel moet in hoge nood zijn bommen afwerpen. Een paar hiervan komen neer in de polder Sliedrecht. Menselijke slachtoffers zijn er gelukkig niet. Schade aan gebouwen is er noemenswaardige niet. We komen met de schrik vrij!

Merwegijzelaars
In 1944 wordt vanuit de Duitsgezinde N.S.B. de ‘Landwacht’ geformeerd. Sliedrechter Joop Westdijk is een van hen. Op vrijdag 14 april 1944 schiet deze 16-jarige jongeman zonder enige aanleiding de Giessendammer Wouter Smit bij het station Giessendam-NederHardinxveld dood. De schutter maakt zich snel uit de voeten. Hoe hij tot deze daad komt, zal altijd een raadsel blijven. De misdaad maakt diepe indruk op de bevolking en de ondergrondse zint op wraak. In Sliedrecht heeft men toch al een grote hekel aan de vader van de jonge Westdijk. Westdijk Sr. is met zijn gezin in de woning van de gedeporteerde jood S. H. den Hartog gaan wonen.

Geschiedenis-2609In de nacht van 9 op 10 mei 1944 lokt de ondergrondse een aantal landwachters de Biesbosch in. Dit door het verspreiden van valse berichten. Op de Merwede bij Sliedrecht lopen de N.S.B.-ers in een val. Vanaf de Helsluis openen de verzetsmensen het vuur. De landwachters beantwoorden direct de afgeschoten kogels. Verzetsman Kristiaan Ketel uit Sliedrecht wordt getroffen. Onder de landwachters vallen twee doden. Het zijn de leden Okkersen en Westdijk. Een aantal raakt gewond. Op zaterdag 13 mei 1944 vertrekt de begrafenisstoet vanuit de winkel van S. H . den Hartog door Sliedrecht naar de begraafplaats. De begrafenis vindt plaats met militaire eer. Met getrokken wapens, ieder huis bespiedend, lopen de landwachters naast de stoet door het verlaten dorp. De sfeer is om te snijden. De moord in Giessendam heeft bij de Sliedrechtse bevolking wraakgevoelens opgeroepen. Na het schietincident op de Merwede is men bevreesd voor volgende Duitse represailles.

Geschiedenis-2610De angst wordt maar al te zeer bewaarheid. De Duitse Grüne Polizei en de Wehrmacht sluiten op 16 mei met 2500 man het gebied langs de oevers van de Merwede van Sliedrecht tot Boven-Hardinxveld af. Een razzia volgt. Dit geldt voor alle mannen tussen 18 en 25 jaar. De Duitsers blokkeren de telefoon. Elkaar waarschuwen is er voor de opgejaagde mannen niet bij! Sliedrecht boet zwaar voor de schietpartij nabij de Helsluis. Elf mannen worden als gijzelaar al op 11 mei opgepakt. Veel dreigementen worden geuit. Tenslotte worden deze gevangen genomen gijzelaars met een vrachtauto naar Rotterdam gereden. Deze 11 mannen gaan via het Rotterdamse politiebureau Haagse Veer naar een kamp bij Vught. Het kampleven daar brengt hen veel lichamelijk en geestelijk letsel. Pas na Dolle Dinsdag op 5 september 1944, als men denkt dat heel Nederland spoedig bevrijd zal zijn en er paniek onder de bezetters en aanhang uitbreekt, worden de 11 gijzelaars vrijgelaten.
Negenhonderd mannen worden er bij de razzia op 16 mei 1944 opgepakt. Hiervan wonen er 589 in Sliedrecht. De mannen staan heel lang bij de kerk. Pas ’s avonds worden ze in gesloten overvalwagens afgevoerd naar een doorgangskamp in Amersfoort. Velen zijn binnen een periode van zes weken weer thuis. Een deel van de mannen wordt niet vrijgelaten, maar in de nacht van 6 op 7 juli 1944 naar ‘heropvoedingskampen’ in Duitsland gestuurd. Een groot aantal mannen zal nooit terugkeren in Sliedrecht.

25 – Bombardement juli 1940

In de vorige uitgave blikten we terug op de eerste oorlogsdagen van mei 1940. Deze keer richten we de blik op het bombardement van 8 juli 1940 op de omgeving van de Prins Hendrikstraat.

Geschiedenis-2501Als we op maandag 8 juli 1940 naar de lucht kijken, zien we dat we te maken hebben met een mooie zomerdag. Later komt hier verandering in. De lucht trekt dicht en in de middag breekt er een onweer los. Dan opeens nog een ander geluid. Vliegtuigen! Twee stuks. Ze cirkelen wat rond, lijken verder te trekken. Eén toestel komt echter terug. Dat vliegtuig cirkelt boven het centrum en werpt bommen af. De bommen komen neer op het westelijk gedeelte van de uitbreiding. De gevolgen voor de omgeving van de Prins Hendrikstraat en omgeving zijn rampzalig… .

J. A. (Koos) Batenburg meldt over bovenstaande in zijn boek: ‘Sliedrecht in Oorlogstijd’ het volgende:

Geschiedenis-2502Opnieuw bommen op Sliedrecht
“Op Maandagmiddag 8 juli 1940 drijven boven Sliedrecht zware onweerswolken waaruit het bliksemde en onweerde. In de loop van deze maandagmiddag verschijnen om 14.23 uur enige Engelse vliegtuigen boven Sliedrecht. Het lijkt of ze zoekende zijn. Af en toe zijn de vliegtuigen zichtbaar tussen de wolken en even later verdwijnen ze weer. Niet lang daarna verschijnt een zeer hoog vliegend driemotorig vliegtuig tussen de onweerswolken. De directeur van de Machinefabriek, de heer Visser, staat met zijn verrekijker naar de vliegtuigen te kijken.
Even later ziet hij iets uit het vliegtuig vallen en stuurt hij zijn personeel onmiddellijk naar binnen. Dit Engelse vliegtuig, een Vickers Wellington (ook als een Wimpy aangeduid) werpt enige bommen af. De eerste twee bommen komen terecht in Wijk C op het opslagterrein van Adriaan Volker, C 247. Met een fluitend geluid komen de bommen naar beneden om daarna met grote dreunen uit elkaar te spatten.
Door de luchtdruk sneuvelen vele ruiten in de omgeving.
Een ijzige stilte volgt na de inslagen. Gelukkig vallen er bij de eerste bommen geen doden of gewonden. Aan de politie wordt verzocht de werkkrachten te waarschuwen niet in de bomkraters te komen.

Inslagen op de Uitbreiding
Na de inslagen wordt luchtalarm gegeven. Daarna worden nog vijf andere bommen afgeworpen. Deze bommen komen terecht bij de Brugstraat, de Prins Hendrikstraat en de Julianastraat. Hierbij ontstaat veel schade aan woningen.

De Rode Kruissoldaat Jan Groenewold geeft als eerste hulp aan de slachtoffers. Na de oorlog krijgt hij voor zijn hulpverlening een onderscheiding. De gevolgen zijn verschrikkelijk. De brandweer en een ambulance van het Rode Kruis, een omgebouwde vrachtauto van de meelmalerij van de firma Kruit uit de Molenstoep, zijn snel ter plaatse om de gewonden te verzorgen. Met buurtbewoners worden de huizen op slachtoffers doorzocht. De bij de slachtoffers aangetroffen verminkingen doen de emoties hoog oplopen. Bij enkele zijn lichaamsdelen weggerukt. Er zijn vier doden en een aantal zeer zwaar gewonden. De zes jarige Annie Boer (geboren 27-05-1934) speelde achter het huis toen de bommem vielen. Haar jongere zusje Toos (2jaar oud)lag boven op bed. Annie werd dodelijk getroffen en haar moeder mevrouw Boer had een ernstige beenwond.

Geschiedenis-2503Het woningblok aan de Brugstraat tussen de Pr. Hendrikstraat en de Julianastraat wordt het ergst getroffen. De daken worden als het ware omhoog getild en de muren vallen naar buiten. Huisraad en inwoners worden naar buiten geblazen. Enige huizen aan de Pr. Hendrikstraat worden zwaar beschadigd. Eén woning is totaal vernield. Zeer veel ruiten en dakpannen worden tot op grote afstand vernield. De bomaanval heeft een geweldige chaos veroorzaakt. Later op de dag overlijden nog vier mensen aan hun verwondingen. In totaal zijn er acht doden te betreuren.

Aanval op de Sliedrechtse haven
Geschiedenis-2504
Geschiedenis-2505
Achteraf blijkt dat een Engels vliegtuig van de R.A.F. geprobeerd heeft een aantal rijnaken en andere schepen in de Sliedrechtse haven te bombarderen met het doel deze schepen tot zinken brengen. In de haven lagen ook enige baggerbakken en twee zelfvarende baggerschepen. Op vele plaatsen op de buitenuitbreiding worden granaatscherven gevonden. Dit is ook het geval op het schoolplein van school VI. Het onderwijzend persmeel weet de kalmte onder de kinderen te bewaren door ze onder de banken te laten schuilen. De bommen komen echter ver van hun doel verwijderd neer.

De omgekomenen zijn:
Marigje Monster-Vogel, geboren 24-09-1899, 40 jaar, wonend Brugstraat.
Sijgje van der Vlies-Koppelaar, geboren 03-10-1896, 43jaar, wonend Brugstraat.
Neeltje Struijk-de Landgraaf, geboren 17-10-1910, 29 jaar, wonend Prins Hendrikstraat.
Andries Cornelis Struijk, geboren 30-09-1900, 39 jaar, wonend Prins Hendrikstraat.
Maria P.van der Zwaan-Visser, geboren 07-04-1906, 34jaar, wonend Prins Hendrikstraat.
Adrianus Monster geboren 09-01-1925; 15 jaar, wonend Brugstraat.
Annigje Boer geboren 27-05-1934, 6 jaar, wonend Julianastraat
Maaike H. Boeren-Mellegers, geboren11-08-1900, 39 jaar, wonend Prins Hendrikstraat.

De gehele Sliedrechtse bevolking is door het bombardement en de enorme ravage geschokt. Op 11 juli worden alle omgekomenen in een gemeenschappelijk graf op de algemene begraafplaats te Sliedrecht begraven. Een groot deel van de bevolking is bij de ter aarde bestelling aanwezig om afscheid te nemen van deze onschuldige oorlogsslachtoffers. Voordat de stoet bij de begraafplaats aankomt, staan de acht kisten, bedekt met bloemen, bij de groeve opgesteld. Stuk voor stuk worden de slachtoffers met de grootst mogelijke eerbied in de graven neer gelaten.

De officiële genodigden zijn: burgemeester ir. H. Popping, de wethouders De Landgraaf en Van der Wiel, gemeentesecretaris De Haas van Dorsser , waarnemend commandant van de Luchtbeschermingsdienst dhr. Kraaijeveld en een viertal gewapende Duitse soldaten met hun Feldwebel (sergeant-majoor). Als eerste spreekt burgemeester Popping.
Hij vergelijkt deze dag met de eerste oorlogsdag en spreekt ongeveer deze woorden:

”De zon kwam op de eerste oorlogsdagen stralend op. Wij zijn toen, gezien de omringende gemeenten, er goed vanaf gekomen. Doch toen de strijd voor Nederland gestreden was, sloeg het noodlot op 8 juli 1940 in Sliedrecht toe. Wij kunnen dit niet begrijpen. Was dit niet te voorkomen? De krijgsverrichtingen kunnen wij niet beoordelen, maar toch vragen wij ons af, was de krijgshandeling om zo ‘n klein doel van jongstleden maandag dit waard? Ik kan slechts de wens uitspreken dat de Grote Heelmeester aan de getroffen familieleden verzachting moge geven, zoals dezelfde Heelmeester weer tijden van rust en voorspoed over de gehele wereld kan schenken. Waarschijnlijk zijn de personen die het einde van deze gruwelijke tijden niet meemaken gelukkiger dan wij te noemen. Mocht de rust in de wereld spoedig weder keren, dan mogen we zeggen dat de getroffen inwoners van Sliedrecht niet tevergeefs geleefd hebben.Zij rusten zacht..”

Geschiedenis-2506
Juffrouw Doets

Na de burgemeester komt mejuffrouw Doets, voorgangster van de vrijzinnig hervormde kerk, aan het woord. Zij spreekt troostrijke woorden tot de familie Boer die voorgoed afscheid moet nemen van haar 6 jarige dochter, leerlinge van de zondagsschool. Een leraar van de Dordtse H.B.S. richt zich met troostende woorden tot de familie van zijn leerling Adrie Monster. Dominee Riekel uit Delft wijst in een korte redevoering op de vergankelijkheid van het leven. Familieleden van de slachtoffers spreken hun dank uit voor het beschikbaar stellen van eigen graven. Na de beëindiging van deze droeve plechtigheid verlaten de honderden belangstellenden, diep bewogen, de begraafplaats.

Door de heer R. Abma wordt een comité voor Hulp aan Slachtoffers gevormd. Dit comité doet een beroep op de bevolking om geld en goederen voor de oorlogsslachtoffers beschikbaar te stellen. Later, in 1944, neemt de hervormde predikant Ds. Kwant het initiatief tot oprichting van slachtofferhulp.

Geschiedenis-2507Vragen
Onder de bevolking ontstaan vragen over de aanwezigheid van gewapende Duitsers tijdens de begrafenis. Deze soldaten hielden beslist geen erewacht bij de overledenen. Het komt bij de bevolking wrang over dat het Sliedrechtse college van B. en W. aanwezig was met een aantal gewapende Duitsers. “Zouden de Duitsers ongeregeldheden verwacht hebben van de bevolking,” vraagt ieder zich af!
Tijdens de eerst gehouden Sliedrechtse gemeenteraadsvergadering worden de omgekomen dorpsgenoten staande herdacht. Over materiële hulp wordt niet gesproken! De Sliedrechtse bevolking spreekt nu schandelijk over de Engelsen; er werden maar lukraak met bommen gegooid. Dit komt de Duitsers maar al te goed van pas. Alle dagbladen moeten melding maken van deze wrede Engelse daad. Op aanplakborden verschijnen meldingen zoals:
“Vreedzame burgers blijft in huis. Engelse vliegers kennen geen genade”.

Haven een gevaar
Andere dorpsgenoten wijzen de bevolking op de Duitse daden. De Duitsers waren waarschijnlijk reeds vergeten wat zij twee maanden geleden in Rotterdam veroorzaakt hebben en wat zij van plan waren met Den Haag en Utrecht. Nog nooit zijn er zoveel verordeningen aangeplakt.

Gelukkig herstellen alle gewonden. Het bombardement heeft bij iedereen het besef gebracht hoe gevaarlijk de haven, met zijn schepen en baggermaterieel in het centrum, is gelegen. Indien mogelijk – men heeft de bevelen van de bezetter op te volgen – worden voortaan in de haven de voor de geallieerden als vijandig te beschouwen schepen geweerd. Ook niet gebruikt baggermaterieel wordt afgetuigd en naar de Biesbosch gebracht.

Hieronder een beeld van de vrijwel lege Sliedrechtse haven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Slechts nog wat kleinere vaartuigen zijn nog te zien…
Geschiedenis-2508
Gegevens Sliedrecht in Oorlogstijd: J. A. Batenburg.

Bewerkt door Bas Lissenburg
Mei (2008)

24 – De tweede wereldoorlog

In het verenigingsblad Over … Sliedrecht verscheen in nummer 31 het laatste verhaal van de heer C. J. Lips waarin hij de geschiedenis van Sliedrecht beschreef. Daarna hebben we besloten een vervolg te geven aan deze verhalen over de historie van ons dorp in een nieuwe reeks artikelen. We zijn nu aangekomen aan de jaren ’40.

Oorlogsdreiging
Sliedrecht is eind jaren 30 groter dan tegenwoordig. Wel dubbel zo groot! De helft van de gemeente ligt ten zuiden van de Merwede. Veel grienden, hooi- en weilanden met daar tussen vele wateren. Er is geen weg over land naar Dordrecht. Naar de paar boerderijen die er zijn, moet alles over water worden aangevoerd. Dit geldt ook voor ook de post en in noodgevallen voor de brandweer. Gewerkt kan er dan worden met een motorspuit. Die moet met een sleepbootje overgevaren worden. Deze moet echter wel eerst ergens vandaan worden gehaald. Het laat zich raden wat er in geval van een ernstige brand zal voordoen… . Binnen Sliedrecht is in 1939 het aantal brandkranen al 144 stuks. Dit komt mede door de nieuwbouw die buitendijks op gang is gekomen in het gebied rondom de Rembrandtlaan.

Geschiedenis-2401Extra kwetsbaar
Een dreigende oorlog werpt zijn schaduw vooruit. Mede hierdoor kan de brandweer beschikken over een ruim budget. Aanvallen vanuit de lucht eisen meer voorzieningen. Er wordt in 1939 een bedrag van fl 10.000,= uitgetrokken. Een voor die tijd zeer hoog bedrag waaruit o.a. gasmaskers en schuimblussers worden bekostigd. Onder de muziektent aan het Dr. Langeveldplein wordt in de betonnen kelder een commandopost ingericht. Het luchtruim wordt nauwkeurig in de gaten gehouden. Sliedrecht is, bij het uitbreken van een oorlog, ten opzichte van veel andere gemeenten extra kwetsbaar. De ligging aan de rijksweg en de spoorbaan zijn uitnodigend voor het vervoer van soldaten en oorlogstuig. De spoorbrug over de Merwede zal een mikpunt kunnen worden voor luchtaanvallen! Het aantal motorspuiten wordt uitgebreid tot drie stuks. De worden uit voorzorg gestald op verschillende plaatsen. Mocht er een verloren gaan bij een luchtaanval dan zijn de andere twee in ieder geval nog inzetbaar!

1940
Toeval of niet, maar juist op de dag dat de Duitsers hun buurland Polen aanvallen – 1 september 1939 – , wordt in Sliedrecht voor de eerste maal het gasmasker getest.
Frankrijk en Engeland verklaren de oorlog aan Duitsland. Nederland wil zich niet bemoeien met de oorlog, net zoals dat gelukt was in de Eerste Wereldoorlog. Het bleef dus “neutraal”. Het Nederlandse leger wordt wel gemobiliseerd. Alles wordt in orde gemaakt voor het geval dat ons land toch wordt aangevallen.
Geschiedenis-2402Het jaar 1940 kent een strenge winter. Elf jaar geleden (1929) kon men op een dichtgevroren rivier de Merwede voor het laatst schaatsen, ijszeilen en glijden met arrensleden. Nu is het weer zover. Veel pret! Maar er is ook een minder plezierige kant.Schepen moeten aan de kant blijven. Handelaren kunnen niet aan hun goederen komen en … het transport van kolen stagneert. En dat terwijl de kachel juist hoger opge-stookt moet worden!!

Gelukkig volgt op de strenge winter een zacht voorjaar. De oorlogshandelingen tussen de Franse en Duitse militairen worden heviger. Duitsland maakt zich op voor een verdere verovering van Europa..

Geschiedenis-2403Oorlog
Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers ons land binnen. Hoewel we al eens gewaarschuwd zijn voor een inval van de Duitsers, is ons land toch verrast. De Duitsers hebben veel modernere en nieuwere wapens dan de Nederlanders. Die hadden al een hele tijd geen oorlog meer gehad en hebben weinig geld betaald voor nieuwe wapens. De Duitse führer, Adolf Hitler, heeft een slim aanvalsplan. Zijn vliegtuigen vliegen gewoon over de Nederlandse soldaten heen. Uit de vliegtuigen springen de Duitse parachutisten. Deze soldaten moeten bruggen of vliegvelden veroveren, of moeten proberen om de Nederlanders van achteren aan te vallen.
Nederlandse militairen graven zich in aan de Merwesingel en laten de spoorbrug springen. Op deze manier hopen ze de Alblasserwaard tegen een inval van de Duitsers te beschermen. Veel Baanhoekers zoeken een veiliger plaats. Overvliegende bommenwerpers richting polder laten onze dorpsbewoners wel merken dat het ernst is!

Geschiedenis-2404
Mozes met de Stenen Tafelen der Wet komende van de berg Horeb en de hemelvaart van de profeet Elia.

Glas-in-lood
Merkwaardigerwijs besluiten de kerkvoogden in deze tijd gebrandschilderde ramen voor de Hervormde Kerk te laten maken. Glazenier Berg uit Dordrecht maakt een schets van twee grote ramen. Gulle giften maken de aanschaf mogelijk en de glazenier gaat aan het werk. Glazenier Berg wordt echter ook door de oorlog overvallen. Zijn huis ontsnapt niet aan de oorlogshandelingen in zijn stad. De reeds door hem gemaakte tekeningen voor de gebrandschilderde ramen in Sliedrecht gaan verloren. De ontwerper is echte een vakman. Hij heeft de nieuwe tekeningen van de glazen binnen korte tijd weer opnieuw gemaakt. Men neemt de gok de ramen te plaatsen en op 22 september 1940 sieren de nieuwe ramen de kerk. Gelukkig zouden de ramen ondanks de oorlogshandelingen gespaard blijven!

Geschiedenis-2405
ohannes dopende in de Jordaan en de prediking van Jezus, met op de achtergrond de kruisheuvel.

Geschiedenis-2406Capitulatie
Adolf Hitler heeft echter Nederland onderschat. Hij heeft gedacht Nederland wel te veroveren binnen 1 dag, maar het duurt nu al een paar dagen!
Op sommige plekken, zoals op de Afsluitdijk, blijven de Nederlanders doorvechten en geven niet op. Hitler stelt op 14 mei een ultimatum. Als Nederland zich niet binnen 2 uur zal overgeven, zal Hitler de stad Rotterdam met bommenwerpers bombarderen. Duizenden burgers zullen sterven. Koningin Wilhelmina heeft geen keuze, na lang aarzelen ondertekent ze een brief waarin staat dat Nederland zich over geeft. Maar ondanks deze verklaring wordt de stad Rotterdam toch nog gebombardeerd. !

Geschiedenis-2407Rookwolken
Vanuit Sliedrecht zijn de rookwolken in de heldere lucht boven Rotterdam te zien en is het geronk van de zware bommenwerpers, die terugkeren van hun aanval op weerloze burgers, te horen. De capitulatie volgt na het bombardement!
De Nederlandse troepen in Sliedrecht worden door de Duitsers krijgsgevangenen gemaakt. Op 15 mei trekken de eerste Duitse soldaten ons dorp binnen..

De Merwebode bericht over de eerste oorlogsweek op de volgende wijze:
Geschiedenis-2408Vrijdag 17 Mei 1940. – Beknopte uitgave wegens stagnatie postverkeer

Uitgever: A. van Wijngaarden – Sliedrecht – Tel. 39 – Postbus 17,
giro 47767. 54ste JAARGANG No. 6

Vrijdag 10 mei 1940. Mobilisatie – dagboek.

Omstreeks vijf uur in de morgen valt Duitsland ons land binnen. Duitse parachutisten landen in de omgeving van de Moerdijkbruggen.
Sedert vanmorgen vroeg het ronken van vliegtuigen ons gewekt heeft, leven wij in een soort roes. Wij zijn niet meer de nuchtere menschen van gisteren en eergisteren. Onze handen staan verkeerd voor ons werk. We kunnen alleen maar praten. Den heelen dag door staan de menschen op straat en in alle koppeltjes praat men nergens over, als over den oorlog. We worden pas even stil als we het bericht over den dood van het eerste slachtoffer hooren.
Maar zooveel andere onderwerpen vragen de aandacht, dat het gebeurde ons niet heel lang vermag vast te houden. Om acht uur is het uit met het samenkoppelen, want na dat uur mag niemand meer buiten, die er niets te maken heeft. Ramen en vensters worden overal afgeschermd en het binnenlicht wordt verzwakt. Het laatste dorpsnieuws is dat Wageningen geëvacueerd is. Dit bericht kan al niet meer rondverteld worden, want het is al op een laat uur. Alleen in kleine groepjes wordt nog wat nagefluisterd. Er is niemand die dezen nacht slaapt als anders. Zelfs de kleintjes zijn onrustig. Het is alles dubbel vreemd, nu de duisternis is ingetreden. We kunnen ons nog moeilijk realiseeren, welke gevaren ons boven het hoofd hangen, maar dat de gevaren angstwekkend groot zijn, gaan we in de donkerte van de nacht beseffen.
‘t Is nu de tijd dat menig grootspreker klein wordt. In elk huis blijft wel iemand in de kleeren, om te waarschuwen, zoodra er gevaar dreigt, maar ook zij, die zich ontkleed hebben, met het voornemen rustig te gaan slapen, liggen te hanenwaken op bed.

Een week later schreef de Merwebode:

Sliedrecht van 10 — 16 Mei

Er ligt een week achter ons, zoo sensationeel en droef dat deze wel nimmer zal worden vergeten. Kijken we naar andere plaatsen dan hebben we in onze gemeente in een paradijs geleefd, ondanks de dagen en uren die in groote benauwenis zijn doorgebracht. Hoe menigmaal loeide de sirene en vluchtte men in huizen en schuilplaatsen, waar men toch ook niet veilig was. Een zucht van verlichting steeg op toen bekend werd dat de krijgsverrichtingen werden gestaakt.
Sliedrecht heeft bijkans alle inwoners van het plaatsje Doodewaard te gast gehad. De menschen, ruim 2000, waren Zondagmiddag met een groote kolensleep naar hier gekomen, na Vrijdag scheep te zijn gegaan.
Ook deze menschen hebben emotievolle dagen beleefd en waren wat dankbaar in Sliedrecht een tijdelijk onderdak te hebben. Nadat velen reeds per autobus naar huis zijn teruggekeerd, zijn ook de anderen per schip weer vertrokken.
We hebben vele geëvacueerden gesproken en zonder uitzondering roemde men het medeleven van de Sliedrechtse ingezetenen.

————–
Zaterdag tegen den avond is een bom nabij het viaduct in den Rijksweg over den Stationsweg terecht gekomen. Een geweldige krater ontstond en honderden ruiten zijn gesprongen. Zelfs groote winkelruiten in de Kerkbuurt sprongen door den geweldigen luchtdruk, ondanks het feit dat deze waren beplakt om trillingen te zooveel mogelijk te voorkomen. Gelukkig heeft dit projectiel geen persoonlijke ongelukken veroorzaakt.

————–
De bewoners van wijk D hebben Dinsdag benauwde uren meegemaakt. Hen werd namelijk meegedeeld, dat de spoorbrug zou worden opgeblazen en dat de huizen tijdelijk ontruimd moesten worden. Een der bogen is vernield en in stukken ligt deze spanning in het water. Door de explosie zijn honderden ruiten vernield, huizen gehavend, deuren ontzet, enz. Ook hierbij zijn gelukkig geen persoonlijke ongelukken voorgekomen.

—————-
Een aantal koeien dat onder Sliedrecht graasde is getroffen door mitrailleurvuur.

—————–
Gisteren is de Duitsche tijd hier ingevoerd. Daar in Nederland de zomertijd a.s. zondag begint, was het verschil nogal groot, immers de uurwerken moesten 100 minuten worden vooruitgezet. In Duitschland is het namelijk 40 minuten later dan in Nederland. En daarbij komen dan 60 minuten voor de reeds ingevoerde zomertijd in Duitsland.

————–
De scholen zijn Donderdag weer begonnen, zoodat van lieverlede het gewone leven terugkeert. Er was weer een postbestelling. De telefoon kon, althans voor het plaatselijk verkeer, weer gebruikt worden. De landman trok weer naar zijn akker, de arbeider naar de werkplaats of fabriek. Handelsreizigers vertoonden zich weer op de weg en de winkeliers leverden op de gebruikelijke wijze af.

————–
Werd Zondag alleen in een paar kerken een korte dienst gehouden, a.s. Zondag worden in alle kerkgebouwen weder op de gewone tijden de diensten gehouden.

————–
Donderdagavond omstreeks negen uur trokken de eerste Duitsche soldaten door ons dorp. Ongeveer tien met Duitsche soldaten bemande vrachtwagens kwamen langs.

Tenslotte nog dit:
Zeer velen hebben de laatste maanden en weken en voornamelijk deze week zich zeer verdienstelijk gemaakt hetzij met wacht, bode- en hulpdiensten, enz.
Laten we geen namen noemen of vereenigingen, want allen hebben eigenlijk meer gedaan dan van hen menschelijkerwijze verwacht kon worden. Vermelden we nog dat de Vakschool voor Meisjes ingericht was voor het Roode Kruis en dat velen daar behandeld werden. Daar weinig pasmunt in onze gemeente was, is vanwege het Gemeentebestuur hierin voorzien door uitgifte van noodgeld. Dit bleek een voortreffelijk oplossing!

Bewerkt door Bas Lissenburg.

23 – De jaren ’30

Geschiedenis-2301Het verkeer neemt toe
Zagen we lange tijd op en langs de Sliedrechtse dijk slechts handkarren, hondenkarren, paar-en-wagens e.d. met de komst van het gemotoriseerde verkeer neemt de drukte aan de dijk toe. Niet alleen de toegenomen snelheid, maar ook de omvang van met name de autobussen gaat problemen geven.

Eind jaren ’20 is dit ook de inspecteur van politie, de heer J. H. Tienstra, niet ontgaan. Hij vindt, dat het zo druk op de dijk is dat een maximumsnelheid van achttien kilometer per uur niet mag worden overschreden.
Veel panden staan nog al dichtbij de dijk of zelfs op de dijk. Verbouwingen en het terugzetten van de voorgevels is noodzakelijk om het toenemende verkeer doorgang te verschaffen. Een feit waarmee men destijds bij de bouw van de huizen geen rekening gehouden had.

Het wegdijk van de Sliedrechtse dijk geeft eveneens problemen. Verbetering hiervan is zeker noodzakelijk. Het College van Burgemeester en Wethouders onderschrijft dit en vindt dat de veelal stoffige of modderige dijk bestraat zou moeten worden. Voorlopig zou dit – als proef – moeten gebeuren in het gedeelte tussen de Oosterbrug en de Westerbrug. Het is niet naar ieders zin. Het raadslid S. H. den Hartog vindt dat de hele dijk bestraat moet worden. Iedere bewoner van het dorp heeft gelijke rechten. Uiteindelijk wordt – begin jaren ’30 – de gehele dijk geasfalteerd.

Geschiedenis-2302Middenstandsvereniging
In deze jaren is het aantal kleine zelfstandigen dusdanig toegenomen dat besloten werd tot oprichting van de Sliedrechtse Middenstandsvereniging (1926). Een der bekendste oprichters was G. den Dikken (1895- 1956). Hij was zowel voorzitter als secretaris.

Het Thalia Theater aan het Dr. Langeveldplein op de Uitbreiding is een grote aanwinst. In de zaal van de bioscoop kan men naast films bekijken ook uitvoeringen bijwonen.

Aannemingsbedrijven
De aannemingsbedrijven in Sliedrecht floreren. Een bekend aannemingsbedrijf in Sliedrecht in de jaren ’20 is de aannemersfirma Prins, Sliedrechts oudste bedrijf op dit terrein. Het wordt in 1925 een naamloze vennootschap. Dit gebeurt ook met de firma K. L. Kalis Wzn. en Co. Een jaar eerder neemt “De Hollandse Aannemings Maatschappij”, (H,A.M.), het materieel van de Aannemings Maatschappij, voorheen G. A. van Hattem te Sliedrecht, over. Verder is de Maatschappij tot uitvoeren van Openbare Werken Adriaan Volker in Sliedrecht actief. In april 1928 opent Volker een kantoor aan de Sliedrechtse dijk in het pand naast het huidige Baggermuseum. In dit pand woont dan Leendert Volker, de grote man van firma Volker in die tijd. Twee jaar later wordt ook de firma Johan Kraaijeveld een N.V. onder de naam Baggermaatschappij “Bos en Kalis”. Het kantoor van deze baggerfirma wordt gevestigd in het pand hoek Merwestraat / Middeldiepstraat.

Geschiedenis-2303Nieuw ziekenhuis
In 1929 schenkt van mejuffrouw Prins Visser bij testament haar grote huis nabij de kerk als onderkomen voor een ziekenhuis. Dit wordt de vervanger van Sliedrechts eerste ziekenhuis in de buurt van de Boslaan dat op 5 maart 1903 geopend werd. In 1926 is men al begonnen met een fonds bestemd voor nieuwbouw. Het nieuwe ziekenhuis krijgt een operatiezaal, een inrichting voor röntgenologie en een hoogtezonkamer. Hiermee hoopt men onder andere een ziekte als tuberculose te bestrijden.

Op 8 april 1931 opent dokter A. Prins de Baat het nieuwe ziekenhuis. In het gebouw zijn ook de wijkverpleging en het consultatiebureau voor zuigelingen ondergebracht. Veel onder één dak dus!
Onder de bezielende leiding van dokter A. Prins de Baat start in 1933 ‘Ziekenfonds voor Sliedrecht en Omstreken’ met 3.357 verzekerden. In het bestuur van het Ziekenfonds hebben de artsen A. Prins de Baat, D. Zijp en H. C. R. Folmer zitting. Andere leden zijn de apotheker J. Hoogland en de vakbondsleden A. B. Mijnster, P. Remans, H. Romers en M. van Wijngaarden. Voorzitter wordt Ir. A. Roorda. De administratie wordt gevoerd door J. Budding.

We zitten dan wel in de crisisjaren. Door een bijdrage van de gemeente kan de premie van f 0,22 per week met f 0,10 worden verlaagd.

Geschiedenis-2304Badhuis
Een verdere verbetering in de gezondheidszorg is de opening van een badhuis in de Middeldiepstraat. In 1929 wordt besloten tot de stichting. De opening is op 1 oktober 1930 en het publiek is vanaf de dag hierna welkom. Overige feiten aan het begin van de jaren ’30 zijn:

* De oprichting van de schietvereniging ‘Prinses Juliana’. In de eerst jaren werd geoefend in een timmerloods. Later vindt het schieten plaats in het B. V .L. gebouw (later bekend onder de naam Schuttershof) aan het Burgemeester Drijberplein.

* Eind augustus 1930 wordt de Vereniging voor Christelijk Onderwijs in Sliedrecht een nieuwe school rijker. Het is de Julianaschool aan de Merwestraat. Na de school bij het Middenveer, de zogenaamde Veereschool en de school in de Kerkbuurt-West, bekend onder de namen Kooijmanneschool en school Dek, genoemd naar de schoolhoofden, is het de derde voor de vereniging. De enkele jaren eerder gestichte school was daarvoor ondergebracht in het schoolgebouw tegenover de Grote Kerk.

* Begin 1931 overlijdt oud-apotheker J. S .F. v. d. Houte Willems. Hij was de grondlegger van het plan ‘Sliedrecht Vooruit’

* Op 27 april 1931 neemt burgemeester Drijber afscheid van Sliedrecht . In het splinternieuwe hotel ‘Bellevue’ aan de Merwede wordt hem door de gemeente een diner aangeboden. Aan het diner zitten onder andere wethouders P. Rijsdijk en A. W de Landgraaf aan. De heer Drijber krijgt als afscheidsgeschenk een zilveren theeservies met inscriptie.

Geschiedenis-2305
Lange rijen stempelaars

Crisistijd
Het leven voor de mensen in ons land is er niet gemakkelijker op geworden. Na de beurskrach van 1929 is er de tijd van de economische crisis. Veel werklozen, die in rijen staan te wachten voor het stempellokaal. Ook in de scheepsbouw en de industrie is het een en al misère. De baggeraars werkzaam aan de Afsluitdijk en de dijken van de Wieringermeerpolder vinden nog wel werk.

Crisistijd in Sliedrecht – Zwarte periode
Na de afsluiting van de Zuiderzee volgt er voor Sliedrecht en haar inwoners een zwarte periode. Reeds in juni 1932 bedraagt het aantal werkzoekenden 1008 personen.
Bekijken we het personeel dat werk zoekt in het baggerbedrijf, dan komen we per beroep tegen; grondwerkers 3; rijswerkers 28; steenzetters 10; uitvoerders 3; machinisten 26;
stokers 68; koks 17; bakschippers 73; dekknechten 203; kapiteins 13; molenbazen 16; stuurlieden 4; zuigerbazen 3; onderbazen 1; motorschippers 2.
Een aantal dat in de komende jaren sterk zal oplopen. In november 1933 telt men, alleen al in het baggerbedrijf, 700 werkzoekenden. Op 5 maart 1934 is de nood in genoemde bedrijfstak, gestegen tot: 880 personen.

Noodkreet
Al in juli 1932 gaat er vanuit het College van B & W een noodkreet richting directeur-generaal der Zuiderzeewerken, waarin erop aangedrongen wordt zoveel mogelijk Sliedrechtse ex-Zuiderzeewerkers in dienst te nemen in plaats van voormalige Zuiderzeevissers. Een standpunt dat de aangeschreven directie niet kon delen.
Het zou niet bij deze poging blijven. Burgemeester Popping liet nog diverse brieven uitgaan naar ministeries en baggerfirma’s. Helaas waren de antwoorden weinig zeggend en het resultaat nihil.
De hoop was gevestigd op de hervatting van de werkzaamheden. Het volgende geplande object was de inpoldering van de Noordoostpolder. Op 13 maart 1935 blijkt deze hoop de bodem te zijn ingeslagen.

Geschiedenis-2306Grote ellende
Het dagblad ‘Voorwaarts’ laat ons weten: ”Op zaterdag 28 mei 1932, ‘s middags rond één uur, begon voor de arbeiders van S1iedrecht de grote ellende en voor het bestuur van hun gemeente een grote zorg.
Ver over de duizend arbeiders: baggerlieden, steenzetters en rijswerkers uit Sliedrecht hadden aan de Zuiderzeeafsluiting meegewerkt en kwamen in groepen naar Sliedrecht terug.
Voor het jaar 1932 ten einde gelopen was, waren de Sliedrechtenaren van deelnemers aan een groots werk, stempelaars geworden
Eén hoop bleef er over: de inpolderingen zouden wel spoedig worden voortgezet en dan zou er weer volop werk komen. Die dijk was toch niet voor niets gelegd! De inpolderingen zijn tot nu toe niet voortgezet en vandaag is de vervulling van deze vooruitzichten veel verder verwijderd dan tot nu toe het geval scheen. De aankondiging van minister Colijn, dat het krediet voor de indijking van de Noordoostpolder zal worden ingetrokken, heeft in Sliedrecht bittere teleurstelling gewekt!

Onheilsbericht
Twee mensen spraken we die het lot der Sliedrechtse bevolking wel zeer ter harte gaat, burgemeester Popping en de sociaal-democraat De Landgraaf. Beiden toonden zich, door dit voor Sliedrecht zo onaangename bericht, wel heel erg getroffen.
Nog pas een paar dagen geleden (6 februari 1935) had het gemeentebestuur een adres aan de Ministerraad gezonden, waarin er vooral op werd aangedrongen de Noordoostelijke inpoldering toch snel uit te voeren, opdat er werk zou komen. Prompt (5 maart 1935) kwam het bericht uit Den Haag: met de belangen der gemeente zal rekening worden gehouden. Dat was het rechtstreekse antwoord.
In de memorie van antwoord betreffende de Zuiderzeefondsbegroting kwam een ander bericht: de post van twee miljoen voor de inpoldering wordt teruggenomen. Dit was het niet rechtstreekse antwoord, maar het was wel zo duidelijk!

Bittere teleurstelling
“Het is voor ons zo’n bittere teleurstelling, dat wij nu niet weten wat wij met de werklozen moeten doen” zei De Landgraaf, én als gemeente gaan wij er radicaal aan. Tot nu tot hebben we ons vrij van het rijk kunnen houden, maar nu worden wij absoluut armlastig.” Burgemeester Popping dacht er al weinig hoopvoller over. Drie jaar hebben we van maand tot maand de hoop gekoesterd dat het tot een aanbesteding zou komen. En telkens liep het weer op niets uit. Nu hadden we de de verwachting dat de aanbesteding toch in ieder geval nog dit jaar zou volgen en plotseling komt dit bericht!”

Verslagenheid
De verslagenheid in Sliedrecht is volkomen te begrijpen. Met het bericht van minister Colijn is alle hoop verdwenen. Nu is alles voorbij. Het buitenland wenst geen Nederlandse arbeidskrachten meer. In Nederland is minder emplooi. Het weinige werk dat restte, en vroeger door Sliedrechtenaren werd verricht, is overgenomen door arbeiders uit andere plaatsen. Bijna de helft van de 14.000 inwoners van Sliedrecht heeft rechtstreeks onder de werkloosheid te lijden.
De gemeente heeft zich toe nu toe staande weten te houden, dankzij de reserves en goed gefundeerde bedrijven, maar de reserves zijn nu zo ongeveer opgeteerd. Evengoed als de eigen huisjes, die de meeste baggeraars zich in de goede tijd hadden aangeschaft, zo langzamerhand zijn ‘opgegeten’.

Twee mogelijkheden
Twee mogelijkheden zouden Sliedrecht uitkomst kunnen brengen. De ene is herstel van de vroegere internationale verhoudingen, waardoor de arbeiders weer vrij in het buitenland zouden kunnen gaan werken. Een mogelijkheid welke nog lang op zich zou laten wachten!
Het uitzicht op de spoedige uitvoering van de Noordoostpolder was het enige, wat er nu nog overbleef. Er waren aantallen genoemd van vijfduizend arbeiders, die daarbij werk zouden vinden en in één slag zou dus een eind gemaakt worden aan de nood, die hier heerste. Ook dit vooruitzicht is nu vernietigd.

Geschiedenis-2307Strohalm
Eén hoop, een laatste strohalm om zich aan vast te klampen, heeft men hier oog, n.l. dat de intrekking van het krediet min of meer bedoeld is als stok om de volksvertegenwoordiging tot meer bezuiniging te drijven. Mochten de kamers de bezuinigingen aanvaarden, dan zou de inpoldering toch nog doorgang kunnen vinden.

Het wachten, tot een dergelijk besluit werd genomen, duurde tot 1936. Een reden voor het gemeentebestuur van Sliedrecht om maar weer eens aan de bel te trekken bij het Ministerie van Waterstaat. Het verzoek het aan te nemen personeel te betrekken via de S1iedrechtse arbeidsbeurs, werd door de minister afgewezen. Het zou, volgens hem niet billijk zijn tegenover andere gemeenten.
In 1937 gaat het gemeentebestuur er toe over aan het bureau van de arbeidsbemiddeling te Lemmer, Urk, Kampen en Vollenhove wekelijks een opgave te verstrekken van de in Sliedrecht ingeschreven werkzoekenden. De lijst, samengesteld op 25 juni 1937, telt zeer veel namen.

Verbetering in de toestand
Begin 1938 is het aantal steuntrekkers gedaa1d. Aan de arbeidsbeurs te Sliedrecht staan nog 425 mannen uit het baggerbedrijf ingeschreven. Op de 800 arbeiders van de Zuiderzee zijn slechts 50 mensen, met inbegrip van steenzetters en rijswerkers, uit Sliedrecht te vinden. Dit is te wijten aan het feit, dat de werken aan de Noordoostpolder waren opgedragen aan aannemers die niet te Sliedrecht woonden.
Eerst juli 1938 krijgen we een positiever bericht te horen. Burgemeester Popping is dankbaar gestemd te kunnen constateren dat uit opgave van een viertal bedrijven blijkt dat tamelijk veel personen uit Sliedrecht bij de werken aan de Noordoostpolder zijn geplaatst. Alleen de categorie bakschippers blijft de Sliedrechtenaren grote zorgen baren.

Hieronder treffen we het schrijven aan dat door burgemeester Popping gezonden werd aan de aannemingsbedrijven.
Geschiedenis-2308

Op 27 april 1931 neemt burgemeester Drijber afscheid van Sliedrecht. In het splinternieuwe hotel ‘Bellevue’ aan de Merwede wordt hem door de gemeente een diner aangeboden. Aan het diner zitten onder andere de wethouders P. Rijsdijk en A. W de Landgraaf aan. De heer Drijber krijgt als afscheidsgeschenk een zilveren theeservies met inscriptie. De opvolger van burgemeester Drijber is Ir. H. Popping.

Gechiedenis-2309Nieuwbouw
Begin jaren ’30 wordt Sliedrecht verrijkt met een aantal nieuwe gebouwen. Zo wordt op de hoek Oranjestraat – Middeldiepstraat in 1931 een nieuwe gereformeerde kerk met hoge toren gebouwd. Een kerk met 620 zitplaatsen. Vanuit de oude gereformeerde kerk bij de Zoutstoep wordt het in 1893 gebouwde en geheel gerestaureerde orgel overgebracht.Nadat in 1929 Mej. Prins-Visser haar woning, gelegen ten westen van de vroegere school 4 schuin tegenover de Grote Kerk, bij testament beschikbaar had gesteld voor een nieuw ziekenhuis, wordt dit in 1931 geopend door dokter Prins de Baat.

Voor de ouden van dagen wordt in 1934 het Hervormd Rusthuis aan de Stationsweg verbouwd en vergroot met een verdieping. De aanpassingen zijn een hele verbetering voor de oudjes. Eind 1936 worden er plannen gemaakt om tot de bouw van een brandweerkazerne te komen. De directie van de brandweer wil graag gaan bouwen aan het burgemeester Drijberplein. Gechiedenis-2310De plannen gaan niet door. Op de gewenste plaats wordt in 1937 het gebouw ‘Schuttershof’ geopend, een schietruimte voor de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (BVL).
De nieuwe burgemeester, Ir. H. Popping tracht het wonen in Sliedrecht te bevorderen. Woningbouwverenigingen gaan – vooral arbeiderswoningen – exploiteren. Baggeraars stoppen hun, veelal in het buitenland verdiende spaargeld, in een eigen woning langs de dijk, in een van de vele Sliedrechtse stoepen of een nieuwbouwwoning op de buitenuitbreiding.

Gechiedenis-2311Zwemmen
Iemand die in de jaren 30 wil leren zwemmen, probeert de kunst onder de knie te krijgen in de rivier. De vele zandplaten worden bij mooi weer goed bezocht! Ook ‘Overdiep’ is een gewilde plaats. De meeste jongens en meisjes leren in de zomermaanden zwemmen in het drijvende zwembad in de haven.

Boslaan
Een ziekte tast in 1932 de iepen van de Boslaan aan. Rentmeester A. Prins Thzn. Moet de bomen laten rooien. Esdoorns en populieren komen er voor in de plaats.
In 1935 probeert gravin Van Bylandt tevergeefs bij de Boschlaan een bordje ‘EIGEN WEG’ te laten plaatsen. Gelukkig gaat deze vlieger niet op. De Boslaan is al ruim 30 jaar een openbare weg in Sliedrecht. De klok is niet terug te draaien ondervindt de gravin. De Boslaan, beginnend bij de dijk en eindigend bij Tiendweg, blijft voor Sliedrecht een belangrijke wandelweg. De gravin behoudt wel het visrecht, zowel in het binnenwater als op de rivier. Ook het recht van vissen in het Klein- en Middeldiep wordt jaarlijks verhuurd. Per brief van 5 juni 1942 aan K. Bikker te Sliedrecht bevestigt de burgemeester nog eens nadrukkelijk dat de gravin dit recht bezat.

Gechiedenis-2312Eindelijk verlost van stof en modder
We zijn toegekomen aan het jaar 1933. De doorgangsweg door Sliedrecht, de dijk, is grotendeels onverhard. In het midden loopt een paadje voor de paarden die de kar trekken. Stof en modder zijn heel hinderlijk voor de weggebruikers. Tegen het stof wordt nog wel gesproeid, maar tegen de modder is geen kruid gewassen. De raad besluit eindelijk de gehele dijk asfalteren.
Ondanks de lasten die de verharding met zich brengt is men wel tevreden met de verbetering. Begonnen wordt er op de grens met buurgemeente Giessendam,wordt richting Papendrecht. In de zomer van 1933 is het al niet meer nodig om met de sproeiwagen najaar langs te komen. In de natte wintermaanden kunnen de huisvrouwen zich veel schrob- en boenwerk besparen!

De brandweer
Niet ieder is ingenomen met het nieuwe wegdek. De brandweer meent dat het asfalt te glad zou kunnen zijn. Met de slangenwagens wordt volop geëxperimenteerd. Gelukkig zijn zij ook prima bruikbaar op het asfalt wegdek.De autosproeispuit, de motorspuit en slangenwagen no. III krijgen vanaf 1933 een plaats in een loods aan de Industrieweg. De andere slangenwagens blijven gestald in kleine daarvoor gemaakte huisjes langs de dijk.

Om in noodgevallen goed te kunnen optreden volgen de brandweerlieden samen met het Rode Kruis en het Groene Kruis een serie lessen waarbij o.a. het gebruik van gasmaskers en oorlogsgassen aan de orde komen. De cursusleider is dokter D.Zijp, commandant van de Rode Kruis Colonne.

Elk jaar worden door de brandweer in de zomermaanden de schoorstenen van de Sliedrechtse woningen gecontroleerd. Bij de nieuwbouwwoningen van ‘Sliedrecht Vooruit’ blijkt dit op moeilijkheden te stuiten. Op verzoek van de brandweer en op last van B & W worden bij het verlenen van de bouwvergunningen aanpassingen verplicht gesteld.

De politie waarschuwt de brandweer bij het uitbreken van branden. Dit zijn de zogenaamde wekkerdiensten. B & W vindt dit niet langer tot de taak van de politie behoren. In oktober 1933 worden twee nieuwe wekkerlieden benoemd. Dit zijn J. de Keizer in wijk D en J. van der Wiel voor de Uitbreiding. Eerder was M. Kok de enige Sliedrechtse wekkerman. Ieder krijgt om zijn taak zo goed mogelijk te kunnen verrichten een telefonische aansluiting. In 1935 zou Kok vervangen worden door H. H. Baars.

Gechiedenis-2313Verkeer
In het verleden had men bij het bouwen van woningen en schuren langs de dijk niet al te krap gekeken. Voorgevels van de huizen stonden vaak zo goed als op de dijk. Ze vormen een grote hindernis voor het toenemende verkeer. Naast o.a koetsen, paard-en-wagens rijden er nu bussen en auto’s over de dijk. De onderlinge hinder wordt steeds groter.

De oplossing brengt het rijkswegenplan (1935) met het ontwerp voor een rijksweg, een autoweg langs Sliedrecht. Vanuit Rotterdam zal via Gorinchem de Betuwe bereikt worden. Een jaar later (1936) wordt begint de aanleg van de tweebaansweg.Voor Sliedrecht is de aanleg van de autoweg tamelijk ingrijpend.
Gechiedenis-2314Bij de kruising met de spoorbaan, de Stationsweg en de dijk op de grens met Giessendam moeten bruggen en viaducten een uitweg bieden. Sliedrecht zal met een op- en afrit bij de Stationsweg op de rijksweg worden aangesloten. Huizen en grond aan de rijksweg wordt onteigend. De nog nieuwe villa van architect Nieuwpoort valt onder de sloophamers!

De aanleg van de rijksweg is de nekslag voor de bootdienst van de Fop Smit. In 1935 komt er een einde aan de veerdiensten. Daarvoor was het treinverkeer al een grote concurrent geworden! Vanaf het Sliedrechtse station vertrekken 13 treinen per dag, zowel richting Dordrecht als Gorinchem. Niet alleen bij het Sliedrechtse station was het mogelijk om de trein te nemen. Bij Baanhoek is ook een halte waar men kan in- en uitstappen.
Wie op het Sliedrechtse station aankomt, kan zich met een autobus van de firma A. Hartog (later de M.E.G.G.A.) naar het centrum laten rijden.

Telefoon
Een andere vorm van verkeer vormen de telefonische verbindingen. Het aantal gebruikers groeit. In 1920 waren dit er nog slechts 79. Het telefoonnet was bovengronds. De draden waren bevestigd aan palen die overal langs de dijk stonden. Een betere oplossing is om de draden in de dijk te leggen. Dit betekent de eerste opbreking in de nieuwe asfaltlaag. De telefoondienst is voortaan dag en nacht en ook ‘s zondags te bereiken. Een goede vooruitgang, maar de vele telefonistes moeten wel met allerlei stekkers voor een verbinding zorgen. Vaak een tijdrovende bezigheid!

Banken en scholen
Een van de instellingen van het Nut is de spaarbank. Jarenlang zou op diverse scholen het sparen hierbij ondergebracht zijn. Het oude raadhuis in de Kerkbuurt (nu Sliedrechts Museum) dient als onderkomen. In 1932 schenkt IJsbrand van Wijngaarden (hij woonde in het huis dat nu ten oosten van de oprit van de Geulstraat staat) een stuk grond naast zijn huis aan de stichting Nutsspaarbank. Hierop wordt een bankgebouwtje gebouwd. Het oude raadhuis krijgt nieuwe bewoners. Het wordt consultatiebureau voor zuigelingen en het Leger des Heils er onderdak.

Een andere instelling van het Nut is de Nutsvaktekenschool. Deze gaat in 1938 op in de vereniging Ambachtsschool voor Sliedrecht en Omstreken. Belangrijke personen bij dit initiatief zijn burgemeester Popping en de heer B. van Rees.
De school zal later bekend worden als de Lagere Technische School (L.T.S.). Latere namen voor deze school zijn: Burgemeester Poppingschool, De Grienden en thans Grienden College. De heer Van Rees is gedurende 35 jaren directeur van de school geweest. De door het Nut gestichte Vakschool voor meisjes is tot 1938 gehuisvest geweest in de voormalige school III aan de dijk (later gebouw de Korf). Van hier verhuist de school naar de plek bij de Boslaan. De plaats van de vakschool voor meisjes wordt vervolgens ingenomen door de jongens van de ambachtsschool.
Gechiedenis-2315Een andere bank in Sliedrecht is in deze tijd de Boerenleenbank. Deze was in 1918 opgericht met als doelstelling ‘de verbetering van het landbouwbedrijf’. De boeren konden een krediet verkrijgen en de gelden werden rentegevend en veilig belegd. Voorzitter van de coöperatieve vereniging is J. v.d. Berg Lzn., directeurkassier is J. van Bergeijk Sr.
De Boerenleenbank is gevestigd in een woonhuis bij De Wiel, genummerd A 344.
Verder is er in Sliedrecht de Rotterdamse Bankvereniging, directeur B. Kesnich. Deze bank was naar Sliedrecht gekomen na de overname van de Sliedrechtse Bankvereniging L. van Splunder.

Sliedrecht ten zuiden van de Merwede
Sliedrecht is in de jaren 30 groter dan tegenwoordig. Wel dubbel zo groot! De helft van de gemeente ligt ten zuiden van de Merwede. Veel grienden, hooi- en weilanden met daar tussen vele wateren. Er is geen weg over land naar Dordrecht. Naar de paar boerderijen die er zijn, moet alles over water worden aangevoerd. Dit geldt ook voor ook de post en in noodgevallen voor de brandweer. Gewerkt kan er dan worden met een motorspuit. Die moet met een sleepbootje overgevaren worden. Deze moet echter wel eerst ergens vandaan worden gehaald. Het laat zich raden wat er in geval van een ernstige brand zal voordoen… .
Binnen Sliedrecht is in 1939 het aantal brandkranen al 144 stuks. Dit komt mede door de nieuwbouw die buitendijks op gang is gekomen in het gebied rondom de Rembrandtlaan.

22 – Veranderingen

Veranderingen in ons dorp.
Na het overlijden van Sliedrechts burgemeester Ypey in 1917 werden de zaken tijdelijk, tot de benoeming van burgemeester Drijber, waargenomen door wethouder Johan Kraaijeveld.

Geschiedenis-2201Verbindingen met de Uitbreiding
De uitbreiding buitendijks was intussen een feit. Over het Kleindiep, een zijarm van het Middeldiep, dat een belangrijke vaarweg vormde, was in 1915 een vaste, stenen brug gebouwd. Deze belemmerde de doorvaart voor de schepen die o.a naar de langs het Kleindiep gevestigde hoephandelaren voeren.
Hierbij moeten we ons indenken dat het centrum van Sliedrecht destijds niet aan de Merwede lag. Tussen de dijk en de rivier lagen grienden en zandplaten. Na de verwezenlijking van de plannen van Sliedrecht-Vooruit (zie vorige uitgaven) ontstond hierop het deel van Sliedrecht dat nu bekend staat als de “Ouwe Uitbreiding”.
De bedrijven in het centrum waren per schip vanuit het oosten te bereiken via het Middeldiep, dat zich ter hoogte van de huidige brandweerkazerne vertakte in het Kleindiep. Via het westen kende het Kleindiep een directe verbinding met het Groote Diep, de Merwede.

Geschiedenis-2201aDe plannen, die gemaakt waren om in het westelijke deel van de Ouwe Uitbreiding een vaste brug over het Kleindiep aan te leggen, ondervonden nogal weerstand. Begrijpelijk, met de eerder genoemde belemmering. Door de gemeenteraad werd uiteindelijk gekozen voor een voetbrugje dat gemakkelijk bij doorvaart verplaatst kon worden.
In de volksmond heette de verbinding: “Het Kippebrugchie”. Niet te verwarren met de later op dezelfde plaats ter vervanging gebouwde Westerbrug.

Spaanse griep
Wie in het archief de rij boeken van overlijden te Sliedrecht bekijkt, valt direct het boek van 1918 op. De Spaanse griep maakte ook in ons dorp veel slachtoffers In de laatste maanden van 1918 verloren velen het leven. Onder hen o.a. gemeentesecretaris Damsté.

Bouwplannen
De wereldoorlog naderde zijn einde. Baggeraars, die in het buitenland werkzaam waren geweest, konden weer naar huis terugkeren.

Geschiedenis-2202Weekmarkt
In het dorp zat men intussen ook niet stil. Na de Kerkstraat was ook het Dr. Langeveldplein aangelegd. Hierop werd de eerste Sliedrechtse weekmarkt gehouden. Echter zonder succes. Na een paar jaar was het al gedaan met de markt.
Het oude raadhuis in de Kerkbuurt, thans Sliedrechts Museum, was al jaren te klein. Diverse keren was nieuwbouw aan de orde geweest. Uiteindelijk zou de nieuwbouw er toch komen. Burgemeester Drijber stelde het op de agenda van de raadsvergadering van 7 juli 1919 gezette punt: “Bouw van een nieuw raadhuis” weer aan de orde. Daarbij bleek dat het Dr. Langeveldplein de geschikte plaats zou zijn.
Een plaats is één ding, een gebouw is een tweede. Onder de architecten werd een prijsvraag uitgeschreven. Er werden liefst 86 plannen ingediend. De winnaars waren de architecten Friedhoff en Plantinga.

Geschiedenis-2203De Merwestraat zorgde voor de verbinding met de rivier de Merwede. Hier werd na het Bovenveer (Wijk A), het Middenveer (wijk B) en het Benedenveer (Baanhoek) een vierde stoombootveer aangelegd voor de Fop Smit boten. Spoedig volgde een verdere bouw, zoals het huis van de veerman en het café op de hoek met de Industrieweg dat velen zich nog wel herinneren als het café van Van Zessen, de latere eigenaar.

Langs de Industrieweg verschenen de eerste industriële vestigingen, zoals de meelfabriek van de gebroeders van Ballegooijen. Later bekend als de fabriek van scheepssluitingen van Van Beest. Nu staat het nieuwe gemeentekantoor op deze plaats.
Een ander bedrijf aan de Industrieweg was de scheepswerf ‘Kerkerak’. De op 7 juni 1918 opgerichte werf werd na enige tijd opgeheven. Velen onder u herinneren zich het Kerkerakterrein nog wel uit hun jeugdjaren. Bekend, vanuit de beginjaren, is tevens de Sliedrechtse Machinefabriek. Op de Uitbreiding zag men naast de gebruikelijke huizen diverse andere panden gebouwd worden; een abattoir, een badhuis, een bioscoop (Thalia Theater van de familie Koorevaar), scholen en bedrijfsgebouwen.
Een nadeel was, mede door van de komst van de fabrieken hier en in andere delen van het land, dat na 1920 de kwaliteit van het rivierwater achteruit ging, zo erg zelfs dat de zalm verdween.

Geschiedenis-2204Nieuwbouw
Langs de haven en de daar achter liggende wijk werden vanaf 1917 vele huizen gebouwd. Bekend zijn bij ieder de 40 ’Klophuizen’, gebouwd in opdracht van de scheepswerf. Een idee dat voor die tijd zeer vooruitstrevend te noemen is.

De 22e maart 1921 besloot de raad het bekroonde plan van het nieuwe raadhuis te laten uitvoeren.
Na een aanbesteding op 15 juni werd het werk gegund aan G. de Haan uit Dordrecht die met een bedrag van f 180.135,- de laagste inschrijver was.
Burgemeester Drijber legde op 7 november 1921 de eerste steen.
Op 29 maart 1923 werd door burgemeester Drijber bekend gemaakt dat men klaar was met bouwen. Het raadhuis werd officieel geopend op dinsdag 3 april. In het nieuwe onderkomen werden ook het politiebureau en het kantoor van de gemeenteontvanger gevestigd. Nog voor de opening was al eerder een muziektent op het Dr. Langeveldplein geplaatst. Het geld hiervoor was via een inzamelingsactie van de zang- en muziekverenigingen bijeengebracht.

Geschiedenis-2205Oosterbrug
In 1924 werd de oostzijde van de Ouwe Uitbreiding door middel van de Oosterbrug verbonden met de dijk.
De brug was afkomstig uit Breda, waar hij al door heel wat inwoners was gepasseerd. De brug was een draaiburg, zodat de scheepvaart gewoon door kon gaan. De aanleg van de brug kostte totaal f 38.680,-

Vervoer
Ook Sliedrecht maakte kennis met de autobussen. De noemden we in het begin nog omnibussen. De eerste ritten vonden slechts een paar keer per dag plaats. Geheel zonder gevaar waren de ritten niet. De bussen liepen, motorisch gezien, nogal eens in kwaliteit achter. Onderweg uitstappen en verder lopen, gebeurde regelmatig.
Bekende busondernemers uit die tijd waren:
1) Ravesteijn, een lijndienst met twee bussen vanaf Giessendam, via het   Papendrechtse veer naar Nieuw-Lekkerland.
2) De A.T.O. (Ned. Spoorwegen).
3) De firma Koevoets en de Jongste.

Geschiedenis-2206Aanvankelijk kreeg de A.T.O. het alleenrecht. Later (1929) kreeg, na enkele acties, Ravesteijns ‘Eerste Sliedrechtse Omnibus Onderneming’ (E.S.O.O.) dit privilege. Met de Fop Smit boten ging het niet zo best meer. De concurrentieslag met de autobus ging verloren. Alleen met mooi weer wilde men nog wel eens met de boot mee. Het vaarplezier stond dan voorop! Op 3 november 1935 kwam er een eind aan de veerdiensten van de boten.

De nog niet geasfalteerde, vaak stoffige of modderige, dijk kende een paardenpaadje, op z’n Sliedrechts gezegd ’t paerdespoor. Een enkel koetsje, boerenwagens, handkarren, hondenkarren, en zo nu en dan een autobus reden over de dijk. Nog lekker rustig dus… Een enkeling had zich al een auto aangeschaft. De verschijning ervan op de weg was een hele gebeurtenis! Voor de inwoners was het wel even wennen… Ook op de Stationsweg, waarvan de toegang werd verbreed met een westelijke oprit, kwam men zo nu en dan een auto tegen als gasten naar de trein werden gebracht.

Geschiedenis-2207De communicatie stond nog in de kinderschoenen. De dorpsomroeper nam de taak op zich van wat nu voorbehouden is aan Merwe-Radio en Merwe-TV. De bekendmakingen van burgemeester en wethouders kregen de bewoners via hem te horen. Door de uitbreiding van de gemeente was zijn taak groter geworden. Was zijn stem eerst slecht langs de dijk te horen, nu schalde zijn geluid ook over de Uitbreiding ‘Sliedrecht Vooruit’. Intussen werd de Huibert de Baatplaat steeds meer opgehoogd en klaargemaakt voor bebouwing met nieuwe woonhuizen. Het laatste deel dat volgestort werd, was de omgeving van de Merwesingel en de Hugo de Grootstraat.

21 – Begin van de 20e eeuw

Belangrijke zaken aan het begin van de 20e eeuw

Oranjevereniging
Oranjefeesten werden tot in het begin van de vorige eeuw door speciale comités georganiseerd. In 1911 werd door een ‘Commissie van voorbereiding voor de oprichting van een Oranjevereniging’ een vergadering uitgeschreven. De vergadering werd maar door 26 personen bezocht. Eigenlijk wilde men – gezien de geringe opkomst – al afzien van de oprichting van een Oranjevereniging. De onderwijzer Colijn redde de zaak. Hij wees erop dat er in Sliedrecht gewoonlijk weinig mensen bij elkaar kwamen als er een vereniging werd opgericht. Aan voldoende steun ontbrak het echter zelden… Na zijn betoog werd gestemd en met bijna algemene stemmen werd besloten een Oranjevereniging op te richten.

Het eerste bestuur bestond uit 9 leden: H. den Hartog, De Rouwe, Hokken, Colijn, Dusseljée, Schroevers, A. v .d. Berg, Bongers en J.C. van Drunen. Den Hartog werd de voorlopige voorzitter. De contributie moest zo laag mogelijk worden gehouden. Bij feestelijke gelegenheden zou men aan extra inkomsten kunnen komen door bij de festiviteiten entree te heffen. De leden zouden 1 gulden contributie moeten betalen. Voor donateurs werd een bedrag van 25 cent bepaald. Namens het laatste comité werden vlaggen, versieringen e.d. aangeboden.

Geschiedenis-2101Onafhankelijkheidsfeest in 1913
In 1913 was het 100 jaar geleden dat er aan de Franse overheersing onder Napoleon een einde kwam. Het feest werd op 27 en 28 augustus op grootse wijze gevierd.
De nieuwe Oranjevereniging combineerde het feest met de verjaardag van koningin Wilhelmina die op 31 augustus jarig was. Het bestuur van de Oranjevereniging bestond in 1913 uit: D. van Uitert, rijwielhandelaar (voorzitter), G.B. van der Vlies, schoenhandelaar (secretaris), De Rouwe, timmerman (penningmeester), H. den Hartog, C. Dusseljée, T. Nieuwpoort, H. v.d. Stelt, G. Sonneveld en E. Bakker Czn.
Daarnaast was er ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum een ‘Eere-Comitée’. Hierin hadden zitting: S. E. Ypey (burgemeester), dr. P. Langeveld, mr. K.A. Nederlof, IJ. v.d. Berg, L. van Haaften, A.A. Hofman, H. K. Nederlof, L. Splunder Jr., A.P. Volker en de dames van den Berg, van Maanen en Kruyff. Het feest werd bekostigd uit de advertenties in het feestprogramma en de vele droegen een steentje bij.

Geschiedenis-2102Vroeg op
Het feest ging al vroeg van start. ‘s Morgens om halfzeven startte een rijwieloptocht van 40 jongens. De fietsers werden voorafgegaan door hoornblazers. Zij moesten iedereen wakker maken om tijdig – negen uur – bij de landing van Prins Willem aanwezig te zijn.
De Prins, in de persoon van E. D. Kalis, stapte bij het Benedenveer bij de spoorbrug aan land. Hij werd in een sloep vergezeld door acht 8 matrozen, een bootsman en hun commandant. Daar stond ‘de Scheveningse bevolking’, in klederdracht, ter verwelkoming gereed. Onder hun juichkreten stapte de ‘Prins’ op een ‘schelpenwagen’. Hierin werd hij naar de reeds opgestelde optocht geleid.

Geschiedenis-2103De stoet
Deze startte om half tien. De stoet trok van west naar oost en terug. Erebogen, vlaggen en gevelversieringen gaven Sliedrecht een feestelijk aanzien.

Voorop reden twee herauten. Die van Sliedrecht en de heraut van Nederland. Het muziekkorps van ‘Crescendo’ volgde.
De eerste wagen was een Oranjewagen. Daarop zaten jongelui gekleed in wit en oranje. Zij strooiden bloemen rond. Daarna kwam de Haagse schutterij, vervolgens een groep Scheveningers te voet met oranjelinten.

De groep van de eerder genoemde acht matrozen, voorzien van roeiriemen, en de bootsman die de Prins aan wal gebracht had, volgden. Hierna reed de schelpen-wagen met de Prins die omringd was door acht vissers in oliepakken. Hij werd gevolgd door een rijtuig met de vrouw van de Prins (mevr. A. A. Seret-Bos) met enige hofdames.

In een daarop volgende authentieke karos zaten de heren van het Drie-manschap. Zij stapten bij het raadhuis uit om de originele proclamatie van 1813 voor te lezen.

Na het Dordtse Fanfare Corps volgde een enorme stoet onder de naam ‘De Helden van Quatre-Bras en Waterloo’. Deze werd geopend door Engelse, Pruisische en Nederlandse infanteristen met veroverde Franse vaandels. Honderden verklede personen deden er aan mee.

Het eind van de stoet werd gevormd door een ‘Zegewagen’, voorstellende de vrede en de muziekvereniging ‘Juliana’.

De inwoners mochten vanaf de zijkant de stoet aanschouwen. Aansluiten was niet toegestaan! De stoet hield halt op een feestterrein aan de Parallelweg. Fotograaf A. Meyer zette hier degenen die dat wensten, in historische kleding op de foto.
Op het feestterrein werd geen sterke drank geschonken. Voor de liefhebbers was er een glaasje boerenjongens, een advocaatje of lichte wijnen. Het terrein was – verschil moest er zijn – ingedeeld in eerste en tweede klassen plaatsen…

Het feest ging door tot ver in de middag. Rond vier uur gaf de gymnastiekvereniging ‘Sport Staalt Spieren’ demonstraties op het feestterrein. Om acht uur volgde een concert- en bioscoopvoorstelling. We moeten hierbij wel denken aan een stomme film! Op de eerste van de twee feestdagen was ’s avonds een Bengaalse verlichting op de toren te bewonderen.

Tweede feestdag
De volgende dag was er de optocht van alle schoolkinderen. Voorafgegaan door een muziekkorps ging het richting feestterrein Hier begonnen om halftien de kinderfeesten. De volwassenen waren om twee uur aan de beurt. Voor de inwoners was er ‘s avonds om half acht een concert en een optreden van S.S.S. Dit werd gevolgd door diverse vertoningen.

Het grote feest werd afgesloten met een grandioos vuurwerk Het vuurwerk werd afgestoken vanaf een weiland ten westen van de Stationsweg. Tegen twaalf uur ging ieder naar huis. Op een enkele dronkenschap na, werd er geen wanklank gehoord. De vele goede herinneringen aan het feest zorgden ervoor dat er in Sliedrecht nog jarenlang over de gebeurtenissen werd nagesproken!

Geschiedenis-2104Oorlog
Een jaar later, in de zomer van 1914, werd het rustige leven echter wreed verstoord. Veel onrust veroorzaakte het telegram dat op het raadhuis aankwam. Een oproep tot mobilisatie!

De opgeroepen militairen vertrokken vanaf het station. Het tweede telegram, met de melding dat er oorlog was uitgebroken, verergerde de toestand. Aanplakbiljetten in het dorp brachten de inwoners van de onheilstijding op de hoogte.
Gevolgen van het een en ander waren: verlies aan arbeidskrachten door de mobilisatie, inkwartiering, en distributie van levensmiddelen.
Geschiedenis-2105Belgische vluchtelingen bereikten ons dorp. Zij waren onze kant uitgekomen omdat hun land zwaar te lijden had onder de Duitse inval! Het nieuws over de oorlog werd gevolgd via krantenberichten en foto’s in het tijdschriften. Nederland bleef echter neutraal. De plannen voor een uitbreiding, gemaakt door de vereniging ‘Sliedrecht Vooruit’, zoals beschreven in de twee voorgaande verenigingsbladen, konden worden uitgevoerd.

Sliedrecht Vooruit
De aanbesteding van de haven, het ophogen van terreinen en overige werken, werden op 11 november 1914 door B. en W. aanbesteed. Het werk werd aan de laagste inschrijver, de firma T. den Breejen van den Bout gegund tegen de prijs van f 170.000, – . De stenen boogbrug over het Kleindiep werd een maand later, op 16 december, aanbesteed. Deze brug gaf toegang naar de terreinen van de uitbreiding. De toegangsweg kreeg als naam: Kerkstraat. Dit werk werd verricht door de firma. Zanen Czn. te Ammerstol voor een bedrag van f 13.284, – .

Geschiedenis-2106Panden in de Kerkstraat
Een van de eerste panden die aan de nieuwe Kerkstraat gebouwd werden, was dat van N.V. Boekhandel Gebr. Luyt. D. Brasser was er de directeur. A.M. van Dorth de bedrijfsleider. Een ander pand aan de Kerkstraat was o.a. bestemd voor het G.E.B. In Sliedrecht was het mogelijk om vanaf 8 maart 1916 een elektrisch peertje het huis te laten verlichten. Het nam de plaats in van de gaslampen.
Het Gemeentelijk Energie Bedrijf (G.E.B.) werd samen met het bureau Gemeentewerken van de gemeente Sliedrecht gehuisvest in dit pand. De directeur vond ook woonruimte in het groots opgezette pand.
Thans is in dit gebouw een notariskantoor gevestigd. De Belgische ingenieur G. C. Guermonprez, een oorlogsvluchteling, werd de eerste directeur van zowel het G.E.B. als van gemeentewerken. Onder zijn toezicht werd vrijwel de gehele uitbreiding – buitendijks – volgebouwd.

Geschiedenis-2107Scheepswerf De Klop
In 1916, tijdens Wereldoorlog 1, werd de in 1913 te Zuilen, provincie Utrecht, gestichte scheepswerf ‘De Klop’ bij het fort ‘De Klop’ overgebracht naar Sliedrecht.

De werf was in Zuilen tot stand gekomen door toedoen van Joh. Kraaijeveld en drie broers Van Noordenne. Scheepswerf ‘De Klop’ werd naar het nieuwe terrein in Sliedrecht overgebracht.
Sliedrecht was een ketelmakerij en een machinefabriek, gevestigd aan de Industrieweg, rijker. De directeur van de werf werd de heer H. van Seventer.

Een minpunt in deze jaren was het overlijden van burgemeester S.E. Ypey. De op 30 december 1916 overleden burgemeester werd op 2 januari 1917 in Den Haag begraven. De Sliedrechtse wethouders Joh. Kraaijeveld en J .L. A. van Haaften en de gemeentesecretaris J. J. Damsté woonden de begrafenis bij.

20 – Uitbreidingsplan

De totstandkoming van Sliedrechts Oude Uitbreiding buitendijks

 

Geschiedenis-2001
De Kerkeplaat in lang vervlogen tijden

Uitbreidingsplan Sliedrecht
Eerder  lieten we U met de plannen van “Sliedrecht Vooruit” ten aanzien van de uitbreiding van Sliedrecht kennismaken.

Op grond daarvan benoemde de Raad een commissie, welke de plannen aan een nader onderzoek moest onderwerpen en vervolgens diende te kijken naar de mogelijkheden voor de gemeente Sliedrecht.
In de Merwebode van 30 november 1912 troffen we onderstaand verslag aan:

Verschenen is het Rapport der Raadscommissie ter zake de motie “Sliedrecht Vooruit”, d.d. 26 Augustus 1912.
In de Raadsvergadering van 15 Mei 1911 werd met algemene stemmen aangenomen een voorstel van den heer Johs. Kraaijeveld, luidend.”De Raad der gemeente Sliedrecht besluit: eene commissie te benoemen om te onderzoeken wat er gedaan kan worden ten einde Sliedrecht te geven, datgene wat besproken is in de laatst gehouden vergadering van “Sliedrecht Vooruit”.

Dit naar aanleiding eener door de vereeniging “Sliedrecht Vooruit” met algemeene stemmen aangenomen motie luidend als volgt.

“De openbare vergadering der vereeniging “Sliedrecht Vooruit”, gehouden op 28 april 1911 in het lokaal van den heer O. den Boer – gehoord de uiteenzetting van een schema tot een plan tot uitbreiding der gemeente Sliedrecht, door den secretaris der vereeniging, spreekt den wensch uit,
dat de gemeente dit plan in behandeling zal nemen en zal onderzoeken of het voor uitvoering vatbaar is en dat zij in het bevestigend geval de middelen zal beramen om tot uitvoering te geraken”.

Geschiedenis-2002Men besloot, zoals uit het voorgaande bleek, deze motie ter kennis te brengen van de gemeente en de burgerij.
In de daarop volgende raadsvergadering werden de heeren P.Langeveld, A. Prins Thz., L. van Haaften, E. van Noordenne en A. P. Volker Pz., tot leden der bovengenoemde Raadscommissie benoemd.

In hare eerste vergadering, gehouden op 23 Juni 1911, waarin tot voorzitter der commissie bij acclamatie de heer P. Langeveld werd aangewezen, werd uitvoerig de haar opgedragen taak om te onderzoeken in hoeverre de plannen van “Sliedrecht Vooruit” voor uitvoering vatbaar zijn, besproken, die naar hare meening ernstige overweging en een degelijk en uitgebreid onderzoek verdienden.

Algemeen deelt de commissie het gevoelen van de vereeniging ” Sliedrecht Vooruit ” dat de uitbreiding van Sliedrecht moet gezocht worden zonder eenigen twijfel buitendijks.
Blijkens het plan der vereeniging “Sliedrecht Vooruit” om het geheele Middeldiep tot eene breedte van 100 meter bij eene lengte van 1100 meter uit te baggeren en het opgezogen zand op de Kerkeplaat te brengen, zal worden verkregen:

1e een haven;
2e een terrein gelijk aan de Kerkeplaat, groot pl.m. 75000 vierkante meter.

Hoewel het groote nut hiervan inziende meent de commissie met het oog op het woningvraagstuk in deze gemeente, dat havenaanleg niet voorop moet worden gesteld doch dat in de eerste plaats met de belangen van de volkshuisvesting rekening gehouden moet worden en dat deze belangen dringend eischen een uitbreiding buitendijks.Met het oog op de uitbreiding der gemeente kwam het de commissie ook minder wenschelijk voor de haven te projecteeren op de wijze als door ” Sliedrecht Vooruit ” is geschetst , omdat daardoor slechts een klein gedeelte buitendijks voor bebouwing in aanmerking komt en een groot gedeelte buitendijks gelegen terreinen voorgoed door een breede haven van het overige gedeelte van de gemeente zou worden afgesneden. De commissie heeft overwogen een haven te ontwerpen met voldoende bergruimte, die gemakkelijk van alle zijden toegankelijk is.

Dringend bestaat evenwel de behoefte aan geschikt bouwterrein; dat alhier woningnood bestaat, behoeft niet te worden aangetoond, is van algemeene bekendheid. De in den polder (binnendijks) gelegen gronden zijn daarvoor geheel ongeschikt; geen gezonde woningbouw is daar te verkrijgen met ‘t oog op den afvoer van water en fecaliën; de drassige bodem is veel te laag om een behoorlijk rioleerstelsel in te voeren, vandaar dat de buitendijks gelegen terreinen zijn aangewezen voor uitbreiding, waar plaats is voor 4 à 5000 zielen en de gemeente de eerste 25 jaren zal zijn geholpen.

Waar art. 28 der Woningwet aan onze gemeente de verplichting oplegt tot het vaststellen van een uitbreidingsplan acht de commissie het daarom noodzakelijk thans tot de vaststelling van een uitgebreid plan over te gaan en tevens om tot aankoop of onteigening van al de in het plan begrepen gronden te besluiten.
Het gemakkelijkst valt toch de uitbreiding te regelen waar de gemeente een groot grondbezit heeft en dus zelf de bouwterreinen voor exploitatie in gereedheid kan brengen.
De commissie heeft na verschillende besprekingen een schets ontworpen van een uitbreidingsplan, omvattend behoudens enkele perceelen de geheele Kerkeplaat en de Huibert de Baatsplaat.
Een nadere uitwerking van het plan werd gedaan door de heer C. F. Sepmeyer, hoofdopzichter van gemeentewerken te Dordrecht.

Het plan omvat:
Eene wijk voor het bouwen van arbeiderswoningen, een villapark, handels- en industrieterreinen en den aanleg van een haven.
Geschiedenis-2003De gronden benoodigd voor de uitvoering van deze werken zijn gelegen buitendijks, tusschen het Kleine Diep en de rivier de Merwede.
De bedoeling van de commissie is voorlopig het middengedeelte het eerst in uitvoering te brengen, door onmiddellijk de geheele haven in orde te maken, de Kerkeplaat in haar geheel voor bouwterrein in te richten, het gedeelte van een villapark langs den hoofdweg gelegen op te hoogen en een weg aan te leggen door de handels- en industrieterreinen, zonder deze terreinen op te hoogen, terwijl toch de onteigening zich uitstrekt over het geheele straks aangegeven plan.
Beschrijving van het plan. De hoofdtoegangsweg naar de aan te leggen terreinen en haven is ontworpen in het verlengde van de Stationsweg vanaf den dijk loodrecht op den stroomlijn van de rivier.
Hierdoor wordt een korte verbindingsweg vanaf de rivier (aanleg stoombooten) naar het centrum der gemeente verkregen.
Vermits de stroom in het Kleine Diep niet onderbroken mag worden, heeft de commissie geoordeeld, dat een brug ter breedte van 8 m voldoende is.
De hoogte van de brug is ontworpen 4 m plus N.A.P., zijnde het profiel, waartoe alle voor bouwterrein bestemde gronden zullen moeten worden opgehoogd. om voortdurend watervrij te liggen.

Wijk Arbeiderswoningen
De wijk voor het bouwen van arbeiderswoningen wordt begrensd ten noorden door het Kleine Diep, ten zuiden door de haven en ten oosten door den hoofdweg. Zij beslaat met de wegen en pleinen eene oppervlakte van circa 8,5 ha en is verdeeld in 11 bouwblokken, 2 pleinen en een paar plantsoentjes. De hoofdwegen hebben een breedte van 15 m, de overige een breedte van 12 m. Deze wegen zijn alle gedacht steenslagwegen te zullen worden met Quenast tegeltrottoirs en hardsteenen trottoirbanden.

Plein
Onmiddellijk vanaf den hoofdweg bevindt zich een plein ter grootte van 71 are; door de zeer gunstige ligging van dit plein is het voor allerlei doeleinden bruikbaar. De afstand van dit plein tot de Ned. Herv. Kerk bedraagt ca. 120 m.
Het tweede plein, dicht bij de havenmonding ontworpen, is groot 17,5 are en kan gebruikt worden voor opslag en voor te lossen en te laden scheepsgoederen enz.
De bouwblokken zijn niet lang en ter breedte van minstens 35 m geprojecteerd, zodat ruime toetreding van licht en lucht mogelijk is. De gezamenlijke grootte van deze bouwblokken bedraagt ruim 4 ha.
Voor afvoer van faecaliën, wasch- en regenwater is een rioleering aangenomen van eivormige cement-riolen.
Aanbeveling verdient het, dat de gemeente in deze wijk een zekere oppervlakte reserveert voor den bouw van een school.

Geschiedenis-2004Villapark
Een terrein bestemd voor villa’s of andere meer kostbare huizen, is gedacht ten oosten van den hoofdweg en wordt ten noorden begrensd door het Kleine Diep en ten zuiden en oosten door de rivier de Merwede.In deze wijk is een park aangenomen met wandelwegen, waterpartijen, een fontein, enz., dat een publiek wandelpark ook voor de gemeente Sliedrecht aanbeveling verdient, behoeft wel geen nader betoog.
Het geheele terrein voor het villapark is met wegen, waterpartij en park groot ca. 18 ha en is verdeeld in 20 bouwblokken.
De wegen zijn geprojecteerd ter breedte van 20 m voor genoemde hoofdweg en den weg langs de rivier, en 15 m voor alle overige wegen; deze wegen zijn ook alle bedoeld verhard te zijn met steenslag en aan beide zijden te zijn aangelegd met trottoirs van Qeunast-tegels. Op het plan zijn langs de hoofdwegen de voortuintjes aangegeven.
Voor eersten aanleg zouden alleen in aanmerking komen de terreinen onmiddellijk grenzende aan den hoofdweg. Deze hoofdweg is geprojecteerd ter breedte van 20 m met wandelpad of plantsoen in het midden, 2 rijwegen van 6 m en trottoir ter breedte van 2,5 m.

Handels- en industrieterreinen
Ten zuiden van den geprojecteerden haven bevinden zich op het plan de handels- en industriegebieden, grenzende aan de rivier en aan den hoofdweg.
Deze terreinen zijn gunstig voor allerlei doeleinden gelegen, daar ze onmiddellijk aan de rivier of de haven grenzen; de totale te verhuren of te verkopen oppervlakte bedraagt ruim 13 ha. Midden door deze terreinen is een weg aangegeven ter breedte van 15 m. Deze weg loopt van den hoofdweg naar de invaart van de haven.
Op het plan is verder nog aangegeven ten westen van de haven eene uitbreiding voor arbeiderswijk en voor handels- en industrieterreinen.

Geschiedenis-2005Haven
De haven is ontworpen ongeveer in ‘t midden van bovengenoemde terreinen.
Hierdoor kunnen de handels- en industrieterreinen aan beide zijden aan het water gelegen zijn en de arbeiderswijk direct aan de haven grenzen.
De invaart der haven, in zuidwestelijke richting geprojecteerd, maakt het mogelijk dat te allen tijde de schepen gemakkelijk kunnen binnenkomen, terwijl bij uitvoering van het eerste gedeelte geen brug noodig blijkt om alle terreinen te bereiken, behoudens de hiervoren genoemde brug.
De haven heeft een lengte van 565 m bij een breedte van 100 m; de invaart is 300 m lang en 50 m breed. De totale oppervlakte grond, benoodigd voor den aanleg van deze haven en monding bedraagt ca. 7,5 ha; aan oppervlakte voor ligplaats van schepen, komt – gerekend bij een waterstand van N.A.P. – beschikbaar 6,5 ha.
Voor de bodemdiepte der haven is aangenomen 3,50 + N.A.P. en voor voortdurende doorstrooming van de haven is een sluisje in den noord-oosthoek onder den hoofdweg geprojecteerd, dat in verbinding staat met het Kleine Diep.
In den noord-westhoek is open doorgang geprojecteerd, welke tevens een vaargeul vormt tusschen het Kleine Diep en de haven, bij latere uitvoering van het geheele plan is het nodig deze geul te overbruggen.

Beplanting
Het ligt voor de hand, dat bij de aangenomen breedte van de straten en pleinen eene beplanting kan worden aangebracht; hierbij dient alleen nog opgemerkt te worden, dat het aanbeveling verdient bij de keuze der boomsoorten met de breedte der straten rekening te houden.
De overgelegde kostenberekening, waaruit blijkt dat voor kosten van onteigening, het in orde maken van de haven, het opspuiten en in orde maken van de voorlopig tot bouwterrein bestemde gronden, het leggen van een weg door de handels- en industriegebieden, renteverlies gedurende de eerste jaren, geraamd worden op 635.000 gulden heeft de commissie tot de conclusie gebracht, dat de kosten voldoende zullen gedekt worden door de opbrengst van verkoop of in erfpacht geven van de beschikbaar geworden zeer gunstig gelegen terreinen.
Een grondbezit aldaar van 62 ha heeft voor de gemeente eene groote waarde.
De vraag of het plan met het oog op de kosten voor uitvoering vatbaar is, wordt mitsdien door de commissie bevestigend beantwoord.

Op vorenstaande gronden heeft de commissie de eer aan den Raad met volle vrijmoedigheid voor te stellen:
1e. Na het verstrijken van den termijn van de ter visie ligging bedoeld bij art. 28 der woningwet vast te stellen het ontwerp-uitbreidingsplan voor de Gemeente Sliedrecht.
2 e. Aan te koopen of te onteigenen al de in het plan begrepen perceelen gelegen buitendijks tusschen het Kleine Diep en de rivier de Merwede en omvattende de geheele Kerkeplaat en de geheele Huibert de Baatsplaat.

Aan U de mogelijkheid zelf eens na te gaan op welke wijze het plan in de loop der jaren in Sliedrecht verwezenlijkt werd of op een aangepaste wijze uitgevoerd is.

19 – Oude Uitbreiding

De totstandkoming van Sliedrechts Oude Uitbreiding buitendijks

Geschiedenis-1901
Achterste rij van links naar rechts: J. D. Wetsels rijksontvanger), C. Groustra (hoofdonderwijzer), A. L. Luyt (boekhandelaar), Danielse (gem. secretaris), P. Langeveld (arts), J. V. Disselkoen (hoofdonderwijzer), F. Janse (hoofdonderwijzer) .
Voorste rij van links naar rechts: A. Prins de Baat (arts), E. D. G. Frahm (hoofdonderwijzer), Ds. Dr. J. W. Lieftinck (predikant), W. van der Schuijt (hoofdonderwijzer) en
P. Scheltema ( arts).

Debatingclub
In de vorige eeuw waren er nogal wat debatingclubs. Ook in Sliedrecht hield een dergelijk gezelschap zich bezig met de “kunst van het spreken.”

Leden waren o.a. alle schoolhoofden, de artsen, een apotheker, de rijksontvanger, de gemeentesecretaris en een boekhandelaar. Voorzitter was dominee Lieftinck.
Regelmatig kwamen nieuwe gespreksonderwerpen ter tafel, die door de Sliedrechtse gemeenteraad werden overgenomen.
Een idee van dokter Langeveld was wel heel opvallend. Hij stelde voor de Huibert de Baatplaat in te polderen en op te hogen. Het zou een belangrijk terrein kunnen zijn voor de industrie en de woningbouw. Het idee kreeg de steun van apotheker Van den Houte Willems en de latere wethouders Joh. Kraaijeveld en C.M. van Rees.

Rond de eeuwwisseling kreeg het plan van dokter Langeveld meer gestalte. Via advertenties in de Merwebode werd de bevolking opgeroepen om zich beschikbaar te stellen om Sliedrecht vooruit te helpen. Naast de oprichting van de vereniging “Sliedrecht Vooruit”, leidde het plan mede tot de verwezenlijking van de uitbreiding buitendijks. Deze is nu bij de ouderen onder ons nog wel onder de naam “Sliedrecht Vooruit” bekend. Behalve de heer Langeveld waren de heren Van den Houte Willems en de wethouders Kraayeveld en Van Rees voorvechters van de uitbreiding buitendijks van Sliedrecht. Naar ieder van deze mannen is een plein of straat vernoemd. Kennelijk wilde het aanvankelijk niet al te best vlotten met de vereniging “Sliedrecht Vooruit”. Duidelijk komt dit tot uitdrukking in een schrijven dat we via de heer J. v. d. Sluys in handen kregen. De bevolking werd hierin opgeroepen tot het massaal bijwonen van een vergadering, waarop ieder in de gelegenheid werd gesteld van de ideeën kennis te nemen.

Hieronder volgt de uitnodiging, zoals die destijds letterlijk werd gesteld.

Ten einde iedereen in de gelegenheid te stellen, zooveel mogelijk geheel op de hoogte dezer belangrijke aangelegenheid te komen, roepen wij bij deze alle ingezetenen van Sliedrecht op, die den ouderdom van 20 jaar hebben bereikt, tot eene

O p e n b a r e V e r g a d e r i n g

Voordracht met lichtbeelden door den Secretaris.
Onderwerp: De toekomst van Sliedrecht, zoowel in verband met nieuwe plannen voor spoorwegverbindingen, als met de uitbreiding der gemeente buitendijks.

Het Bestuur
De inleiding van boven afgedrukte uitnodiging luidde als volgt:

” Sliedrecht Vooruit ”

L.S.

Onze vereeniging telt thans 180 leden.– Van alle ingezetenen van Sliedrecht, die den leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, hebben zich slechts 180 aangemeld als lid van onze vereeniging.
Moet daaruit worden opgemaakt, dat de groote rest niets voelt voor de vereeniging “Sliedrecht Vooruit”? Neen, toch zeker. Het moet eerder toegeschreven woorden aan den sleur om “eerst de kat eens uit den boom te kijken, eerst eens af te wachten wat “Sliedrecht Vooruit” doet of zal doen.
Welnu, op de algemeene vergadering van 30 Maart 1911 heeft het Bestuur het programma van onze vereeniging duidelijk uit laten komen en bewijzen gegeven hoe het de zaken aanpakt.
Is dit geen reden om lid onzer vereeniging te worden? Moet de kat nog langer uit den boom worden gekeken? Moeten de schouders nu nog worden opgetrokken en moet er geluisterd worden naar stemmen, die evenals een grammofoon altijd hetzelfde liedje zeggen, n.m.l. “Het zal toch wel op niets uitdraaien, daar komt toch niets van”?
De contributie als minimum f 1,– per jaar, behoeft toch waarlijk niet af te schrikken. Twee centen per week kan ieder nog wel betalen. Want men vergete niet: bij onze vereeniging gaat het niet om de contributie. Bij andere vereenigingen is gewoonlijk de kas noodlijdend, moeten er leden geworven worden, om den penningmeester in staat te stellen alles te kunnen betalen, maar bij onze vereeniging is dat niet noodig.
Onze kracht schuilt niet in een groote kas, maar in een groot aantal leden, die door dat lidmaatschap toonen het doel onzer vereeniging te steunen.
Eerst wanneer wij een groot aantal leden bezitten, kunnen besluiten, op onze vergaderingen genomen, van gewicht zijn. Dan geeft zo’n besluit een ruggesteun aan gemeenteraadsleden, die voorstellen tot verhooging van de welvaart van onze gemeente in debat willen brengen.
Voelt men dat het ‘t verlangen van de kern van onze ingezetenen is, dat er iets tot stand zal komen, dan wordt het den heeren op ‘t Raadhuis gemakkelijker gemaakt. Dat moet ons streven zijn. Hoe grooter die kern, hoe grooter de kracht.
Daarom wekken wij ieder lid op voor het algemeen belang, voor Sliedrecht’s belang, ijverig zijn best te doen om leden te werven. Maar daarbij moet het niet blijven. Men moet ook toonen, dat men belang stelt in onze pogingen.
Velen denken: ik betaal mijne contributie, het Bestuur zal de zaken wel opknappen. Dat is een verkeerd idee. Neen, ook het Bestuur wil gesteund worden door de leden. Wanneer de bestuursleden veel tijd beschikbaar stellen om plannen te ontwikkelen, dan is het toch waarlijk niet te veel gevergd, dat de leden twee of driemaal ‘s jaars een paar uur ‘s avonds bij wijze van uitspanning de algemeene vergaderingen bezoeken. Eerst dan krijgen besluiten, op die vergaderingen genomen, beteekenis.
Vooral thans, nu er zo’n voorname zaak aanhangig is, n.m.l. de uitbreiding der gemeente Sliedrecht, moet ieder lid tegenwoordig zijn op vergaderingen, tenzij hij door ernstige redenen verhinderd is.
Wij hebben gemeend in ‘t belang der goede zaak goed te doen om het behandelde op de vergadering van 30 maart j.l. in druk den leden aan te bieden.

Waar ging het om?
Onderwerp van bespreking was het hieronder geschetste gebied.

Geschiedenis-1902
1881 Kaartje omgeving Sliedrecht

Bekijk het kaartje uit 1881 eens. De rode kronkellijn geeft de Sliedrechtse dijk met de bebouwing daarlangs aan. In de rivier De Merwede bevinden zich een aantal platen. Dat zijn de Huibert de Baatplaat, het Kerkeplaatje en het Molenplaatje. Langs de dijk slingert zich het Kleindiep. Ten noorden van de Huibert de Baatplaat vinden we het Middeldiep. Op de drie platen is sprake van enige vorm van bebouwing.

Hieronder een deel van de lezing welke door de opgekomen ingezeten in de zaal van de heer O. de Boer, gelegen bij het Middenveer, werd aangehoord.

Geschiedenis-1903
De oostzijde van het plan

Voordracht over een schema tot uitbreiding van de gemeente Sliedrecht, gehouden op de Algemeene Vergadering van 30 Maart 1911, door den Secretaris onzer Vereeniging, den Heer J.A.F.van den Houte Willems.

Mijne Heeren!

Onder de vele onderwerpen, waaraan Uw Bestuur hare aandacht heeft geschonken, is het plan tot uitbreiding van Sliedrecht zeker wel het voornaamste.

Mijne Heeren, het doel dezer bijeenkomst is uitsluitend Uw aandacht vestigen op een schets van een plan tot uitbreiding van Sliedrecht, waarmede Uw Bestuur ten zeerste is ingenomen.

Er moet over dit plan gesproken worden. Het moet ‘t onderwerp worden van ‘t discours tusschen alle inwoners van Sliedrecht, omdat iedere ingezetene er belang bij heeft, dat zijne gemeente vooruitgaat.

Het moet eene zaak worden van zo’n algemeene bekendheid en — naar ik hoop — van instemming, dat degenen, die aangewezen zijn de belangen onzer gemeente te behartigen, het in overweging zullen nemen en er over zullen delibereeren of het voor uitvoering vatbaar is en zoo ja, hoe het uitgevoerd zal moeten worden. Wanneer eenmaal de algemeene opinie vóór dit plan van uitbreiding is, dan twijfelt Uw Bestuur niet of ernstige en nauwkeurige berekeningen zullen worden gemaakt.

De verdere behandeling ligt niet op den weg van onze Vereeniging. Mijn taak is dus hoofdzakelijk te trachten U duidelijk uiteen te zetten:
1-e hoe noodig het voor de welvaart onzer gemeente is, dat ze uitgebreid wordt.
2-e dat de uitbreiding volgens een schets, zooals ik U straks zal laten zien, alleszins verdiend nauwgezet te worden overwogen. Alvorens U nu de teekeningen die straks op ‘t doek zullen worden geprojecteerd, nader toe te lichten, zij het mij vergund U ‘t één en ander in herinnering te brengen.
Ik zeg met opzet in herinnering te brengen, want hetgeen ik nu vertellen zal is voor U volstrekt niet nieuw. Toch meende ik, dat het zijn nut kon hebben het te releveeren.

Allereerst een brokje geschiedenis
Wanneer wij eens nagaan, wat de voornaamste bronnen van welvaart zijn geweest voor Sliedrecht, dan komen, behalve ‘t landbouwbedrijf, op industrieel gebied in aanmerking:
1-e Het aanemersbedrijf.
2-e De werfindustrie.
3-e De hoepelindustrie.
4-e De biezendrogerij.

Wat het eerste punt, het aannemersbedrijf, betreft is het een feit, dat Sliedrecht over de geheele wereld bekend staat als de geboorteplaats der grootste aannemers op ‘t gebied van waterwerken en grondverzet. Overal! In Europa, in Indië, in China, in Noord- en Zuid-Amerika, in Egypte, zijn of waren Sliedrechtsche aannemers en Sliedrechtsche arbeiders met hunne onafscheidelijke baggermolens, zuigers en bakken.
Gerust kan men zeggen, dat Sliedrecht de bakermat is van de aannemers op waterbouwkundig gebied.

Een Latijnse spreuk zegt: “Tempora mutanter et nos mutamus in illis,” dat wil in het Hollandsch zeggen: de tijden veranderen en wij veranderen met hen. Zoo is het ook met de aannemers en de aannemerij gegaan.
Een 30 jaren geleden kon een aannemer met betrekkelijk klein bedrijfskapitaal werken. Molens van f 30 à 40.000 behoorden almee tot de grootste; houten bakken van 40 à 50 el waren toen al reuzenbakken; zuigers met groote capaciteit bestonden toen nog niet. Maar de tijden veranderden, de werken eischten grooter materieel, meer machinerie, minder handenarbeid.
De industrie sloeg haar arendsvleugels uit en construeerde molens en zuigers, die alleen een groot kapitaal vertegenwoordigen; houten bakken van 50 el werden vervangen door ijzeren van 80, 90 en 100 el, ja nog grooter.
De Sliedrechtse aannemers gingen met hun tijd mede en vergrootten hun bedrijfskapitaal, maar de uitbreiding van haar gemeente bleef achterwege.

Wanneer het werk was afgeloopen en het materieel tijdelijk moest worden opgeborgen, bleek Sliedrecht daarvoor geen ruimte te bezitten. Het Middeldiep werd door aanwas hoe langer hoe ondieper; van ‘t thuisbrengen d.w.z. naar Sliedrecht van zuigers, molens en groote bakken was geen sprake.
Het lag voor de hand dat, wilden de aannemers hun materieel, zoolang het niet werd gebruikt, op een veilige plaats leggen, in hunne woonplaats daarvoor plaats moest worden gemaakt. Het is een feit dat wat het meest voor de hand ligt, gewoonlijk wordt voorbijgezien.
Naburige gemeenten, die ‘t financiëele voordeel inzagen om plaats te maken voor dat materieel, aarzelden niet om de werken daarvoor noodig in uitvoering te brengen.
Het gevolg daarvan was, dat de aanneemers gretig daarvan gebruik maakten en hun materieel daar onderbrachten, waar zij ‘t goedkoopst en ‘t best terechtkonden, en als een vanzelfsprekend gevolg daarvan, verlieten zij ook voor een groot deel deze gemeente.
Het moet dan ook alleen aan bijzondere omstandigheden, misschien gehechtheid aan hun geboortegrond, worden toegeschreven, dat wij nog ‘t voorrecht hebben, flinke kapitaalkrachtige aannemers te mogen rekenen onder onze ingezetenen.
Niet alleen dat ‘t materieel niet op Sliedrecht kwam, wat desnoods nog gerekend kan worden als een stilstand in welvaart voor de gemeente, maar ook het personeel dat bij dit materieel behoorde en grotendeels bestond uit geboren Sliedrechters, verhuisde naar die plaatsen, waar het het materieel kwam te liggen.
Machinisten, zuig- en molenbazen met hunne gezinnen verlieten deze gemeente en dit feit ressorteert niet onder stilstand, maar onder achteruitgang. Het spreekwoord: “Stilstand is achteruitgang”, werd dus in dit opzicht ten volle bewaarheid, want overduidelijk is het dat die verplaatsing van huisgezinnen mindere welvaart aan neringdoenden bracht.
Laten we ‘t spreekwoord: “Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald”, hier niet uit ‘t oog verliezen.

Het tweede punt op industrieel gebied, wat ik zooeven noemde, is het bedrijf van de scheepswerven. Het spreekt van zelf, dat dit bedrijf gelijken tred moest houden met de aannemerij. ‘t Oude materieel moest van tijd tot tijd worden gerepareerd en nieuw en grooter worden aangemaakt. Zij, die zoo gelukkig waren een werf te bezitten, direct aan de rivier gelegen en over terrein konden beschikken om hunne werven te vergrooten, konden met hun tijd meegaan,
Aangezien nu evenwel een groot gedeelte van Sliedrecht ingesloten ligt door zandplaten en aanwas, konden maar zeer weinigen daarvan profiteeren; bovendien brachten de aannemers hun groot materieel toch maar hoogst zelden naar Sliedrecht, omdat het na reparatie niet was op te bergen. Het gevolg hiervan was, dat bijna al het groote materieel iet op Sliedrecht kon worden aangemaakt en ook niet worden gerepareerd en dus in andere gemeenten aan vreemde en niet aan Sliedrechtse firma’s moest worden opgedragen.
Dat dit enorm bijdroeg tot mindere welvaart van Sliedrecht is zoo duidelijk, dat het geen verder toelichting behoeft.

Over ‘t 3e en 4e punt, de hoepelmakerij en de biezendrogerij, zal ik kort zijn. U allen weet, beter nog dan ik, dat ook deze takken van industrie lang niet meer die omvang hebben van vroeger. Maar dat de hoepelmakerij zeer zeker gebaat zou zijn met het plan van uitbreiding, zooals U straks zult zien, is onbetwistbaar.
Ik zou U nog veel meer in herinnering kunnen brengen, o.a. de vraag kunnen stellen, waarom toch de belastingcijfers hier zoo hoog zijn, vergeleken bij vroegere jaren, wat zeer zeker ook een factor is dat gegoede ingezetenen deze gemeente hebben verlaten, doch veel liever wil ik daarvan afzien en de kardinale vraag ter berde brengen, n.m.l.:
Wanneer Sliedrecht plannen maakt voor uitbreiding, moet dan ‘t oog gericht worden naar ‘t Zuidwesten of naar ‘t Noordwesten, m.a.w. buitendijks of binnendijks? En dan meenen wij, in verband met hetgeen ik U heb medegedeeld, volmondig te mogen antwoorden:
De uitbreiding van Sliedrecht moet zonder eenigen twijfel gezocht worden buitendijks.

Niet binnendijks heeft de aannemer en zijn aanhang van scheepswerven en machinefabrieken ruimte noodig om op den duur hier te kunnen blijven wonen en zijn zaken uit te breiden. De polder die binnendijks ligt, heeft voor ‘t landbouwbedrijf geen uitbreiding der gemeente aan die zijde noodig voor de uitoefening van haar beroep, maar wel buitendijks, aan den waterkant.

Geschiedenis-1904
Middeldiep in een lang verleden

Daar is uitbreiding hoogst noodig en waren de toestanden daarvoor ongunstig, moest die uitbreiding gepaard gaan met reuzensommen, dan zou dit een beletsel kunnen zijn. Maar men behoeft waarlijk zoo’n prima technicus niet te zijn op ‘t gebied van havenwerken, om te zien dat als ‘t ware de haven reeds gereed is, dat men niet anders te doen heeft dan te baggeren en ‘t opgezogen zand te gebruiken om de gronden op te hoogen.

Niet alleen dat men daardoor een bevaarbaar water krijgt, maar ook een uitgestrekte vlakte van grond, die op ‘t oogenblik betrekkelijk weinig waarde heeft, zal daardoor een waardevol bezit worden voor de gemeente, in dier voege dat zij de gemeente zoodanig zal vergroten, dat ze een centrum krijgt van behoorlijke afmetingen in lengte en breedte, waar plaats is voor een markt, voor woonhuizen, plantsoenen, enz.

Voordat ik nu overga U een schets in beeld te laten zien, wenschte ik nogmaals den nadruk er op te leggen, dat het niet op den weg van onze vereeniging ligt om nauwkeurige berekeningen te maken, evenmin om de middelen aan te geven op welke manier particuliere eigendommen moeten worden verkregen. Daarvoor zijn andere corporaties aangewezen.Het Bestuur Uwer vereeniging wil U alleen laten zien wat ‘t beste oordeelt.

Een globale berekening heeft ons echter tot de slotsom gebracht, dat de kosten van aanleg ruim gedekt zullen worden door de aanwinst van grond, die zoowel voor bouwterrein, als voor industrieele doeleinden kan worden rendabel gemaakt dat rente en aflossing ruimschoots zullen vloeien uit de baten, die de gemeente Sliedrecht zal kunnen ontvangen uit havengelden en uit verkoop van grond voor bouwterrein of uit de canon voor erfpacht.

Vervolgens werden enige lichtbeelden vertoond, waarbij de hoofdschotel werd gevormd door een tweetal tekeningen. Hierbij stond op de eerste de toestand afgebeeld van vóór de uitbreiding en op de tweede de situatie, zoals men zich voorstelde de uitbreiding te realiseren.

Het Middeldiep zou tot een breedte van 100 meter bij een lengte van 1100 meter worden uitgebaggerd. Het opgezogen zand zou op de Kerkeplaat worden gebracht.

Geschiedenis-1905
Schets van de westzijde

Hierdoor zou de gemeente Sliedrecht krijgen:
1. Een haven.
2. Een terrein gelijk aan de Kerkeplaat, groot 75.000 ca, waarop ruimte vrij zou komen voor o.a. een markt, een raadhuis, fabrieken, woningen, plantsoenen, enz.
Een verbinding met de Stationsweg zou later volgen. Het plan zou voor de eerder beschreven problemen een oplossing zijn, waardoor de welvaart voor Sliedrecht zeker gesteld zou zijn.

In de hierboven beschreven vergadering van vereniging ” Sliedrecht Vooruit ” werd met algemene stemmen de volgende motie aangenomen :

“De openbare vergadering der vereeniging “Sliedrecht Vooruit”, gehouden op 28 april 1911 in het lokaal van den heer O. de Boer
— gehoord de uiteenzetting van een schema tot een plan tot uitbreiding der gemeente Sliedrecht, door den secretaris der vereeniging, spreekt den wensch uit, dat de gemeente dit plan in behandeling zal nemen en zal onderzoeken of het voor uitvoering vatbaar is en dat zij in het bevestigend geval de middelen zal beramen om tot uitvoering te geraken;
— besluit deze motie ter kennis te brengen van de gemeente en de burgerij.”

Een volgende keer komen we terug op het plan tot uitbreiding van Sliedrecht, wanneer we het door het gemeentebestuur overgenomen idee publiceren!

18 – Naar de 20e eeuw

Sliedrecht rond de wisseling naar de 20e eeuw.

Gemeentelijk zaken.

Ambachtsheerlijkheid
In 1900 was Leendert Martinus Prins rentmeester van de ambachtsheer de graaf van Bylandt.

Op 18 juli 1902 overleed de graaf van Bylandt. Zijn enige nog levende dochter Marie Alexandrine Otheline Caroline, freule van Bylandt werd nu de ambachtsvrouwe van Sliedrecht.

Zij woonde in Den Haag. Tot haar andere bezittingen in Sliedrecht behoorden o.a. De Boschlaan en grote stukken hooi-, wei- en griendland. Het land werd per jaar verhuurd aan de plaatselijke boeren. De overeenkomsten werden gesloten in een plaatselijke herberg. De gravin ging later ook tot verkoop over.

Verder werd door de gravin het jacht- en visrecht over grienden en weilanden verhuurd aan jagers en vissers. Zowel de vele vogels, de vissen en andere dieren brachten voor de jagers en vissers heel wat op!

Raadhuis
De nieuwe burgemeester,Ypey, zorgde ervoor dat op een aantal punten orde op zaken werd gesteld. Hij werd hierbij gesteund door gemeentesecretaris E. A. Daniëls. Bij de beter voorbereide vergaderingen van de gemeenteraad werd meer openheid verleend richting de pers.

De burgemeester had ook toen al problemen met relletjes. Drankmisbruik, vooral op zaterdagavond, was hiervan de oorzaak. Vaak was het zo erg dat het College van B & W op zaterdagavond bijeen moest komen.

De gemeenteraad speelde met de gedachte in augustus 1905 het ontvangerskantoor en politiebureau te kopen. Deze waren gevestigd ten oosten van het raadhuis. De grond waarop de gebouwen stonden meende men te kunnen gebruiken voor de uitbouw van het raadhuis.

De kosten vielen echter hoger uit dan men beraamd had. Het geheel bleef steken op een prijsverschil van f 10.000,00.

Geschiedenis-1801Begin van de Kerkstraat
Later werden ideeën geopperd een nieuw raadhuis te bouwen naast het postkantoor op de Stationsweg. Ook dit plan ging niet door.

In 1909 was er weer sprake van nieuwbouw. Ditmaal op een plaats tegenover de kerk waar nu de Kerkstraat is. Weer ging het niet door.

Geschiedenis-1802
Groeneveldeschool of School 1
(in 1898 nog school 2)

Onderwijs
Met ingang van 1 november 1897 kreeg E. D. G. Frahm, hoofd van de openbare school III wegens ‘lichamelijke ongesteldheid’ eervol ontslag na een diensttijd in Sliedrecht van meer dan 30 jaren.
In 1898 telde Sliedrecht de volgende scholen:

Openbare lagere scholen:
School I (wijk A 351); (Zie afbeelding hierboven). Schoolhoofd F. Janse.
School II (wijk A 623); schoolhoofd B. J. Groeneveld.
School III (wijk B 461); schoolhoofd K. Groustra.
School IV (wijk C 46); schoolhoofd W. v. d. Schuyt.
School V (wijk D 88) ; schoolhoofd J. V. Disselkoen.

Bijzondere scholen:
Hervormde school (wijk A 763); schoolhoofd P. van Aalten
Gereformeerde school (wijk B 252), schoolhoofd J. Bokhout.

Schoolhoofd Willem van der Schuyt overleed op 10 april 1900 op de leeftijd van bijna 46 jaren. Veel schoolhoofden verwisselden van school. Van de Schuijt werd als hoofd van school IV opgevolgd door Jacob Vincent Disselkoen, het hoofd van school V. Meester Frans Janse ging als hoofd van school I naar school V. In zijn plaats werd T. Hoekstra als hoofd van school I benoemd.

Verreweg de meeste scholen stonden in de wijken A en B. Daar woonden langs de dijk en in de stoepen met arbeiderswoningen de meeste schoolgaande kinderen.

Baggerdorp
Inmiddels was Sliedrecht het baggerdorp bij uitstek. Landelijk, zowel internationaal als zodanig bekend. Bekende namen zijn o.a. Volker, Kalis, Bos, Van Noordenne, Prins, Van Hattem, Van de Wetering, Van Hattum, Seret, Van Haaften en Schram.

De baggervloot was rond 1900 zo groot dat Sliedrecht nog maar beperkt als thuishaven dienst deed. De baggermolens en zuigers vonden een plaats in het Middeldiep en de brede uitloop van het Klein-Diep in de Merwede. Vaak lag het materieel ook wel in Dordrecht, Rotterdam of Gorinchem. Veel andere bedrijven profiteerden van de grote bloei van het baggerbedrijf. We noemen hierbij de scheepswerven Van Rees, Baars en Lanser. De laatste was te vinden op ‘De Plak’ aan het Middeldiep. Veel kruiwagens vonden hun weg naar de bouwputten. De grote vraag naar rijshout bleef.

Geschiedenis-1803Stationsweg
In 1899 werd de Stationsweg over 810 meter van een bestraat paardenpad in het midden voorzien. De eerste bebouwing langs de weg begon. Eerder was al een nieuw postkantoor aan de Stationsweg gebouwd.

Een ander belangrijk gebouw aan de Stationsweg was de goederenloods. Jaarlijks moesten jongemannen er loten voor de Nationale Militie.

De loods werd hiertoe met opzet gebruikt. Ze lag nogal veilig ten opzichte van de cafés. Echter, elk jaar werden in de maand van de keuring weer enige jongelui wegens openbare dronkenschap gearresteerd.

Feest
In 1898 werd het inhuldigingsfeest van Koningin Wilhelmina op grootse wijze gevierd. Burgemeester Ypey was erevoorzitter van het feestcomité.

Op 6 september 1898 waren om half acht vreugdeschoten te horen. In de kerken werd een dienst gehouden. Om half elf waren de kinderen aan de beurt. Onder leiding van schoolhoofd W. v. d. Schuyt werd, met begeleiding van het fanfarecorps ‘Crescendo’, voor het raadhuis een zanghulde ten gehore gebracht. Een grote optocht met vele wagens vol historische taferelen trok langs de versierde huizen en onder verschillende erepoorten door. Het raadhuis was feestelijk verlicht met vetpotjes. Deze stonden in de raamkozijnen en in de dakgoten. Ook diverse woningen waren op dergelijke wijze verlicht. Met een schitterend vuurwerk kwam er een eind aan de feestdag.

Vertier
Wat betreft amusement was er in ons dorp weinig te doen. Bij feestelijke gelegenheden werden comités opgericht. Zij schotelden de bevolking een feestprogramma voor.

We noemen hierbij o.a.:
Het huwelijk van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik in 1901;
De herdenking van de 300e geboortedag van Michiel de Ruyter in 1907;
De geboorte van Prinses Juliana in 1909;
De eeuwherdenking van de bevrijding van de Franse bezetting in 1913.

De feestelijkheden werden met grote optochten gevierd. Voor de plaatselijke elite waren er de uitvoeringen van ‘Het Nut’, dat in 1910 zijn honderd jarig bestaan als Sliedrechtse afdeling vierde. Verder zorgde de in 1892 opgerichte Harmonievereniging ‘Crescendo’ van tijd tot tijd voor een vrolijke noot.

Geschiedenis-1804Kermis
Jaarlijks was er kermis in het dorp. Hier keek men een heel jaar naar uit. Veel spaarcenten werden voor de kermis opzij gelegd. Ieder kwam wel een kijkje op het kermisterrein nemen.

Vooral op zaterdag was de toeloop groot. De buitenafwerkers kwamen vrijdag massaal met de trein thuis. Een dag later waren zij te vinden op het kermisterrein. Er werd heel wat gedronken op zo’n kermisavond. Ongeregeldheden en vechtpartijen bleven niet uit.
De vóórpret begon al met het opbouwen. De jeugd liep uit naar het spooremplacement om de speciale goederentrein te begroeten, die puffend en stoomblazend aankwam. Men keek de ogen uit naar het afladen van de vele attributen. De salonwagens kregen een plaats onderaan de helling van de Stationsweg en vol belangstelling keek men toe tot welke atmosfeer de stoommachine van de carrousel moest worden opgevoerd.
Overal in de Kerkbuurt werden – meestal op particulier terrein – de attracties opgebouwd.

Augustusmaand
Er waren behalve de stoomcarrousel, een poffertjeskraam, schommels, een schiettent, de tent van de Dikke Dame, het theater, de Kop van Jut, de oliebollenkraam, de hoge glijbaan en de centdraaimolen voortbewogen door één paard.

De koekkraam van Bouwman stond voor het kantongerecht naast het raadhuis, een andere stond tegenover stalhouderij Stienus. In zijn stal kon men koekslaan, een attractie die velen aantrok. De rijtuigen waren een week elders ondergebracht. Men zou door de drukte toch niet kunnen uitrijden. Het rad van avontuur stond ook in deze buurt.

Maar niet alleen de Kerkbuurt vierde het zomerfeest in de augustusmaand. Draaiorgels trokken langs de dijk. Venters met papieren mutsen en molentjes trokken rond. In de cafés werd muziek gemaakt en boven in de sociëteit aan het Middenveer was een café-chantant. Het hele dorp was in kermissfeer. Draaimolens waren immers ook nog verspreid over Baanhoek en De Kaoi.
Het was gewoonte kermisgeschenken te geven.

Geschiedenis-1805Feest in de Kerkbuurt (1913)
Vooral koeken met suikeren opschriften vonden gretig aftrék. In 1913 werd zo’n kermis voor het laatst gehouden. Het volgende jaar werden de vermakelijkheden nog wel opgebouwd, maar door het uitbreken van de oorlog en de daarmee samenhangende mobilisatie ging het feest dat jaar niet door.

Bezwaren
Uit kerkelijke kringen kwamen steeds meer bezwaren tegen deze vorm van vermaak: geldverspilling, verwildering van de jeugd, gevaar voor de volksgezondheid en de zaterdagse ongeregeldheden. De voorstanders wezen op het eeuwenoude gebruik, op de inkomsten voor allerlei personen wanneer alle buitenafwerkers een tijdje gezamenlijk thuis waren en de ongeregeldheden kwamen alleen op zaterdag voor. Trouwens dat was niet alleen op de kermiszaterdag, ze kwamen eveneens voor op Koninginnedag en Oudjaar. Vechtpartijen tussen buurtgroepen was zelfs een soort ‘traditie’. Toch is de kermis in zijn ouderwetse vorm nooit meer teruggekomen.

17 – Eind van de 19e eeuw

Sliedrecht aan het eind van de 19e eeuw
Met schout Gerardus van Hattem kreeg Sliedrecht zijn eerste burgemeester. Zoon Jan Adrianus volgde hem op. Nu komen we toe aan de periode van Burgemeester Jan Adrianus van Haaften.

Nadat burgemeester Jan Adrianus van Hattem, zoals we in de vorige verhaal konden lezen, zijn ambt had neergelegd, nam wethouder Jacob Kalis zijn taken waar. Hij werd hierbij geholpen door wethouder Hendrik Seret.
De opvolger van Van Hattem was Jan Adrianus van Haaften, geboren in Sliedrecht op 21 april 1849. Hij werd in 1884 benoemd tot de nieuwe burgemeester van Sliedrecht.

Gezinsstaat van Jan Adrianus van Haaften.

Jan Adrianus van Haaften, geboren te Sliedrecht op 21 april 1849, zoon van Jan Wouterszn van Haaften en Adriaantje Jansdr Kivit.

Hij is getrouwd te Sliedrecht op 21 mei 1874 met Janna Cornelia Schram de Jong, geboren te Sliedrecht op 19 juli 1848, dochter van Hendrik Schram de Jong en Teuntje van Wijngaarden.

Uit dit huwelijk:
1 Adriana, geboren te Sliedrecht op 9 maart 1875.
2 Jan, geboren te Sliedrecht op 19 april 1876.

Geschiedenis-1701
Oude opname van de Stationsweg

Spoorweg en spoorbrug
De aanleg van de spoorbaan had langer geduurd dan waar men vanuit was gegaan. De oorzaak hiervan waren de vele grondverzakkingen van de slappe veenbodem.
In 1885 werd een proefrit gemaakt over de nieuwe spoorbrug te Baanhoek. Dit gebeurde met een rij locomotieven. De rit was geslaagd en op dinsdag 14 juli 1885 kon de spoorlijn officieel geopend worden!
De opening werd op feestelijke wijze gevierd. Veel vlaggen waren uitgestoken. De feestelijkheden, opgeluisterd door het muziekcorps van het Regiment Jagers, speelden zich af in de buurt van het nieuwe station en op de Stationsweg.
Ministers en andere autoriteiten arriveerden met de trein. Zij werden begroet door burgemeester van Haaften. Het volksfeest duurde tot ver in de middag. Typisch voor die tijd mochten alleen de jongens aan de spelen, zoals zaklopen en mastklimmen deelnemen.
De bijna 1000 meter lange Stationsweg was in de eerste jaren staatseigendom. Het was oorspronkelijk een onbestrate grindweg. Op de nieuwe begraafplaats aan de Stationsweg, aangelegd in 1885, werd in 1887 burgemeester J.A. van Hattem begraven.
’s Avonds ging het feest verder in de theetuin van H. v. d. Vlies. Te genieten viel o.a. van een concert en een vuurwerk.
De trein zou een geduchte concurrent worden voor de boten van de firma Fop Smit. Met de trein was men immers eerder in Dordrecht en Rotterdam. Met de postwagen was het al helemaal snel gedaan.

Gezondheidszorg
Met de gezondheidszorg was het nog steeds slecht gesteld. Het drinkwater werd uit de nog redelijk schone Merwede gehaald. De fecaliën kwamen meestal rechtstreeks in de sloten of de rivier. Slechts een enkele woning had een beerput. Geen wonder dat voor besmettelijke ziekten gevreesd werd. De kindersterfte was groot. Een ziekenhuis kende Sliedrecht niet.

Wel was er ergens op het huidige Baanhoek een huisje waar men aan ernstige ziekten lijdende personen isoleerde. In 1886 werd deze woning vervangen door een ´pesthuisje´ dat te vinden was bij de nieuwe begraafplaats aan de Stationsweg. Men noemde het ook wel ´het lijkenhuis`, omdat er overleden drenkelingen werden ondergebracht. Een echt ziekenhuis zou er pas in de beginjaren van de 20e eeuw komen.

Geschiedenis-1702Waterleiding in het dorp
Pas in 1886 begon men met de aanleg van een waterleiding. Centrale plaats vormde de watertoren op het terrein van de Zaai. Op de waterleidingbuizen in de dijk werden ook brandkranen aangesloten. Onder grote belangstelling werd, onder leiding van brandweercommandant Jacob Luyt, op 7 februari 1887 proef gespoten.

Niet langer was men aangewezen op sloot- en rivierwater. De slangen en spuiten werden opgeslagen, in over de gemeente verspreide, gebouwtjes. De brandweerlieden controleerden, uit vrees voor brandgevaar, in 1887 ook de schoorstenen.

Gemeenteraad
In Sliedrecht werd het nieuws gebracht door twee nieuwsbladen. ´Het Nieuwsblad voor Sliedrecht en omstreken`, opgericht in 1869, uitgegeven bij de firma Luyt, was een liberaal getinte krant. Vanaf 1887 verscheen het rechtse blad ´De Merwebode`, opgericht door Aart van Wijngaarden.

Nieuws werd o.a. gepubliceerd over de raadsvergaderingen. De gemeenteraad van 1887 bestond uit de heren: (vrouwenkiesrecht bestond nog niet, laat staan dat vrouwen verkiesbaar waren) Prins Azn., Joh. A. Bakhuizen, W. M. v. Haaften, M. C. de Jong, W. M. Schram, Corn. Roskam, Jacob Kalis, Hendrik Bos, Arie Vermaes, Hendrik Seret, Jan C. van Hattum, G.A. van Hattem en Leendert Volker Azn. Men kon spreken van een kleine liberale (linkse) meerderheid.

De raadsleden hadden meer vrijmoedigheid dan hun voorgangers mede dankzij een uitbreiding van het kiesrecht. De mannen moesten enige opleiding hebben en tot de betere stand behoren.

Onderwijs
Naast de openbare scholen kwam er een gereformeerde school. In 1889 werd deze achter de toenmalige gereformeerde kerk bij de Zoutstoep geopend. De eerste steen werd gelegd door een zoontje van dominee J. R. Dijkstra. Het gebouw telde drie leslokalen. Er waren 126 leerlingen. De heer J. Bokhout was het eerste schoolhoofd.

In 1891 werd er een tweede bewaarschool in ons dorp gesticht door het departement Sliedrecht van de Mij. tot Nut van het Algemeen. De aanneemsom bedroeg f 4.248,00. Het schooltje stond waar nu de vrijzinnige kerk staat. De voormalige kleuterschool aan de Oranjestraat kan als de opvolger beschouwd worden.

De eerste school van de Vereniging voor Christelijk Onderwijs werd in 1893 gebouwd en in april 1894 in gebruik genomen. Hij stond op de plaats waar scheepswerf Boer aan de Rivierdijk gevestigd was. Nu is daar het appartementencomplex `Merweburgh`.

Kleindiep, Middeldiep en Groote Diep
In het centrum van Sliedrecht lag voor de dijk een grote uiterwaard. Deze gronden buitendijks werden doorstroomd door verschillende geulen en zijgeulen.

De Merwede werd ook wel ´Het Groote Diep` genoemd. Dwars door de grienden stroomde het Middeldiep en langs de dijk kronkelde het Kleindiep. Aan het boveneind was het Kleindiep een zijarm van het Middeldiep. Aan het benedeneind stroomde het ter hoogte van het ´Plaatje van Volker` weer uit in de Merwede.

Geschiedenis-1703
Middeldiep
Geschiedenis-1704
Kleindiep

 

Er waren drie griendplaten: de Huibert de Baatplaat tussen het Groote Diep en het Middeldiep Ten noorden daarvan de Kerkeplaat en de kleine Molenplaat. Deze werden van elkaar gescheiden door het Molengat, dichtbij de toenmalige korenmolen ‘de Kievit’. Alle drie de platen liepen bij hoog water onder. Houten duikers onder kaden zorgden ervoor dat het regenwater naar de Merwede kon weglopen. De platen waren schaars met slechts een paar houten schuren bebouwd. De bekendste was de opslagruimte van een zalmvisser op de Huibert de Baatplaat. Zalmvissen op de rivier loonde in die jaren nog. Gras en griendhout vormden de begroeiing. Bij hoog water kwam het water tot aan de Merwededijk. Huizen gebouwd aan de buitenkant van deze dijk kregen dan vaak het water binnen. Dikwijls kon men dit voorkomen door te ´kisten`. Hierbij werden houten kistplanken voor de deuren en ramen geplaatst.

Voor het vervoer waren de geulen heel belangrijk. Het gemeentestuur vond het noodzakelijk dat de wateren van het Middeldiep, het Kleindiep en andere plaatsen waar schepen kwamen, zoals bij het Zaaigat, goed op diepte werden gehouden. Het onderhoudsbaggerwerk gebeurde met de handbeugel. De bagger werd in de rivier De Merwede gelost. Dit alles gebeurde op kosten van de gemeente.

Desondanks kwam er toch steeds meer modder op de bodem van de geulen te liggen. Dit was zorgelijk voor de hoepelmakerijen die aan het Kleine Diep en de daarbijbehorende gantels lagen. De vaarweg werd steeds ondieper en de hoepmakersschuren waren steeds moeizamer te bereiken. In 1882 werd de hulp van de regering ingeroepen om bij te dragen in de onderhoudskosten. Het verzoek werd ingewilligd en de vaarweg naar de schuren werd goed op diepte gehouden.

Het Kleindiep en Middeldiep hadden nog een andere functie. Het vervoer gebeurde doorgaans met handkar en per paard en wagen. Over het water ging het met aken. Deze waren afgeladen met allerlei materialen. Dit waren o.a. spaanders, bestemd voor de ovens van de vele bakkers die Sliedrecht telde. Hooi (van en voor de boeren), huisraad bij een verhuizing, enz. Zelfs werd de roeiboot wel gebruikt om bij elkaar op visite te gaan.

Belangrijke plaats
In 1883 stond de gemeente een stukje grond naast het raadhuis gratis af ‘tot stichting van een nieuw gebouw voor het kantongerecht alhier. Het zou voor rijksrekening gebouwd worden’. Het raadslid Van Hattum betoogde ‘dat nu wij de grond gratis hebben afgestaan, schade door den bouw aan het raadhuis ontstaan voor rekening van het Rijk diende te komen’.

Omstreeks 1889 was mr. Jan Carel Tack kantonrechter. Hij woonde te Papendrecht. Notaris P. C. Bos te Papendrecht daarentegen woonde in Sliedrecht waar hij geboren was. Toen kon men dus al van ´forensen`spreken. Het bracht wel een onnodig gerij van koetsen en koetsjes met zich mee.

Niet alleen uit het kantongerecht blijkt dat Sliedrecht in die jaren een belangrijke plaats was. Als een der weinige dorpen van allure had men nu ook een eigen apotheek van de firma J.H. Hamacher en J.C. Keur. Tot ver in de omtrek werden pillen en poeders rondgebracht per rijtuig. Dit gebeurde ook op de in gebruik rakende fiets en vaak ook nog lopend.

Zondagsrust
Aan het handhaven van de zondagsrust werd streng de hand gehouden. De post werd echter wel op zondag bezorgd. Wel werd op 2 juli 1887 bekend gemaakt dat er gelegenheid bestond om de dienst der posterijen op zondag te verlichten. De mensen konden hun naam op het postkantoor opgeven als ze op zondag geen post wensten te ontvangen. De ambtenaren en bestellers zouden hierdoor minder hoeven te werken op zondag, de dag die door God Heilig is genoemd.

Armoede
In de winter kwam het werk op verschillende plaatsen vaak stil te liggen. Losse werklui op boerderijen, in de grienden, en op het baggerwerk leden dan armoede.

Gelukkig kon men in de hoepmakerij soms wat bijverdienen. Het hoger personeel op de baggerwerktuigen had geen reden tot klagen. Zij konden zelfs sparen voor de oude dag of een woninkje. De prijs hiervoor was dat ze vaak vele maanden buiten Sliedrecht vertoefden. Als je Sliedrecht vergelijkt met andere plaatsen in Nederland, kwam ons dorp er niet slecht af.

Geschiedenis-1705Groei
De bevolking groeide. Langs de dijk, binnendijks, was praktisch alles volgebouwd. Aan de buitenkant werd op vele plaatsen eveneens gebouwd. Om ruimte te scheppen kwamen er steeds meer stoepen met voornamelijk arbeiderswoningen bij. Denk maar eens aan De Bossche Stoep, de Piet Rijsdijkstoep, de Korverstoep, het Orleans, de Kikkersteeg, de Leeuwenkuil, de Poelenstoep, de Salonstoep en de vele andere stoepen.

Ook buitendijks kende men enkele steegjes: De Pepersteeg, vlak nabij waar later de Oosterbrug zou komen, de Kwitantiesteeg (bij het ziekenhuis), de Molensteeg en de Kroonstoep (eigendom van de familie Kroon) bij korenmolen de Kievit.

In de kleine stoepwoningen woonden doorgaans zeer grote gezinnen. Vader en moeder sliepen beneden in de bedstede, waar ook het jongste kind een plaatsje in de krib had. De andere kinderen sliepen gezamenlijk op de zolder. Buiten was de plee. Meerdere gezinnen maakten hiervan gebruik. Het regen- en afwaswater liep gewoon in de sloten langs de stoepen. Binnen de huisjes was geen aanrecht. De ‘vaat’ werd afgewassen op de ‘vatenbank’, die buitenshuis of in het aflaat stond.

De voordeur bleef meestal gesloten. Over een smal paadje ging men naar de achterdeur, waar de klompen in het ‘klompenhok’ achterbleven. Op kousenvoeten – nog vaak een typisch Sliedrechtse gewoonte – ging men naar binnen. De stoepen stonden door zijsteegjes soms met elkaar in verbinding. Meestal had men wel een tuintje, waar als de portemonnee het toeliet, kippen en konijnen werden gehouden. Op maandag hing overal het wasgoed buiten te drogen. De kousen werden gedroogd op de ‘kousenmik'(stokken in een plank gestoken.)

Geschiedenis-1706Boschlaan
Graaf van Bylandt, ambachtsheer van Sliedrecht, eigenaar van ‘Het Bosch’, en het gemeentebestuur tekenden in 1888 een overeenkomst. In ‘Het Bosch’ werd voor het publiek een Boschlaan als wandelweg opengesteld. Deze liep vanaf de dijk tot aan de Tiendweg.

Vanaf juni 1888 werd de 1150 meter lange Boschlaan vaak op zondag en mooie zomerdagen als wandelweg gebruikt. Reizigers konden via De Boschlaan de trein bereiken. Vanaf de Tiendweg maakten ze vervolgens gebruik van het zogenaamde Wandelwegje naar het station. Een belangrijke vooruitgang. De tiendweg was eerder slechts te bereiken via de Tolsteeg, de Stationsweg en de Zwijnskade. Het mooiste gedeelte van de Boschlaan was de zogenaamde ‘krom’, waar later de eerste Sliedrechtse banken geplaatst zijn. Velen hebben daaraan nog prachtige herinneringen!!!

Feest
Op 12 mei 1889 was koning Willem III veertig jaar vorst over ons land. Ook in Sliedrecht werd dit feit gevierd. Burgemeester van Haaften hield voor de raad een feestrede.

Per telegraaf werden de wensen aan de koning overgebracht. Op veel plaatsen gingen de vlaggen uit.

De eigenlijke viering vond plaats op 15 mei. De schoolkinderen werden op getrakteerd. Op de openbare scholen kreeg men bolussen en koekjes. De kinderen van de gereformeerde school smulden van de krentenkoeken en chocolade. ‘s Middags was er voor de schoolkinderen een goochelvoorstelling. Die werd gegeven in de goederenloods bij het station. Voor de ouderen werden lichtbeelden vertoond.

Geschiedenis-1707Problemen rond burgemeester
In het gemeentehuis kreeg burgemeester van Haaften ruzie met de pers tijdens de raadsvergadering. De krantenschrijvers vonden dat ze hun zijn werk niet goed konden doen. Staande voor de balie in de raadszaal was het moeilijk aantekeningen te maken. Een drietal raadsleden vroeg een spoedvergadering aan. Tijdens het debat bemoeide het Sliedrechtse publiek zich met de discussie. Door de grote opkomst van de toehoorders werden de verslaggevers in het nauw gedreven.

Burgemeester Van Haaften kon nu niets anders dan de pers binnen de balie te laten komen. Een eenmaal gegeven voorrecht terugdraaien is moeilijk en daarom bleef het voortaan zo: de pers mocht voortaan altijd binnen de balie. Gescheiden van het publiek.

Al spoedig hierna kwam de burgemeester in een moeilijke situatie. Hem werden allerlei zaken, terecht of ten onrechte, aangewreven waardoor zijn de positie van burgemeester onhoudbaar werd. In 1895 trad hij af. Jacob Kalis werd, zoals eerder, weer loco-burgemeester, totdat een opvolger nog datzelfde jaar zijn intrede deed. Het werd S. E. Ypey. Voor het eerst een niet uit Sliedrecht zelf voortgekomen burgemeester.

16 – Groei in veel opzichten

Burgemeester Gerardus van Hattem werd opgevolgd door zijn zoon Jan Adrianus als burgemeester van Sliedrecht. Deze werd geboren op 20 maart 1811 te Sliedrecht. Hij was het zesde kind in het gezin. Jan Adrianus trouwde niet. In 1840 was hij al benoemd tot burgemeester van de gemeente Wijngaarden. Op 11 januari 1844 werd hij dit te Sliedrecht.

Geschiedenis-1601
Het witte Maranathagebouw dat ooit als school diende.

Onderwijszaken
Een van de eerste zaken waarmee de nieuwe burgervader te maken kreeg was de vestiging van een derde school. Die zou komen in het gebouw dat nu bekend is onder de voormalige naam Maranatha. In 1844 besloot de gemeenteraad het gebouw van de voormalige wolspinnerij van Marinus Verschoor aan te kopen. Dit gebouw, nu nog voor een gedeelte aanwezig, diende ooit ook als synagoge.
In maart 1845 vond de aanbesteding voor de verbouw plaats en al in augustus van dat jaar zouden de eerste lessen gegeven kunnen worden. Het zou echter enige tijd langer duren dan gepland eer de kinderen in het gebouw naar school konden gaan.
Er ontstond een probleem tussen het Rijk en de gemeente Sliedrecht over de benoeming van de onderwijzer aan de school. Aan sollicitanten was er geen gebrek. Een dertiental personen stond in de rij om aan de slag te gaan. Sliedrecht had een voorkeur voor de heer Teunis Dorland, op dat moment ondermeester aan de school bij de kerk. Het raadsbesluit de heer Dorland te benoemen werd door hogere instanties geschorst.

Geschiedenis-1602
Het kantongerecht, links op de voorgrond.

Wat speelde op dat moment namelijk?
In 1840 was het Kantongerecht in Sliedrecht gevestigd. Vanuit de regering werd er op aangedrongen ook een gevangenis aan het gebouw te verbinden. De Sliedrechtse raad wenste hieraan niet mee te werken. Zo ontstond een probleem. Geen nor, geen onderwijzer. Aan deze strijd kwam pas op 3 februari 1848 een eind.
Aan de school werd benoemd Marie Jozef Michael Dullburg Schlieff. De opening van de school vond op 3 april 1848 plaats.
Maria Jozeph Michael Dullburg Schlieff, hoofdonderwijzer.
Hij was gehuwd met Bastiana van de Sijde. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.
Uiteindelijk kwam er tevens een nor onder het Kantongerecht, evenals onder het 5 jaar later gebouwde Raadhuis in de Kerkbuurt. Beide gebouwen zijn thans in gebruik van het Sliedrechts Museum. Sliedrecht was zodoende drie scholen rijk, welke te vinden waren aan het benedeneind (Tolsteeg), het midden (bij de kerk) en aan het boveneind (Maranathagebouw).

Geschiedenis-1603
Het gebouw van de Frahmeschool
in de 21e eeuw.

De vierde school werd in 1860 aan de oostkant van de Kerkbuurt gebouwd. De opening hiervan vond plaats op 2 januari 1861. Schoolhoofd werd de heer E. D. C. Frahm.

Genealogie van Elias Detlev Gerhard Frahm, hoofdonderwijzer, geboren te Aorde Pruissen Duitsland op 15 juli 1833. Hij was gehuwd met Lutgera Begemann, geboren te Stevensweert op 18 juli 1835, overleden te Sliedrecht op 11 maart 1883, dochter van Christoph George Sigismund Begemann en Emilie de Wit.
Uit dit huwelijk zijn acht kinderen geboren.

Naar Sliedrechts gebruik in die tijd kreeg de school in de volksmond al gauw naar de naam van het schoolhoofd, de “Frahmeschool”. Naast het lager onderwijs werd aan deze school ook meer uitgebreid lager onderwijs (M.U.L.O.) gegeven. De school was slechts toegankelijk voor kinderen waar schoolgeld voor werd betaald… ! Jaren later heeft het gebouw, dat er nu nog staat, gediend als ambachtsschool.
De oude school bij de kerk werd vervangen door een school aan de overzijde van de dijk. Een gedeelte van dit gebouw, bekend onder de naam C12, was later o.a. gymnastieklokaal en is nu in gebruik bij muziekvereniging Crescendo.
In 1868 stichtte men de eerste bewaarschool. Het was een initiatief van de broederschap der Vrijmetselaren.

Ouderwets
Langzamerhand was de school bij de kerk te ouderwets en veel te klein geworden, waarop de gemeente ging denken over de bouw van een nieuwe school (1870). Men ging over tot aankoop van een stuk grond schuin tegenover de kerk. In 1874 was de school gereed. Ook meester Van der Hoeven verhuisde mee naar de nieuwe onderwijzerswoning.

Cornelis Johannis van der Hoeven, hoofdonderwijzer, geboren te Schiedam op 7 december 1821, overleden te Rotterdam op 24 november 1881. Hij was gehuwd met Christina Nederhouw, geboren te Rijswijk op 1 november 1823, overleden te Vlissingen op 11 september 1911.
Uit dit huwelijk zijn 11 kinderen geboren.

Voor het eerst (1874) in de geschiedenis van het Sliedrechtse onderwijs werd er aan de schoolkinderen geen les meer gegeven in de onmiddellijke nabijheid van de kerk. Een gymnastieklokaal en de bibliotheek van het Nut namen de plaats in van de oorspronkelijke bewoners.

Aannemers
Het aantal aannemers groeide in de periode van Jan Adrianus. Zij hadden veel rijshout nodig. De grienden langs de rivier de Merwede en die van de Biesbosch waren de belangrijkste producenten. Het hakken van het griendhout was een zwaar karwei. Veel griendwerkers vonden later werk als vlechter van zinkstukken. Hiervoor moest men huis en haard vaak voor langere tijd verlaten. Dit was men echter wel gewend. Bij het werken in de grienden was men ook de gehele week van huis…
Bij de aannemers uit deze tijd treffen we de namen Bos, Van Haaften, Van Hattem, Kalis, Schram, Seret, Prins, Visser, Volker en Van de Wetering aan.

Klepschouw en stoombaggermolen
De werken werden zowel in eigen land als in het buitenland uitgevoerd. Vaak werd samengewerkt met arbeiders uit andere plaatsen bij de aanleg van vaarten en sloten. Hierbij werd gebruik gemaakt van de baggerbeugel en de schouw. Werkzaamheden vonden onder andere plaats bij de Nieuwe Merwede en de Haarlemmermeer.
Het was een hard leven. Een uitvinding van Adriaan Volker was de klepschouw. Hij wist hiermee de concurrenten voor te blijven wat betreft het lossen van de grond.

Genealogie van Adriaan Volker. Aannemer, geboren te Sliedrecht op 14 juli 1827, overleden aldaar op 29 november 1903, begraven aldaar op 3 december 1903, zoon van Leendert Tijszn Volker en Lena Cornelisdr Schram.
Hij is getrouwd te Sliedrecht op 12 juli 1855 met Aagje Boer, Winkelierster, geboren te Sliedrecht op 7 juni 1824, overleden aldaar op 26 oktober 1866.
Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren.
Hij is hertrouwd te Sliedrecht op 1 februari 1872 met Willemeijntje van Wijngaarden, geboren te Sliedrecht op 29 september 1825, overleden aldaar op 23 februari 1910, begraven aldaar op 26 februari 1910, dochter van IJsbrand van Wijngaarden (griendbaas) en Jannigje de Baat.

Werken waar Volker in de beginjaren bij betrokken was, waren de aanleg van kribben en strekdammen in de rivier de Merwede. Het onderhoud van het Voorns Kanaal werd uitgevoerd met een handbaggermolen. Bij de onderhoudswerkzaamheden van het Kanaal door Zuid-Beveland werd in 1864 gebruik gemaakt van een stoombaggermolen. In 1866 werd gewerkt aan de peilers van de spoorbrug over het Hollands Diep. In latere tijden waren het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg grote klussen die aangepakt werden.

Baggerdorp
Langzamerhand concentreerde de Sliedrechtse aannemerij zich in een paar bedrijven. Het benodigde kapitaal om de werken aan te pakken was hiertoe de noodzaak. Sliedrecht werd bekend in binnen- en buitenland als hèt baggerdorp. In het baggerwerk was goed te verdienen, maar de offers die men moest brengen waren ook groot. Lange dagen maken! Lange tijd van huis! Zelden thuis bij moeder de vrouw…!

Geschiedenis-1604Fop Smitboten
Naar de baggerwerken ging men aanvankelijk met de postkoets. Later, sinds 1844 met de raderboten van Fop Smit. Er was een dienst Gorcum – Dordrecht – Rotterdam. Op- en afstappen in Sliedrecht was mogelijk. Er waren sinds 1869 twee aanlegsteigers.
Een die bekend staat als het Middenveer. Recht tegenover de verbouwde pand van de Sociëteit. De andere was op Baanhoek, het benedenveer. Later zou er nog een steiger bijkomen op het boveneind, het bovenveer. Ongeveer ter hoogte van de huidige plaats van de Synagoge. Weer later kwam er nog een bij aan het eind van de Merwestraat.
Niet alleen de baggeraars, maar ook allerlei venters en schooljongens maakten gebruik van de raderboten. Het was er altijd een drukte van belang. Gesjouwd werd er met dozen, kisten en koffers.

Bevolking en kerk
Jan Adrianus zag zijn dorp groeien. Ook in economisch opzicht waren de tijden niet slecht te noemen. De kerk werd te klein. Geld voor een uitbreiding was er niet. Er waren zelfs plannen een tweede kerk te bouwen. De Ambachtsvrouwe zou hiervoor de grond cadeau moeten doen… .
De plannen werden niet uitgevoerd. Men vreesde een tweedeling in de kerk. Men besloot toch tot uitbreiding van de bestaande kerk. In 1849 werd de uitbreiding aan de noordzijde hiervan aanbesteed. P. de Landgraaf klaarde de klus voor f 8.800,= .
Bovenmeester De Groot van de school bij de kerk ging met pensioen. Hij werd op 1 januari 1847 vervangen door meester Van der Hoeven. Deze werd ook aangesteld als koster, voorzanger, voorlezer en klokkenluider. In 1852 verviel het baantje van voorzanger.

Hoe dit zo kwam?
In 1852 was er voor de aanschaf van een kerkorgel voldoende geld in kas. De bouw werd opgedragen aan de firma C.F.A. Nabers en Zonen te Deventer. De kosten: f 6.750,- . Na veel gepraat over en weer kwam het instrument op de nieuwe noordgalerij te staan. Het orgel had de taak van voorzanger overbodig gemaakt!
Trouwens in deze tijd werd de kerk verblijd met enkele giften. We noemen: een zilveren doopvont, een kanselbijbel en engelen die op het genoemde orgel werden geplaatst.
In 1853 had de dominee de oude pastorie verlaten. Het huis verkeerde nog in een redelijke staat. Besloten werd het te verbouwen tot rusthuis. In de volksmond genoemd “Het Oude Mannen- en Vrouwenhuis”.
Twee jaar later, in 1855, kwam er een volledige scheiding tussen kerk en gemeente. De gemeente kreeg het beheer over de kerktoren, de dorpsschool en de onderwijzerswoning. De kerk ging hiermee, zij het wel enigszins gedwongen, akkoord. De onderhoudskosten van genoemde gebouwen waren te hoog geworden.
Op 13 februari 1863 brak er brand uit in de pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk. Dominee van der Lee kon ternauwernood aan de vlammen ontsnappen. Alles verbrandde…

Geschiedenis-1605
Interieur Gereformeerde Kerk Kerkbuurt

Afscheiding in de kerk
De afscheiding begon in 1834 in het Groningse Ulrum. Een aantal mensen had de
Nederlands Hervormde Kerk verlaten. Enige tijd later vond ook in Sliedrecht een afscheiding plaats.
In eerste instantie werden kerkdiensten gehouden in Giessendam. Ruim 40 personen uit Sliedrecht woonden geregeld de diensten bij. Het duurde tot 1853 eer er in Sliedrecht een zelfstandige gemeente der Afgescheidenen kwam. In de Piet Rijsdijkstoep werd een kerkje gebouwd. Hier werden de diensten gehouden.
Dominee Chr. Steketee werd de eerste predikant. Hij bleef niet lang in Sliedrecht. Al in 1859 vertrok hij naar elders.

In het najaar van 1869 sprak men van de Christelijk Gereformeerde Gemeente. De eerdere naam, Christelijk Afgescheiden Gemeente, verdween hiermee.
Op zondag 23 november 1873 werd een nieuw kerkgebouw aan de oostzijde van de Kerkbuurt ingewijd. Het gebouw in de Piet Rijsdijkstoep was al snel te klein gebleken.

Gemeentelijke zaken
Al snel na de komst van burgemeester Jan Adrianus van Hattem werd het ambt van burgemeester en notaris gescheiden. In 1846 werd N. F. van Steenbergen tot notaris benoemd. Van Hattem, die wel gemeentesecretaris bleef, kon zich vanaf dit moment meer bezig houden met het besturen van het dorp.
De nieuwe gemeentewet van 1851 betekende ook voor Sliedrecht: verkiezingen en een gekozen gemeenteraad. Gekozen werden: Kornelis Bos, Arie Dekker, Kors Hartog, Jan van Haaften, Giel Hoogendoorn, Arie Prins, Adriaan Prins en Jan Roskam. Pieter Visser en Kornelis Schram waren de eerste gekozen wethouders. De burgemeester maakte eveneens deel uit van de raad.

Nieuw raadhuis
Jan Adrianus was als burgemeester begonnen in een raadhuis dat niet meer was dan een aangepast woonhuis. Het stond in Wijk C, nu Molendijk. Het gemeentebestuur bestond toen nog uit acht personen. De raad was in 1851 dus uitgebreid met drie personen. Dit zal zeker ook te maken hebben gehad met de groei van de gemeente. In Sliedrecht woonden toen bijna 5600 personen. Een groter raadhuis werd een grote wens. Het kostte 9.000 gulden en het werd gebouwd door aannemer A. van der Lind. In 1853 werd het gebouw in gebruik genomen. Nu doet het gebouw dienst als Sliedrechts Museum.
De burgemeester-secretaris had de steun van één klerk en een wat jonger hulpje. De raadzaal werd ook gebruikt als trouwzaal en secretarie.
De burgemeester had een kamer voor zichzelf, net als de in later tijd aangestelde gemeentebode. Gewerkt werd er de eerste tijd bij kaarslicht. Rond 1855 werden de kaarsen vervangen door gasverlichting. Het duurde nog tot 1860 eer de kerk zover was dat de gaslampen hun intrede deden.

Geschiedenis-1606
Huis van burgemeester Van Hattem.

De burgemeester woonde in het huis van zijn ouders naast de kerk. Later was deze woning pastorie. In het onderhuis van het raadhuis waren ook enige tijd het secretarie en het politiebureau ondergebracht. Het laatste verhuisde later naar een pand dichtbij het raadhuis. Het onderhuis werd hierna bewoond door de gemeentebode. Onder de vloer van het woonhuis was ook nog een nor met tralies voor de ramen te vinden.

Burgemeester Jan Adrianus van Hattem was geliefd bij de bevolking. Men kende veel waarde toe aan zijn oordeel bij conflicten. Zijn 25 jarig ambtsjubileum in 1869 ging niet ongemerkt voorbij.

Burgemeester J. A. van Hattem vernieuwde het pand. Tijdens de verbouw woonde hij tijdelijk in het nieuw gebouwde raadhuis in de Kerkbuurt. Het pand is in 1904 afgebroken.

Te krap
Al gauw werd duidelijk dat het raadhuis te krap gebouwd was. De raadzaal diende ook als trouwzaal. Bij een huwelijk diende de ambtenaren hun werk neer te leggen tot het huwelijk voltrokken was. Ook gemeenteontvanger moest uitwijken. Hij verliet het gebouw en vestigde zich elders in de gemeente.
Hij was naast gemeenteontvanger ook brievengaarder. Zijn werkplaats was in die tijd tegelijkertijd postkantoor. Het eerste in Sliedrecht. Het hulppostkantoortje was er in Sliedrecht al vanaf 1850. In 1867 werd ons dorp op het Nederlandse telegraafnet aangesloten.

Probleem
Een probleem hierbij was de inkwartiering van het telegraafkantoor op de bovenverdieping van de Frahmeschool in de Kerkbuurt. In de school heerste blijkbaar een enorme rust, want de vloeren dienden belegd te worden met matten om geluidsoverlast te voorkomen. De telegrafist werd te kennen gegeven zo weinig mogelijk bewegingen te maken die het onderwijs in de school stoorden…

Postkantoor
De telegrafist op zijn beurt sloeg onmiddellijk terug. Bij de schoolcommissie komt zijn brief aan, waarin hij klaagt over de verregaande ongeregeldheden, welke plaats vinden op de school in wijk B. Na onderzoek bleek dat een school en een telegraafkantoor niet binnen één gebouw konden functioneren. De gemeenteraad werd geadviseerd uit te kijken naar een andere ruimte voor het telegraafkantoor. Op 1 oktober 1872 werd het hulppost- en telegraafkantoor een volledig post- en telegraafkantoor.

Ziekten
Omstreeks 1870 werd ons dorp intussen bewoond door 7000 personen. Tien jaar later waren dit er al bijna 8900. Ons dorp kende in die tijd een sterke immigratie van mensen die zich in Sliedrecht vestigden in verband met de baggerij. Deze groei vond plaats ondanks het nog zeer hoge sterftecijfer. De slechte hygiënische omstandigheden, zoals het ontbreken van leidingwater, waren de oorzaak van veel sterfgevallen. Longontsteking, tering, pokken en cholera waren gevreesde ziekten.
Dokter Jan Giltay en zijn collega Jan Luyt stonden vaak machteloos. In de jaren 1871-1872 heerste de pokkenepidemie in Nederland voor het laatst.

Geschiedenis-1607
De brug wordt getest

Spoorweg
In 1881 vond de aanbesteding plaats van de aanleg van de aarden spoorbaan tussen Baanhoek in Sliedrecht en Gorinchem. Het werk werd gegund voor het enorme bedrag van f 2.450.000,- . Het vele zand, opgezogen uit de rivieren, werd met zandtreintjes voorzien van kipkarren aangevoerd. De veenbodem zorgde voor problemen.
Vooral bij de oprit naar de Baanhoekspoorbrug was dit het geval. Verzakkingen en oppersingen waren aan de orde van de dag. Het werk viel zwaar tegen. De aannemers Bolier uit Scherpenisse en Seret uit Sliedrecht zorgden voor de bouw van de landhoofden en de pijlers voor de spoorbrug. De stalen brug werd gemaakt door de firma Kloos & Zonen te Alblasserdam.

Zwaar
Op latere leeftijd begon de burgemeestersbaan en het gemeentesecretariaat Jan Adrianus te zwaar te worden. Op zijn verzoek kreeg hij ontslag als gemeentesecretaris. De heer Bekker werd de eerste secretaris nieuwe stijl.

De brand in de pastorie in 1863 was kennelijk toch nog ergens goed voor geweest. Bij de toegesnelde burgemeester had die een diepe indruk achtergelaten. Hij is er jaren mee bezig geweest, maar het uiteindelijke resultaat was de oprichting in 1881 van de vrijwillige brandweer in Sliedrecht. Geen luxe, als men zich Sliedrecht in die tijd voor zich kan halen met de vele houten schuren en de rieten daken.
De eerste oppperbrandmeester was Kornelis van Wijngaarden, een plaatselijke aannemer. Negen brandmeesters en achttien spuitgasten stonden hem bij. Men had drie handspuiten tot zijn beschikking. In elk van de drie wijken was er een ondergebracht. De eisen voor de bewoners werden aangescherpt. Preventief werden jaarlijks de schoorstenen aan een onderzoek onderworpen.
De oprichting van het korps was het laatste wapenfeit van burgemeester Van Hattem.

Afscheid
In 1884 nam hij afscheid van de gemeente Sliedrecht. In 1887 overleed hij. Velen toonden door hun aanwezigheid bij de begrafenis hun waardering voor Jan Adrianus van Hattem.

15 – Dorp in een Koninkrijk

In periodiek 31 verscheen het laatste verhaal van de heer C. J. Lips waarin hij de geschiedenis van Sliedrecht beschreef. In dit nummer pakken we de draad op en vervolgen de historie van ons dorp in een nieuwe reeks van artikelen. Intussen hebben we de Franse tijd achter de rug en stappen met schout Van Hattem het nieuwe koninkrijk binnen.

Sliedrecht, Dorp in een Koninkrijk
Na de Franse overheersing ging schout Gerardus van Hattem met veel energie aan de slag.

Ons land was, onder koning Willem 1, een koninkrijk geworden. De Franse titel maire voor bestuurder van het dorp verdween uit het spraakgebruik. Pas in 1825 zou echter de functie van burgemeester worden ingevoerd. Schout, en dus later burgemeester, Van Hattem werd bij het besturen van Sliedrecht bijgestaan door een viertal schepenen.
In 1817 besloot men over te gaan tot een dagelijks bestuur. Naast de schout die ook gemeentesecretaris was, kende het College twee wethouders. Deze werden in die tijd assessoren genoemd. Verder kende het College nog een vijftal leden.
Een gemakkelijke tijd was het voor het nieuwe bestuur van het dorp niet. De naweeën van de Napoleontische tijd lieten zich nog goed voelen.

Geschiedenis-1501
Hoepels

Weer op poten
De activiteiten waarvan het dorp economisch afhankelijk was waren: het werk in de grienden en de waterbouwkundige activiteiten. Die hadden tijdens de Franse overheersing een enorme terugslag gehad. Alles moest op alles worden gezet om deze voor Sliedrecht belangrijke zaken weer op poten te zetten.
Onderhoud aan sluizen, wegen en oevers vormden hierbij een belangrijk onderdeel. Aangepakt werden o.a. het Noordhollandskanaal en kanalen in Zeeland. Dichter bij huis het Kanaal van Steenenhoek (1818).
Ook de rijshouthandel had hier baat bij. Na het vertrek van de Fransen was het weer mogelijk hoepels naar Engeland en Schotland uit te voeren.
Centrum van de hoepcultuur was de omgeving van het Kleindiep.

Begraafplaats
De doden werden in de kerk of op het kerkhof bij de kerk begraven. In de kerk begraven werd door een hogere instantie in de toekomst uitgesloten. Het kerkhof dat op de plaats lag waar nu de oprit van de Stationsweg naar de dijk is, was te klein. Zeker als men vooruit keek! Na een overleg met het kerkbestuur in 1819 werd voor het bedrag van 700 guldens een stuk grond aangekocht. De aanleg van de begraafplaats zou nog eens 1600 guldens kosten.

Het terrein was te bereiken via een stoep tegenover de drukkerij v. Wijngaarden in de Kerkbuurt. Pas in 1820 werd de nieuwe begraafplaats in gebruik genomen. Het kerkbestuur nam de plicht op zich het kerkhof te onderhouden, maar daar tegenover stonden de inkomsten die het begraven en de opbrengst van het snoeihout opleverden.
De eerste die begraven werd was Cornelia van Vliet, echtgenote van Dirk Stuij.

Dirk Stuij, hij was gehuwd met Cornelia van Vliet.
Uit dit huwelijk:
1 Teuna, gedoopt te Bleskensgraaf op 31 augustus 1788.
2 Jan, geboren te Sliedrecht op 23 april 1791, begraven aldaar op 13 mei 1791.

Teuna Dirksdr Stuij, gedoopt te Bleskensgraaf op 31 augustus 1788, overleden te Sliedrecht op 19 oktober 1864. Zij is getrouwd te Sliedrecht op 19 augustus 1813 met Adriaan Arieszn Kop, geboren te Sliedrecht op 27 mei 1786, gedoopt aldaar op 4 juni 1786, overleden aldaar op 29 april 1847.

Dat was later dan men voor ogen had gehad. In 1820 waren de dijken op een aantal plaatsen in de Alblasserwaard weer eens doorgebroken. De nieuwe begraafplaats stond hierdoor onder water. Een enorme tegenslag voor Sliedrecht en omgeving. De schade was groot. De slachtoffers hoefden een geringer bedrag aan belasting te betalen.
Het 25-jarig ambtsjubileum van schout Van Hattem in 1821 werd mede als gevolg van de door de watersnood heersende armoede op sobere wijze herdacht.

Een aantal jaren later (1825) vereiste de kerktoren de aandacht. Het bovengedeelte was dringend aan vervanging toe. De gemeente betaalde tweevijfde deel van de kosten en het kerkbestuur de rest. Het betrof vrijwel gehele vernieuwing van het bovengedeelte. Een aantal maanden later kon de klok weer geluid worden.
In 1826 werd er toch weer iemand in de kerk begraven. Dit nog wel op de plaats waar de voorzanger altijd stond. Het was de oude schoolmeester Leendert de Groot voor wie een uitzondering werd gemaakt.

Burgemeester Van Hattem zat zeker niet stil. De oude vergaderzaal van ´Het Rechthuis’, een herberg nabij de kerk, werd in 1827 ingeruild voor een eigen ruimte.
Voor de papieren van de secretarie en de gemeentekas was nu meer ruimte. Er was zelfs een rampenplan ontwikkeld. In geval van nood moest het allerbelangrijkste in zakken worden gestopt en naar buiten worden meegenomen.

Buiten zorgden ´s nachts klapwakers voor de veiligheid op straat. Dat dit niet geheel afdoende was, blijkt wel uit de vermelding van inbraken. Er werd zelfs een burgerwacht geïnstalleerd. Hiernaast kende Sliedrecht ook nog eens een schutterij. Gewapende burgers moesten in geval van nood het dorp verdedigen, de orde handhaven en soms wachtdiensten verrichten.

De kerk werd verlicht met kaarsen. In 1835 kwam hieraan een eind. Olielampen namen de plaats in van de kaarsen.
Een jaar eerder had zich op kerkelijk gebied in Sliedrecht een afscheiding voorgedaan. Deze groep, de ´Gereformeerden` zouden pas in 1856 een eigen predikant begroeten. Klik voor meer historie aangaande de kerk de pagina kerkgeschiedenis aan. (www.historie-sliedrecht.nl)

De afscheiding van België van het Koninkrijk Nederland had tot gevolg dat Nederlanders daar minder gezien waren. Dit ging ook op voor aannemers van openbare werken. Een strop voor Sliedrecht! Een hevige storm boven het Haarlemmermeer bracht soelaas. In 1839 werd besloten het meer droog te malen. Werk aan de winkel voor de Sliedrechtenaren.

De Sliedrechtse aannemers zagen een nieuw arbeidsveld liggen en op alle aanbestedingen waren ze aanwezig! Reeds op 8 februari 1840 had de aanbesteding plaats van ‘het graven van een kanaal vanaf de trekvaart van Haarlem naar Leiden’. Vele Sliedrechtenaren schreven in, aannemer werd Arie Visser Azn. uit Sliedrecht. Het werk werd hem gegund voor f 140.000, -. De bedragen waren voor die tijd meteen al aanzienlijk. Er was dan ook inmiddels voldoende werkkapitaal in het dorp aanwezig om op alle werken in te schrijven. Arie Prins Czn. werd een deel van het aanleggen van de ringvaart gegund.
Heel wat Sliedrechtse werklieden konden daar ter plaatse hun boterham verdienen. Vaak verbleef men de hele zomer in de buurt van het werk. In de herfst keerde men pas weer terug naar het eigen dorp. Het werk in de grienden wachtte… !

Gerardus van Hattem – Schout en eerste burgemeester (1771- 1846)
We kijken tot slot van dit deel met u terug op het leven van burgemeester van Hattem.

Gerardus van Hattem werd in 1796 in de tijden van de De Bataafsche Republiek de opvolger van Staas van Diggelen, een collaborateur voor de Fransen. Gerardus was geboren in Giessendam op 21 november 1771. Zijn vader was daar dokter, chirurgijn zoals ze dat toen noemden. De nieuwe schout van Sliedrecht bleek zowel in de Franse tijd als in de periode van het koninkrijk onder Willem 1 uit het goede hout gesneden te zijn.
Kenmerkend voor van Hattem waren zijn tolerantie, zijn liberale gedachten en zijn trouw aan de kerk.
Wapenfeiten uit de beginjaren waren o.a. het afhandelen van de zaak Van Diggelen en het presenteren van een rekening aan de regering in Den Haag. Het ging hierbij om het verhalen van de kosten van de legering van de Franse troepen in 1795.

Op de leeftijd van ruim 29 jaar trouwde Gerardus in mei 1801 in Oud-Beijerland met Adriana van Driel, een dochter van de schout in genoemde plaats. Het echtpaar kreeg 12 kinderen. Vijf kinderen stierven jong tot zeer jong.

In 1806 kreeg dorpsbestuur, municipaliteit genoemd in de Franse tijd, een andere naam: Gemeente.

In 1807 werd de schout krachtens een nieuw kerkelijk reglement tevens het hoofd van het kerkbestuur.

In 1810 werd ons land ingelijfd door Frankrijk. Sliedrecht werd een Frans dorp.
Van Hattem werd voortaan aangesproken met het Franse woord ´maire`.
Gelukkig beheerste hij de Franse taal goed. Dat kwam prima uit daar veel zaken voortaan in het Frans geschreven moesten worden.
Bij het aannemen van zijn nieuwe functie had hij ruggespraak gehouden met diverse inwonenden, een verdenking van collaboratie was wel het laatste dat hij kon gebruiken!
Willem van Eck en Leendert de Groot, wezen hem erop dat hij het beste zelf de kar kon trekken. Bij een ander moest men maar afwachten hoe deze zich zou opstellen.
Beide personen boden Van Hattem hun diensten aan. Dat was niet altijd eenvoudig.

Men denke hierbij maar eens aan het feit dat jongelui werden opgeroepen voor de loting om dienst te nemen in het Franse leger van Napoleon.
Tijdens de terugtocht der Fransen in oktober/november 1813 werd Sliedrecht geplunderd. Van Hattem werd zelf ook getroffen. Niet alleen zijn wijnkelder was geheel leeg geroofd, maar ook zijn huis – het huidige atelier – was al voorbereid om opgeblazen te worden. Gelukkig hebben de Franse hun daad niet kunnen uitvoeren. Zij moesten in allerijl ons dorp verlaten.

Eind 1813 keerde de rust enigszins weer. Van Hattem bleef aan, nu weer als schout. (Pas in 1925 kreeg hij de titel van burgemeester). In 1817 werd het college van schout en schepenen vernieuwd. Willem van Eck en Leendert de Groot werden nu wethouders.

Als schout moest Gerardus ook onderzoek doen en beslissingen nemen in allerlei geschillen. We hebben het dan o.a. over burenruzies, roverijen, te laat sluiten van de herbergen, het gebruik van valse gewichten, straatschenderij en vernieling.
Later werd deze taak door een ander waargenomen. Dat was in 1827 bij de invoering van kantongerechten. De burgemeester werd als vrederechter opgevolgd door mr. Schenkelberg van Nierop, onze eerste kantonrechter. Een echt kantongerechtsgebouw zou er pas in 1838 komen. Voor die tijd werd dan hier, dan daar recht gesproken.
Een raadhuis was er al eerder. In 1828 werd een woning als zodanig ingericht aan de huidige Molendijk.
Beide gebouwen heeft Van Hattem nog mogen meemaken. In de laatste jaren van zijn burgemeesterschap liet zijn gezondheid steeds meer te wensen over. In 1844 werd hij opgevolgd door zijn zoon Jan Adrianus. Lang heeft Sliedrechts eerste burgervader niet van zijn pensioen mogen genieten. Op15 april 1846 overleed hij te Sliedrecht.

Nog even alles op een rijtje
Gerardus van Hattem, geboren te Giessendam was een zoon van Jacob Hattema. Gerardus werd gedoopt te Hardinxveld op 24 november 1771.
Jacob was gehuwd met Cornelia Pietersdr de Rijk, geboren te Giessendam, gedoopt te Neder Hardinxveld op 27 juni 1738.Deze was een dochter van Pieter de Rijk en Pietertje Cornelisdr Groeneweg.

De broers en zuster van Gerardus waren:
1 Cornelis, gedoopt te Neder Hardinxveld op 3 april 1768.
2 Johannes, gedoopt te Neder Hardinxveld op 14 mei 1769.
3 Pietertje, gedoopt te Neder Hardinxveld op 29 mei 1774.
4 Pieter, gedoopt te Neder Hardinxveld op 5 mei 1776.
5 Marinus, gedoopt te Neder Hardinxveld op 30 november 1777.
6 Maria, gedoopt te Neder Hardinxveld op 18 juli 1779.
7 Pieter, gedoopt te Neder Hardinxveld op 16 januari 1785.

Gerardus is in ondertrouw gegaan te Oud Beijerland op 8 mei 1801. Hij is daar ook getrouwd op 24 mei 1801 met Adriana van Driel. Zij is geboren te Oud Beijerland op 11 oktober 1780 en daar gedoopt op 15 oktober 1780. Adriana overleed te Sliedrecht op 10 juli 1847.

De kinderen van Gerardus en Adriana waren:
1 Jacobus, geboren te Sliedrecht op 25 maart 1802.
2 Jan, geboren te Sliedrecht op 29 november 1803, begraven aldaar op 1 augustus 1804.
3 Adriana, geboren te Sliedrecht op 30 mei 1805.
4 Cornelia, geboren te Sliedrecht op 14 februari 1808, begraven aldaar op 6 november 1808.
5 Cornelia, geboren te Sliedrecht op 3 november 1809.
6 Jan, geboren te Sliedrecht op 20 maart 1811.
7 Kornelis, geboren te Sliedrecht op 31 december 1812.
8 Louisa, geboren te Sliedrecht op 18 januari 1814.
9 Petrus, geboren te Sliedrecht op 17 juli 1815.
10 Kornelis, geboren te Sliedrecht op 23 februari 1817
11 Kornelia, geboren te Sliedrecht op 22 maart 1818, overleden aldaar op 22 maart 1818.
12 Kornelia, geboren te Sliedrecht op 29 juli 1824.

Gerardus van Hattem is overleden te Sliedrecht op 15 april 1846.

 

14 – Einde van de Franse tijd

In de vorige aflevering vertelde de heer Lips over de regententijd
in de 18e eeuw en de Franse tijd.
Ditmaal zijn de gebeurtenissen aan het eind van de Franse tijd aan de beurt.

Inleiding
Gelukkig kunnen we veel informatie halen omtrent de novembergebeurtenissen van het jaar 1813 uit een boekje van de Sliedrechtse predikant A. de Koning, waarin hij het beleg van Gorinchem en het daarbij gebeurde in de omtrek beschrijft. We nemen er enkele gedeelten uit over, aangevuld met van elders verkregen gegevens.

Het jaar 1813 
Einde van de Franse tijd
Het was op de 18e van de slachtmaand (november 1813) dat wij getuige waren van de zekerheid van de berichten die ons het vertrek van de Franse ambtenaren van elders mededeelden. Zoals het ook gebeurde met de tollenaren die ons sedert enige tijd waren toegezonden. Zij maakten dat ze wegkwamen. Verscheidene grote en minder aanzienlijke heren, gendarmes en douanen, benevens een menigte anderen zagen wij door Sliedrecht rijden en wandelen of liever rennen en lopen naar het naburige Gorcum. Het was goed te zien hoe weinig zij zich bemoedigden met het gezang van een dronken douanier “toujours regnera Napoleon le Grand”.

Oranje boven
De verschijning van nog enige vluchtelingen die ‘s avonds in ons dorp aankwamen, tegelijk met enkele ingezetenen, die de heuglijke tijding van de omwenteling uit Den Haag meebrachten, veroorzaakte voor het eerst weer het lang gesmoorde “Oranje Boven”. Het werd door het volk uitgeschreeuwd en tevens werd de klok geluid. De voorzichtigheid hield nog de lang gewenste vlag van de toren tot groot geluk van de ingezetenen van ons dorp, zoals zal blijken uit de volgende passage.

Gedurende de volgende dag (19 november) hield de doortocht van de Fransen aan. Onze blijdschap hierover daalde echter aanmerkelijk en kromp eindelijk geheel tot ongerustheid in, vooral toen wij niet meer de vlag zagen wapperen van de Dordtse toren. Een slecht teken ….
Onvergetelijk is voor elke ingezetene van Sliedrecht de avond van zondag 21 november. Een vals gerucht verblijdde het volk. “Bij Gorcum”, riep men, “waren de Fransen de rivier overgetrokken naar Brabant”. Men liet zich in de eerste vervoering van de vreugde niets zeggen. Naar waarschuwingen werd niet geluisterd. De klok moest geluid worden en de vlag gehesen. Het laatste gebeurde echter, zoals vermeld, niet.

Onverwacht bezoek
Tegen elf uur kregen we in Sliedrecht een onverwacht bezoek van de voorhoede van het Franse leger. Het was op weg naar Dordrecht. Tegen twee uur in de nacht verliet het leger ons dorp. Dit nadat het de herbergen geplunderd had en de soldaten hun moed en dapperheid door het afpersen van wijn, bier, sterke drank en eten beloond hadden. Veel ruiten van de huizen van de geen kwaad vermoedende en gerust slapende inwoners werden vervolgens ingeslagen. Zelfs de wijnkelder van de predikant en het huis van de maire (burgemeester) van Hattem moest het ontgelden.
Door de duisternis kon men de troepen en hun geschut niet zien. Niemand waagde zich op de dijk. Men hoorde slechts aan het daveren van de huisdeuren en het rinkelen van de glazen dat er nieuwe troepen doortrokken en zij deden voor hun vooruit getrokken spitsbroeders in eten en drinken en stelen en slaan niets onder.
Alles bij elkaar was het een troepenmacht van 263 man of beter gezegd een gemengde groep van gendarmes, douanen en Brabantse Gardes. Alle dorpen aan de Merwededijk, zoals Giessendam, Sliedrecht en Papendrecht ondervonden hun kwalijke gedrag. Alleen Hardinxveld bleef plunderingen bespaard. Het meest had men te lijden van de douanen. Deze zeiden dat men hun als schelmen had bejegend en dat ze nu ook tonen zouden dat ze het waren.

De Fransen in Dordrecht
Het doel was Dordrecht waar men in de nacht van 20 op 21 november een brief uit Gorinchem ontvangen had. Hierin werd een rekwisitie (vordering) geëist tot een waarde van f 100.000,=. Geleverd dienden te worden o.a. 193.500 kilo tarwe en 43.924 liter jenever. Het laatste wellicht om wat moed in te drinken. Met het oog op de weerloosheid van de stad, waarin slechts 8 schutters en 30 vrijwilligers waren, moest men wel toegeven. De levering zou op 24 november moeten plaatsvinden. Te Papendrecht aangekomen wilde de bende zich van de veerpont meester maken, doch de Dordtse burgerwacht belette dit met enkele schoten. Uit wraak voor dit verzet gaf de Franse bevelhebber Clerge bevel om de stad te beschieten. Onder het gebulder van het geschut maakten de Fransen zich van de stad Dordrecht uiteindelijk meester.
De Fransen brachten een onrustige nacht in Dordrecht door. Zij voelden zich niet op hun gemak tussen de vijandige bevolking, die haar mening niet onder stoelen of banken stak. Door valse geruchten, als zouden de Pruisen en Kozakken in aantocht zijn, werden de Fransen ongerust en beloofden zelfs dat zij, indien men hen ongemoeid liet vertrekken, niets kwaads meer tegen de stad zouden ondernemen. Hun bedoeling was aanvankelijk geweest om, evenals in Utrecht, een aantal aanzienlijke burgers als gijzelaars mede te nemen. Van dit plan kwam nu natuurlijk niets terecht.

Geschiedenis-1401Aftocht met gevolgen
De Fransen lieten eerst het mortier en de kruitwagens naar Papendrecht overzetten. Toen de duizenden Dordtenaren, die getuige wilden zijn van de aftocht, begonnen op te dringen, losten de Fransen een schot, dat helaas aan iemand het leven kostte. Het was dus niet met vredelievende gevoelens, dat de Fransen over Papendrecht en Sliedrecht naar Giessendam terugtrokken. Allereerst koelden ze hun woede in de woning van predikant Van Steenbergen te Papendrecht. Zij mishandelden niet alleen de huisgenoten, maar stalen ook het geld dat bestemd was voor de begrafenis van de echtgenote van de predikant die enige dagen tevoren was overleden… . Om verdere mishandeling te ontlopen moest dominee Van Steenbergen met zijn oude moeder en vier kinderen de polder invluchten.

Sliedrecht weer in last
Te Sliedrecht was de ontzetting niet minder. Ofschoon men zich in ons dorp over de gevolgen van hetgeen aangericht was door de muitende Franse soldaten bekommerde, had men maandag 22 november toch rust kunnen vinden. Maar dan werd dinsdagmorgen (23 november) plotseling vernomen dat de Fransen uit Dordrecht weer naar Gorcum terugtrokken. Verscheidene ingezetenen, door het eerder gebeurde gewaarschuwd en bang geworden, hadden al de vlucht genomen en opgeborgen wat zij wegstoppen konden. Aan de ene kant, omdat het zeker was dat het aantal Fransen in Gorcum dat hier zou doortrekken dagelijks toenam en aan de andere kant was het zo dat men van de Fransen bij een ontruiming van Holland, overal waar zij doortrokken, vernieling en mishandeling te vrezen had. Het redden van lijf en goed gebeurde met grote haast. Vooral nu men hoorde dat de Fransen weer terugkwamen.
Langs de Merwededijk tussen Dordrecht en Gorcum schenen zij hun wrevel en kwaadaardigheid op de ingezetenen op alle mogelijke wijzen te willen bekoelen. Slechts weinige huizen bleven verschoond van enige vorm van narigheid. Met woest geweld persten zij de inwoners eten en drank af die zij gulzig verslonden en verzwolgen. Als men niet of niet gauw genoeg met spijs of drank klaarstond, roofden en plunderden en vernielden de Franse soldaten de deuren die niet snel genoeg geopend werden en werden de ruiten aan stukken geslagen. De schade, aan velen toegebracht, was groot maar ieder was dankbaar blij dat niet alles verwoest was en het kwaad niet nog erger was.

Geschiedenis-1402
Dordrecht beschoten vanuit Papendrecht

Gevechten in Papendrecht
De Fransen trokken op Giessendam terug vanwaar commandant Clerge een dreigbrief naar Dordt zond met de mededeling dat hij binnenkort weer voor de stad zou komen. Inderdaad kwamen op de avond van die rampdag (23 november)400 Franse gardesoldaten te Sliedrecht aan om daar ingekwartierd te worden. De predikant werd geprest hun gids te zijn en hen naar het wachthuis te geleiden.
Dordrecht beschoten vanuit Papendrecht

De ingezetenen van Sliedrecht die nog niet gevlucht waren, hielden hun huisdeuren gesloten. Gelukkig wist de predikant te voorkomen dat de deuren opengeslagen of ingeschoten werden. Op het horen van de hen zo wel bekende stem werden alle deuren gewillig geopend en werd erger voorkomen.
Intussen was er te Dordrecht een aantal vrijwilligers aangekomen die zich onmiddellijk naar Papendrecht lieten overzetten om daar bij de kerk post te vatten. Tevens waren de kanonneerboten, nors. 131 en 133, voor de stad gearriveerd, die op de rivier stelling namen.

Geschiedenis-1403
Centraal het woonhuis van de familie Van Hattem.

De komst van 2 à 300 Oranjerieën was helaas door het innemen van Woerden verhinderd.
In de nacht van 23 op 24 november waren hier wel 800 man aan Fransen doorgetrokken. Deze vonden echter op de Papendrechtse dijk de vrijwilligers tegenover zich, die echter voor de overmacht moesten wijken. Na een korte tegenstand bij de kerk en de veerdam ontaardde de terugtocht in een smadelijke vlucht. De kanonneerboot vuurde zo heftig op de vijand op de dijk dat een kanonwagen aan stukken werd geschoten maar kon niet voorkomen dat de Fransen hun geschut op de veerdam in stelling brachten en Dordrecht begonnen te bombarderen. Dominee De Koning was op de Sliedrechtse toren geklommen en zag dit schouwspel met angst en beven aan.

Burgemeester en dominee onder vuur
Te Dordrecht zat men niet stil. De kanonneerboot nr. 131 beantwoordde het vuur totdat de voorraad kruit was uitgeput. Het laatste schot werd gedaan door de zeeofficier H. Merkus die het kanon dusdanig richtte dat de Fransen een groot aantal doden en gewonden kregen en de aftocht bliezen. Volgens sommige berichten had men bij het laatste schot een koevoet gevoegd, die later nog jaren bij J.Hello te Papendrecht werd bewaard. Ten tweede male kregen wij hier een terugtocht van woedende Fransen te verduren. Het zwaarst moest nu de woning van burgemeester(maire)G.van Hattem het ontgelden. Dit huis bevond zich naast de kerk. Later diende het als pastorie. In 1904 volgde de afbraak van het gebouw. Het was dus niet het huis tegenover de kerk, nu bekend als het “Atelier”, zoals in andere bronnen beweerd werd. Deze woning was er in de Franse tijd nog niet …!

Lange tijd hield de burgemeester de soldaten in bedwang door zijn koelbloedigheid maar na een stoot met een bajonet te hebben afgeweerd, moest hij tenslotte de vlucht nemen. Dominee De Koning, die naar zijn vriend kwam kijken, ontving een slag met de kolf en ontkwam ook nauwelijks. Toen de rovers weg waren, vond men de vloer met kruit bestrooid. Kennelijk was het de bedoeling geweest het huis in de lucht te laten vliegen.

Varkens en koeien
De 26e november kwamen er 700 man met 3 stukken geschut en een kruitwagen uit Gorcum om in de omliggende dorpen vee te rekwireren (vorderen). Zij konden echter niet meer dan 3 varkens krijgen wat aan Dominee De Koning de aardigheid ontlokte dat het garnizoen van Gorcum nu met 3 varkens vermeerderd was… .
Op 30 november kwam er opnieuw een uitval uit Gorinchem. Ruim 900 man met twee kanonnen en een kruitwagen kwamen de eis tot leverantie van vee kracht bijzetten. Nu ontkwam Sliedrecht niet. Tot die tijd had de burgemeester niet veel haast gemaakt met de levering. Het dreigen, roven en vernielen door de Fransen noodzaakte nu wel tot een spoedige levering. Sliedrecht leverde 40 koeien, terwijl er ook 120.000 pond hooi geëist werd.
De Fransen rukten tot Papendrecht op, waar zij op een batterij stootten. De bezetting, bestaande uit kanonniers en enkele vrijwilligers, zag zich na enkele schoten genoodzaakt terug te trekken voor de overmacht, maar de Fransen werden voor de stad zo warm door de batterij op het Riedijkse Hoofd en door de kanonneerboten beschoten dat zij met een verlies van 14 à 16 doden moesten terugtrekken.

Prijs verklaard
Te Giessendam werd halt gehouden om versterking uit Gorcum af te wachten voor een nieuwe aanval op Dordrecht. Daarbij was ook besloten, dat Sliedrecht “prijs verklaard was”, d.w.z. het zou evenals Woerden en Bodegraven verwoest en uitgemoord worden. Reeds was de versterking uit Gorcum op weg toen daar een bericht aangaande het verlaten van de stad Utrecht door de Fransen en de inwoners van Sliedrecht zodoende op het laatste moment van de ondergang werden gered. De reeds op weg zijnde Franse troepen werden ijlings naar Gorcum teruggeroepen. De situatie veranderde nu heel spoedig. Op 5 december zagen wij hier de eerste Kozakken die de vorige dag in Dordrecht aangekomen waren. Zij trokken langs de dijk naar Giessendam waar de Fransen de grienden invlogen. Spoedig was er nu geen Fransman meer buiten Gorcum. De rollen waren nu omgekeerd en de Fransen werden in Gorcum belegerd en beschoten. Duizenden en duizenden soldaten trokken door Sliedrecht. Het eerst de woeste Kozakken die in de buitenlucht sliepen en hun paard zo uitstekend bereden dat zij er een geheel mee schenen. Zij aten de boter met hele kluiten en versmaadden een vetkaars niet. Niets was voor hun veilig en men deed er ook verstandig aan vrouw en dochters binnen te houden.

Vrijer ademhalen
De 8e december werden er in Sliedrecht 47 schuiten en 10 boten gevorderd om troepen over te zetten naar Werkendam om zo Gorcum geheel in te sluiten. Het waren vooral de Pruisische en Russische troepen die Gorcum belegerden, terwijl de Russische prins Maritschkin het opperbevel zou voeren. De prins kwam op 8 december in een met vier paarden bespannen koets door Sliedrecht teneinde de leiding van het beleg op zich te nemen. Op 1 februari 1814 begonnen de onderhandelingen en op 5 februari 1814 volgde de capitulatie van Gorcum. Eerst toen kon men in onze gemeente vrijer ademhalen..

Hiermee is een einde gekomen aan het verhaal dat de heer Lips schreef over de geschiedenis van Sliedrecht. Wellicht dat er wat onvolkomenheden genoteerd zijn, maar welke geschiedschrijver heeft wel voor de volle 100% de waarheid geschreven? In ieder geval zijn we de heer Lips dankbaar voor alle bijdragen die we konden publiceren en die u wellicht een beter beeld hebben gegeven van de “Geschiedenis van Sliedrecht.”

13 – Regententijd

Geschiedenis-1301
Het pachtersoproer
Het volk komt in opstand tegen de heffingen van de belastingen.

De verarming die in 1672 was begonnen, zette zich ook in de 18e eeuw voort. Vooral de steden werden er door getroffen, terwijl men op het platteland naast kwade ook nog goede jaren telde.
In 1733 gingen de Staten van Holland er toe over om een groot gedeelte van de belasting, die door de steden opgebracht werd, op het platteland te verhalen. In dat jaar werd namelijk de verponding, onze tegenwoordige grondbelasting, opnieuw geschat en het gevolg was, dat de dorpen nu het leeuwenaandeel moesten dragen. De boerderijen die vroeger van belasting waren vrijgesteld, werden alle aangeslagen. De heersende regentenaristocratie zorgde er wel voor zelf niet al te zwaar belast te worden.

Koopsom
Daarbij kwam nog dat op het platteland een bestuursapparaat gehandhaafd werd dat verre boven het normale en boven de draagkracht van de plattelandsbevolking uitging. Als we de klachten uit die tijd mogen geloven, dan was het in de Alblasserwaard hiermee nog erger gesteld dan elders. Men had eenvoudig de hoge salarissen uit de Gouden Eeuw onverminderd gehandhaafd. De regenten trokken daar groot voordeel van. Niet dat ze zelf die betrekkingen wilden bekleden……. Wanneer er echter een postje openviel, waren er zoveel liefhebbers, dat de regent die de “toerbeurt” van het vergeven had, een aanzienlijk bedrag als koopsom kon bedingen. Hoe hoger het salaris was, des te hoger de koopsom. Daarom was van de zijde van de regenten nooit verandering te verwachten. Tegen deze grieven konden de plattelanders alleen de hulp van Oranje inroepen. Zelf hadden ze geen stem bij de Staten van Holland.

Krijgsdienst
Een ander bezwaar van de plattelanders was de krijgsdienst. In de 80-jarige oorlog had men huis en haard met mannenmoed verdedigd en vriend en vijand verbaasd doen staan. Een ding wilde men echter niet: buiten het eigen dorp dienen. In 1672 was dat al eens misgelopen en burgemeester Hallinog uit Dordrecht zag zijn huis en buitenhuis geplunderd en verwoest. De plattelandsbevolking schreef die voor hen hatelijke bepaling altijd toe aan de vijanden van de Prins van Oranje, al ging het bevel daartoe van de Prins zelf uit. Men kon nu eenmaal een hatelijke maatregel niet toeschrijven aan de persoon, die men liefhad.
Echte soldaten waren de Nederlanders nooit en de krijgsdienst was veracht. In 1650 klaagde een militair dat zijn familie hem niet wilde kennen omdat hij soldaat was. In 1672 sprak een vreemd soldaat het vrij uit dat er geen kerel in Holland was, die voor zijn vaderland wou opkomen.
In 1672 was het nog tot een tijdelijk herstel van de wachten langs de Merwede gekomen, maar daarna was alles verwaarloosd. In 1747 besloten de Staten van Holland om de mannen van het platteland onder de wapenen te brengen Ze moesten leren met de wapens om te gaan, te exerceren. Dit alles in het belang van de defensie van het Vaderland als de noodzaak dit zou eisen. Door de spoedige vrede van Aken in het voorjaar van 1748 kwam er niet veel van terecht.

Keezen en Oranjeklanten
In deze tijd beginnen zich grote onenigheden onder de bevolking te vertonen, die als de twisten van Patriotten en Prinsgezinden of ook wel als die van Keezen en Oranjeklanten, bekend zijn. Het lagere volk en de boeren op het platteland waren Oranjegezind. Die Oranjegezindheid ontaardde ook wel eens in het zich onttrekken aan onaangename lasten van overheidswege opgelegd. Was men het met een bepaling niet eens, dan maakte men oproer en greep dan naar het Oranjevaandel.

Prins Willem V
Naast de Oranjeklanten had men de oude Regentenpartij die antistadhouderlijk was en geen veranderingen wenste. Het was toch altijd zo goed onder hun bewind gegaan. Hoofdzaak was echter hun eigen belang. In opkomst was ook een nieuwe partij die de nieuwe denkbeelden voorstond en waarvan de aanhang grotendeels uit het ontwikkelde deel van de burgerij bestond. Jammer genoeg ging deze groep, toen Willem V niet de juiste man voor zijn tijd bleek te zijn, tot de antistadhouderlijke partij over. Zeer verderfelijk was ook het heulen van de Patriotten met de Fransen. Het heeft het einde van de republiek verhaast. Eigen belang en baatzucht zijn de fouten die door alle partijen en door alle standen in de Republiek gemaakt zijn. De straf was de jarenlange verdrukking onder het Franse juk.

Geschiedenis-1302
Van der Cappellen, één van de leiders van de Patriotten,
met zijn gezin.

Patriotten
De Patriotten brachten de nieuwe inzichten op maatschappelijk en geestelijk gebied naar voren en werden zoals alle brengers van nieuwe ideeën verafschuwd en verafgood. Toch waren hun ideeën, ontdaan van alle bombast, bestemd om te zegevieren.
Een der leerstellingen van deze groep was, dat het vaderland door de eigen burgers verdedigd moest worden i.p.v. door vreemde huurlingen. Bij deze maatregel, die tegenwoordig vanzelf zou spreken, ontmoetten zij geweldige tegenstand, niet in het minst op het platteland waar men gedeeltelijk terecht, maar ten dele ook uit lafhartigheid, voorgaf bevreesd te zijn, dat die corpsen tegen Oranje gebruikt zouden worden.

Oproer in Sliedrecht
Sliedrecht geleid door zijn Oranjegezinde heer S. P. Collot d’Escury was Oranjegezind, evenals Alblasserdam, Giessendam, Hoornaar, enzovoort. In Papendrecht hadden de Patriotten het bestuur in handen. Of een dorp Oranjegezind was, kon men constateren uit het feit of dat dorp een adres stuurde aan de Staten van Holland tot herstel van de Prins als bevelhebber van het Haagse garnizoen. De Patriottische dorpen en steden zonden een adres tot hulpverlening aan de steden Hattem en Elburg, die door de troepen van de Prins belegerd werden.
In 1784 werd door de Staten van Holland besloten dat alle volwassen mannen in Holland zouden deelnemen aan een loting “voor de derde man”, d.w.z. een derde deel van hen zou moeten dienen.
Toen men op de 24 januari 1785 te Sliedrecht in de kerk tot een loting zou overgaan, ontstond er een geweldig geschreeuw. Men riep dat men niet voor de Staten wilden exerceren, maar wel voor de Prins.
Zij eisten een Oranjevaandel van den schout. Men sloeg op koperen bekkens en riep: “Vivat Oranje en de Prins boven”. De menigte nam al meer en meer toe en men was al bezig met andere dorpen te onderhandelen over een gemeenschappelijke aanval op de Patriotten. Toen evenwel de Patriotten in Papendrecht zich bewapenden en er het gerucht rondging dat de Dordtse Vrijcorpsen bijeengeroepen waren ging men spoedig uiteen. Kort daarop volgde een geruststellende publicatie van de Staten van 27 januari 1785 waarin beloofd werd dat geen tocht of wacht buiten het dorp gedaan behoefde te worden. Op 19 augustus volgde een amnestie voor allen die aan het oproer schuldig waren. Toen de Patriotten meer en meer de overhand kregen, werden tegen de Oranjegezinde dorpen allerlei onaangename maatregelen getroffen. Sliedrecht kreeg als garnizoen twee afdelingen huzaren van den Rijngraaf van Salm, die vele baldadigheden bedreven en op kosten van de burgerij van Sliedrecht ingekwartierd werden.

De Franse tijd
Al feller en feller werd de betreurenswaardige partijstrijd en het kwam zelfs zo ver dat men zich tegen elkaar wapende. Voor het tot een treffen kwam, werden de boeren in de Alblasserwaard van Giessendam tot Dordrecht op onverwachte wijze op 11 september 1787 van hun wapens beroofd door de Patriottische vrijcorpsen. Spoedig kwam er toen een einde aan de verdrukking van ons dorp Toen Prinses Wilhelmina, de vrouw van Willem V, zwaar beledigd werd door de Patriotten, riep zij haar broer, de koning van Pruisen te hulp. Op 18 september 1787 kwamen de Pruisische troepen hier aan. Het Pruisische corps onder Winsingrode kwam langs de Waaldijken tot Gorinchem, waar de Patriotten nog enige weerstand boden, maar dat op 17 september aan de Pruisen overging. Op 18 september trokken ze langs de dorpen Hardinxveld, Giessendam, Sliedrecht en Papendrecht om Dordrecht te gaan bezetten.
Hadden de Oranjeklanten in 1787 de vijand binnen het land geroepen, in 1793 en 1795 deden de Patriotten hetzelfde door het inroepen van de Franse hulp.
Evenwel werd in 1793 de verdediging van Nederland beter georganiseerd dan in 1787. Op het Hollands Diep lag een aantal kanonneerboten, terwijl de killen en gaten in den Biesbosch door kanonnen bestreken werden. Zo vormde de dijk van Gorinchem tot Dordrecht a.h.w. de tweede verdedigingslinie. In Sliedrecht bevond zich batterij nr. 11, genaamd de Jonge Prins, benedendijks over het zgn. Vissersgaatje, gemonteerd met twee ijzeren twaalfponders en batterij nr. 12 genaamd de Stadhouder over het zgn. Venusgaatje, eveneens gemonteerd met twee ijzeren twaalfponders. Voorts werden er twee korte drieponders te Sliedrecht in reserve gehouden.
In 1795 kwamen de Fransen terug en men hoort niet veel van de aangelegde batterijen, doordat de Fransen allerwegen over het ijs het land binnentrekken. Zoo kwam dan het einde van de trotse Republiek, een einde verhaast door zelfzucht en eigenbaat bij alle groepen der bevolking.

Geschiedenis-1303Een fluwelen revolutie
In 1795 vonden grote veranderingen plaats in ons dorp. Al het oude werd met een pennenstreek afgeschaft. Grote schrik heerste er bij vele bewoners voor de komst van de Fransen. Velen verlieten het dorp. Ze sloten hun woningen en vestigden zich elders, bevreesd als zij waren voor de wraak van de tegenpartij. Tenslotte is dat erg medegevallen. De Fransen, die al niet meer de echte revolutionairen van 1787 waren, hebben belet dat de Hollanders tot uitspattingen overgingen en zo werd het in 1795 een fluwelen revolutie, waarbij niemand een haar gekrenkt werd. Sliedrecht kreeg garnizoen van de 164-e halve brigade Franse scherpschutters onder Holbee, welke troepenmacht bij de burgers werd ingekwartierd. Ter vermijding van botsingen en ongelukken werden voor enige dagen alle jacht-, bout-, en schietgeweren ingenomen.

Wij zijn thans zover in de geschiedenis gekomen, dat wij de gebeurtenissen van 1795 op behoorlijke afstand zien en ze dus naar hun waarde kunnen beoordelen. Voor Sliedrecht was het jaar 1795 een jaar van grote verbeteringen. Elke verandering kon alleen maar een verbetering zijn in een bestuur waar zoveel misbruiken heersten.

Hoofdplaats
Allereerst werd Sliedrecht nu een gemeente in plaats van de drie heerlijkheden (Naaldwijk, Niemandsvriend en Lockhorst). Er kwam een bestuur van schout en 7 schepenen, terwijl door de stemgerechtigde burgers een Municipaliteit of Gemeenteraad verkozen werd. De heer van de heerlijkheid werd van alle invloed op het bestuur uitgesloten. In later tijd werd ook het gedeelte van de gemeente over de Merwede met Sliedrecht verenigd, wat in de 19e eeuw tot bloei van het dorp heeft bijgedragen.
Sliedrecht werd in 1795 de hoofdplaats van het District nr. 48, Lek en Merwede, een positie die het krachtens belangrijkheid en inwoneraantal (2495) dan ook toekwam.
Ook het polder- en kerkbestuur werd anders geregeld en naar de geest van de tijd werd aan de burgerij hier ook de invloed verzekerd die het toekwam.
In het algemeen kan men zeggen, dat Sliedrecht in 1795 de voorwaarden bekwam, waarop de groei en bloei van de gemeente in de 19e eeuw gegrondvest is.

Natuurlijk waren er ook schaduwzijden. Het begon al met inkwartiering, rekwisitie van paarden, vee en graan. De burgerij moest nu zonder morren in de gewapende burgerwacht dienst doen, zelfs een plaats in het leger vinden, iets waar men op het platteland nimmer aan gewild heeft.
Toch kon men nu in Sliedrecht veel meer doen dan vroeger. Niettegenstaande een groot bedrag aan oorlogskosten van 1793 (3 à 4000 gulden) kon men in 1807 overgaan tot het bouwen van een nieuw schoolgebouw, waartoe door twintig van de rijkste ingezetenen elk een bedrag van f 200,= werd voorgeschoten.

Na 1808 wordt het stil in Sliedrecht. De nieuwe stand van zaken, in 1795 met zoveel animo begroet, bleek ook zijn schaduwzijden te hebben en onder de druk van het Franse bestuur werd de toestand op economisch gebied steeds slechter. Na 1808 werd er in Sliedrecht niet veel meer aan bestuurszaken gedaan. Het lopende werd afgedaan door Gerard van Hattem, eerst als schout en secretaris en later als maire, en na het vertrek van de Fransen als burgemeester. Het is te begrijpen, dat men in Sliedrecht, evenals elders, hartgrondig naar een verandering in de toestand begon te verlangen.

12 – Rampen in de Waard

Dijkbreuken en Overstromingen I
Geschiedenis-1201De Alblasserwaard, aan drie zijden omgeven door grote rivieren en aan de vierde zijde bedreigd door het opperwater wanneer en in Gelderland een overstroming heeft plaats gehad, heeft altijd veel te lijden gehad van geweldige overstromingsrampen.
Het grootste gevaar schuilde in de Merwede. Door de St. Elisabethsvloed was de Biesbosch ontstaan en deze vormde eeuwenlang een prachtige overlaat van het te hoge opperwater.
Wanneer het water door ijs of op andere wijze in de Merwede opgehouden werd, kon het door de killen in de Biesbosch gemakkelijk het Hollands Diep bereiken.
Een bedenkelijk gevolg van deze veranderde afwatering was het ondieper worden van de rivier de Merwede zelf, want verwijding van het bed veroorzaakt steeds verondieping en vernauwing op andere plaatsen van het bed.

De stad Dordrecht was er steeds op uit geweest het bed van de Merwede op diepte te houden voor de scheepvaart. De stad trachtte reeds in de 15e en 16e eeuw te komen tot afsluiting van de killen bij Werkendam, maar de tegenwerking van Gorinchem en van de Alblasserwaard hadden dat steeds verhinderd en terecht, want behoud van het land gaat boven behoud van scheepvaart.

Ondieper
Tenslotte zou echter de zienswijze van Dordrecht de juiste blijken te zijn, ook voor het behoud van het land. De Merwede was omstreeks 1585 reeds zozeer verondiept, dat men op oude kaarten uit die tijd talrijke zandbanken in de rivier ziet, terwijl de schepen in de Biesbosch varen. In de 17e eeuw kon het gebeuren, dat men van Dordrecht naar Papendrecht kon waden en in de 19e eeuw was de rivier hier en daar zo ondiep dat Koning Willem I met een roeiboot op de Merwede vast bleef zitten.
Afsluiting van de killen in de Biesbosch zou een sneller stromen van de rivier en dientengevolge verdieping hebben veroorzaakt, terwijl een overlaat voor afvoer bij watersnood had kunnen zorgen.

Geschiedenis-1202
IJs in de Merwede bij Gorinchem

De verondieping maakte het mogelijk dat in de winter, wanneer het ijs op de bovenrivieren losraakte er zich geweldige ijsdammen in de Merwede vormden, die tot de grond raakten. Het water vond dan geen uitweg meer en de dijken moesten vroeg of laat bezwijken. Was de rivier dieper geweest, dan had het water er onderdoor kunnen lopen en op den duur de ijsdam kunnen breken.Het gevaarlijkste punt was altijd de dijk bij Hardinxveld, waar ook in de 17e eeuw de overstromingen en doorbraken waren geweest.
Daar lag bovendien de dijk op een slechte ondergrond, zodat men sprak van een zinkdijk.
In 1698 en 1703 waren in die dijk “notabele sinckingen” dus grote verzakkingen geweest en men vreesde toen reeds het ergste.

Geschiedenis-1203
IJsdam

IJsdam
Op 5 januari 1709 begon het plotseling geweldig te vriezen, zodat in vier dagen de rivieren geheel toe raakten, maar nadat die strenge vorst ongeveer drie weken geduurd had, sloeg het weer even plotseling om en raakten de rivieren los.
Toen het in het begin van februari weer begon te vriezen ontstond er een geweldige ijsdam lopende van de droogten voor Sliedrecht tot Hardinxveld toe, terwijl alle killen eveneens door het ijs afgesloten waren. Voorbij Dordrecht passeerde er nagenoeg geen druppel water, terwijl men in Gorinchem met schuiten door de straten voer.
Op 22 februari braken dijken in de Betuwe, zodat het water ook voor de Diefdijk kwam, waardoor de Linge sterk begon te wassen. Tot overmaat van ramp zonk ook de dijk van Hardinxveld voor een groot gedeelte weg, zodat er slechts een stuk van 1 1/2 voet breedte op de oude hoogte bleef staan. Van de 12e tot de 13e maart kon men het nog gaande houden met kistingen en rijspakkingen maar toen begon het water over de dijk te lopen. Direct werd last gegeven de klok van Hardinxveld te luiden en een lantaarn aan de toren te hangen, wat het sein was voor de bewoners van de Alblasserwaard om zichzelf en het vee te bergen.

Vele plannen
ad het gat een diepte van 26 voet en er stond zulk een geweldige stroom, dat een dieplood van 10 pond er als een kurk uitdreef. Allerlei plannen werden gemaakt om het gat te dichten.

Geschiedenis-1204
Bekading van een dijkgat

De dijkbazen van Sliedrecht, Giessendam en Hardinxveld putten zich uit in het bedenken van nieuwe werkwijzen. Rijswerk, heien van palen, het laten zinken van een schip enz., enz.Merkwaardig is, dat men ook al het plan maakte om het gat door middel van een zinkstuk te dichten; een bewijs dat dit werkstuk toen hier reeds inheems was. Alle pogingen waren tevergeefs. Het gat werd zelfs 56 voet diep en men moest wachten tot de Waard gedeeltelijk vol was om de wiel te kunnen dichten. Dit geschiedde door het binnendijken van de wiel, wat een uitgave van f 11.400 vorderde. Van de binnengespoelde aarde en zand werd niet minder dan 7000 schuiten aan de teen van de dijk gestort.

Intussen was de Alblasserwaard bijna geheel vol water. De sluizen, die eerst toe gestempeld waren werden nu opengezet, maar toch bleef er dien zomer 3 a 3 1/2 voet op het land staan, omdat de bemaling niet sterk genoeg was om het water in korte tijd weg te malen. Geholpen door droogte en oostenwind in de winter van 1709 op 1710 gelukte het eindelijk om in maart 1710 de Waard weer droog te krijgen.
Ruim elf maanden had ze gedreven en het vee was gevoerd met liezen, biezen en vlotgras, dat men onder water sneed en op horden droogde.
De toestand was dan ook zeer kritiek en er was geen geld om de belastingen op te brengen. De Staten van Holland gaven voor zes jaar vrijdom van verponding (grondlasten) en voor vier jaar vrijdom van Hoorngeld en Oorgeld (belasting op koeien en paarden). In 1713 was men nog zo arm dat de Staten nogmaals vrijdom van belastingen moesten geven en wel tot 1717 toe. In het algemeen was de toestand in de 18e eeuw voor de Alblasserwaard zeer ongunstig en eerst de moderne machines zouden enige meerdere zekerheid geven.

Dijkbreuken en Overstromingen II
Tegen de dijkbreuken tengevolge van ijsdammen, was slechts één middel, nl. het maken van een inlaat, zoals men dat in 1595 met de Nieuwe Wolpherschen dijk gedaan had. Daartoe werd dan ook in 1738 overgegaan, door het leggen van de Groenendijk tot Steenenhoek. De bedoeling hiervan was, om als er een ijsdam gevormd zou zijn, het water tussen de Oude Buitendijk en de Groenendijk als door een overlaat af te voeren.
Er bleef echter een ander gevaar waar moeilijker tegen op te treden was; dit was het gevaar van overstroming in het Gelderse. Het water kwam dan voor de Diefdijklinie te staan. Deze linie werd gevormd door de Diefdijk en de Noorder-Lingedijk. Bij een grote overstroming in de Betuwe, volgde meestal een doorbraak van de Noorder-Lingedijk, waardoor het water dan voor de Zouwe- en Bazeldijk kwam te staan.

Verbannen
Dit gebeurde ook in 1726, terwijl toen de zaak voor de Alblasserwaard nog verergerd werd doordat op 3 april de Zouwe- en Bazeldijk doorgegraven werd. Op die dag kwam een aantal gewapende Gelderse boeren onder aanvoering van een zekere Klaas Meijertzen en werd de dijk te Meerkerk bij de Hoenderwiel doorgegraven, terwijl dit ook bij de Bazeldijk gebeurde bij de grote en kleine wiel.
Dit duurde zolang totdat soldaten arriveerden om de misdadigers te verdrijven, waarbij er één het leven liet. Klaas Meijertzen werd later voor zijn leven verbannen en zijn goederen werden verbeurd verklaard.

Voormolens
Geschiedenis-1205Om het water spoediger kwijt te zijn liet men in 1739 naast de bestaande watermolens aan het Elshout een gelijk aantal nieuwe voormolens oprichten, waardoor men nu tweehoog kon malen en dus het ingevloeide water spoediger kwijt was. Dit bewees zijn nut in 1740-1741 toen na een doorbraak van de dijk bij Ameide een doorbraak van de Noorder-Lingedijk volgde.
De schade van de Alblasserwaard was zeer groot, alleen al voor Sliedrecht f 61.561,=. Het werd langzamerhand in de Alblasserwaard een grote ellende en armoede. Men wist bijna niet hoe men zich in leven moest houden en velen spraken er over om de rampzalige Waard maar te laten drijven.

Muisjaar
Daarbij kwam nog dat in 1740 er een muisjaar was, waarbij miljoenen muizen het gras bij de wortels afvraten en er in 1744 een geweldige veepest met een ontzettende sterfte kwam. Dit gevoegd bij een hernieuwde overstroming in 1744 toont wel aan hoe diep men hier in de nood zat.

Geschiedenis-1206
Lodewijk Napoleon

Veel is er van alle zijden gedaan om die nood te verzachten en daarbij bleef Dordrecht niet achter. Grote sommen geld, stalling, voedering voor het vee en huisvesting voor de mensen werd in ruime mate verstrekt. Gelukkig kwam er na 1744 geen overstroming meer in de Alblasserwaard.
Eerst in 1809 kwam er weer een overstroming. De strenge winter van dat jaar veroorzaakte een ijsdam bij Sleeuwijk.

Niettegenstaande alle moeite en kosten, en hoewel de verdediging van de dijken door de persoonlijke aanwezigheid van koning Lodewijk Napoleon zo energiek mogelijk werd aangepakt, kon men de Waard niet droog houden. Het was wel een mooie daad van de koning, dat hij als eerste vorst in ons land zulk een belang in het lot van de inwoners van de Alblasserwaard stelde.In nacht en ontij was hij op de been om ieder, zowel Hoogheemraad als eenvoudige arbeider, met een bemoedigend woord aan te wakkeren.Bij die gelegenheid vertoefde Lodewijk Napoleon meermalen in ons dorp o.a. op 30 januari 1809.

Steigerzolders

Geschiedenis-1207
Steigerzolder
Geschiedenis-1208
Steigerzolder

Na de doorbraak bracht men het vee zoals vanouds over Papendrecht in Dordrecht, van waaruit men het over het omliggende land distribueerde o.a. nam men belangeloos in Groote Lindt 200 koeien op.
Na de overstroming zat men in Sliedrecht niet stil en men bracht daar zo spoedig mogelijk boten over de dijk om de mensen in de waarden uit hun huizen en het vee van de zogenaamde steigerzolders af te halen.
De koning gaf ook het goede voorbeeld voor de leniging van de nood door het geven van een koninklijke gift van 20.000 francs, terwijl in Dordrecht een commissie, ingesteld door het Departement van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, een bedrag van f 17.254,= bijeen bracht. Het was dan ook voor de eerste maal, dat geheel Nederland deelde in de nood van zijn medeburgers. Uit alle delen van het land kwamen de gelden toestromen en in totaal werd in binnen- en buitenland een bedrag van f 985.000,= bijeengebracht.

Baggermateriaal
Na 1809 heeft men de Diefdijklinie nog aanmerkelijk versterkt, maar ook dit baatte niet en in 1820 stond de Alblasserwaard voor de laatste maal geheel blank. Het water werd toen als gewoonlijk door hulpgaten geloosd. Langzamerhand kwam ook het inzicht, dat men aan overlaten e.d. weinig had, wanneer die niet van voldoende diepte waren. Men ging nu meer letten op de verbetering van de loop der rivieren en op verdieping van het bed. Toen ook de technische vooruitgang zich demonstreerde in het betere baggermateriaal was het gevaar voor de Alblasserwaard geweken en naar wij hopen definitief.

Een vrome wens, geuit aan het eind van jaren ’40, die helaas niet bewaarheid werd. Denk maar aan de watersnoodramp van 1953 en aan de problemen rond het bovenwater van enige jaren geleden.

11 – Armoede en Twist

In dit hoofdstuk kan u lezen over zaken als:
Armoede en ruzies na 1672;
een ongewenste predikant;
de kerkbrand van 1762;
de herbouw van dit gebouw.

De gebeurtenissen in het jaar 1672 hadden een ontijdig einde gemaakt aan de bloeiperiode in de Gouden Eeuw. De handel stond door de oorlog grotendeels stil en de industrie ging door de beschermende en beperkende maatregelen van de andere landen voor een groot gedeelte te niet. De werkeloosheid deed haar intrede.

In zekere zin vertoont het tijdvak van 1672-1700 veel overeenkomst met de crisistijd in de dertiger jaren van de 20e eeuw, zowel in oorzaak als gevolgen.
De prijzen van het vee en van de zuivelproducten daalden onrustbarend. Vele boeren konden hun schulden niet meer betalen en verloren hun land, waarop zij dan pachters werden.

Het hennepland, dat zulke schatten opgeleverd had, werd vrijwel waardeloos. De vraag naar hennep voor touw verminderde geweldig door het achteruitgaan van de scheepvaart.

Ook in Sliedrecht
De bevolking van Sliedrecht, die in de 17e eeuw geweldig was toegenomen, verkeerde in zeer moeilijke omstandigheden. Diakenen konden het werk van de armenverzorging niet meer aan. Het was nodig een armmeester aan te stellen die hen in hun werk behulpzaam kon zijn. Vertrek uit het dorp was ook niet mogelijk. Men mocht zich elders niet vestigen of men moest een brief medebrengen, dat ingeval van armoede, Sliedrecht hen zou onderhouden. Ook moest de armmeester van Sliedrecht nauwkeurig toezien dat zich geen personen uit andere gemeenten in het dorp vestigden. Op straffe van hoge boete was het verboden huizen aan vreemden te verhuren of hen te herbergen.

Geschiedenis-1101
Kaartje omgeving Sliedrecht circa 1650.
Rechtsboven Gorkum aan de Merwede.
Links op de kaart Dordt.
Sliedrecht vinden we tussen de W en de A van het woord (Alblasser)waert.
Het land ten zuiden van de Merwede is reeds teruggewonnen na de verwoesting door de St.Elisabethsvloed.
Veel water is er nog te vinden ten oosten van het
Eiland van Dordt in de de Verdronken Waert van Zuid-Hollandt (De Biesbosch).

Naar Oost-Indië
Het werd steeds moeilijker om aan de kost te komen en velen wisten niet beter te doen, dan als matroos naar Oost-Indië te varen, vanwaar echter het de meesten nooit terugkeerden.
Een lichtzijde was de algemene verarming in de Nederlanden. Hieruit sproot voor stad en land de noodzakelijkheid van grotere zuinigheid voort. Daardoor werd het meer en meer gewoonte de stads- en landswerken aan te besteden. Hiervan heeft Sliedrecht naar vermogen geprofiteerd. De toestand was hier nooit zo slecht als in de andere Alblasserwaardse dorpen.

Overvloedige maaltijden
De achteruitgang van de boerenstand maakte het ook noodzakelijk dat het beheer van de Alblasserwaard op veel bescheidener basis gebracht werd. Daar hadden de Heren Hoogdijkheemraden niet veel zin in. Zij wilden koste wat het kost hun hoge traktementen en overvloedige jaarlijkse maaltijden behouden. Toen in de rekening voor 1673 weer dezelfde bedragen opgenomen waren, protesteerden alle gecommitteerden van alle dorpen in de Alblasserwaard daartegen.
Zij oordeelden dat de traktementen van Hoogdijkheemraden, penningmeester, landmeter, bode, enzovoort, volgens het reglement van 1661 vastgesteld, “al te hooge” waren, zelfs in een goede tijd, “ende verre boven die van de naburen”.
Zij eisten dat er een redelijke aanpassing toegepast werd. Door bemiddeling van Zijne Hoogheid de Prins van Oranje en de Staten van Holland trachtten zij dit te bereiken. Het verzet hielp al heel weinig. De zaak bleef slepende tot 1677. Toen beslisten de Staten van Holland dat het reglement van 1661 moest blijven in”sijn vigeur”. Het moest worden gehandhaafd, ook wat betreft de veel te hoge traktementen.

Een grenspaal
Ook in Sliedrecht zelf deed zich de noodzakelijkheid voor van een zuiniger beheer. Doordat het dorp uit drie heerlijkheden met elk met een schout, secretaris, bode, enz. bestond, werden de kosten veel te hoog. Dit liet zich vooral in een tijd van teruggang gevoelen.
Na 1672 werden dan ook plannen voor een zuiniger beheer gemaakt. Wat kon meer voor de hand liggen, dan door gemeenschappelijk beheer de kosten zo laag mogelijk te houden? In 1676 werd daartoe een conceptreglement opgesteld dat echter door het verzet van de afzonderlijke heren nooit van kracht geworden is. Vooral Mr. Jan Teding van Berkhout, die in 1675 Heer van Over-Sliedrecht werd, was een lastig heer. Dit blijkt wel uit de aanhef van het reglement voor Over-Sliedrecht in 1676 door hem opgesteld.

Hij schrijft dan het volgende:
“Jan Teding van Berkhout, Heer van Sliedregt etc. doen kond allen ende eenen iegelijk, diet zoude moogen aangaan, dat wanneer wij aan de Heerlijkheid van Sliedregt geraakt bennen, bevonden hebben, dat in dezelve regeering, regtbank en finantie, niet minder er was al goed ordre, reglement en menage, maar ten contrarie in alles een notoire confusie en verkwistinge hetwelk veroorzaakt, dat nog de wel geinentioneernde van de gerechte nog de goede ingezetenen van dezelve plaats, daar met rust, vreede eenigheid en genoegen kunnen woonen en derhalve ons ernstig verzorgt hebben, daarin te willen voorzien, hetwelk wij alleen haar niet hebben willen weigeren, maar goedgevonden hebben, deze naar volgende ordres te statueeren enz”.

Hij zocht de oorzaak van de “disorde en confusie in de schadelijke gemeenschap, die hier mede in vele zaken gepraktiseerd is met twee nog andere naburige Heerlijkheden”. Door zijn toedoen werden dus de drie heerlijkheden, die al aardig samengegroeid waren weer geheel gescheiden. Onder meer eiste en verkreeg hij dat de gehele administratie en alle rechtelijke registers gescheiden werden.
Ook raakte hij spoedig in een conflict met de andere Heren. In 1675 had hij op eigen gezag een grenspaal tussen zijn heerlijkheid Lockhorst of Over-Sliedrecht en de heerlijkheid Naaldwijk geplaatst, wat een protest uitlokte van Mr. Adriaan van Blijenburg.

Deze verbood hem om:
“Op sijn Ed. Eijgen authoriteijt gedurende de absentie tenminste niet buyten kennisse ende sonder speciale last en consent ende toestemminge te stellen ofte doen stelen eenige pael ofte palen tot limiet scheiding”.

De grenzen tussen Naaldwijk en Over-Sliedrecht waren blijkbaar zeer onduidelijk, want in 1684 ontstond er weer een geschil over land in het Coorweer waarvan beide eigenaars van de heerlijkheden de overdracht opeisten.

Een ongewenste predikant
In 1670 was Ds. Franciscus Wijngaerts overleden, na de kerk van Sliedrecht sedert de jare 1664 gediend te hebben. De kerkenraad maakte zich als vanouds op om een nieuwe predikant te beroepen en te kiezen. Het was altijd haar recht geweest om de “electie” (verkiezing) van de predikant te doen en aan de Heer van Lockhorst of Over-Sliedrecht was het slechts toegestaan om deze verkiezing goed te keuren. Dit noemde men toen approbatie. Zo was het in 1645 gegaan toen Ds. Casparis de Carpentier naar Amersfoort vertrokken was en zo, dacht men, zou het nu ook weer gaan.
In dit geval had men echter buiten de ambachtsheren gerekend. Deze vreesden dat alles weer grotendeels buiten hen om zou geschieden en hadden een minnelijke schikking getroffen. Op 13 februari werd Ds. Noach Francken op hun voorstel door Gecommitteerde Raden van Holland (wij zouden nu spreken van Gedeputeerde Staten) bij provise gezet in de kerk van Sliedrecht. Hij diende de kerk waar te nemen zonder voorlopig bevestigd te worden. Dit laatste had men wel weg kunnen laten. Het bevestigen van een predikant was geen taak van “politieke”, d.w.z. de wereldlijke macht. Het moest geschieden door de classis van Zuid-Holland. Deze weigerde echter hardnekkig tot bevestiging van Ds. Noach Francken over te gaan, daar er al heel spoedig klachten kwamen over zijn ergerlijk en onstichtelijk leven. Op de classisvergadering van 1674 dacht men er zelfs over om hem op behoorlijke wijze uit de kerk te removeren (verwijderen). Maar zover ging de macht van de Classis ook weer niet en zo bleef de zaak Francken slepende tot diens dood in 1678.

Een onstichtelijk leven
Waaruit mag toch wel het ergerlijke en onstichtelijk leven van Ds. Noach Francken bestaan hebben? Ds. Francken was eerst vlootpredikant geweest en als zodanig vinden wij hem in 1666 op het schip van de vice-admiraal De Liefde. Hier schijnt hij voor de schrik wel eens ‘n extra oorlam genomen te hebben als de Engelse kogels hem al te na om het hoofd floten en zo kwam hij tot een groter gebruik van geestrijk vocht als wel voor een predikant oorbaar was. Schulden waren er het gevolg van, zodat in 1674 Ds. Francken zelfs een vierde deel van zijn jaarlijks traktement aan zijn schuldeisers moest afstaan, alvorens hij het verdiend had. Natuurlijk had dit alles ook zijn weerslag op het leven in het dorp.

Tweestrijd
In korten tijd hadden zich twee partijen gevormd. Een partij stond onder leiding van een schoolmeester Andries van der Sluijs, die eigenlijk handelde op gezag van en gesteund door Joost Boon, schout van Niemandsvriend, die een grote haat tegen Ds. Francken had opgevat. Het was al begonnen voordat hij in Sliedrecht was, want toen had Joost Boon al het praatje rondgestrooid dat Ds. Francken niet kon prediken en dat hij het zelf wel zo goed kon doen. Het laatste was allerminst waar, want Ds. Noach Francken was een zeer goed redenaar en daarom wilden de lidmaten wel een en ander van hem door de vingers zien.
Schout Boon vervolgde als het ware de predikant en probeerde hem voortdurend in zijn werk te tarten. Zo stelde hij eens aan de andere schouten voor om Ds. Francken achterna te rijden toen deze op weg was met andere predikanten naar Dordrecht. In de Sliedrechtse herberg “Den Engel” zou men proberen hem dronken te maken. Ook had Schout Boon getracht Cornelis van de Graaff, Schout van Naaldwijk, onmogelijk te maken door Andries van der Sluijs een brief te doen schrijven, die in handen komen moest van de Ambachtsheer. Toen was de maat vol.

Het veld ruimen
Op zondag 13 november 1672, na de voormiddagpredikatie, werd de schoolmeester in de Kerkenraad geroepen en een verhoor afgenomen. Schout Cornelis van de Graaff vroeg aan hem “of zijn ampt niet was het school waer te nemen ende op het leeren van de kinderen te passen, zonder met de kercke ofte het geregte te bemoeyen”.
De schoolmeester kon moeilijk anders dan “ja” antwoorden en logende hardnekkig zich met het gerecht bemoeid te hebben. Toen zeide een van de ouderlingen: “Haelt nu sijn eijgen brief uijt Uw sack”, waarop men de schoolmeester een brief met zijn eigen handtekening toonde waarop deze beschaamd het hoofd moest buigen.
Nu zag de tegenpartij haar kans en ging allerlei oude koeien uit de sloot halen. Lang vergeten ruzies tussen ouders en de schoolmeester. Verhalen over het ergerlijk leven van diens dochter, nota bene stammende uit het jaar 1659, enz. Het gevolg was, dat de schoolmeester op zijn oudere dag het veld moest ruimen.
Dit ging velen in het dorp toch wel wat te ver, want Andries van der Sluijs was ene goede schoolmeester geweest en in de dienst vergrijsd.
Een inwoonster van Sliedrecht beweerde dan ook dat diegenen die de schoolmeester weggejaagd hadden hem wel terug zouden halen en in het schoolhuis zetten en vertolkte daarmede de wens van vele inwoners.
Anderen waren echter van mening, dat men dan wel gek moest zijn en waren zo verbitterd dat ze wensten dat in dat geval het schoolhuis op de Tiendweg zou staan en dat het dan in de brand gestoken zou worden.

Gunstige verklaring
Intussen zag het er voor Ds. Noach Francken ook niet erg gunstig uit. Men had hem terecht en ten onrechte bij de classis danig beklad. Het was daarom nodig dat er ook eens iets goeds van hem gezegd werd.
Op 17 en 18 december 1672 legden ruim 250 lidmaten van de kerk van Sliedrecht een gunstige verklaring voor hem af. In deze verklaring zeiden zij, dat Ds. Francken elke zondag tweemaal en ook ‘s woensdags in de kerk behoorlijk gepredikt had met “leeringen, vermaninge en bestraffinge ende onderwijsinge”.
Zo bleef dan de balans in evenwicht totdat de dood, die aan alle conflicten een einde maakte, het leven van Ds. Noach Francken afsneed in het voorjaar van 1678.

Geschiedenis-1102
Dorpsgezicht 18e eeuw

De kerkbrand van 10 maart 1762
Er heeft te Sliedrecht altijd maar één kerk bestaan. Ofschoon er drie heerlijkheden waren, was er toch maar één kerkdorp. Voor de Hervorming sprak men van één parochie.
De kerk, die zeer oud is, was in de Roomse tijd gewijd aan Petrus, of zoals men toen zei St. Pieter. Dit wijst erop dat Sliedrecht ontstaan is als vissersdorp. St. Pieter was de patroon of schutsheilige van de vissers.
In 1572 werd de kerk van beelden en altaren ontdaan en door de Hervormden in gebruik genomen. In 1624 heeft de kerk een droevig lot ondergaan. Een kerkbrand teisterde het gebouw.
De kerk werd door de groei van de gemeente van tijd tot tijd uitgebreid. In 1749 werd bijvoorbeeld een groot stuk aan de noordzijde aangebouwd. Twee jaren later werd de toren voorzien van een nieuw Horlogerie (uurwerk) en drie koperen wijzers.

Baron S.P. Callot d’Escury de toenmalige Heer van Sliedrecht meldde rond de kerk en de brand van 1762:

* “Op heden de 10e Maart 1762 des avonds omtrent negen uur is in de kerke te Sliedrecht door middel van een stoof ene brand ontstaan, waardoor in de tijd van een uur het geheel in de asse gelegt is. Diezelfde avond werd de godsdienst in dezelve kerke nog gedaan door onzen predikant de Wel Eerwaarden Heer Dirk van Leeuwen, predikend uit Mattheus 15 van vers 21-28 inclusiv.”

* “Deselve kerk was lang 94 en breet 44 voeten, doch zijnde ‘t Choor, dat een vierde part van de kerk uitmaakte, geheel smal en van achteren spits toelopenden, zijnde ‘t Choor in ‘t Oost maar 12 voeten breet en in ‘t begin 24 voeten.”

* “Ook dezelve kerk was voorzien van drie schone koperen kronen, de welke door de felle vlammen zijn gebersten en aan stukken gesprongen, zodat men dezelve, gelijk ook van een menigte koperen kandelaars genoegzaam niets is terechtgekomen.”

* “Voorts hing in dezelve kerk ‘t wapen van sijn agt quartieren van de Hoog Edel Geboren Heere Adriaan Dingeman van der Burch, Heeren van Naaltwijk, overleden 11 Juni 1739. Nog het wapen met sijn agt quatieren van de Hoog Edel Geboren Vrouwe Charlotte Elisabeth van der Burch, Vrouwe van Naaltwijk, gemalinne van de Hoog Edel Geboren Heer Jonkheer Simon Petrus Baron Collot d’Escury, Heeren van Naaltwijk in Sliedrecht, overleden 31 Augustus 1755. Nog het wapen met sijn 16 quartieren van de Hoog Edel Geboren Heer Mr. Johan van den Burch, Heer van Sliedrecht en Currihil, overleden 45 December 1758. Alsmede in de glazen het wapen van Blijenburg, sijnde geweest de vorige Heeren van Naaltwijk, welke (wapenen) alle verbrand zijn.”

Vuurzee
Was dus de oorzaak niet met zekerheid te zeggen, wel wist men de reden van de spoedige uitbreiding, zoals blijkt uit een ander verhaal van de brand, dat luidt:

“Kunnende tot reden hiervan strekken, dat op vele plaatsen in de kerk de banken tot in de nok waren opgetrokken, waardoor de vlam direct alles overwon en dit Godshuis in een vuurzee veranderde, ja niets spaarde. De koperen kronen, kandelaren enzovoort zijn gesmolten en tot pulver verteerd. De Wapenborden van de Ambachtsheren en vrouwen uit de huize van Blijenburg waarmede de kerk versierd was, zijn verteerd. Zerkstenen van ongemene dikte zijn gesprongen, en niets dan 4 muren is overgelaten, niettegenstaande de vlijt en ijver die de inwoners, door middel van brandspuiten, ter bescherming aanwendden.”

De jammer en het hartzeer van de burgerij was onbeschrijfelijk en overtrof al ‘t geen men er van kan zeggen. De vlammen schenen alles verwoesten. Ook de nabij staande woningen van de predikant en de schoolmeester en andere met riet gedekte huizen waarop al vuurspranken vielen. Doch door Gods goede voorzienigheid gebeurde een zeer gepast toeval, te weten dat het dak van de kerk plotseling instortte. De vlammen werden hierdoor gestuit en richtten geen verdere schade aan. Zelfs niet aan de toren waarvan de planken in de galmgaten reeds aan het branden waren. De inwoners blusten met behulp van de brandspuiten de vlammen en de rondom staande huizen ondervonden niet het minste nadeel van de kerkbrand.
Vier dagen daarna hield de predikant op de puinhopen van de verbrandde kerk een toepasselijke rede over Leviticus 10:3: “Doch Aaron zweeg stil”.

Herbouw van de afgebrande Nederlands Hervormde Kerk

Geschiedenis-1103
S.P. Collot d’ Escury

Na de brand van de kerk werden de godsdienstoefeningen gehouden in een houten loods die echter niet alle ingezetenen kon bevatten, zodat de overigen genoodzaakt waren voor de open vensters te blijven staan.
Onder aanmoediging van de heer van Sliedrecht, Mr. Simon Baron d’Escury, werden pogingen in het werk gesteld om tot herbouw van de kerk te geraken.
Sliedrecht was toentertijd een dorp van omstreeks 2600 inwoners, maar de “in en opgezetenen, hoezeer talrijk, bestonden echter meest uit vissers en arbeiders in grienden, en dus niet van vermogen om zware schattingen te dragen”.
Daarom werd Martinus Snep, schout en secretaris van Naaldwijk en Lockhorst, gemachtigd om aan de Staten van Holland een rekest te richten.
Hij deed het verzoek ten laste van de heerlijkheden een som van f 14.000,= te mogen lenen en een gelijke som van f 14.000,= te mogen ontvangen uit het Comptoir Generaal der Kerkelijke Middelen.
Op 4 maart 1763 kreeg men van de Staten octrooi om een som van f 17.000 te lenen tegen 3 pct. onder verschillende voorwaarden.

Heffingen
Naar de goede gewoonte van die tijd werden ook direct de middelen aangewezen waaruit de rente en een aflossing van minstens f 500,= konden betaald worden. Die middelen zouden bestaan uit de grondbelasting, 100e en 200e penning (een vermogensbelasting) die anders door de Staten van Holland geheven werden. Verder kwamen er extra heffingen op het koren, de slacht, het bier, enzovoort. Tevens werd het stoelengeld in de kerk, het recht op het trouwen e.d. verhoogd. Tenslotte kwam er nog een hoofdelijke omslag bij. Al deze middelen waren echter nog nauwelijks voldoende voor rente en aflossing zodat men in 1780 nog verlenging voor de verschillende heffingen moest vragen.
Het oorspronkelijke plan tot herbouw zou f 28.800,= kosten, maar werd op advies van de landarchitect Pierlink teruggebracht tot f 21.000,= door weglating van alle overtollige ornamenten en het laten staan van een gedeelte van de zuid- en oostmuur. Bovendien werd de kerk, in plaats van een voet hoger dan de dijk, slechts 2 voet en 8 duim hoger dan de oude kerk. Hierdoor zou ze bij overstroming van de dijk in het water komen te staan.

Herbouw
Volgens het bestek zou de nieuwe kerk 89 voet lang en 60 voet breed worden. Bij de toren en aan de oostzijde 235 voet breed, terwijl de oude kerk 94 voet lang en 44 voet breed was.
De aanbesteding van het buitenwerk had 13 en 19 april 1763 plaats. Onder de inschrijvers komen voor Maas van Spanje en Arij Balte Bos uit Sliedrecht. De laagste inschrijver, f 21.099,= , was Jan Cranenborg te Vianen aan wie volgens het octrooi van de Staten van Holland het werk gegund moest worden.
Reeds op 8 juni van het volgende jaar was men zo ver dat de eerste en tweede steen gelegd konden worden in het noordwesten bij de toren. De eerste steen werd gelegd door S.P. Baron Collot d’Escury, heer van Sliedrecht, en de tweede steen door zijn echtgenote Vrouwe A.M. Dellafaille.

Voldoening
Op 11 december 1763 had na de voltooiing van het buitenwerk de eerste godsdienstoefening plaats. Bij deze gelegenheid werd de nieuwe predikant Ds. Ph. van Duuren van Sloten, bevestigd door Ds. W.J. Kalkoen van Gorinchem.
Ofschoon er van het binnenwerk nog niets klaar was, werd er nadien toch voortdurend kerk in gehouden. Men had er meer plaats dan in de houten loods, die na de brand als noodkerk diende.
Nadat op 4 januari 1764 het binnenwerk was aanbesteed, werd de kerk op 19 mei 1764 door Ds. van Duuren ingewijd met een leerrede over Genesis IV:26. In de namiddag hield de vorige predikant Ds. Joh. Krom, die naar Tiel vertrokken was, er een opwekkende rede over Job V: 17 en 18.
Men kan zich de vreugde voorstellen van de Sliedrechtse bevolking toen men weer een doelmatig kerkgebouw had dat door de vergroting nu aan alle kerkgangers plaats bood.
De voldoening was des te groter wanneer men bedacht dat het gebouw geheel uit eigen middelen en uit vrijwillige gaven van de ingezetenen tot stand gekomen was en dat men niet, zoals toen de gewoonte was, een bedeltocht door het land had moeten organiseren.
Ook de toren is bij deze gelegenheid onderhanden genomen en van nieuw metselwerk in ‘t bovengedeelte voorzien.

10 – De verdere geschiedenis der Heerlijkheden

Eerder hebben we uiteengezet hoe het dorp Sliedrecht bestond uit drie heerlijkheden: Naaldwijk, Lockhorst en Niemandsvriend.

De eerste twee grensden ongeveer bij het kerkgebouw (thans hoek Stationsweg) aan elkaar. Lockhorst grensde aan Papendrecht, terwijl Niemandsvriend geheel omsloten werd door Lockhorst.

Aan het hoofd van elk der heerlijkheden stond een heer die feitelijk het gehele bestuur in zijn heerlijkheid in handen had. Hij benoemde een schout die het dorp in zijn naam bestuurde. De heer was een man van gezag die door allen gevreesd werd. De heer benoemde de predikant, de schoolmeester, de chirurgijn enz. enz. en had zodoende een overwegende invloed op het kerkelijk en maatschappelijk leven.

In het algemeen kan men zeggen dat Sliedrecht het met zijn heren niet zo slecht getroffen heeft, al was het ook niet altijd pais en vree. Op het platteland was men in het algemeen steeds zeer Oranjegezind geweest. Zo ook in Sliedrecht. Het was een ramp wanneer er op een dorp een heer was met andere gevoelens. Vooral later in de 18e eeuw. In Sliedrecht waren in de 17e eeuw de geslachten Van Blyenburgh en Van der Burch eigenaren van de heerlijkheden. Juist deze families waren zeer Oranjegezind. Leden van deze geslachten fungeerden als trouwe helpers van Willem III in Engeland en tijdens zijn veldtochten in België. In de 18e eeuw was het de familie Collot d’Escury die het dorp in de oude geest bestuurde en hier de eendracht wist te bewaren in tegenstelling met andere dorpen waar door de onderlinge ruzies grote schade veroorzaakt werd.

Naaldwijk
Geschiedenis-1001De heerlijkheid Naaldwijk begon aan de grensscheiding met Giessendam en liep tot het Kerkweer. Ze was 620 morgen groot en werd in de 17e eeuw en later gehouden voor “allodiaal” goed. Men dacht toen dat het land nooit door de graaf in leen gegeven was. Eerder in ons verhaal lieten we echter weten dat het een leen was van de heren Van Voorne. Het behoorde in 1432 nog aan Aelbrecht van Naaldwijk. Later kwam het – waarschijnlijk doordat de heer de spade op de dijk stak, omdat het dijksonderhoud hem te zwaar viel- aan de “Gemene Ingelanden” van de Alblasserwaard.

Te Dordrecht, in de St. Jorisdoelen, werd het land geveild uit naam van de “Gemene Ingelanden” en gekocht door Jhr. Adriaan van Blyenburgh, schout van Dordrecht, ridder van de Orde van St. Michel en waardijn van de Munt van Holland, gesproten uit het geslacht van die naam, dat in de vrijwording van ons land in 1572 zulk een belangrijke rol heeft gespeeld.
Hij werd opgevolgd door Mr. Jacob van Blyenburgh Adriaensz (1630-1633), die dezelfde titels en ambten als zijn vader had. Zijn opvolger, broer Adriaen, was een dapper man die zich in de vele oorlogen van Prins Willem III tegen Lodewijk XIV herhaaldelijk onderscheiden heeft. In 1674 nam hij deel aan een slag waarbij Prins Willem III verslagen werd. Van Blyenburgh wist echter door het vormen van een wagenburcht het verlies van de pakkage en van de krijgskas te voorkomen.
Uit zijn huwelijk met Levina de Vries werden niet minder dan 16 kinderen geboren. In haar testament had zij aanvankelijk haar zoon Adriaan tot opvolger benoemd. Echter al haar kinderen -op een na- kwamen voor haar te overlijden, zodat zij in een van haar latere testamenten klaagde dat van al haar kinderen haar niet anders overgebleven was dan haar dochter Charlotte Elisabeth, die gehuwd was met Mr. Johan van der Burch. Bovendien wilde het ongeluk dat zij voortdurend in onmin leefde net die schoonzoon. Deze maakte schulden en dronk en zoals men het toen uitdrukte: “Een wittebroodskind was, dat men het best naar Oost of West kon schikken (sturen)”. Uit haar vele testamenten, er zijn er minstens vijftien bekend, blijkt het ongenoegen dat deze schoonzoon haar bezorgde. Na haar dood heeft zij aan hem en haar dochter niets anders nagelaten dan het vruchtgebruik, ook wat betreft de heerlijkheid Naaldwijk. De gehele erfenis moest onverdeeld blijven tot na het overlijden van Mr. Johan van der Burch, wat op 14 Maart 1732 op het huis Blyenburgh in Sliedrecht geschiedde. Na zijn dood werd zijn erfenis niet aanvaard wegens de grote schulden, vooral aan wijnhandelaars.
Zijn dochter, Charlotte Elisabeth van der Burch bracht Naaldwijk door huwelijk aan Simon Petrus, baron Collot d’Escury, die de drie heerlijkheden van Sliedrecht verenigde.

Oversliedrecht
Geschiedenis-1002De heerlijkheid Oversliedrecht strekte zich uit van de kerk westwaarts tot aan Papendrecht toe en omsloot ook de heerlijkheid Niemandsvriend, waarover later.
Oversliedrecht was in 1394 door het huwelijk van Agnes van de Merwede met Adam van Lockhorst in de familie Lockhorst gekomen en daarin gebleven tot 1631.

Via het huwelijk van Geertruyd van Lockhorst met Jhr. Nicolaas Schagen van Matenesse, kwam de heerlijkheid in 1675 -na verkoop- in handen van Johan Teding van Berkhout. Deze was lid van de Vroedschap van Amsterdam en een gewaardeerd medewerker van Prins Willem II, die hij ook naar Engeland volgde. Het leven aldaar schijnt echter voor de Hollandse dienaren van de Prins veel te kostbaar geweest te zijn en zodoende ging de heer Teding van Berkhout onder zware schulden gebukt. Dit noodzaakte hem zijn heerlijkheid Oversliedrecht in 1693 weer te verkopen.
Koper was Adriaen Dingeman van der Burch, vroedschapslid te Dordrecht, en zijn opvolger was Mr. Johan van der Burch, Heer van Kurrihil in Engeland, die in 1758 te Zaltbommel overleed. De boedel werd slechts onder recht van boedelbeschrijving aanvaard. Bij de verkoping van de eigendommen kocht Simon Petrus Collot d’Escury op 3 januari 1759 Oversliedrecht en verenigde zo Naaldwijk en Oversliedrecht.

Handjeklap
Een contract van correspondentie is een overeenkomst waarbij onderscheiden regeringsleden overeenkomen door het uitbrengen van hun stemmen te bewerken, dat hun bloedverwanten of vrienden in de regeringsbetrekkingen gekozen werden. Het gevolg hiervan was dat de zo zeer gevreesde en noodlottige familieregering ontstond, waaraan eerst de revolutie van 1795 een eind maakte.
Tot heden toe vond men dergelijke contracten van correspondentie alleen in de steden. Bij mijn onderzoek naar de geschiedenis van Sliedrecht was ik (de heer Lips) zo gelukkig de hand te kunnen leggen op een dergelijk stuk betreffende de geschiedenis van de drie heerlijkheden in ons dorp.
Op 12 december 1744 verschenen voor de notaris Pieter van Well te Dordrecht, Heer Simon Petrus Collot d’Escury, Heer van Naaldwijk in Slijdregt en Mr. Johan van der Burch, Heer van Niemandsvriend, Schepen in Wetten en Oud-Raad van Dordrecht.
Zij kwamen overeen, dat wanneer de drie Heren van Sliedrecht hun stem moesten brengen, hetzij op de rekening van de Alblasserwaard, hetzij bij de verkiezingen van Hoogdijkheemraden van de Alblasserwaard, zij hun stemmen op een persoon zouden uitbrengen. Bij verschil van mening besliste het lot.
Het doel was meer profijt te trekken. Immers allengs was bij de verkiezingen het bederf van de stemmenkoperij ingeslopen. Het voordeel blijkt ook duidelijk. Zonder blikken of blozen staat er dat men de revenuen, van het aanstellen van Hoogdijkheemraden komende, elk voor de helft zou genieten.
Wat nog erger was, men wilde met deze acte bereiken dat de stem van de heer van Oversliedrecht waardeloos werd en deze dus ook geen revenuen kon trekken. Alleen maakte men er de bepaling bij dat dit contract niet zou gelden zolang de toenmalige heer van Oversliedrecht, Mr. Johan van der Burch van Courrihil nog leefde. Tenslotte heeft het contract niemand schade gedaan. Zoals wij reeds lazen, kocht S. P. Collot d’Escury zelf in 1759 de heerlijkheid.

Niemandsvriend
Geschiedenis-1003Niemandsvriend was altijd het minst belangrijke van de drie heerlijkheden en het werd geheel door Oversliedrecht omsloten. Bovendien was het nog in twee helften verdeeld. Het gebeurde zelfs eenmaal dat er een eigenaar van een vierde gedeelte was.
De ene helft was allodiaal of gewoon particulier bezit, terwijl het andere gedeelte weer een leen was van het bekende huis Nijenrode in Utrecht.
Bovendien trachtten de twee grotere heerlijkheden Niemandsvriend nog van de weinige rechten te beroven. Zo had het in de 17e eeuw nog met Oversliedrecht evenveel stemmen als Naaldwijk bij de verkiezing van kerkelijke ambten, maar in de 18e eeuw verklaarden de andere heren, dat Niemandsvriend over de Kerk niets te vertellen had. De inwoners dienden wel de godsdienst in de kerk waar te nemen.
Eigenaars waren in de 17e eeuw de Heren Van der Burch, welk geslacht eindigde in de 18e eeuw met Mr. Johan van der Burch die in 1771, op zijn buitenplaats Weizigt aan den Spuiweg te Dordrecht, overleed.
Daarna werden nog genoemd diens halfzuster Sophia Adriana Houeff en haar man Mr. Hendrik Onderwater, totdat tenslotte ook Niemandsvriend aan het geslacht Collot d’Escury kwam.
Na 1795 verloren de heerlijkheden hun belang. Daarvoor kwam de burgerlijke gemeente in de plaats. Eerst gekozen door de koning en later door de kiesgerechtige inwoners zelf. Onder het nieuwe en meer democratische bestuur zou ons dorp eerst tot volle ontplooiing komen. De heerlijkheden kwamen in de 19e eeuw tenslotte aan het geslacht van Bijlandt.

09 – Hoe het Sliedrecht vergaat in de 17 eeuw

Problemen rond de rivier de Merwede
Doordat het meeste water zich een weg gebaand had door de Biesbosch, was de rivier de Merwede in de loop der jaren aanmerkelijk ondieper geworden. Daar had zich een aantal killen gevormd, die vanaf Werkendam naar het Hollandsch Diep voerden. Door de mindere watertoevoer was de Merwede zelfs zo ondiep dat men op sommige tijden bijna van Dordrecht naar Papendrecht door de rivier kon waden.
De stad Dordrecht, die groot belang bij het blijven bestaan van een goede waterweg had, had op allerlei wijze getracht de zuidelijke oevers van de Merwede in stand te houden en daar -na de St. Elisabethsvloed- weer land te winnen. Daarbij werd ze uitstekend geholpen door Sliedrechters die op genoemde oever voortdurend land aanwonnen voor riet- en griendcultuur.

Dijkdoorbraak
De Merwede werd weer in haar oude bed van voor 1421 (St-Elisabeths vloed) gedrongen. Natuurlijk was dit niet zonder bedenkingen voor de ondiepten in de Merwede. Toen de killen in de Biesbosch ondieper begonnen te worden en versmalden, werd het een kwestie van buigen of barsten. Het ging voor de eerste maal mis op 30 december 1658.

Geschiedenis-0901
De Wiel te Sliedrecht, gevolg van een dijkdoorbraak

Een plotseling invallende dooi was de schuldige. Bij Hardinxveld was een grote ijsdam gevormd die door de geringe diepte tot de bodem van de rivier reikte. Het gevolg was een gewelddadig opkomen van het water dat tenslotte over de dijk liep, een wiel vormde en de Alblasserwaard onder water zette.
Groot was de schrik onder de bewoners, die een overstroming slechts bij overlevering kenden. In een mensenleeftijd was zoiets niet meer voorgevallen. Groot waren ook de ellende en de armoede die er uit voortvloeiden. De arme boeren die niet alleen hun stalling, maar ook hun hooi verloren hadden, wisten met hun beesten geen raad.

Jacob van Oudenhoven, predikant te Nieuw-Lekkerland, zegt in zijn strafpredikatie van 1659: “Men verkocht ze niet. Men gaf ze weg, het smeer (vet) en de huid zouden voor deze meer gegolden hebben als enige voor drie of vier beesten kregen. De prijs was 3, 4 of 5 gulden voor een koe, die anders 50 of 60 gulden waard was.”

De rechter grijpt in
Toen kwam het Gerecht van Dordrecht tussenbeide. Het verbood dat baat zoekende mensen voor geringe prijs het vee, toebehorende aan de ingezetenen van de Alblasserwaard, – onlangs door Gods rechtvaardig oordeel geïnundeerd (onder water gezet) – opkochten om dit naar Brabant en Vlaanderen te voeren.
De geladen schepen werden aangehouden en gingen in de Dordtse Kil voor anker. In de stad Dordrecht werden in allerijl stallen in gereedheid gebracht en “vourage” (voer) voor het vee gekocht. Bovendien werd de brouwers verboden hun buisstel (spoeling) te verkopen. Zij moesten het tegen een lage prijs aan de arme boeren ter beschikking stellen.

Problemen bij de ontwatering
De grote moeilijkheid was om het ingevloeide water weer kwijt te raken. Het stond wel ongeveer 10 voet hoog bij Alblasserdam. Zo lang het gat bij Hardinxveld open bleef, moest men de sluizen bij Alblasserdam en Elshout zorgvuldig gestempeld (met balken gesloten) houden. Anders zouden de sluizen er geheel uitspoelen. Nadat men het gat in de dijk bij Hardinxveld gedicht had, moest men eerst verder benedenwaarts hulpgaten in de dijk maken. Toen daardoor het water zover afgevoerd was dat de binnendijken net boven water kwamen, moesten de molens het verdere werk doen. Maar ook dit liep geweldig tegen. Windstilte zorgde er voor dat de molens niet altijd konden malen. Hoog water voorkwam dat de boezems niet konden lozen. Het gevolg was dat de Alblasserwaard gedurende een groot deel van het jaar 1659 onder water bleef en pas in de herfst droog begon te vallen. Op 26 november 1659 werd een algemene dank-, vast- en biddag gehouden voor het weer droog komen van de Waard.

Geschiedenis-0902
Zie de stenen op de muur. Deze geven de de waterhoogte aan bij
de overstromingen.
Geschiedenis-0903
1740 , 1809
en 1819

De armoede was groot
In 1663 herhaalde zich de overstroming bijna op dezelfde manier. Weer was het een ijsdam die de dijk deed doorbreken. Nu dichtbij Gorcum. Deze vloed was nog een voet hoger dan die van 1659. Men had in de dijk bij de Lek vier hulpgaten gemaakt om te voorkomen dat het water in het westen van de Waard over de dijken zou stromen en deze zou vernielen. Daarbij kwam nog dat, toen men het gat in de Merwededijk gedicht had, de afkraging van dit gat op 11 maart 1663 jaar wegzonk en er dus als ‘t ware een dubbele overstroming plaats had.
Ook nu bleef het water, tot grote schade van de eigenaars die zich nog nauwelijks van de verliezen van 1659 hersteld hadden, het gehele jaar op het land staan. De armoede was zo groot dat de Staten van Holland gedurende twee jaren een vermindering van f 60.000,- op de verponding toestonden om zo aan de geleden schade althans enigszins tegemoet te komen. Op allerlei manieren heeft men na die tijd getracht verder onheil te voorkomen. Men maakte de dijken sterker en hoger, maar men kon de hoofdoorzaak; namelijk de ondiepte van de Merwede en de killen bij Werkendam niet wegnemen. Daarom zullen we in de geschiedenis van de Alblasserwaard nog herhaaldelijk van overstromingen (1709 tot 1820) vernemen. Eerst in later tijden zouden de baggermolens uitkomst brengen.

De gevolgen van de oorlog met Frankrijk (1672)
Ons vaderland had in 1672 de boosheid van de Franse  koning Lodewijk XIV opgewekt. Om zijn eer te wreken verklaarde hij ons op 10 april 1672 de oorlog en marcheerde met een leger, zoals toentertijd nog nooit in de geschiedenis gezien was, naar de grenzen van onze republiek. Ieder dacht dat het leger zijn weg zou nemen over de Veluwe. Door het verraad van een boer trok het Franse leger bij een doorwaadbare plaats bij Lobith over de Rijn. Voordat men het hier kon inschatten, waren de troepen al in de Betuwe.

Geschiedenis-0904
De Franse trekken bij Lobith over de Rijn

Grote angst langs de Merwede
In de plaatsen langs de Merwede heerste grote angst. Men kon zeker verwachten dat de vijand zijn weg via Gorinchem naar Dordrecht zou nemen en zodoende ook door Sliedrecht zou trekken. De legers leefden toen nog van het afstropen van het platteland dat ze passeerden. Het zal duidelijk zijn dat men bang voor zo’n leger was.De Staten van Holland hadden op 8 april 1672 besloten dat er een onderzoek ingesteld zou worden naar de mogelijkheid om door het inlaten van water Holland onneembaar te maken. Naar aanleiding van dit besluit kwam men tot de uitvoering van de “Hollandsche Waterlinie”.
De Franse trekken bij Lobith over de Rijn
Reeds in juni 1672 was men in de Alblasserwaard bezig met de voorbereidende werkzaamheden. Door het openzetten van de uitwateringssluizen en het doorsteken van de dijken moest het water tot deze inundatie (onderwaterzetting) verkregen worden uit de rivieren: de Merwede, de Linge en de Lek. Het eerste werk dat gedaan moest worden, was het weggraven van de hoge buitendijkse gronden. Toen de sluizen geopend werden en het water door een noordwestenwind wassende was, dacht men dat de inundatie in korte tijd voltooid zou zijn.

Het land onder water
Spoedig ondervond men tegenkanting van de boeren die voorgaven dat de stad Gorinchem in zulke slechte staat was, dat men daar toch de vijand niet tegen kon houden en dat hun landen door de inundatie nodeloos bedorven zouden worden. In dit verband moet men ook het verzoek van de Alblasserwaard aan de Staten van Holland, om van inundatie verschoond te mogen blijven, zien. In plaats van de versterkingen aan de dijken en de grachten te werken, bezetten zij gewapend de poorten van Gorinchem. De door de Staten van Holland benoemde lieden konden de bezetters niet tot rede brengen De boeren bleven de wacht houden op dijken en wegen en verhinderden het uitvoeren van de inundatie. Dit duurde tot den 19-e juni. Het Staatse leger onder leiding van veldmaarschalk Wirtz was intussen in de stad gekomen. Enkele oproerkraaiers en belhamels werden opgepakt en later terechtgesteld.

De volgende dag werden verschillende sluizen geopend en scheen de inundatie van alle landen ten oosten van de dijk langs de Zouwe spoedig tot stand te zullen komen. De boeren in de Alblasserwaard, die alleen het eigenbelang op het oog hadden, tapten echter aan de andere kant weer zoveel water af dat op 3 juli het water in de Boven-Alblasserwaard nog niet hoger stond dan de bovenkant van de sloten. Dit deed Wirtz besluiten om de sluizen van Elshout en Ammers te stempelen en de Lekdijk en de Merwededijk beneden Gorinchem door te steken.

Grote schrik
Het doorsteken van de Merwededijk veroorzaakte onder de boeren van de Alblasserwaard – zich de toestanden van 1659 en 1663 nog herinnerend – een grote schrik. Immers, bij een hoge waterstand hadden zij de ergste gevolgen te duchten. Aan veldmaarschalk Wirtz stelden zij daarom voor alleen de Boven-Alblasserwaard (De Overwaard met de polder Streefkerk) onder water te zetten, Door middel van het openen van de sluizen van Elshout, Ammers en Giessen zou de Beneden-Alblasserwaard (De Nederwaard met Papendrecht, enz.) droog kunnen blijven voor de berging van hun vee. Wirtz nam dit voorstel aan.

De boeren hielden zich echter niet aan hun woord en gingen nu de Overwaard aftappen via de Nederwaard. Daarom liet Wirtz de Merwededijk uiteindelijk toch doorgraven. Toen in juli door een westenwind het water buitengewoon werd opgestuwd, kwam er zoveel water binnen “dat elckeen begoste te schreyen” dat het water ook in de Nederwaard zou binnendringen. Wirtz liet daarop weer een kade in de dijkdoorsnijding maken. Zo bleef de Nederwaard van inundatie vrij. Op den duur bleek echter dat de kaden niet voldoende sterk waren om het water uit de Nederwaard te houden en daarom bepleitten de Gedeputeerden van Dordrecht in de Staten van Holland om die kaden te mogen verhogen en wel van Giessendam tot Elshout. Hiermee zouden elfduizend morgen land van water vrij gehouden kunnen worden. Weldra kwam de verhoging tot stand. De uitvoering vond plaats door daggelders. Aldus hadden we in onze omgeving gelukkig geen al te zware gevolgen van de waterlinie.

Geschiedenis-0905
Situatie van onze omgeving omstreeks 1672

Oorlogsgevaar
Intussen was het oorlogsgevaar dichtbij. De Fransen hadden in korte tijd bijna heel ons land tot aan Utrecht bezet. Ze probeerden nu een aanval op Gorinchem, maar Wirtz trad flink op en wist hen te weerstaan. Niettegenstaande de lafhartigheid van een aantal officieren dat bij de eerste nadering van de vijand de vlucht nam. Wirtz liet de beul van Haarlem komen die hen na vonnis terechtstelde.
Op 18 augustus 1672 volgde een tweede aanslag op Gorinchem waarbij verraad in het spel was. Ook ditmaal mislukte de poging de stad in te nemen. De boer die de Fransen de weg gewezen had, werd opgehangen.

Ontevredenheid
In 1672 was er onder de ingezetenen van de Alblasserwaard grote ontevredenheid. Een archiefstuk uit die tijd zegt, “Verscheyde mumuratien ende inobedientie (ongehoorzaamheid) ontstaan jegens de Heeren Dijkgraven en Heemraden, mitsgaders tegen Schouten en gerechten”. De bevolking dacht dat nu de Prins verheven was tot de waardigheden van zijn voorvaderen er ook in het bestuur ten plattelande, waar men toch zo voor het Oranjehuis geijverd had, verandering gebracht zou worden. Hierin kwam zij toch bedrogen uit. De Prins aan wie verzocht was aan de “confusie” (verwarring) een einde te maken, liet de zaak ten plattelande zoals die tot die tijd geweest was. Enkele heren speelden de baas en de boeren hadden niets te vertellen. Om het vaderland te verdedigen waren er ook heren benoemd om de huislieden (de boeren) onder de wapenen te brengen. Deze waren over dit feit zo boos dat ze vernielingen aanrichtten.

08 – Aan de 80-jarige oorlog komt een eind

“Bergverkoopers” en nieuw gevaar voor Sliedrecht
De stad Geertruidenberg die, zoals we in een eerdere uitgave lazen, in 1573 door de Prins veroverd was, had in 1588 een Engelse bezetting. Doordat de Engelsman Leicester echter uit de Nederlanden vertrokken was, kwamen de huursoldaten in dienst van de Staten van Holland, die door het geldgebrek van diezelfde Staten sinds lang geen soldij ontvangen hadden, in maart 1588 in opstand en begonnen de vaart tussen Holland en Zeeland te bemoeilijken. Op verzoek van de Staten van Holland gingen toen Dirck Gerbrandsz. Stoop en Mr. Joos de Menin, pensionaris van Dordrecht, vanuit die stad naar Geertruidenberg om de muitelingen tevreden te stellen met de belofte dat Dordrecht borg zou staan voor de betaling van de achterstallige soldij. Toen de bezetters nog niet wilden luisteren, belegerde Prins Maurits de vesting in maart en april 1589, maar hij moest door het wassen van het water en door de komst van Parma het beleg opbreken. De meinedige bezetting verkocht Geertruidenberg vervolgens op 10 april 1589 aan Parma tegen betaling van 15 maanden soldij.

Geschiedenis-0801
Situatie 1589
Na de “Bergverkooperij” kwam Sliedrecht weer in de gevarenzone te liggen.
Ten zuiden van de stippellijn lag het door de Spanjaarden beheerste gebied.
De gele pijl geeft aan dat de aangrenzende plaatsen, waaronder Sliedrecht, bloot stonden aan Spaanse plunderingen.

Dit schandelijke bedrijf, het verkopen van Geertruidenberg of kortweg Den Berg aan de Spanjaarden, is in de geschiedenis bekend geworden onder de naam van “Bergverkooperij”. De medeplichtigen werden “Bergverkoopers” genoemd en allen eerloos en vogelvrij verklaard. Velen lieten later aan de galg het leven. Door dit feit heersten de Spanjaarden opnieuw over de Biesbosch.
Hoewel men door het bestaan van een geregelde burgerwacht beter tegen aanvallen bestand was dan in de eerste jaren van de opstand, was het gevaar voor Sliedrecht na de “Bergverkooperij” weer dreigender geworden. De vijand was beter toegerust en kwam met galeien en grote schepen om te roven en gijzelaars mee te nemen. Herhaaldelijk werden aanslagen beraamd.

Een vergadering in herberg Den Engel
Uit deze tijd stamt ook het volgende verhaal rond het wegblijven van personen van de wacht. Een feit dat in deze gevaarlijke omstandigheden allerminst geduld kon worden. Weliswaar stond op het wegblijven een boete, maar men trachtte die te ontgaan door te zeggen dat men ziek was geweest. Ook waren er geschillen gerezen tussen Sliedrecht en Wijngaarden over het dienen op de wacht.
Op 1 maart 1592 hield de oud-kapitein van de wacht, Jan Humensz., een zitting in de herberg Den Engel en liet daar “ontbieden degeene die op de schildwacht verbeurt hadden ten tijde dat hij capiteijn was om met dezelve te accordeeren, ten eijnde de waerdinne tevreden te stellen”. Hij wilde dus een overeenkomst met de schuldenaars maken om vervolgens van de boetes de verteringskosten te betalen. Er werd bepaald dat men “des anderen daechs daeraen, als namentlicken den tweeden der voorseijde maent Martii” dus op 2 maart bijeen zou komen in de herberg Den Engel, of zoals men toen zeide “ten huyse van Jan Thonisz. staende opten Hoogen Dijck opten Westenhouck van de Tollestege”.
Daar vergaderde inderdaad Jan Humensz. als kapitein met zijn luitenant en rotmeesters, benevens den schout van Wijngaarden en nog vele andere personen om de geschillen bij te leggen. Zij konden het evenwel niet eens worden en bleven zitten twisten.
Op een bepaald moment zag men de predikant Arnoldis Wassenburgh voorbijgaan. Men riep hem binnen en vroeg hem om aan het geschil een einde te helpen maken.

De dominee als scheidsrechter
Ds. Wassenburgh vertelde later voor het gerecht in Dordrecht hoe zich alles toegedragen had. Hij was bij een “sieck ofte crancke vrouw geweest ende meende naer huys te gaen” toen de bovengenoemde personen “op hem begeert dat hij een weynick tyts bij henlieden soude willen sitten, daar zij aldaar twistich waerren noependen de siecke op de schildwachte verbeurt, om dezelve saecke te helpen vereenigen”.
Men wilde dus de predikant als man van de vrede, als scheidsrechter hebben, een rol waarin de dominees van Sliedrecht zich altijd bijzonder onderscheiden hebben. In dit geval zag de predikant echter geen directe oplossing en hij gaf ten antwoord “dat hij geen middel daerinne en sach ten waere, dat zij de saecke ten beijden zijnden aen mannen stelde ende dat hij alsdan gaerne tusschen beijden middelaer wesen wilde”.
Ds. Wassenburgh was een voorzichtig man en hij wilde liever een soort commissie benoemd zien die rustig over het geval zou kunnen nadenken en beslissen.

De dominee ontvoerd
Zover zou het echter niet komen, want er stonden heel andere dingen te geschieden. De Spanjaarden verschenen plotseling met twee schuiten gewapende manschappen en voerden het gehele gezelschap, met den predikant en de waard incluis, naar Geertruidenberg en wierpen de gevangenen daar in de gevangenis. Toen begon het geweten van den waard te spreken.
Ds. Wassenburch verklaarde later dat de waard “in de gevanckenisse tot Geertruijdenberge aldaer openbaerlicken (in het openbaar) geseijt heeft, dat hij (n.l. de waard) wel van eenige gewaertschout was, dat dan viant off eenige schuijten opt waeter was, maer dat hij sijne gasten niet en wilde waerschouwen, vreesende dat zij met gelach soude deurloopen”.

Uit vrees voor het verlies van het geringe bedrag dat de aanwezigen verteerd hadden, had de trouweloze waard hen niet gewaarschuwd, hoewel hij volgens eigen verklaring van het gevaar bekend was, daar “eenige visschers hem seijden, datter ten voerszijden tijde twee schuijten ofte jachten met volck opt waeter waren ende dat hij hem verzien zouden” (dat hij maatregelen tot beveiliging zou nemen). Daar zat nu het gezelschap in de Spaanse kerker in Geertruidenberg te zuchten tot men in Sliedrecht en elders het geld voor hun rantsoen (loskoopprijs) had bijeengebracht. Gemakkelijk ging dat nog niet, want het tarief, dat varieerde naar de belangrijkheid en het bezit van de persoon, was speciaal voor hervormde predikanten erg hoog.

Hoge losprijs
Voor minder dan f 1000,- kon men toen vrijwel nooit een predikant loskopen. Sliedrecht zelf was te arm om een dergelijk bedrag bijeen te brengen. Gelukkig had Ds. Wassenburgh nog goede vrienden die voor hem in de bres sprongen. Ds. Johan Uittenbogaert, hofprediker van Maurits en de classis van Zuid-Holland riepen de tussenkomst van Prins Maurits in en door diens bijstand geraakte hij spoedig daarop weer in vrijheid. Reeds in december 1592 vinden we Ds. Arnoldus Wassenburgh weder in Sliedrecht, blijkens een door hem gedaan verzoek aan zijn collega in Dordrecht om twee personen uit Sliedrecht daar in de echt te verbinden. Dit avontuur liep voor de predikant nogal gunstig af. Het gebeurde namelijk ook wel dat de Spanjaarden de niet geloste gevangen ophingen om zo van hen verlost te worden. Zo waren onder andere een aantal schippers van Breda bestemd om opgehangen te worden. Terwijl ze reeds onder de galg stonden, werden ze op voorspraak van de burgers van Geertruidenberg gered.

Het gevaar voor Sliedrecht geweken
Men kan zich de vreugde van de Sliedrechtenaren licht begrijpen, toen zij in het najaar van 1592 Prins Maurits aanstalten zagen maken voor een belegering van Geertruidenberg in het komende voorjaar van 1593. Daarbij kwam dat Parma, de geniale aanvoerder van de Spanjaarden, overleden was en de Spanjaarden, mede daardoor, in het defensief gedreven waren. Gedurende de winter van 1592-1593 werd zoveel mogelijk de toevoer van levensmiddelen naar Geertruidenberg afgesneden en op 27 maart 1593 verscheen tot grote schrik van de vijand Prins

Geschiedenis-0802
Prins Maurits

Maurits plotseling voor de stad.
Gemeend werd dat de prins een aanval op Den Bosch in de zin had, maar hij liet Geertruidenberg, zowel aan de land- als de waterzijde, zo nauw insluiten dat er geen muis in of uit kon. Aan de waterzijde legde Maurits een halve maan van oorlogsschepen, verbonden door sterke kabels. Binnen die ring voeren snelle jachten, die elk ogenblik de wallen verontrustten. Deze insluiting verdroot den Spaanse veldheer Mansfelt zozeer dat hij door een trompetter liet vragen waarom Maurits zo beschanst lag en waarom hij zich niet als een flink veldheer aan een veldslag waagde. De Prins antwoordde hierop dat hij een “jonck heer” was en gaarne een oud krijgsman zoals Mansfelt wilde worden. Op 24 juni 1593 werd Geertruidenberg bij verdrag aan de Prins overgegeven. Deze verovering van Geertruidenberg was voor de Republiek van groot belang, omdat daardoor het binnenlands verkeer te water weer helemaal vrij was. Voor Sliedrecht was daardoor het eigenlijke gevaar in de 80-jarige oorlog geweken. De gedenkpenning, die toen geslagen werd, met als voorstelling een boer rustig zijn land ploegende achter het legerkamp van Maurits was duidelijk van toepassing op de toestand in ons dorp. De vreugde in het land was algemeen en niet in het minst in Sliedrecht dat zo nauw bij de situatie te Geertruidenberg betrokken was.

Geen klokkengebeier
Overal beierden de klokken, behalve in Sliedrecht, want tijdens de troebelen waren op één of andere wijze de klokken verdwenen. Waarschijnlijk waren ze door de Spanjaarden geroofd. Nog in 1598 zat men hier zonder klok.
De vreugde uitte zich niet alleen in het luiden der klokken en branden van pektonnen, maar door de Staten van Holland werd een algemene dank-, vast- en bededag uitgeschreven “om Godt voor al Zijn weldaden te danken en te loven en ook van harte te bidden dat Zijne Goddelijke Majesteit hoe langer hoe meer gelieve Zijne Genade over deze landen voort te doen duren en deselve met Zijne machtige hand bij te blijven”. Wij kunnen begrijpen hoe Sliedrechts bevolking destijds naar het kerkgebouw stroomde en hoe Ds. Wassenburch, die de Spaanse dwingelandij zo aan den lijve ondervonden had op die bededag uit het hart gesproken moet hebben. Sliedrecht had verder in de 80-jarige oorlog niet veel meer te lijden van de vijand, althans we vonden nergens iets daaromtrent.
Toch zal men ook hier wel met blijde gevoelens de gebeurtenissen in 1608 gevolgd hebben. Het was namelijk in het voorjaar van 1608, dat de afgezanten van de koning van Spanje over Breda en Geertruidenberg naar Holland kwamen. Op 30 januari waren ze te Geertruidenberg. Daar het toen geweldig vroor, had men een vloot van 190 bootjes en schuitjes onder andere van het Schippersgilde te Dordrecht en van de vissers van Papendrecht en Sliedrecht op schenen gezet en zo in ijsschuitjes veranderd. Met deze sierlijk opgetuigde vloot werd het gezantschap over de Biesbosch naar Dordrecht gebracht. De onderhandelingen duurden lang, maar tenslotte werd in 1609 het 12-jarig bestand gesloten. Dit maakte een eind aan een bange periode in de geschiedenis, niet in het minst in de geschiedenis van ons dorp.

Sliedrecht in de Gouden Eeuw

Landbouw en veeteelt
Na al het geleden leed in het begin van de 80-jarige oorlog, brak nu een tijdperk van grote bloei voor Sliedrecht aan. Het aloude bedrijf van veeteelt en landbouw floreerde uitmuntend. Men had een goede afzet van kaas naar Dordrecht, dat met zijn garnizoen en grote scheepvaart heel wat gebruiken kon. Bovendien had men het geluk dat zich in Dordrecht de blekerij op grote schaal ontwikkelde en voor die blekerij gebruikte men karnemelk, die uit de Alblasserwaard werd aangevoerd. De namen Melkpoortje en Karnemelksteiger in de stad Dordrecht herinneren nog aan deze tijd. Een bijproduct dat elders vrijwel geen waarde had, was zodoende van groot belang geworden. Voorts teelde men in Sliedrecht veel hennep voor de touwslagerijen. Dit gebeurde op de zogenaamde hennepwerfjes die op de klei dichtbij de dijk lagen. Bovendien trof men hier touwslagerijen aan. In het algemeen kan men zeggen dat de landbouw in die tijd lonender was dan de veeteelt en dat men elk stukje land dat voor landbouw geschikt was ook daarvoor gebruikte.

Geschiedenis-0803
Zalmvisserij in de Merwede

Visserij en vogelarij
Naast deze bedrijven was ook de visserij van grote betekenis. Zalm en steur werden hier in geweldige hoeveelheden gevangen. De vis werd op de vismarkt gebracht. In 1610 / 1611 kwamen in 10 ½ maand 8921 zalmen en 81 steuren op de markt. In 1626 niet minder dan 214 steuren. De zalm was in die tijd zo overvloedig dat de dienstboden bedongen dat ze niet meer dan tweemaal per week zalm wilden eten. De overvloed was te groot voor eigen gebruik en daarom werd veel zalm gezouten en gerookt uitgevoerd. Ook in Sliedrecht vindt men in deze tijd een aantal rookhuizen vermeld.
Naast de visserij en nauw daarmede verbonden bloeide de vogelarij, d.w.z. het aanleggen van vogelkooien (eendenkooien) en het vangen van allerlei gevogelte. Vele vogelkooien werden reeds in 1543 door Sliedrechtenaren aangelegd op bijvoorbeeld het Dordtse eiland. Men kan hier wel spreken van een typisch Sliedrechts bedrijf, want bijna alle kooilieden, die we op het Dordtse eiland, de Hoeksche Waard en de Biesbosch aantroffen, waren van Sliedrecht afkomstig.

Biezendrogerij
Nog een typisch Sliedrechts bedrijf was de biezendrogerij en handel in dit materiaal. In de 17e eeuw gebruikte men voor de stoelzittingen bijna uitsluitend biezen.
Ons land aan het eind van de 80-jarige oorlog in het midden van de Gouden Eeuw
Biezen werden geteeld op de opkomende platen in de Maas en in de Biesbosch. Reeds in de 17e eeuw vonden we de pachters van rietgorzen uit Sliedrecht tot zelfs bij Rhoon. De biezen werden op de kanten van de dijk gedroogd en verhandeld. Van mattenvlechterij en stoelenmatterij wordt geen melding gemaakt. Door al deze bedrijven was de welvaart van Sliedrecht geweldig toegenomen.

“Sliedrecht groot, Alblas rijk”
Kon men voorheen met een spreekwoord zeggen: “Sliedrecht groot, Alblas rijk”, in de 17e eeuw begon dit te veranderen. Reeds omstreeks 1620 heeft Sliedrecht Oud-Alblas een heel eind ingehaald. Zo betaalde ons dorp in dat jaar bij de 500-e penning (d.i. een belasting van f 0,20 op de 100 gulden) een somma van welgeteld f 514,- tegen Oud-Alblas f 655,- terwijl Sliedrecht vroeger altijd minder dan de helft van het bedrag van Oud-Alblas betaalde. Sliedrecht was al in 1627 de andere dorpen ver vooruit. (Papendrecht betaalde zo’n f 352,-, Alblasserdam f 336,-). In 1674 was Sliedrecht Oud-Alblas over het hoofd gegroeid in vermogen. In dat jaar schatte men voor het Familiegeld, een belasting per hoofd, het dorp Sliedrecht op een kapitaal van f 240.650,- en Oud-Alblas op f 221.700,-. Deze feiten demonstreren wel heel duidelijk de vooruitgang van Sliedrecht in de Gouden Eeuw. Door geen enkele ramp getroffen, er waren tussen 1593 en 1658 geen belangrijke overstromingen en de vijand was definitief weggetrokken, had ons dorp zich regelmatig ontwikkeld tot het welvarendste van de Waard. Van die weelde werd gepast gebruik gemaakt. Men bouwde zich geriefelijk ingerichte woningen, kleedde zich beter dan de boeren van de andere dorpen, doch vergat daarbij niet ook goed te zorgen voor land en dijk. De predikanten vonden de weelde echter verderfelijk en lieten niet na er tegen de prediken.

07 – De Spanjaarden in de Alblasserwaard

Geschiedenis-0701
De bestorming van Alkmaar, waar de victorie begon

De Spanjaarden hadden in 1572/73 verschillende steden veroverd. Haarlem was na een dappere verdediging weer in Spaanse handen gekomen. Van dit beleg, dat in de winter 1573/74 plaatsgreep, had Alva zijn les geleerd. De Spaanse nederlaag bij Alkmaar bewees, dat wanneer men met geweld alle Hollandse steden zou willen innemen, een tienmaal zo sterk leger nodig zou zijn. Daarom dacht Alva een nieuw stelsel tot onderwerping uit dat hij in een brief aan de Spaanse koning, Philips II, als volgt uiteenzette:

 

Geschiedenis-0702
Alva

Ik ben thans bezig om de troepen op welgekozen kwartieren te leggen, waar zij beletten kunnen dat de Geuzen de hulpmiddelen van het platteland tot zich trekken. De rebellen zullen op die manier in hun steden opgesloten zitten en van honger vergaan. In een winternacht, als de sloten en singels dicht liggen, gelukt het misschien ze te verrassen en te overrompelen”.Een der “welgekozen” kwartieren zou in de Alblasserwaard liggen. Het verlies van Geertruidenberg in 1573 had de Spanjaarden geheel uit de Merwedestreek verdreven en toch was die voor de Spanjaarden belangrijk om de handel naar Duitsland te kunnen belemmeren.
In de zomer van 1574 verschenen hier plotseling de Spaanse soldaten aan de dijk en zij dwongen de bewoners van de Alblasserwaard tot het verrichten van graafwerk voor een schans te Hardinxveld. Het is te begrijpen dat Sliedrecht, als een der buurdorpen, van die Spaanse troepen veel te lijden heeft gehad.

Graafwerk
In allerijl werd nu, op voorstel van de Prins Willem van Oranje, de dijk van de Alblasserwaard bij Papendrecht en bij Elshout (nabij Kinderdijk) doorgegraven. Met dit werk werd 13 augustus 1574 een begonnen. De Spanjaarden hadden de dijk in bezit vanaf het gat ten oosten van de kerk van Papendrecht tot Hardinxveld, waaronder het gehele dorp Sliedrecht. Ze voelden zich niet erg op hun gemak, want aan weerskanten stond het water nu tot de dijk, terwijl de Dordtse oorlogsschepen de nog onvoltooide schans beschoten.

Op voorstel van de Prins werden maatregelen genomen voor een betere beveiliging van Sliedrecht. Aan Dordrecht werd op 8 oktober 1574 opgedragen ” om schepen tot bewaring van het Houten Hoofd te Sliedrecht te schikken “.

Uiteindelijk gelukte het om de Spanjaarden uit Hardinxveld te verdrijven. Op 25 november 1574 was de schans weer in handen van de Prins. De knechten (soldaten) waren echter onwillig bij de schans te blijven. Aan Gorinchem, dat er groot belang erbij had de manschappen te laten vertrekken, werd toegestaan de schans te demolieren. Op 2 december 1574. werd door de Staten van Holland besloten dat de schans geslecht zou worden en dat de materialen zouden dienen voor het stoppen van de Wolfertse dijk. De mannen uit de Alblasserwaard, die door de vijand gedongen waren tot het opwerpen van de schans, moesten ook zorgen voor de afgraving.

Men redeneerde dus: “Wie de schans gemaakt heeft, moet hem ook maar afbreken! ” De dorpen moesten daartoe een belasting van “een stuiver op de morgen” heffen. Voortaan zouden er voortdurend oorlogsschepen bij Sliedrecht moeten liggen om te voorkomen dat de vijand nieuwe schansen op zou werpen.

Sterk te water en binnen de stadsmuren
In het algemeen was men in de 80-jarige oorlog tegen de Spaanse soldaten, toen de beste ter wereld, slecht opgewassen. Daarop waren twee uitzonderingen; de vloot en de steden.
De Watergeuzen, voor geen kleintje vervaard, hadden in 1572 het bevel over talrijke schepen op de rivieren en stromen op zich genomen. (Een schip onder de voet maakte van de in het landgevecht onbedreven Zeeuw een leeuw). Daardoor was de Prins oppermachtig te water. Men kan gerust stellen dat dit in de eerste jaren van de 80-jarige oorlog de beslissende factor is geweest.

De burgerij, ongeschikt om te velde te dienen, had haar grote defensieve waarde in de belegeringen van Haarlem en Leiden bewezen en de Spanjaarden gaven het op, zoals we boven eerder lazen, de steden door beleg of bestorming in te nemen.

Een plan van de Prins van Oranje
De Prins van Oranje en zijn medewerkers ontwierpen nu een schitterend plan om ons land van de Spaanse tirannie te verlossen. Op alle belangrijke punten waren door de Spanjaarden schansen en redouten aangelegd om de scheepvaart te bewaken. Goed bewapende galeien en cromstevens zorgden voor de afsluiting van de rivieren.

Zo was men in 1574 en 1575 ook bezig met het maken van dergelijke schansen bij Krimpen aan den IJssel en bij Elshout. Het gehele jaar had men aan de schans te Krimpen gewerkt. Aan het einde van het jaar verschenen plotseling prinsgezindenden voor Krimpen, waar ze onder aanvoering van Hierges, de schans bemachtigden.

De geschiedschrijver E.van Meteren schrijft hierover: “Crimpen bij de Spaengiarden ghesterckt, bij de Hollanders belegert ende ingenomen. Alzo sij met den legher nederwaerts van Schoonhoven ware ghekomen, hebben Crimpen een dorp met twee schansen ingenomen ende seer ghesterckt, waermede sij niet alleen de rivieren stopten, maer meijnden daer langs in Swijndrecht ende in de ander eijlanden drooge voets te gheraken, oock int Eijlandt van Voren om den Brielle ende Dordrecht in te neemen. Ende in den winter met hulpe van de ijse aenenslagen op Geertruijdenberghe, Gorcum ende Bommel te maken, de Mase ende Rhijn te vermeesteren, hoewel de wateren niet bij ijsganck te passeeren waren sonder schepen.”

Op 2 juli 1575 was met de aanleg van de schans bij Elshout begonnen en waren alle arbeiders, die bij Delfshaven aan het werk waren, daarheen overgebracht. Wel een bewijs dat men grote haast met de aanleg had. Door de inneming van deze schans kregen de Spanjaarden toch weer invloed in de Alblasserwaard. Het verlies van deze schans was dan ook een bedenkelijke zaak voor de veiligheid van Holland Dit temeer daar de Spanjaarden ook een schans te Kinderdijk aanlegden en zo de IJssel, Lek en Noord beheersten! Maar de Prins zat ook niet stil. Hij zond Frederick Ottens als Commissaris Generaal om schansen aan te laten leggen in de Riederwaard tegenover Krimpen en ” stopte” de Lek door het laten zinken van grote schepen.

In de Alblasserwaard werd Jacob Blok belast met het in allerijl aanleggen van een schans te Papendrecht. Daartoe werd de dijk aan de zijde van Kinderdijk op twee plaatsen doorgraven. Op 29 augustus 1575 werd met het werk aangevangen en op 21 september was men reeds zover dat men een wachthuis kon bouwen.
Omdat men niet zo spoedig het nodige hout kon krijgen, brak men in Dordrecht het tolhuis en het tolhoofd aan de Riedijk af en gebruikte de afkomstige materialen in Papendrecht.
De gaten in de dijk werden uitgediept om zodoende de oorlogsschepen in de Waard te kunnen brengen, o.a. een grote caeghschuijt, benevens 40 à 50 andere schepen.

In het begin was men niet erg gelukkig want: “Ten tijde als alle de vloote van de schepen ende schuijten d’eersten reijse (voor de eerste maal) deurt ‘t gat van Papendrecht werden getrocken omme te beleggen de schansen van Crimpen, ‘t Elshout ende Kinderdijk”, waren die schepen op drift geraakt en door de eigen bemanning geplunderd en dat terwijl de schippers een loon van een rijksdaalder voor lijf en schuit en de knechten een bedrag van 16 stuivers voor hun lijf genoten.

De Prins van Oranje zette echter alle energie op de herovering van de schansen, wel wetende wat hieraan gelegen was. De geschiedschrijver Bor meldt ons: “De oorloghe in deze tijt op het heetste was en die van Hollandt ende Zeelandt seer benaut ende gheperst waren. Se niet en wisten waer sij hen te wachten hadden, want aen alle quarieren hadden sij genoegh te doen. Doch de goede toesicht ende naersticheijdt van den Prince dede soveele dat hij ( de vijand ) soo wel in de Dordtsche Waert als ander plaatsen tot sijnen vermete niet en conde comen.”

Geschiedenis-0703
Willem van Oranje

Gevaar voor eigen leven
De Prins kwam in eigen persoon naar Dordrecht en bevond zich op 4, 8 en 17 februari met gevaar voor eigen leven in het beleg der schansen.
De schepen werden opnieuw door het Papendrechtse gat gesleept en in de Alblasserwaard werden, volgens Bor, 21 vaandels soldaten, 100 paarden en 3000 boeren bijeengebracht.
Op 4 februari 1576 schrijft de Prins aan zijn broer Jan den Ouden, dat hij gedurende acht dagen, drie schansen, die de vijand op de rivieren Lek en Maas tussen Dordrecht en Rotterdam bezet hield, belegerd had. Vooral met het nemen van Schoonhoven had hij zich veel moeite gegeven. Als God ons de gunst geeft die schansen te veroveren, zo schrijft hij, zal dat een grote verbetering voor onze scheepvaart zijn.
Op 21 februari 1576 gingen de drie schansen bij een verdrag aan Filips van Hohenlohe, de Staatse bevelhebbber, over, waarbij de vijand alle geschut moest achterlaten. De Spanjaarden beschouwden dit als een groot verlies daar hun nu grotendeels de pas was afgesneden om Holland tot onderwerping te brengen.

In een brief van 4 april 1576 schrijft de Prins aan Jan den Ouden:

” Het heeft God intussen behaagd, ons de genade te schenken de schansen in onze handen te brengen, waarvoor wij wel grote stof hebben om Hem te loven, omdat die forten van groot belang zijn om een groot gedeelte van het land in die kwartieren te bewaren. Wij werken nu met man en macht om ze te versterken, opdat de vijand er zich niet meer in zal nestelen.”

Het Geuzenlied zong over dit roemruchte feit:

“Oudewater werd heel in ‘t sant verbrant.
Maer int bolwerck te Crimperkerck
Haelden sij weder schant. (schande)

Lang bleef het feit in de herinnering leven en men sprak in de Waard nog vele jaren daarna over ” Ten tijde als de Spanjaarden in ‘t Elshout kwamen”, als men het over jaar 1575 had.

De toestand in Sliedrecht in de jaren 1575-1577

Geschiedenis-0704
Sliedrecht, circa 1575

Door de schans en de gaten in de dijk bij Papendrecht was Sliedrecht aan de westzijde voldoende beveiligd. Uit het noorden kon men niet aanvallen, want de Waard stond blank. Aan de zuidzijde beheersten de Dordtse oorlogsschepen de Merwede. Alleen aan de oostzijde was het niet pluis.
Al waren de Spanjaarden uit Hardinxveld verdreven en al lagen er oorlogsschepen bij het Houten Hoofd, toch bleef het daar een onveilige hoek, zoals uit het volgende verhaal zal blijken.
Sliedrecht, circa 1575
Omstreeks Kerst 1575, dus nog tijdens de strijd om de schansen te Elshout en Krimpen, was Thielman Dircksz, een inwoner van Sliedrecht gehuurd een schuit met rogge, die men ‘s nachts niet aan de Sliedrechtse wal durfde te laten liggen, naar de uitlegger (d.i. het oorlogsschip dat voor Werkendam lag) te brengen. Op de terugweg voer de knecht van de schuit weer mee, terwijl er ook een matroos van de uitlegger aan boord gestapt was.

“Het was perriculoes (gevaarlijk) ende onveilig de wegen te gebruycken omme te voet te gaen”.

Men kon dus over de Merwededijk beoosten Sliedrecht niet zonder gevaar lopen.
De knecht van de schuit met rogge was door het voortdurend gevaar roekeloos geworden. Op de vraag van Thielman of hij bedongen had dat, als hij gevangen zou worden genomen, men losgeld voor hem zou betalen, had de knecht geantwoord: ” Neent, ick ben al zoe veel overcoemen, ick sal hier oeck wel deur komen.”

Toen zij een eindweegs gevaren hadden kwamen de twee knechts op het ongelukkige idee om een weddenschap aan te gaan, dat zij sneller naar Sliedrecht zouden lopen als de schipper zou kunnen varen. Zij zeiden tegen Thielman: ” Wij en moegen hier niet blijven zitten, wij sellent eer gaen, dan ghij varen.”

Thielman had hierop geantwoord: “Goede mannen blijft bij mij, ende vaert met mij. In die ledige huysen leggen papoupen, blijft daarom hier, want gij zult mogelijk gevangen genomen worden.”

De knechts zetten echter hun wil door en gingen aan land. Thielman vervolgde alleen zijn weg naar Sliedrecht en kwam daar aan “behoudens lijfs” , terwijl hij later vernam dat de knechts door de “papouwen” gevangen genomen waren.

Dit verhaal geeft wel heel scherp de onveiligheid aan, niet allleen over water, maar ook op de Merwededijk! De bevolking had grotendeels hun woonsteden verlaten en in de ledige huizen loerden de Spanjaarden, hier smalend “papouwen”of “papoupen” genoemd, of ze niet iemand gevangen konden nemen om hen tegen een flink losgeld weer vrij te laten.

Al waren de Spanjaarden in februari 1576 uit de Alblasserwaard verdreven, toch was de veiligheid te water nog zeer gering. Geschiedschrijver M. Balen vermeldt in zijn Beschrijvinge van Dordrecht over Cornelis de Witt, grootvader van de gebroeders de Witt, het volgende:
“Op de leste April 1576 reysende in commissie (opdracht) van den Staat naar Geertruidenberg, opten Biesbos, waar hij gevangen werd door de vrijbuyters dienende onder Monsieur Dragon (Mondragon), onder welke drie overgeloopen Dordtsche Borgers waren, op welkers lijve yder Honderd Dalers was gesteld, met welke hij (C. de Witt) sprak en conditioneerde dat se hem buyten hechtenis soude helpen”
Ze brachten hem de tweede mei te Dordrecht en verkregen van de Prins pardon en van De Witt de beloofde penningen.
Eerst na de muiterij van de Spanjaarden op Schouwen, de Spaansche Furie te Antwerpen en de Pacificatie van Gent kon men hier weer enigszins op adem komen.

De wijk naar elders
De toestand was bijna hulpeloos geweest. Het vee was op last van de Prins op een andere plaats in veiligheid gebracht. Een groot deel van de bevolking had naar elders de wijk genomen. De Sliedrechtse vissers hadden zich buiten de Vuilpoort te Dordrecht neergezet en visten van daaruit op de Merwede. Ook vele andere Sliedrechters hadden hun geboortegrond verlaten en zich in Dordrecht, Gorinchem, zelfs in Schoonhoven en Rotterdam gevestigd. Telkens kan men in de huwelijksregisters te Dordrecht lezen over personen uit Sliedrecht: ” Geboren te Sliedrecht maar meestentijds hier gewoond.”
Have en goed had men echter achtergelaten en het land dat onder water stond, had voor hen toch geen waarde.
Toen men in 1577 op kosten van de Staat weer herdijkt had, geloofden velen niet, dat de toestand veranderd was en bleef men rustig in de steden wonen en kwam men ook de verplichtingen van dijkonderhoud niet na. Ook de ambachtsheren hadden hun heerlijkheden verlaten. Het land was aan de gemene ingelanden van de Alblasserwaard vervallen.
Om aan deze ongewenste toestand een eind te maken lieten schout en heemraden van Sliedrecht te Dordrecht, Gorcum van de puien van de raadhuizen afkondigen dat alle kosten, ook over de ingelanden buiten het dorp woonachtig, zouden worden omgeslagen en dat deze ingelanden verplicht waren een vertegenwoordiger in het dorp aan te stellen!

De verdediging van de Alblasserwaard

Geschiedenis-0705
Alblasserwaard en Biesbosch 1575

Sliedrecht lag in de 80-jarige oorlog op één der gevaarlijkste plaatsen of zoals men het toen uitdrukte aan de frontieren van Holland. Dat was lang geen prettige situatie en men had hier voldoende ondervonden welke onheilen een onverhoedse vijandelijke aanval kon veroorzaken.
Het is dan ook geen wonder dat men na 1577, toen de Alblasserwaard weer droog gekomen was, maatregelen ging nemen om herhaling te voorkomen.
De Staten van Holland zorgden ervoor, dat de rivier de Merwede op een geweldige manier beveiligd werd. Aan de zuidzijde had men de vesting Loevestein, die aanmerkelijk versterkt werd, en het bemuurde Woudrichem, dat talrijke nieuwe bolwerken kreeg. Daarop volgden de Muggenschans nabij het Sleeuwijkse veer en de schans van Werkendam. Jammer genoeg moest tussen Werkendam en Dordrecht een groot hiaat in deze verdedigingslinie blijven, omdat er toen nog meer water dan land was. Wij vinden hier slechts vermeld een reduit bij Crayenstein (Ronduit) en het Bontjesreduit op de Kop van het Land op het Dordtse eiland.
Door het ontbreken van versterkingen juist tegenover Sliedrecht was hier een grote maas in het net, waar de Spanjaarden van tijd tot tijd doorslopen om een aanval op de Alblasserwaard te doen.
Aan de noordzijde lag de sterke vesting Gorinchem en van daaruit in Hardinxveld en Giessendam een aantal reduiten. Verder lagen er wachtschepen op de Merwede o.a. bij het Houten Hoofd van Sliedrecht en recht voor de Kerk. Ook bij de reduiten lagen oorlogsjachten en in Dordrecht was een zeer snel schip gestationeerd, dat de vijand eventueel op de wateren van de Biesbosch kon na zitten.

Een burgerwacht te Sliedrecht
Toch bleef de Biesbosch tegenover Sliedrecht het zwakke punt in dit verdedigingsstelsel en daarom was het dubbel nodig dat men hier steeds op zijn hoede was.
De verdediging van de Alblasserwaard werd door dijkgraven en heemraden dorpsgewijs geregeld en zo kregen we hier in Sliedrecht ook een burgerwacht met kapitein, luitenants, sergeant-majoors en rotmeesters of korporaals. Iedere ingezetene van Sliedrecht, zowel Sliedrechter als vreemdeling, moest dienen, tenzij hij boven 60 jaar of Doopsgezind was. In het laatste geval moest men, evenals de weduwen, een maandgeld betalen.
Elk lid van de burgerwacht moest op aanwijzing van de kapitein, al naar hij gegoed was, voorzien zijn van wapenen, die hij op eigen kosten moest onderhouden. Wie bijvoorbeeld een roer of bosse had moest altijd drie ellen lont, een half pond buspoeder (kruit) en 12 loden (kogels) bij zich hebben. Elke nacht werd door een gedeelte van de manschappen gewaakt in de daarvoor gemaakte wachthuizen en wie ziek of afwezig was, moest een plaatsvervanger stellen. De rest moest steeds de wapenen gereed houden en wanneer de klok luidde of de trommels geroerd werden, moest ieder zich welbewapend naar de loopplaatsen spoeden, die onder meer bij de kerk en het logement van de kapitein waren.
Zo kon men het wonderlijk verschijnsel zien dat de boerenbevolking, die nooit de wapenen gedragen had, thans wacht hield en marcheerde als de schutters in de stad.
In het begin was dat voor de boeren zeer vreemd en men moest allerlei bepalingen maken om ongevallen te voorkomen. Het gebeurde namelijk wel dat men zogenaamde ereschoten loste en dat men vergat zijn geweer te ontladen. Dat daardoor ongelukken ontstonden is begrijpelijk. Daarom mocht men geen ereschoten lossen, dan nadat men zijn roer in bijzijn van enige van zijn rotgezellen beproefd had.

Flinke boete
Op allerlei handelingen van de burgerwachten was boete gesteld. Werd iemand slapende op wacht aangetroffen dan verbeurde men zijn geweer, dat hij voor drie gulden mocht lossen (terugkopen). Kwam hij te laat, of ging hij te vroeg weg, een boete wachtte hem. Vergat de rotmeester zijn “losse” (leus, wachtwoord) of deelde hij het mee aan zijn gezellen, hij verbeurde drie gulden en zo ging het ook met vechtersbazen die op wacht vochten en met dieven, die hout en rijs van de bevolking stalen om hun wachthuizen mee te verwarmen.
Toch was het nuttig dat de boeren gewapend waren, want ten plattelande werd men voortdurend door allerlei gespuis lastig gevallen. Er was dan ook bepaald dat:”De huisluiden (boeren) zich tegen alsulcke ruyters, soldaten, vrijbuiters, vagebonden, bedelaars, kaesjagers of anderen zouden mogen verweren en wanneer iemand van dit gepuis gekwetst, aangeschoten of doodgeslagen werd, dan zou daarvoor geen wraak of recht gedaan worden!”

Vernuftig seinsysteem
Men had op de Sliedrechtse dijk een vernuftig seinsysteem gemaakt. Op onderlinge afstanden en bij de wachthuizen evenals op de wachtschepen had men grote masten met lantaarns geplaatst. Kwam nu de vijand, dan werd op de plaats waar men onraad bemerkte de lantaarn aangestoken en aan de mast op en neer gehaald. De andere seinmasten werden dan ook verlicht, maar moesten hun licht stil laten hangen. Direct daarop werden de trommels in alle wachthuizen geroerd, de kerkklok begon te luiden en dit gelui werd door de andere dorpen overgenomen en zo stond in korte tijd een groot leger gewapende boeren aan de dijk. Bij grote aanvallen hadden de Alblasserwaard en het land van Arkel elkaar hulp toegezegd.
Meestal waren het slechts aanvallen van één of twee scheepjes met vrijbuiters en dan was het alarmeren van Sliedrecht alleen al voldoende. Wijngaarden was verplicht op het eerste sein van onraad Sliedrecht bij te staan en zijn gewapende mannen naar de dijk te zenden. Dit verdedigingssysteem bleef gedurende de gehele 80-jarige oorlog bestaan en heeft toen herhaaldelijk zijn noodzakelijkheid bewezen.

06 – De Hervorming in de Alblasserwaard

Koeper Potgen
Toen Luther in Duitsland de nieuwe leer gepredikt had, konden de nieuwe ideeën in deze streken niet lang onbekend blijven. In Sliedrecht liggende aan de Merwede, de voortzetting van de Rijn, moeten de nieuwe denkbeelden die a.h.w. met ‘t Rijnwater de rivier afzakten, wel spoedig bekend zijn geweest. Reeds in 1523 werd in deze streken gepredikt door ene Cornelis Woutersz., alias Koeper Potgen. Na diens verbanning horen wij niet veel meer van de “Lutherse heresie”.

Wederdopers
Spoedig hoort men van een andere ketterse sekte namelijk die van de Wederdopers. Het streven van de Wederdopers heeft niet alleen een religieus karakter gehad, maar raakte ook de maatschappelijke vraagstukken van die tijd.

Geschiedenis-0601
Wederdopers in opstand

Het had vooral in het begin een communistische inslag. De slechte tijden hadden de middeleeuwse industrie voor een groot deel vernietigd en het had van de lakenwevers in de grote steden, vooral in Leiden, bedelaars en in het gunstigste geval marskramers gemaakt. Bedenken wij nu, hoe juist in de grote steden onder de industriearbeiders en vooral in Leiden de Doperse leerstellingen aanhangers hadden gevonden, dan begrijpt men dat daarvoor deze nieuwe leer een grote verspreiding kreeg!
De overgang tot de nieuwe leer werd ook nog in de hand gewerkt, doordat de Doopsgezinden zich niet in de eerste plaats toelegden op de stichting van kerkelijke gemeenten, maar meer de nadruk legden op een godvruchtig leven en goede werken.
In de bedelaars en de landlopers van die tijd moesten wij dus de evangeliepredikers zoeken en het verwondert ons niet, dat toen Karel V in 1531 maatregelen tegen de bedelarij ging nemen, hij ook daarin begreep de zorg voor godsdienstig onderricht in de Roomse leer.

Aanslag der Wederdopers
Na de uitspattingen van Jan van Leiden te Munster werd door de regering streng ingegrepen en vielen er vele Wederdopers als slachtoffers. De rest bleef als Doopsgezinden in het geheim de nieuwe leer toegedaan. Slechts zo nu en dan hoort men van martelaars; een van hen was Adriaantgen Jansdr., een vrouw uit Molenaarsgraaf die in 1572 te Dordrecht om het geloof verbrand werd.
Toch zou de Hervorming in de Alblasserwaard een bijzonder karakter krijgen en wel door de volgende gebeurtenissen. Hendrik van Brederode, nazaat van het edel geslacht van Brederode, dat steeds een rol in de geschiedenis van de Alblasserwaard gespeeld heeft en reeds in 1277 voorkomt, bezat als vaderlijk erfdeel de steden Vianen en Ameide met de onderhorige dorpen.
Jong, moedig en voortvarend was hij op 28-jarige leeftijd aanvoerder van een legerkorps onder Karel V. Al vroeg was hij als zoveel edelen onder de invloed van de Hervorming gekomen en openhartig als hij was, had hij niet geaarzeld er openlijk voor uit te komen. Het meest is hij bekend geworden door de aanbieding van het smeekschrift der edelen, dat door hem aan de landvoogdes werd overgereikt.

Hendrik van Brederode
Zijn residentie Vianen werd zodoende een bakermat der Hervorming in deze streken. Er bevonden zich daar op een ogenblik niet minder dan drie calvinistische predikanten, die zich onledig hielden met het schrijven van Calvinistische boeken, die in Vianen door een drukker gedrukt werden en gretig hun weg vonden in de Nederlanden. Ook liet hij openlijk de hervormde godsdienst in zijn gebied prediken.
Hendrik van Brederode had zich door de hervormden laten overhalen om ‘t bevelhebberschap op zich te nemen van het leger, dat de consistorie op de been zou brengen.
Hij begaf zich daarom naar Vianen en liet de werftrom roeren. Van heinde en verre stroomden de soldaten naar Vianen en spoedig had hij 3000 man op de been.
Zo scheen een ogenblik alsof de Alblasserwaard het centrum van de opstand tegen Spanje zou worden. Brederode was de man, die ons land nodig had. Vergeefs poogde Lodewijk van Nassau een betere samenwerking tussen hem en prins Willem van Oranje tot stand te brengen.
In 1567 vertrok Brederode naar Amsterdam en overleed kort daarna. De gevolgen van het verblijf van de Calvinistische predikanten waren echter niet uitgebleven. Een groot gedeelte van de bevolking had de nieuwe denkbeelden aangenomen. In 1566 was er een kerk buiten Gorinchem en de vervolgingen tussen 1566 en 1572 hebben de nieuwe leer niet kunnen uitroeien. Toen ook de Hervorming hier ingevoerd werd, was het in streng Calvinistische zin.

DE 80-JARIGE OORLOG

Geschiedenis-0602De Beeldenstorm van 1566
Het waren bange tijden, die nu volgden. De mare ging, dat men alom de beelden afgeworpen had en dat men in het openbaar de nieuwe leer predikte.
Hier bleef men voorlopig nog van de ongeregeldheden gespaard. In Dordrecht en omgeving had men “De Beeldenstorm” weten te voorkomen en de landvoogdes had daarvoor haar bijzondere erkentelijkheid betuigd. Later heeft men bij de invoering van de Hervorming de beelden, de altaren, enz. uit de Sliedrechtse kerk verwijderd, zonder dat er van ongeregeldheden sprake was.

Waarschuwing
Toch was het hier in de buurt ook bijna zover gekomen, want in 1567 was een zekere Jacob Fransz. Raidt uit Antwerpen in de Grote Kerk te Dordrecht binnengedrongen en had daar de beelden stuk geslagen. Hij werd echter ter dood veroordeeld en wanneer men naar Papendrecht liep kon men het ontzielde lichaam zien bengelen aan de Dordtse galg op de Zwijndrechtse zijde van de Noord.
Een en ander was een duidelijke waarschuwing voor de dorpen in de Alblasserwaard om zich voorlopig rustig te houden. Dit was vooral nodig, omdat de met zoveel hoop verwachte inval van de Prins van Oranje in 1568 deerlijk mislukte.

Loevestein
In 1570 zou het gevaar nader komen. De prins had een groots plan gemaakt om het vaderland van Alva’s tirannie te verlossen…
Tot dit plan behoorde ook de overmeestering van slot Loevestein en Dordrecht. Herman de Ruiters aanslag op Loevestein gelukte aanvankelijk wel, maar het is bekend hoe spoedig hij het onderspit moest delven voor de toesnellende Spanjaarden. Ook de aanslag van Jan Gijsbertsen Coninck op Dordrecht mislukte en hij moest daarvoor later te Brussel het leven op de brandstapel laten.
Aan de mislukking was ook niet vreemd de tweede Allerheiligenvloed van 1 november 1570, waardoor het verkeer ten zeerste belemmerd werd en waardoor de gezonden hulp te laat kwam.

Watergeuzen
Het jaar 1572 zou de beslissing brengen. De Watergeuzen namen Den Briel in en de geusgezinde Dordtenaren riepen de Geuzen naar hun stad, die ze op 23 juni bij verdrag in handen kregen, gevolgd op 29 juni door Gorinchem.
Met dat al was de tijd tussen 1 april en 23 juni een tijd van grote onzekerheid geweest. De rivieren werden door de Watergeuzen onveilig gemaakt en de schepen durfden niet meer zonder geleide voorbij Sliedrecht te varen. Ze bleven aan de Engel liggen om daar afgehaald te worden door een gewapende caegschuit.
Het woord van de Dordtse schout Jan van Drenckwaert, dat de Geuzen meer kwamen om te halen, dan om te brengen werd in de eerste tijd bewaarheid.
Een van de Geuzenkapiteins, een zekere Govert Wor, wiens vader Cornelis Wor, behalve hem nog twee zonen als kapitein bij de Geuzen had, opereerde in de Alblasserwaard. Hij nam Vianen en het huis ter Liesveld in en maakte zich aan grove uitspattingen schuldig. In een akte op het archief van Dordrecht wordt verteld hoe hij schout Cornelis Jansz. te Alblas mishandelde en hoe hij door Alblas liep met een bloot rapier (degen) in de ene en een vlok hooi en een brandende lont in de andere hand, roepende: “Ik moet een, vijf, zes huysen alhier in brant setten, eer ick deech dal hebben”.

Geschiedenis-0603
Kaartje omgeving 1570

Spanjaarden
Ook de Spanjaarden waren niet beter, want een zeker Spaans kapitein had van de hofsteden, koeien, paarden, schapen, varkens en huisraad geroofd en dat elders verkocht. Zo had men hier van beide zijden te lijden, terwijl de Spanjaarden ons bovendien te water vanuit Geertruidenberg benauwden.
Toen Dordrecht en de omliggende plaatsen naar de Geuzen overgingen nam het Spaansgezinde deel der bevolking de vlucht. De Geuzen noemden ze smalend:”De Glippers”.
De rijken vertrokken meest naar Brussel, maar de minder gegoeden, waaronder veel arme schuitenaars (schippers), begaven zich naar Geertruidenberg en gingen aldaar in dienst van de Spanjaard.

Mensenroof
Toen begon het gruwzame bedrijf van mensenroof. Reeds in 1572 vindt men vermeld, dat een aantal gewezen Dordtenaren in een schuit op de Biesbosch op de loer lagen, verwachtende “beuijt”. Dat ze ook werkelijk buit behaalden bewijst het volgende verhaal: Een zekere Pieter Willemsz., een lakenbereider van Delft, was, waarschijnlijk varende op de Merwede, door de “kidnappers” van Geertruidenberg gevangen genomen en gevankelijk Geertruidenberg binnengebracht. Daar zuchtte hij met zijn stadsgenoot Cornelis Jansz. Pottebakker in het riool (gevangenis) zonder veel uitzicht daar ooit weer uit te geraken, want men eiste een zwaar losgeld en werd dit niet betaald, wachtte de galg.
De cipier van de Gevangenpoort Adriaan Pauwelsz. liet zich echter verbidden en had ze naar eigen verklaring op de eerste zondag in mei 1573, omtrent ‘s nachts om 11 uur, uit de gevangenis willen laten.
Maar … oh … snode dankbaarheid. Cornelis Jansz. weigerde zijn aandeel in het bedongen loon te betalen en daarom wordt Pieter Willemsz. alsnog gegijzeld en dit is de reden, waardoor wij deze episode, die zo treffend de onveiligheid van het platteland demonstreert, kunnen navertellen.

Prins Willem van Oranje
Het gevaar voor de Alblasserwaard in het algemeen en voor Sliedrecht in het bijzonder was zo groot, dat Prins Willem van Oranje persoonlijk naar Dordrecht kwam om plannen tot een betere beveiliging te maken. De Alblasserwaard heeft namelijk in de opstand een grote rol gespeeld, want wie de Waard bezat kon met geringe moeite het hart van Holland binnendringen. De Prins maakte daarom het plan Geertruidenberg te veroveren, wat op 31 augustus 1573 aan Poyet gelukte. Daardoor kon de vijand althans niet elk ogenblik over de Biesbosch met schepen een aanval wagen.

05 – De Gelderse Oorlog

Gelderland is het laatste gewest der zeventien Nederlanden geweest dat aan het Bourgondische huis kwam. Het duurde tot 1543 eer het bij het verdrag van Venlo het hoofd voor Karel V in de schoot legde. Reeds in 1473 was Karel de Stoute er als hertog gehuldigd en reeds toen scheen het pleit beslecht, maar de trotse Bourgondiër liep te hard van stapel in de beknotting van de rechten van adel en steden, zodat de Geldersen spoedig weer in opstand kwamen en het nog 70 jaar zou duren eer ze definitief onderworpen werden. De oorlog met Gelderland werd voor een groot deel uitgevochten op de grenzen van Holland en daarom hadden ons dorp en de gehele Alblasserwaard ook zo ontzettend van die oorlog te lijden. De vijand kwam in benden onverwachts opzetten en brandschatte de dorpen. Vaak kwam een dorp er slecht af als er niet spoedig genoeg de geldmiddelen gevonden konden worden om de eiser tevreden te stellen. Onverbiddelijk kraaide de rode haan en werden gijzelaars meegenomen die men later slechts tegen hoog losgeld kon loskopen.

Geschiedenis-0501
Kaartje met situatie ± 1500
Ten zuiden van Dordt zijn de gevolgen van de St. Elisabethsvloed goed te zien

De Geldersen komen
Na de terugkomst van Hertog Karel van Egmond in Gelderland (1492) werd de oorlog hervat. Met wisselend geluk streed men om Leerdam dat herhaaldelijk door één van de partijen ingenomen werd. In 1504 zou het voor de Alblasserwaard menens worden. De Geldersen vielen onverwacht door het land van Vianen de Dordtse Waard (zo werd de Alblasserwaard toen meest genoemd) aan om die te plunderen. De stad Dordrecht had een dergelijke inval reeds voorzien en men was bezig een blokhuis tegen de Geldersen te bouwen. Er wordt niet vermeld waar dit gelegen was, maar hoogstwaarschijnlijk was het onder Hardinxveld waar ook het blokhuis in latere jaren was.
Het blokhuis was nog niet geheel voltooid toen het door de Geldersen aangevallen werd en bovendien vertoefden er slechts 12 of 13 man, onder de Dordtse Hopman Jan Bloxem, die zich zo dapper mogelijk verdedigden, doch het natuurlijk tegen de overmacht niet konden bolwerken. Vooral toen de Geldersen drie wagens met hooi voor het blokhuis brachten en deze aanstaken om zo de verdedigers door de rook te verdrijven. Toen dat gelukt was rukten zij voort in de richting van Sliedrecht en Dordrecht. Ondertussen was de mare van de komst der Geldersen ook te Gorinchem doorgedrongen en Heer Floris van IJsselsteyn, die daar met troepen lag, stuurde per schip voetknechten en ruiters om de vijand tot terugtocht te noodzaken. Deze terugtocht ontaardde al spoedig in een ordeloze vlucht. De Geldersen bleven met hun voeten in de vette klei van de door aanhoudend nat weer doorweekte dijk zitten en ontdeden zich, om des te sneller te kunnen vluchten, van hun schoeisel. Later werden door de inwoners meer dan 1000 paar schoenen en soflootsen (schoenklompen) uit de klei getrokken. Door deze mislukte poging waren de Geldersen niet afgeschrikt, want zij keerden het volgend jaar weer terug en “heerden, ruyten, roofden en branden opten Hollanders”. Zij brandschatten zelfs tot voor de poorten van Dordrecht. Maar het ergste zou nog komen.

De Geldersen komen terug
Met afwisselend succes was de Gelderse oorlog slepende gehouden. Men was hier na 1505 vrijwel van overlast verschoond. In het laatst van 1511, toen niemand meer een aanval verwachtte, omdat men in die tijd alleen ‘s zomers vocht, kwam plotseling de vijand opdagen. Eerst hadden de mannen van Karel van Gelre in de Meierij van Den Bosch geplunderd en direct daarop waren ze door het land van Altena gekomen om op 13 November 1511 Woudrichem in te nemen. Woudrichem was een stad van de heer van Hoorne en de Geldersen wilden hem straffen, omdat hij na 1504 naar de Bourgondische partij was overgelopen. Hendrik van Nassau, slotvoogd van Loevestein en Floris van IJsselstein te Gorinchem trachtten onmiddellijk Woudrichem te heroveren, wat echter mislukte door de geringe medewerking der omwonenden. Overal heerste de grootste ontsteltenis, want elk ogenblik kon men nu een aanval op Holland verwachten, waarbij de Alblasserwaard het eerst aan de beurt zou zijn. Ieder was op eigen lijfsbehoud bedacht en trachtte eigen land en stad in staat van tegenweer te brengen. Dordrecht zorgde ook voor de beveiliging van de Alblasserwaard te water en te land. Te water betekende dit een wel bewapende vloot van rivierschepen die bemand met een kapitein en een aantal knechten dienst deed op de Merwede en een werkzaam aandeel had in het beleg van Woudrichem. Op 27 februari 1511 (wij zouden al 1512 schrijven, maar men begon toen het nieuwe jaar eerst met Pasen) werd Anthonis Rootbeen met nog 4 andere schippers “bij den heeren van der stede… aengenomen om te dienen voer Woudrichem”.
Op 2 Maart 1512 werd Woudrichem eindelijk ingenomen en moesten de Geldersen er van afzien om aan deze zijde Holland binnen te vallen. Nu probeerden ze of het niet wilde lukken om langs de Lek, verder van het gevaarlijke Dordt af, in Holland te komen. Gelukkig was men hier ook op bedacht geweest en zond men zo snel mogelijk ook daar schepen heen. In een rekening van dien tijd staat: “Alzoe in April anno XII (1512) hier tijdinge gecomen was, hoe dat Karel van Egmond (d.i. de hertog van Gelderland) zekere vergaderinge van knechten vergadert had om te comen in Zuydholland ende daer eenen opslach te doen. Waarom die Heeren van der stede pinsy op hebbende om dat te wederstaan, uutgesonden hebbend dese drie nagescreven schippers met haren schepen in die Leck”, enz.

Voorzorgsmaatregelen
Ook te land had men goede voorzorgsmaatregelen genomen. De stad had een aantal “cappiteynen ende knechten” aangenomen “tot beschermenisse van den Lande” en “tot beschermenisse van den Alblasserwaert”. Onder hen komt o.a. voor Heer Jan Wena, heer van Ghiessenburch. Deze troepen lagen in een sterk blokhuis, dat bij Hardinxveld gebouwd was en in het stadje Nieuwpoort. Daardoor had men de twee grote toegangswegen over de dijk naar de Alblasserwaard afgesloten, wat nodig was, omdat men nooit wist van welke zijde de Geldersen aan zouden vallen. Toch had de vijand kans gezien de Alblasserwaard binnen te komen, waarschijnlijk door de binnenwegen in het hart van de Waard, die men niet zo goed kon verdedigen. In januari 1512 stroopten ze tot ver in de Dordtse Waard tot tegenover Dordrecht, waar zij een aantal zowel gewapende krijgsknechten, als weerloze huislieden (boeren) doodsloegen. Zelfs in Den Haag begon men een aanval te vrezen. In mei 1512 herhaalde de vijand zijn aanval. In een brief van 2 mei 1512 waarschuwde Jan van der Aa, drossaard van Gorinchem, de kapitein Adriaan van Gorichem, die te Nieuwpoort lag, dat de Heer van Gelre in aantocht was naar Schoonhoven en Nieuwpoort en dat hij op zijn hoede moest zijn. Ook de stad zond toen weer oorlogsschepen op de “waerscuwinge hier gecomen van den Geldersen die in groote menichte vergadert waren”. Maar de Hertog van Gelre had altijd de keus van de plaats van aanval en zodoende was het een voortdurend heen en weer trekken van troepen, terwijl de vijand tenslotte zijn slag sloeg op een onbewaakte plaats.
Op Sinte Katharinendach anno XII (25 november 1512) was het weer nodig dat kapitein Adriaen van Gorinchem, die toen te Hardinxveld lag, met zijn knechten tot bewaernis van den Waert gezonden werd in die Nyiepoort bij Schoenhoven om die te bewearen tegen de Geldersen. Het mocht niet veel baten, want op 27 april van het jaar 1513 moesten “die heeren van der stede alsoetlant van Zuythollant dagelijks zeer beschadicht wert van den Geldersen” nog weer een nieuwe kapitein Ulrich van Basel met 72 knechten aannemen om die Geldersen te resisteren (weerstaan) tot defensie van den Alblasserwaard.”
Alle waakzaamheid van kapiteins en soldaten kon niet beletten, dat de vijand te water zijn slag sloeg met platboomde vaartuigen, vanaf Bommel de Waal en Merwede afzetten en hier jammerlijke verwoestingen aanrichtten. Het ergste gebeurde in de zomer van 1513.
Op de “25-sten dach in Julio op Sinte Jacobsdach Anno XII waren die Geldersen metter macht in den Alblasserwaert” gekomen “en bornden (branden) en roefden aldaar”. In allerijl zond Dordrecht weer schepen en krijgsvolk, maar het was al te laat om de vijand af te weren. Bleskensgraaf werd op die ongeluksdag geheel platgebrand. De kerk met torens en twee torenklokken, twee watermolens en alle huizen op één na werden een prooi der vlammen.
Na dezen verwoestende aanval had Dordt het aantal schepen nog aanmerkelijk uitgebreid en zo bereikte men dat “de hertog van Sassen, bevelhebber van Gelre in 1514 over de stroomen niet conde comen” met zijn knechten van wie men “dachten dat zij in den Alblasserwaert ende in Zuythollant gecomen soude hebben”. Na de definitieve aftocht van de Geldersen kon men in de Alblasserwaard de schade gaan berekenen, die in de laatste jaren geleden was. In de informatie voor de verponding van 1514 komen daaromtrent belangrijke gegevens voor. Er staat o.a. in de Alblasserwaard: “Dese dorpen zijn al meest verbrant, gepilleert (verwoest) ende beroert geweest ende gestelt in verdinghe (afkoop van brandschatting) van den Geldersen, gelijck breeder blijckt bij de (afzonderlijke) informacie, daromme zij dese lasten niet draghen en mogen maer sullen moeten verlicht wesen elck naedat hij beschadicht is geweest” Zoo had elk dorp in de Waard zijn bijzondere klachten en schaden.

Sliedrecht kwam met de schrik vrij
In Sliedrecht was men er nog vrij goed afgekomen, wel had men 2000 schilden moeten leenen upt lichaam ende tot laste van den dorpe”, maar gelukkig bleef het bij schade in geld. Dat was echter toch nog een grote last voor het dorp, want men moest jaarlijks geven “den penninck veertienrenten” d.w.z. dat men ruim 7 1/2 pct. rente moest betalen. Dat de kerk in deze tijd door de Geldersen zou zijn verbrand berust op een misverstand. De post, die onmiddellijk voorkomt na het bedrag van 2000 schilden der schatting spreekt van een bedrag van 2,5 rente d.w.z. 12 gulden per jaar, ter casse van tupmaicken van huerder kercke. Er is hier dus sprake van een geldsom, die men geleend heeft voor het herstel der kerk. Voor een bedrag van ongeveer 100 gulden kon men ook in dien tijd geen kerk bouwen. Andere dorpen hadden veel meer geleden. Het kleine Wijngaarden had de laatste 3 jaar wel 5000 schilden betaald aan rantsoen van gevangenen en afgebrande molens. Ook de molens van Ottoland, Laag Blokland, Goudriaan en Bleskensgraaf waren afgebrand. Giessendam en Giessen-Oudkerk hadden 42 inwoners weg zien slepen waarvan er 2 doodgeslagen werden.
Bovendien betaalden ze wel 12.000 guldens aan losgeld. Op Hardinxveld, waar het Dordtse blokhuis gestaan had, was de vijand wel het meest gebeten. Bij de aftocht werden daar 180 van de rijkste inwoners gevankelijk weggevoerd. Het ergste had Bleskensgraaf geleden. De bevolking woonde daar in keetjes en was zo arm, dat naar men verklaarde de meeste inwoners als “zij het een broot up hebben, dat zij niet weten, waar zij dat ander halen sullen”.
Zo was er door de Geldersen oorlog veel ellende en armoede in de Waard gekomen en het zou jaren duren eer de schade ook maar gedeeltelijk was ingehaald.

Dijkbraken en overstromingen in de 16e eeuw
Voorlopig kreeg Sliedrecht geen kans om zich van de in de Gelderse oorlog geleden verliezen te herstellen. Door de oorlogen waren de dijken in zeer slechte staat van onderhoud. Vele heren hadden de spade op de dijk gestoken en vele eigenaars hadden hun landen als “vluchtlanden” voor de dijk laten liggen. Het is dan ook geen wonder dat men in deze tijd van een groot aantal dijkbreuken hoort. Op 21 oktober 1468 en 1 november 1470 was de Waard reeds bij stormvloed ondergelopen, welke ramp gevolgd werd door doorbraken in 1496 en 1497. Na een korte onderbreking begon de serie doorbraken weer in 1523 met het doorbreken van de Diefdijk, terwijl in 1530 en 1532 de Merwededijk bij Papendrecht doorbrak. In 1552 moesten we het zelfs tweemaal in een jaar ontgelden, want op 14 januari en 14 november van dat jaar brak de Merwededijk door. In 1565 volgde nogmaals een doorbraak van de Diefdijk.
De grootste ramp was echter de doorbraak op 1 november 1570, de zogenaamde. tweede Allerheiligenvloed. De Merwededijk brak bij Papendrecht door en zodoende stond alles hier blank.
Sommige schrijvers beweren dat men na de Allerheiligenvloed het water jaren in de Alblasserwaard hield staan in de strijd tegen de Spanjaarden, maar dit is niet juist. Hoogheemraden van de Waard hadden direct de handen ineen geslagen om het gat in de dijk te dichten. Dit blijkt duidelijk uit een akte van 7 april 1571, waarin o.a. staat , dat ze ” den oncosten van de dijckage gevallen op ‘t gat ofte inne gebroecken dijck binnen de heerlijckheijt van Papendrecht gedaan hadden op de mergentalen ende niet op de hoeven ” d.w.z. men had de onkosten door de ingelanden per morgen laten betalen en niet per hoeve, zoals voordien.
Na aanvankelijk succes bij de herdijking volgden diezelfde winter op 11 februari 1571 doorbraken van de Linge-, Dief- en Merwededijken, die de Waard zo arm en berooid maakten dat haar krachten uitgeput waren en men er over ging denken het land maar te laten drijven. De Staten van Holland kwamen daarom de inwoners tegemoet en scholden hen op 5 december 1571 hun aandeel in de bede, bedragende 3585 ponden kwijt, teneinde hen in de hoge kosten van herdijking tegemoet te komen.
Over de inundatie tijdens het verblijf der Spanjaarden in de Alblasserwaard zal in het vervolg van ons verhaal: de Spaanse Tijd, gesproken worden.

Geschiedenis-0502
Oud beeld van De Wiel.
Deze is bij een dijkdoorbraak ontstaan.

 

 

04 – St. Elisabethsvloed

Geschiedenist-0401
St. Elisabethsvloed

De opkomst van de aannemerij is sterk bevorderd door de St. Elisabethsvloed, 18 November 1421, waarbij 72 parochiën verdronken en de Biesbosch ontstond. Het was een ramp zonder weerga, die echter de toekomst van Sliedrecht ten zeerste zou beïnvloeden. Tegenover Sliedrecht lag, Craijensteijn en juist ten westen van dit kasteel had men ruim vóór 1421een grote inlage in de dijk moeten maken. Daardoor was een groot stuk voorland ontstaan, dat door aanslibbing hoger was komen te liggen dan de Groote Waard. In 1421 was dat land reeds zo hoog, dat het niet, zoals de veenlanden, weggespoeld werd.
Dit stuk land kwam later aan verschillende eigenaars in Sliedrecht, die voor het recht van aanwas jaarlijks 6 pond Vlaams d.i. f 48.= moesten betalen. Uit het bezit van bovengenoemde plaat is de latere polder Craijensteijn voortgekomen. Van Craijensteijn uit hebben de Sliedrechtenaren stap voor stap nieuw land aangewonnen. Ook achter de relicten (restanten) van de oude dijk had aanwas plaats.
Telkens leest men van nieuwe rietplaten en grienden achter Craijensteijn. Het daar geteelde griendhout werd steeds door de Sliedrechtenaren verhandeld en verwerkt, zodat ze in dit gedeelte van de aannemerij een bijzondere vaardigheid kregen.
De ramp van 1421 had ook de vraag naar rijshout geweldig doen toenemen. Zo moest Dordrecht, om niet ten onder te gaan, overal geweldige rijsdammen en hoofden aanleggen b.v. het Riedijkse hoofd, het Groothoofd, het hoofd buiten de Vuilpoort, enz. enz. Het gebeurde ook meermalen, dat Sliedrecht en de andere dorpen in de omgeving niet voldoende rijshout konden leveren en dat men zelfs naar Gelderland moest reizen voor het gezochte artikel.

Grondwerkers
Bij de havenuitdiepingen van Dordrecht in de 15-e eeuw komen we ook grondwerkers uit Sliedrecht tegen. Merkwaardig is, dat in 1485 de grondwerkers, die tevens met paard en wagen werkten, bijna allen uit Sliedrecht kwamen. Hier ging dus de Sliedrechtse boer, van huis uit aan dergelijk werk gewoon, met paard en kar er op uit om elders geld te verdienen. Reeds in deze tijd kwam men bij de verschillende grote werken meer Sliedrechtenaren tegen, dan arbeiders uit andere gemeenten.
Stad en platteland verleenden elkaar in de middeleeuwen bij grote werken bijstand. De stad gaf geldelijke bijstand bij overstromingen en bedijkingen, terwijl de dorpen in Zuid-Holland aan de havenuitdieping moesten medebetalen of anders mannen moesten inzetten. Sliedrecht verkoos meestal het laatste. In 1461 moest het dorp 4 man leveren of 72 gulden betalen. Zij betaalden maar 4 gulden en 8 stuivers “ende voir d’ander hebben sij gedient” staat er in de rekening. Andere dorpen gaven de voorkeur om in geld te betalen b.v. Bleskensgraaf, dat eveneens 4 man moest leveren, doch wel 21 gulden betaalde.
Wanneer er aanbestedingen waren, werd Sliedrecht nooit vergeten. Telkens leest men in oude stadsrekeningen van Dordrecht, dat er brieven van aanbestedingen gedragen werden “tot Slydrecht ende tot Ghiessenkerck”. Ook bij het besteden “van zeecker aertwerck uijt te graven aen de Spoyepoorte” te Dordrecht waren de Sliedrechtenaren aanwezig, evenals in veel later tijd bij het graven van de Kalkhaven. Men kan dan ook stellen dat ze zich naast landbouw en veeteelt onderhielden “mit spitten ende delven”.

Een eigen weg
Het is erg opmerkelijk, dat bij de ontwikkeling van het dijken en de aannemerij elk dorp een eigen weg ging. Sliedrecht kreeg, zoals reeds vermeld werd, een bijzondere kennis van rijswerken als gevolg van het onderhouden met rijs van de eigen schoordijken.
Papendrecht ging weer een heel andere weg. Door de talrijke wielen, die daar tijdens de veelvuldige doorbraken ontstonden kreeg men bijzondere kennis van het wederbedijken van die wielen. Zelfs tot in Zeeland werden de Wielendijkers uit Papendrecht gehaald.
De stad Dordrecht had van oudsher veel sluizen o.a. een schutsluis in ‘t Spui. Tevens werd het eikehout, voor de sluizen benodigd, daar verhandeld. Eén en ander was oorzaak, dat in Dordt veel “meesters van Sluiswerken” voorkwamen.

Dijkwerkers
Het is een feit, dat juist uit de omgeving van Dordrecht zoveel mensen in Zeeland gingen werken. Dat had een bijzondere oorzaak. Uit een vonnis van Filips II van 1561 en uit andere stukken uit die tijd blijkt, dat de Zeeuwen en in het bijzonder de bewoners van Westkapelle te Dordrecht hun hout, rijs en steen kwamen kopen.
De bewoners van Westkapelle, die aan hun dijk werkten, waren van een geheel ander slag dan de Zeeuwen. Ze kenmerkten zich door een forse lichaamsbouw, blond haar en blauwe ogen. Zij huwden steeds onder elkaar en bemoeiden zich weinig met de eigenlijke Zeeuwse bevolking. Men heeft vele gissingen gemaakt over de afkomst van deze dijkwerkers, en ze zelfs wel van Deense vissers af willen laten stammen. Het is echter juister om aan te nemen, dat de dijkmeesters afkomstig waren uit de streek, waar ook de materialen voor de dijk gehaald werden. Waar nu gebleken is, dat men voor de Westkapelse zeedijk de materialen uit Dordrecht en omgeving haalde, moeten we ook aannemen, dat de dijkwerkers uit de streek langs de Merwede, dus ook uit Sliedrecht afkomstig waren.
Hiervoor pleit niet alleen hun type (blauwe ogen, blond haar) , maar ook hun organisatie bij het werk. Men was in Westkapelle n.l. georganiseerd in ploegen, die men daar “benden” noemde en deze organisatie herinnert sterk aan het ploegenstelsel, dat men in onze streek reeds in de middeleeuwen vond. Hoogstwaarschijnlijk hadden we te doen met een nederzetting van dijkwerkers uit Sliedrecht en omgeving en wel van voor 1527. Mogelijk is de onveilige toestand tijdens de Gelderse oorlog in die tijd ook niet vreemd geweest aan deze verhuizing.
In de 17de eeuw kwam er nog iets anders bij. In 1623 was n.l. Mr. Jacob Cats pensionaris van Dordrecht geworden. Cats was afkomstig uit Zeeland en had zich na 1611 bezig gehouden met het bedijken van grote complexen van landen in Zeeuws-Vlaanderen, die tijdens de troebelen door de eigenaars verlaten waren. Toen Vader Cats in Dordt kwam wist hij daar al spoedig de lieden van het grootkapitaal, o.a. Jacob de Witt, de vader der gebroeders de Witt, voor die bedijking te interesseren.

Financiering grote werken
De moeilijkste afdeling van de aannemerij was de financiering van grote werken en het dekken van het risico verbonden aan dergelijke werken. In de eerste eeuwen was het onmogelijk, dat Sliedrecht zelf deze afdeling der aannemerij zou kunnen ondernemen. De verschillende oorlogen (Gelderse oorlog, 80-jarige oorlog) hadden het dorp op ontzettende wijze verarmd.
Voorlopig kwamen de aannemers d.w.z. degenen, die het werk financierden uit de steden. Dit was b.v. het geval bij het bedijken van de Grote Wiel onder Papendrecht in 1578, toen Maerten Verhooch of van der Hoch uit Delft het werk aannam, maar het liet uitvoeren door Maerten Dircksz, schout van Papendrecht, met volk uit Papendrecht en Sliedrecht. Slechts kleinere werken bleven over. Bij de financiering van deze werken volgden de dorpen, althans in de 17de eeuw, een verschillend systeem.
In Sliedrecht was het vaste gewoonte dat men het geld bij dorpsgenoten leende. Dit was van het grootste belang, want daardoor bleven kapitaal en rente in het dorp en dat maakte velen hoe langer hoe meer onafhankelijk. Andere dorpen leenden bij de geldschieters in de steden en werden daardoor meer afhankelijk van het stadskapitaal.
Het beeld van de aannemerij in Sliedrecht is er een van gestadige groei. Lang heeft het geduurd eer men werken van enige omvang kon ondernemen, maar tenslotte zegevierde men ook in financiële zaken.

Bedijking van de Alblasserwaard
Zoals reeds eerder vermeld werd, waren in onze omgeving voor 1105 de grotere polders, die nu nog de afzonderlijke polders in de Alblasserwaard vormen, reeds ingedijkt. Deze polders moesten aan drie of vier zijden waterkerende dijken hebben, wat natuurlijk zwaar op het land drukte.
De Zwijnskade, eigenlijk Zijdewindsekade, was oorspronkelijk de oostelijke buitendijk van de polder Sliedrecht. Zij brak in die tijd ook door, want de bekende knik in de kade is zeer duidelijk een inlage bij een wiel uit die tijd.
Het verlangen om tot een meer omvattende inpoldering te komen moet dan ook wel algemeen geweest zijn, temeer daar men bezuiden de Merwede reeds de Groote- of Zuidhollandse Waard had ingedijkt. Twee dingen waren voor zulk een inpoldering nodig. Ten eerste moest het rendabel zijn om het minder vruchtbare veen, alleen geschikt voor veeteelt, in te dijken en ten tweede moest er een macht zijn die altijd twistende adellijke heren van de heerlijkheden tot samenwerking bracht.

“Der keerlen God”Onder de regering van Floris V zouden deze beide voorwaarden in vervulling gaan. In de eerste plaats had, juist in de jaren voor 1277, een geweldige uitbreiding van de bevolking van Dordrecht plaats. Door allerlei voorrechten hadden de Hollandse graven van Dirk VII tot Floris V de opkomst der steden bevorderd. Door vrijdommen van tollen (1250), in ‘t bijzonder de uitbreiding van vrijdom tot wol en laken in 1278, werden de Vlaamse lakenbereiders naar Dordrecht gelokt. Vooral daardoor werd het een grote stad met een uitgebreide bevolking. De naaste omgeving moest, behalve voor graan, dat vanuit de Oostzee-landen werd ingevoerd, zorgen voor de levering van allerlei levensbehoeften als vlees, zuivelproducten, enz. Daardoor steeg de waarde van het land en werd het lonend ook veenlanden in te dijken. Behalve op de steden steunde Floris V in zijn strijd tegen de adel ook op het platteland. Veel, zeer veel heeft hij gedaan voor de plattelands-bewoners. Hij heeft daaraan ook zijn toenaam: “der keerlen God”, d.w.z. de god van de boeren, te danken. De macht van Floris V was ook zo groot, dat hij de grote heren tot samenwerking kon dwingen. 31 Maart 1277 was een gewichtige datum voor de Alblasserwaard, toen nog het land tussen Lek en Merwede geheten, want op dien dag gaf Floris V een charter, waarin de eerste omgaande bedijking geregeld werd, hoewel slechts een gedeelte van het tegenwoordige grondgebied daarin begrepen was.
Twee dijken
In het oude perkamenten stuk wordt gesproken van twee dijken. De westelijke dijk liep langs de Matena, die voordien uit twee buiten-poldertjes: Noord-, en Zuid-Matena bestond, maar nu bij de polder Sliedrecht kwamen. Dit deed men, omdat men dan de westelijke dijk van de Matena door ophoging geschikt kon maken voor buitendijk. Aan het einde van de Matena maakte de dijk een knik en ging vandaar naar een thans niet meer bestaande dam in de Alblas. Blijkbaar durfde men een afdamming bij het tegenwoordige Alblasserdam toen nog niet aan.
Van die dam in de Alblas liep de buitendijk ten westen van de Donk naar de Strevelandse polder, waarvan men weer de westelijke dijk als buitendijk gebruikte. Feitelijk was dus hier de gehele bedijking niets anders dan een verbindingsdijk of zijdewinde tussen de uiterste punten van bestaande polders Streveland en Matena. Tegenwoordig heet die buitendijk van 1277 Matenase Scheikade, Peilkade en de Zijdeweg. Heel goed kan men het karakter van buitendijk van de Zijdeweg herkennen, want op kaarten uit de 19-e eeuw en ter plaatse ziet men nog heel duidelijk een tweetal wielen achter die weg. Daar zijn dus een paar doorbraken geweest toen de Zijdeweg nog buitendijk was. De oostelijke dijk liep van Ameide zuidwaarts en werd Ameider Zijdewinde genoemd, tegenwoordig Zouwendijk.
Hij liep van Ameide naar “den Donck”, d.i. Hoog Blokland en gebruik makend van die natuurlijke hoogten, die met dijken aangevuld werden, naar de Horrendam, een dam in de Giessen bij Hoornaar. Vandaar ging hij langs de reeds bestaande dijken ten noorden van de Giessen. Uit het feit, dat hier slechts van twee dijken of zijdewinden sprake is en de dijken langs de Lek en Merwede, die toch bij een rondgaande bedijking niet gemist kunnen worden, niet genoemd zijn, blijkt duidelijk dat die dijken en dus ook de polders Sliedrecht, enz. reeds bestonden. Bij de bedijking van 1277 behoorde dus nog niet het westelijk gedeelte van de Alblasserwaard met Papendrecht, Alblasserdam, Donkersloot enz. Voor 1320, mogelijk reeds in 1298, werd de Alblas afgedamd en toen in 1365 ook het gedeelte tussen Giessendam en Gorinchem er bij kwam was de Alblasserwaard in haar tegenwoordige grootte aanwezig. Alleen verloor men in 1373 de polder en het dorp Donkersloot, welk gebied thans in het eiland IJsselmonde ligt. Uit de bedijking van 1277 trok Sliedrecht het voordeel dat het zich nu slechts aan een zijde behoefde te verdedigen tegen de Waterwolf, nl. aan de Merwedezijde. Die zijde was al gevaarlijk genoeg, want 12 jaar later waren de dijkkosten al zo hoog dat de heer van de heerlijkheid Over-Sliedrecht ze niet wilde aanvaarden, maar ze ten laste van het dorp liet (1289).

Een grote last
Het dijkonderhoud was wel een grote last voor de bewoners, maar het verzekerde ook een betere dijkverzorging want nu onderhielden de direct belanghebbenden hun eigen dijk, terwijl anders afgewacht moest worden of de heer genegen en in staat was zijn plicht te doen. Het betere onderhoud is wel één van de grootste oorzaken van het feit, dat in 1421 niet de Sliedrechtse dijk, eigenlijk de gevaarlijkste, bezweek, maar de dijk van de Groote- of Zuidhollandse Waard. Omstreeks deze tijd is waarschijnlijk in de polder Sliedrecht een grote verandering ingevoerd. Vroeger was het land verdeeld in hoeven. De gezamenlijke hoeven zorgden voor de dijken, waarbij elke hoeve een bepaald stuk dijk onderhield. Doordat nu slechts een der vier dijken waterkerend werd was een nieuwe regeling nodig. Wat er toen geschiedde zou men het best met ruilverkaveling kunnen vergelijken. De polder werd nu verdeeld in weren, d.w.z. elk stuk land, onverschillig van de oppervlakte zou zich voortaan uitstrekken van “de Wingertsche halve kaedesloot tot het schoor van de Merwede toe” Elk weer moest het onderhoud dragen van de dijk aan het hoofd van dat weer gelegen. Bij de verschillende bedijkingen was door de graaf bepaald, dat wie minder dijk zou te onderhouden krijgen elders andere dijkvakken zou moeten aanvaarden. Daardoor kwam het dat Giessendam, Wijngaarden, enz. bepaalde “slagen” van de Sliedrechtse dijk moesten onderhouden. De polder Sliedrecht had daarentegen weer verplichtingen bij het onderhoud van de Zouwe en Bazeldijken en van de dijk onder Alblasserdam.

“Heeringdragen”
Dit riep een merkwaardige oude gewoonte in het leven nl. het “heeringdragen” op de dijk, waarbij men natuurlijk niet aan haring dragen moet denken. Het heering dragen werd gedaan door schout en schepenen van de dorpen en wel op de dijken, die ze elders moesten onderhouden.
Het dorpsbestuur moest nl. bij de schout, van wie er dijken ter plaatse aanwezig waren, door het heering dragen erkennen dat zij verplicht was tot het onderhoud van die dijk.

18 November 1421 De Sint Elisabethsvloed
Grote gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit, zo ook bij de ramp van 18 November 1421 die, omdat ze in de nacht voorafgaande aan de naamdag van de Heilige Elisabeth plaats greep, naar de heilige is genoemd. Men heeft de St. Elisabethsvloed aan verschillende oorzaken toegeschreven., zoals het slechte dijkonderhoud tengevolge van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, het uitmoeren van het veen in de nabijheid van de zeedijken, enz. Onze grote rivieren voeren in hun loop grote hoeveelheden zand mee, dat zich in haar benedenloop afzet. Voorheen meende men dat dit zand tenslotte de zee bereikte, maar uit recente studiën is gebleken dat het zand van de Merwede niet verder kwam dan Puttershoek en zich tussen Gorinchem en Puttershoek als het ware steeds ophoopte. De Merwede verhoogde dus voortdurend haar bedding en deze kwam tenslotte hoger te liggen dan het land er omheen. De rivier liep dus juist uitgedrukt over een heuvelrug van zand. Om dit euvel te verhelpen kon men twee wegen inslaan, nl. de dijken verhogen of het zand wegbaggeren. Het laatste paste men later toe, maar daar men vroeger de hulpmiddelen voor een dergelijk werk niet bezat, moest men wel tot het middel van dijkverhoging overgaan. Het was a.h.w. een wedloop. Wie zijn dijk het meest ophoogde en het sterkst maakte, was het best beveiligd. Uit de gebeurtenissen voor 1400 blijkt duidelijk hoe groot het gevaar toen reeds werd. Voor 1365 waterde een groot gedeelte van het land tussen Lek en Merwede af bij het latere Giessendam.
Zelfs de polder Langerak bracht er sedert 1281 zijn water heen. Het blijkt echter dat de waterstanden van de Merwede in 1366 zo hoog waren geworden dat een goede waterlozing daar niet meer kon plaats vinden. Aan de belanghebbende heren en dorpen werd nu vergunning verleend om een watergang te graven naar het Elsschot, waar de vloeden lager afliepen. Dit is de thans nog bestaande uitwatering van de Overwaard. In 1369 volgde de Nederwaard die de watergang aanlegde van de Alblas naar het Elshout en het Nieuwe Waterschap stichtte. Andere oorzaken van de hoge waterstanden op de Merwede waren ook nog de bedijkingen van Hardinxveld tot Gorinchem tussen 1280 en 1330 en de afdamming van de Oude Maas bij Heusden, waardoor al het water van de Maas op de Merwede werd gebracht.

Onrustige tijden
Nu had men het onheil nog wel kunnen voorkomen door goed onderhoud der dijken, maar daartoe waren de tijden te onrustig. De Hoekse- en Kabeljauwse twisten beleefden in deze streken hun hoogtepunt.
Wij behoeven slechts te herinneren aan het beleg van Gorinchem (1409), het beleg van Dordrecht en de verwoesting van het Huis te Merwede, beide in 1418. Ook in de Alblasserwaard was het onveilig, want in 1406 was men zo ver gekomen, “dat men gheen recht in de Alblasserwaert en doet”. Geen wonder dat men in deze tijd van talrijke doorbraken gewag maakt. De eerste, die van de zuidelijke Merwedijk, had plaats in 1374. Daarop volgden er in 1376, 1377, 1379 en 1396. Die van 1376 was bij Werkendam, waar ook in 1421 de grote doorbraak zou plaats grijpen. Herhaaldelijk moest van hogerhand ingegrepen worden om de onderhoudsplichtigen te dwingen om de wielen in te dijken. Opmerkelijk is, dat geen enkele maal van doorbraken aan de Noordzijde van de Merwede gesproken wordt. Dit was een gevolg van de meer democratische inrichting van het bestuur en het dijkbeheer in de Neder- en Alblasserwaard. Wanneer in de Alblasserwaard de heren hun dijkplichten niet nakwamen, nam het gemene land van de Alblasserwaard de goederen van die heren over en zorgde zelf voor het dijkonderhoud. Zo namen ze op 7 augustus 1421 de goederen van het geslacht Giessen nl. Molenaarsgraaf, Alblas, Alblasserdam, Kinderdijk, enz. van de graaf over, omdat die van Giessen de spade op de dijk gestoken hadden en hun land voor de dijk hadden laten liggen.

Belangrijke gevolgen
De ramp van 1421 zou voor Sliedrecht belangrijke gevolgen hebben. In de eerste plaats waren velen naar de overzijde van de Merwede gevlucht en bleven daar wonen in de hoop dat te eniger tijd hun land herdijkt zou worden. Toen dat niet gebeurde, zochten ze andere bronnen van bestaan als vogelarij, visserij, enz.
Al heel vroeg was Sliedrecht een dorp dat, gerekend naar de grootte in morgens, veel meer inwoners had dan de andere dorpen in de Alblasserwaard. Een oud spreekwoord zegt dan ook: “Sliedrecht groot, Alblas rijk”. In de tweede plaats zou het verdronken land het gebied opleveren, waarop Sliedrechts welvaart gebouwd is. Vanzelfsprekend was het gevaar voor de Alblasserwaard na 1421 veel groter geworden. Men moest nu de stormen, opgezweept op de grote watervlakte van de Biesbosch, zoveel hoger opliepen tot verhoging van de dijken overgaan. In 1425 was van men daarmede bezig, want toen kregen alleen die in de “dijkagie” van de Alblasserwaard werkzaam waren een vrijgeleide van Graaf Jan van Beieren. De 15e eeuw is een eeuw geweest van doorbraken van de dijk. Jhr. Teixeira de Matthos telde aan het eind van de 15e eeuw en begin der 16e eeuw niet minder dan 13 doorbraken en overstromingen. Gelukkig dat de stad Dordrecht zich steeds behulpzaam toonde bij het herdijken en zich daarvoor grote geldelijke opofferingen getroostte.
Zo wendde de stad zich in 1483 tot Maximiliaan en Philips van Oostenrijk, met de bede om een regeling van het dijk- en waterschapsrecht, omdat: “de Alblasserwaert onder de vaorsz. supplianten gelegen in ‘t quartier van Zuyt-Hollandt in groote vreese ende sorge dagelijcks is, overmits de last van de water ende quade dijcken” en “dat men die sonder groote provisie niet houden en mag, soo dat wel van grooten noode is met alre haest daerinnen te voorsien”.
Men vreesde in deze tijd zelfs, dat men de Alblasserwaard op de duur niet zou kunnen houden, maar met vereende krachten is dat toch gelukt.

03 – Sliedrecht Benoorden de Merwede

We steken de Merwede over en komen dan toe aan de oudste geschiedenis van onze gemeente aan de noordzijde van de Merwede. Zeer schaarse berichten staan ons hier ten dienst en met dit weinige moeten we trachten ons een beeld te vormen hoe het er in deze tijden toegegaan is.
Dit gebrek aan bronnen vindt zijn oorzaak in het feit, dat in onze gemeente behalve dan het oude tolhuis, nooit een middeleeuws kasteel gestaan heeft. De Heren van Sliedrecht waren meestal de heren van De Merwede en van Crayesteyn en die woonden in hun kastelen aan de zuidzijde van de Merwede. Na het stuk van 1064 (1140), waarin over Menkenesdrecht gesproken wordt, vernemen wij nooit meer iets van die naam.

Geschiedenis-0301
Kaartje met de situatie in ± 1300

 

Ons dorp ligt dan nog zowel aan de noord als de zuidzijde van de rivier.

 

Over-Sliedrecht
De zuidzijde van de Merwede met het daargelegen Sliedrecht was zo belangrijk geworden, dat men het dorp aan de noordzijde als geheel aanduidde met de naam, d.w.z. tegenover Sliedrecht. Ook sprak men wel van het dorp als gelegen bij de tol van Niemandsvriend, omdat de tol, waarover later, in dat ambacht lag. De naam Over-Sliedrecht heeft het echter gewonnen, als naam voor het gehele dorp. Men sprak van Niemandsvriend in Over-Sliedrecht, van Lockhorst in Over-Sliedrecht en van Naaldwijk in Over-Sliedrecht. Na de St. Elisabethsvloed 18 November 1421, toen het dorp aan de zuidzijde met de kerk verdween, erfde Over-Sliedrecht weer de naam en heette na die tijd kortweg Slydrecht (Uitgesproken: Sliedrecht). Het ambacht Lockhorst kreeg toen de naam Over-Sliedrecht. De eerste maal dat van ons dorp gesproken wordt met de naam Over-Slydrecht is in een acte van 1203, waarbij het klooster Heysterbach op het eiland van Dordrecht gesticht wordt door graaf Dirk VII en zijn gemalin Aleydis. Het klooster kreeg toen als schenking van de stichters o.a. de visserij in de Merwede bij Over-Slydrecht. De eerste maal, dat ons dorp met de naam Slydrecht voorkomt is op 22 November 1369, toen bij de regeling van het Nieuwe Waterschap genoemd werden: Herbaren van Liesvelt, Willem van Naeltwijck en Jan van de Merwede, met haren drie ambachten van Sliedrecht.

Heer van Voorne
Het gehele dorp van een leen van de graaf van Holland aan de Heer van Voorne. Hoe deze heer van Voorne aan dit en andere lenen in deze omgeving o.a. Merwede en het gebied om de Nieuwe Kerk bij Dordrecht, gekomen was, wordt nergens vermeld.
De heren van Voorne waren, evenals die van Putten, Brederode en de Lek de grootgrondbezitters in deze streken. Zij hebben wellicht bij de eerste verovering en ontginning door de Hollandse graven een rol gespeeld of bij de herovering door Dirk V, omstreeks 1075. Zij zullen voor hun hulp naar de geest des tijds met land en heerlijkheden beloond zijn. Het is ook mogelijk, dat zij het eerst verworven hebben in de moeilijke jaren na de dood van Willem II, die in 1256 bij Hoogwoud sneuvelde en slechts een 2-jarig zoontje Floris V naliet. Floris V stond aanvankelijk sterk onder de invloed van de hogere adel, die natuurlijk wel zorgde daarbij zelf niet tekort te komen. Eigenlijk is het leven van Floris V één strijd geweest om aan die invloed te ontkomen. Men weet, dat het met een moord, door dezelfde adel gepleegd, eindigde. Hoe dan ook de heer van Voorne aan het bezit gekomen was, een feit is dat Albrecht, heer van Voorne, het op het einde der 13de eeuw in bezit had en in drie delen als leen uitgaf. Ook na hem is het steeds in het huis Voorne gebleven tot 1371 toen zijn kleindochter Machteld van Voorne kinderloos overleed en geheel Voorne aan Holland kwam.

Liefdesgeschiedenis
Dat Floris V het huis Voorne zo ongestoord in het bezit van deze uitgestrekte goederen in Holland liet, terwijl hij andere heren, zoals Amstel, Woerden, enz. van alles trachtte te beroven, vindt zijn oorzaak in een liefdesgeschiedenis. Kort voor 1280 was de charmante en geestige Zuid-Nederlandse edelvrouwe Catharina de Durbury gehuwd met een reeds oude heer Aelbrecht van Voorne. Zij was de dochter van Gerard de Durbury en door haar moeder een kleindochter van hertog Hendrik I van Brabant. Zij schonk in 1281 haar man een zoon: Gerard van Voorne, en reeds spoedig daarop, in 1287, was zij weduwe. Zij stond bekend als een buitengewone schoonheid en als een vrouw van hoofse manieren. De bedaagde kroniekschrijver Willem Procuratoer noemde haar in 1322, toen ze al oud was een buitengewone, schone vrouw.

Floris V
Reeds kort na de dood van haar man schijnt de jonge elegante weduwe in intieme verhouding gekomen te zijn tot Floris V, die zeer toegankelijk was voor het vrouwelijk schoon. Omstreeks 1290 schonk hij haar de goederen van het uitgestorven geslacht Teijlingen. Nu lag het slot Teijlingen zeer dicht bij het prachtige slot Vogelesanck, waar Floris V bij voorkeur vertoefde en dat maakte de omgang met haar “lieven heer en neef”, zoals het in een charter van die tijd staat, veel gemakkelijker, dan wanneer zij in het afgelegen Brielle of Geervliet vertoefde. Haar zoon Gerard van Voorne, “het kind van Voorne”, werd later schildknaap bij Floris V en was als zodanig ook bij diens gewelddadige dood aanwezig. Catharina de Durbury huwde na de dood van Floris V, in 1297 met Wolfert van Borselen, die toen eigenlijk het land regeerde voor de minderjarige graaf Jan I. Zij was ook aanwezig bij het treurspel, dat zich 1 Augustus 1299 te Delft afspeelde. Wolfert van Borselen wilde nl. de jonge graaf naar Zeeland voeren, doch de burgers van Delft beletten dit en zetten hem en zijn schone vrouw gevangen in het Steenhuis, d.i. de gevangenis te Delft. De woedende menigte eiste zijn dood en Wolfert van Borselen werd aan haar armen ontrukt, op straat gesmeten en evenals later de gebroeders de Witt, door het grauw verscheurd. Na Wolferts dood bewoonde Catharine de Durbury weer het slot Teijlingen en zelfs wist deze middeleeuwse Cleopatra de nieuwe Henegouwse graaf Jan II te boeien, zodat ook deze haar in het bezit harer goederen liet. Zij overleed in 1328 in hoge ouderdom, het geluk smakend alle bezittingen, ook Sliedrecht, op haar zoon te hebben zien overgaan. Evenwel zou Sliedrecht toch aan de Hollandse graaf komen, want Gerard van Voorne had slechts een dochter: Machteld van Voorne, die later voorkomt in de leenregisters als “minre vrouwe van Voorne”. Bij haar kinderloos overlijden in 1371 kwamen al haar goederen, dus ook Sliedrecht aan graaf Willem IV. De heren van Voorne beleenden nu Over-Sliedrecht in drie gedeelten (Niemandsvriend, Lockhorst of Over-Slydrecht en Naaldwijk) aan verschillende heren.

Niemandsvriend
Te beginnen met Papendrecht af, komt eerst het ambacht Niemandsvriend, dat zo genoemd was naar een middeleeuwse sterkte aan de Merwede, waar de graven van Holland tol hieven. Het ambacht wordt meestal vermeld als: “Het ambacht bi der tolne van Niemandsvriend”. Het was het kleinste van de drie en volgens Oudenhoven slechts 206 morgen groot. Niemandsvriend was niet alleen het kleinste, maar ook het armste en minst belangrijke van de drie ambachten. De dijk van Den ENGEL tot Baanhoek, was grotendeels een schoordijk en dus zeer kostbaar in onderhoud. Vandaar dat Niemandsvriend nog al eens van heer verwisselde. Als oudste heer wordt vermeld, in 1277 in het charter van de indijking van de Alblasserwaard, Theijlings Colekijn. Met deze Colekijn heeft men nooit goed raad geweten; de één noemde hem een lid der familie Teijlingen, de ander een leenman van dat geslacht. Van Bheineck Leijssius geeft in zijn inleiding op de inventaris van het archief van Sliedrecht een andere oplossing. Van het charter van 1277 zijn n.l. verschillende afschriften bekend, die merkwaardig genoeg juist in het eerste gedeelte van de naam verschillen. Hij stelt nu voor te lezen: Everdeijs Colekijn en dat zou dan dezelfde wezen als Colijn Everdeijsz van Alblas. Naar deze Colijn heette het ambacht lange tijd Colijnsambacht; zo b.v. in een brief van 28 juli 1303, waarbij een huis in Colijnsambacht in Over-Slydrecht aan de Duitse orde geschonken wordt. Toch komt dan ook de naam Niemandsvriend geregeld voor, want in 1311 geeft heer Nicolaas van Putten land in leen aan Van den Molenaer, gelegen in Niemandsvriend. In 1311 wordt vermeld het veer van Niemandsvriend in Mattheus Colijnsambacht. Aan deze Matthijs Colijnsz hebben we wat meer houvast. Hij was in 1328 schout van Geertruidenberg en maakt dan een geldbedrag aan zijn vrouw gevestigd op een erve en land in Sliedrechterambacht over. In 1369 bij de stichting van het Nieuwe Waterschap is Herbaren van Liesvelt heer van Niemandsvriend. Na die tijd komt de naam niet meer voor in de leenregisters van de graaf van Holland. Vermoedelijk heeft de graaf toen hij in 1371 alle goederen van Machteld van Voorne kreeg het met een aantal andere heerlijkheden aan de toenmalige heren in persoonlijk bezit afgestaan.

De Tol vam Niemandsvriend
Het recht van tolheffing was oorspronkelijk een keizerlijk recht, want de grote rivieren, waren van oudsher keizerlijk domein. De Hollandse graven hadden zich dat recht in de elfde eeuw onwettig toegeëigend en lieten het zich na die tijd nimmermeer ontnemen. Nadat de oudste graven met zoveel succes tollen bij Dordrecht en Geervliet gesticht hadden, waardoor zij de handel van en naar Vlaanderen en Engeland controleerden, sloten zij ook hun grenzen aan de oostzijde af. Hierdoor kwamen de tollen bij Moordrecht op de Hollandse IJssel, de Ammerstol op de Lek, Niemandsvriend aan de Merwede en Almsvoet op de Maas. Zodoende kon geen enkel schip in Holland komen of het moest tol betalen. Het best kan men die tolhuizen vergelijken met de tegenwoordige kantoren der douane, waar de in- en uitvoerrechten betaald moeten worden, met dit verschil, dat een tolhuis in de middeleeuwen tevens een sterk kasteel moest zijn, om tegen aanvallen te land en te water beschermd te wezen. De schippers probeerden natuurlijk zoveel mogelijk de bestaande tollen te ontduiken, door snel voorbij te varen en daarom had men de tolhuizen aangebracht op plaatsen, waar de rivier smal was en de dijk na aan de rivier kwam. Veranderde de loop van een rivier, dan was ook de verplaatsing van het tolhuis nodig. Telkens worden dan ook de tollen verplaatst, ook de tol van Niemandsvriend. Wanneer er ooit een toepasselijke naam voor een tol uitgedacht is, is dat het geval met de naam “Niemandsvriend”. Evenmin als nu de weggebruikers, waren toen de schippers en kooplieden op het betalen van tollen gecharmeerd en met middeleeuwse humor drukte men in deze naam zijn afkeer uit.
Tolhuis
Het Tolhuis van Niemandsvriend stond op de westenhoek van de Tolsteeg, de plaats dus waar de dijk het dichtst aan de rivier kwam. Het moet een groot, sterk en aanzienlijk kasteel geweest zijn, want herhaalde malen hielden er de graven van Holland met hun aanzienlijk gevolg verblijf. In 1242 vertoefde er Willem II, graaf van Holland, en later keizer van Duitsland en in 1303 hield Jan II van Holland en Henegouwen er zijn residentie.
Op die datum werd nl. een charter uitgegeven, waarop staat: “Ghegeven ende ghemaekt tot Niemandsvriend int jaer ons Heeren duijzent drije hondert drie op Sinte Bonifaesavont”. Jan II hield er toen verblijf om met de oproerige grote edellieden af te rekenen en dat deed hij liefst op een sterkte, waar hij heer en meester was. Eerst nadat hij de heren, die Gijsbrecht van Amstel c.s. gesteund hadden, uit hun goederen, en degenen die zich vrij konden pleiten in hun bezit, bevestigd had, begaf hij zich naar Dordrecht, waar hij enige dagen later als aanwezig wordt vermeld. In het tolhuis waren, behalve vertrekken geschikt voor het verblijf van een graaf, als eetzalen, slaapzalen, stallen voor paarden, verblijven voor manschappen, nog andere merkwaardigheden. Er was nl. ook een kapel in het middeleeuws gebouw, want in 1321 gaf graaf Willem II aan de “clercq (geestelijke) Henrick Snellaerdszoon van Breda, de regeeringe en bestieringe van zijne capellanie en dienste in zijn Tolhuijs bij Niemandsvriend”.
De tol van Niemandsvriend, die stellig nog veel ouder is, vonden wij voor de eerste maal vermeld in een charter van 27 December 1042, waarbij Willem II tot heil van zijn ziel jaarlijks een aam (vat) wijn gaf aan de Praemonstratenser abdij te Bern. Het geld daarvoor moest ontvangen worden “in mijn tol van Niemandsvriend” of zoals het daar luidt: “In theleone meo apud Nijemensvrient”. Aan hetzelfde klooster gaf de graaf in 1253 bovendien vrijdom van tolbetaling. De graaf gaf hier een gedeelte der inkomsten uit zijn tol weg. Nu waren de tollen tot omstreeks 1400 de voornaamste bron van inkomsten van een graaf en herhaaldelijk moest deze, om aan contant geld te komen, de inkomsten uit de tol in pand geven.
Gevaarlijker was het, dat de graven aan velen vrijdom van tolle gaven, want daardoor verminderden de inkomsten op onrustbarende wijze. Zo kreeg 26 januari 1248 de Duitse orde vrijdom van tollen te Ammers- en Niemandsvriend. Erger werd het, wanneer die vrijdom werd toegestaan aan machtige handelssteden, zoals het op 17 februari 1250 gebeurde, toen de stad Dordrecht vrijdom van tolgelden kreeg, behalve voor wijn, laken en ijzer. Oorspronkelijk was de tol van Niemandsvriend niet de voornaamste. In 1333 stond hij wat inkomsten betreft op de vierde plaats, na Ammerstol, Geervliet en Dordrecht. Het verkeer met Duitsland via de Merwede nam echter meer en meer toe. In de rekening van Zuid-Holland van 1350-1363 staat hij op de tweede plaats, onmiddellijk na de tol op de Bernisse bij Geervliet. In deze tijd is de tol van Niemandsvriend verplaatst naar Woudrichem, want in 1354 verkocht graaf Willem IV aan Gilles van Hellemes zijn knape twee hoeven lands te Niemandsvriend, daar het Tolhuys op staat. Dit blijkt uit een brief van vrijdag na St. Andresdag 1356 (2 Dec. 1356) waarin men leest: “Hertog Willem de Tol van Niemandsvriend tot Woudrichem geleyt hebbende”, enz. Toen was de tol dus reeds in Woudrichem, waar hij echter ook niet blijvend gevestigd was. Nog eenmaal was de tol te Niemandsvriend gevestigd en wel in 1389 toen Albrecht van Beieren hem met andere tollen aan Dordrecht verpachtte. In 1415 komt hij niet meer voor. Later had de inning te Gorinchem plaats.

Geschiedenis-0302
De Alblasserwaard in vroeger tijden

Het begin van de Aannemerij

Het grote geld ontbreekt nog……

Het aannemen van grondwerken is van zeer oude datum. Hoe ver men ook teruggaat, steeds wordt er van “aanbesteden” en “aannemen” gesproken.
Toen in Dordrecht, in 1410, de Nieuwe Haven gegraven werd, waren er 5 aannemers, die na de voltooiing van het werk beloofden “alle gebreck te beteren aen ‘t werck, dat si aen hadden genomen”.
Het aannemen van de werken geschiedde lange tijd partieel, d.w.z. het werk werd niet in zijn geheel, maar in gedeelten aanbesteed.
Blijkbaar waren er nog niet voldoende kapitaalkrachtige personen om een groot werk in zijn geheel aan te nemen. Wanneer er een omvangrijk werk tot stand moest worden gebracht, liet men het opmeten door een gezworene, d.w.z. beëdigde, landmeter; daarna zond men brieven rond om de gegadigden op te roepen. Het werk werd dan met de vierkante roede ( gemeten en bij een aantal roeden tegelijk aanbesteed. Een vierkante roede was 14 m² groot.

Waskaarsen
Die aanbesteding ging veelal op een bijzondere wijze n.l. bij uitgaande waslichten. Men zette een waskaars op tafel en zolang de kaars bleef branden kon men een bod doen. Ging de kaars uit, dan was de laatste bieder aannemer, terwijl de voorlaatste het strijkgeld ontving. Dat noemde men toen rantsoen. Was men aannemer geworden, dan moest men op de bepaalde tijd het werk aanvangen en zich geheel gedragen naar de aanwijzingen van de gezworene. Men moest zorgen met zijn “mackers ofte mededoenders” op het werk te zijn en steeds met een ploeg van minstens 16 of 17 man te blijven werken.
De grondwerkers woonden in rieten keten bij het werk en hadden bij een karwei van lange duur meestal vrouw en kinderen bij zich. De levensmiddelen moesten bij de “soetelaers”, dat zijn reizende handelaars in levensmiddelen, gekocht worden.
De aannemers ontvingen geen geld voordat hun werk op, de “schoudach” gepresen (goedgekeurd) was. Was men over tijd, dan werd er het bedongen loon gekort. Erger was het, als het werk niet “gepresen”, maar “gelaeckt” (afgekeurd) werd. Men moest dan het werk onder dreiging van een boete vóór een bepaalde datum af hebben, of er werden anderen ingezet en men ontving niets van de aannemingssom.

Een goede leerschool
In Sliedrecht heeft men zich bij de aannemerij van grondwerken nooit onbetuigd gelaten. De Sliedrechtenaren hadden in hun eigen dorp een uitstekende leerschool. Immers iedere landeigenaar moest persoonlijk het stuk dijk, waaraan zijn land lag, onderhouden.
In Sliedrecht, waar zoveel dijk was dat geen voorland had, was dit een groot bezwaar. De gedeelten van de dijk, onder Naaldwijk en onder Niemandsvriend waren schoordijk, d.w.z. die dijken lagen onmiddellijk aan de Merwede, zonder enig voorland. Met schoor bedoelde men dan de oever onder water, waarlangs de stroom schuurde. Aan het onderhoud van die schoordijken werden veel hogere eisen gesteld, dan aan het onderhoud van de normale dijken.
Het is wel typerend, dat Sliedrecht het enige dorp was, waarvan vermeld wordt, dat de heer van het ambacht het als een voorrecht bedong, dat verlaten land, wegens dijkonderhoud, niet te zijnen laste, maar ten laste van het dorp zou komen. In veel gevallen was het onderhoud van de dijk zwaarder was dan de opbrengst van het land.

Rijs
De schoordijken moesten wel beslagen worden met goed rijs en riet, “zes voet druipens hebbende”, d.w.z. dat de dijk onder aan de teen zes voet breder moest zijn, dan aan de kruin. Over al het rijs en riet moest wilgenvlechtwerk worden aangebracht.
Niettegenstaande alle voorzorgen kon men moeilijk voorkomen, dat de dijk onder water ondermijnd werd. Boven laag water kon men gemakkelijk allerlei rijswerken aanbrengen, maar onder de laagwaterlijn kon men, omdat duikers eerst uit de 19-e eeuw zijn, niet werken.
Men is toen op de gedachte gekomen om het rijswerk eerst boven water te maken en later ter plaatse te laten zinken. Zo ontstond het zinkstuk, dat eeuwenlang een welhaast Sliedrechts monopolie is geweest.
Door al die dijkwerken hebben de Sliedrechtenaren in de middeleeuwen het rijswerk beter geleerd, dan de inwoners van andere dorpen in de omgeving. Er bestond in de 15de eeuw te Sliedrecht al een omvangrijke handel in rijshout. Reeds toen wist men het griendhout op geregelde wijze te telen. Bij de verrassing van Dordrecht door Jan van Egmond in 1480, werden twee rijsschepen gebruikt en het wachtwoord was: “Vierjarig rijs, rijs in Godes naam.” Men wist dus toen reeds, dat de cultuur vier jaar moest duren.

02 – Sliedrecht Bezuiden de Merwede

In 1105 wordt Sliedrecht (Z.) vermeld en ditmaal in een onverdacht echt stuk. Er was n.l. een geschil ontstaan tussen Sliedrecht (Z.) en Houhninke (Houweningen), dat ten oosten er van lag, tegenover het latere Giessendam, en wel over een kerkelijke kwestie.
Wanneer de bevolking in de verschillende parochiën (kerkdorpen) begon toe te nemen, bouwde men naar behoefte een kapel die de bestaande kerk door een vicaris of kapelaan liet bedienen en waaruit de moederkerk haar inkomsten trok. Op den duur wilde echter elk dorp een eigen kerk hebben, maar de hoofdkerk wilde die zelfstandigheid niet gaarne verlenen, omdat dan haar inkomsten uit de kapel verloren gingen.

Kerk
De kerk van Sliedrecht (Z.) was reeds vroeg aanwezig, wat vanzelf spreekt, want de strook langs de rivier was het eerste bewoond. Toen ook de streek ten oosten meer bevolkt werd, was door de familie Botter in het dorp Houweningen de Botteskerke gesticht en aan de kerk van Sliedrecht (Z.) ter bediening gegeven. Ze was dus daarvan een dochterkerk. Nu werd dit in 1105 door Houweningen betwist en men beriep zich daar op een brief van bisschop Koenraad van Utrecht (1076-1099). Tenslotte kwam de zaak in 1105 voor bisschop Burchardus van Utrecht, die na nauwkeurige bezichtiging uitmaakte, dat de brieven van Houweningen niet wettig waren en dat hun kerk, de Botteskerk, een dochterkerk van Sliedrecht (Z.) was en al haar verplichtingen daaruit voortvloeiende, moest nakomen. Aan den andere kant werd aan die van Houweningen toegestaan in hun kerk mis te horen, kinderen te dopen en hun doden te begraven, mits dit gebeurde door de priester van Sliedrecht (Z.) of diens vicaris (kapelaan).
Behalve het meegedeelde over de kerkelijke kwestie is dit stuk ook van groot belang, omdat er de priesters van Papendrecht, Herdingfelde (Hardinxveld) en Riede (Merwede) in genoemd worden en die plaatsen dus in 1105 niet alleen reeds bestaan hebben, maar ook al een kerk hadden.

Dochterkerk
In nog geen honderd jaar was dus deze streek aanmerkelijk vooruitgegaan. Er waren reeds verscheidene kerken gebouwd. In 1105 blijkt het allang geleden te zijn dat de kerk van Sliedrecht (Z.) een dochterkerk kreeg, want blijkbaar wist men in 1105 niet meer hoe de regeling bij de stichting der dochterkerk was geweest.
Kort na of wellicht reeds voor de inbezitneming van deze streken door de Hollandse graven zijn hier dus de eerste kerken gebouwd.
Het is wel kenmerkend voor het groot gebrek aan bronnen in deze tijd dat het tot 1243 duurt, voordat er weer gewag gemaakt wordt van Sliedrecht (Z.). In een stuk van dat jaar wordt genoemd als getuige Gerardo sculteto de Slidrecht, d.w.z. Gerard de schout van Sliedrecht (Z.).
De patronaatsrechten van de kerk van Sliedrecht (Z.) waren blijkbaar van ouds aan bezit der familie Botter. Reeds lang voor 1105 had de familie de zojuist genoemde dochterkerk te Houweningen gesticht en in 1267 blijkt ze nog steeds in het bezit van die rechten te zijn.
In dit jaar 1267 stond Hugo Botter het patronaatsrecht van de kerk van Sliedrecht (Z.) af aan het in 1203 ten zuidoosten van Dordrecht gestichte klooster Heijsterbach. In den giftbrief wordt het aldus omschreven: “ipsam ecclesiam de Slijdreich cum attentius suis”. Dit is “Dezelve kerk van Sliedrecht met haar toebehooren”. Met dit “attentius” wordt dan natuurlijk ook bedoeld het recht op de kerk van Houweningen. Het klooster Heijsterbach bezat in deze streek ook nog andere goederen. Bij de opheffing van het klooster na de St. Elisabethsvloed (1421) worden onder de bezittingen vermeld “septem jugera terrein parrochia de Slidrecht”, d.i. “zeven morgen lands in de parochie Sliedrecht.
In 1320 wordt Sliedrecht (Z.) genoemd in verband met een verlij (beleening) van een rente uit de bede te Oud-Giessen (tusschen Houweninge en Crayesteyn) in ‘t ambacht van Slijdrecht.
Op een kaartje van 1357 berustende in de Sorbonnen te Parijs komt Slijdrecht (Z.) ook nog voor. Het lag toen als Sliedrecht, bezuiden de Merwede, tusschen Dordracum en Houweningen. De naam Sliedrecht blijft tot den St. Elisabethsvloed in gebruik voor het dorp bezuiden de Merwede. Nog in 1406 wordt het als zodanig vermeld. In dit jaar geeft één der ambachtsheren, n.l. Dirk van de Merwede aan Pieter Aerntsz “eene bancke in der kerke van Slidrecht”. In de kerk van Sliedrecht (Z.) bevonden zich dus ook de eigen banken van de ambachtsheren.

Legende
De legende van de twee zusterkerken in de beide Sliedrechten kan in zoverre waarheid bevatten, dat de kerk bezuiden de Merwede veel fraaier was, dan die in ons dorp. Na den St. Elisabethsvloed is deze kerk verdwenen. Zeer waarschijnlijk is het gebouw dat op de dijk stond niet verzwolgen, maar heeft men het toen het dorp verdween en het geen dienst meer deed, afgebroken en de vrijkomende materialen elders gebruikt.
Het verhaal gaat dat, van steen van deze kerk de tegenwoordige toren (de z.g. toren van de Ned. Herv. Kerk) is gebouwd.
Het is met Sliedrecht bezuiden de Merwede evenzo gegaan als met zijn naamgenoot aan de noordzijde van de rivier. Het werd eveneens in een drietal afzonderlijke ambachten verdeeld, n.l. van west naar oost Crayesteyn, Lang Ambacht en Kort Ambacht. namen die ook na den St. Elisabethsvloed zijn blijven bestaan, tot op den huidigen dag.

Kasteel Crayesteyn
Bij de kerk van het aloude Sliedrecht (Z), welke ongeveer recht tegenover onze kerk aan de zuidelijke oever van de Merwede stond, is al zeer vroeg een kasteel gebouwd, dat Crayesteyn heette.
Geschiedenis-0201Evenmin als over de stichting van het Huis te Merwede is er iets overgeleverd over de stichting van het slot Crayesteyn. Het gebied, waar het gesticht werd, heette later Crayesteyn op het Vroonland. Vroonland betekent, dat het land eigendom is van de bezitter, zonder leenverband. De stichter van Crayesteyn had dus voor de bouw zijn grondgebied van het leenverband weten ontheven te krijgen.
Na de deling van de “Heerlijkheid Riede” ontstonden in het gebied twee kastelen, namelijk het Huis Te Merwede en Crayesteyn. M. Balen zegt in zijn “‘Beschrijvingen van Dordrecht”, dat Riede een smaldeling is van de Merwede, maar hij had het andersom moeten zeggen, namelijk de Merwede is een smaldeling van Riede.
Uit het geslacht Riede stamden de geslachten: Riede, Merwede, Muijlwijk, Klootwijk enz., wat bewezen wordt door de familiewapens. Men veranderde in de Middeleeuwen wel van naam, maar niet van wapen! Men noemde zich eenvoudig naar het kasteel of de landstreek die men bezat, maar men behield trouw zijn familiewapen, om daarmede zijn afkomst aan te geven. Nu is het wapen van de Merwede precieshetzelfde als van Riede. Daar de naam Riede veel eerder voorkomt, moet Merwede dus uit het geslacht Riede stammen. Eén tak van het geslacht hield de familienaam nog. In 1277 vinden wij als één der heren in de Alblasserwaard genoemd: Zeger van Riede. Hij was toen zeer waarschijnlijk heer van Naaldwijk.

Zeger van Riede
Deze Zeger van Riede is waarschijnlijk ook de heer, wellicht zelfs de stichter van Crayesteyn geweest. Sophia van Crayesteyn, die vóór 1300 voorkomt en gehuwd was met Herbaren van Drongelen uit den Huize van Heusden was dan zijn dochter en haar zoon Zeger van Crayesteyn was dan naar zijn grootvader genoemd.
De bovengenoemde Herbaren van Drongelen, gaf in 1303, toen hij na het overlijden van zijn echtgenote lid van de Duitse- of Johanniterorde in de Balie van Utrecht werd, het kasteel aan zijn oudste zoon Zeger van Crayesteyn. Voor de aflaat van de ziel van zijn vrouw gaf hij enkele bezittingen in Colijnsambacht in Overslijdrecht (Niemandsvriend) aan de Orde. Herbaren van Drongelen werd een invloedrijk man in de orde van St. Jan; hij werd namelijk commandeur of opperhoofd van deze halfgeestelijke, halfridderlijke orde, die over geheel Nederland haar kloosters en huizen had.
Het is in deze tijd, dat er voor het eerst in de kronieken van het huis te Sliedrecht of Crayesteyn gesproken wordt.

Crayesteyn na de dood van Floris V
Nadat de Hollandse graaf Floris V in 1296 op verraderlijke wijze om het leven gebracht was, dachten de grote adellijke heren, dat nu de zaak voor hen gewonnen was.
Vooral de Zeeuwse adel met Wolfert van Borselen aan het hoofd, had grote invloed op de regering.Hij had de jonge graaf Jan I, zoon van Floris V, in handen weten te krijgen en was daardoor schier oppermachtig. De adellijke heren zouden nu de steden en het platteland, zozeer door Floris V begunstigd, wel vernederen.
Wolfert van Borselen kwam te Dordrecht en eiste, dat zijn baljuw van Zuid-Holland: Aloud van Ierseke recht zou doen over een groot aantal verdachten, maar Dordrecht bleef fier op zijn recht staan en weigerde ronduit mede te werken tot het vonnissen van politieke tegenstanders. Woedend vertrok Wolfert naar Delft en dagvaardde daar een aantal voorname Dordtenaren. Toen deze gewaar werden, dat zij in Delft gevangen zouden gehouden worden, vluchtten enkele van hen naar Dordrecht terug. Toen gebeurde er, wat de Rijmkroniek van Melis Stoge zo levendig beschrijft:

Men woude doe, dat Joncheer Witte
Ghinge ligghen opt huus van Pitte
Alblasserdam hordic (hoorde ik) bedienen
Lach Heer Niclaus van Kaets met lieden
Te Sliedrecht lach hi op de hoede
Alout met sinen knape
Voert steenhuus, dat te Sliedrecht staet
Hadde hi vonden in sinen raet
Dat hi den dike verslaen
Met groten houte ende der aen
Sterke planken, als hem dochte
Datter niemant liden mochte
T Huus was wel ghemaect ter were
Jaghe scilt ende jeghen spere
Daer lach Alout metten sine

Steenhuis
Wolfert van Borselen had dus ter beteugeling van Dordrecht en het omliggende land bezetting gelegd in het Huis te Putten bij Spijkenisse, op Alblasserdam en op Crayesteyn, dat hier genoemd wordt het Steenhuis, dat te Sliedrecht staat. Aloud van Ierseke had bovendien nog een houten blokhuis op den dijk tussen Dordrecht en Sliedrecht (Z) opgericht, om zo het sterke Crayesteyn, dat “wel ter weere, tegen schild en speere was,” tegen onverwachte aanvallen te beveiligen.
Aloud van Ierseke trachtte ook Dordrecht bij verrassing te nemen door een nachtelijke aanval met een kogge volks, maar de Dordtse burgers zetten de aanvallers zo achterna, dat ze ternauwernood Crayesteyn konden bereiken. Bijna waren de Dordtenaars gelijktijdig in het kasteel gekomen, maar Heijne hun aanvoerder viel van de valbrug en daardoor kreeg Aloud van Ierseke gelegenheid de valbrug op te halen.
Het was voor de vijand uitstel van executie, want op 1 augustus 1299 werd Wolfert van Borselen in Delft vermoord. Het nieuws verwekte alom in den landen grote vreugde, niet het minst in Dordrecht, waar men van belegerde belegeraars werd.

Melis Stoke schrijft hierover:

Sie riepen allen: Toe horre voere
Maken wi ons uut alghemene
Ende beligghen Crayesteyne
Alout mach ons niet ontgaen
Al liept uut ten selves stonden
Voer thuus te Sliedrecht, daer si vonden
Alout op, met siere partien .

Aloud wist nog niets van wat er te Delft geschied was en hij maakte zich gereed om het kasteel met hand en tand te verdedigen. Later toen Heer Nicolaas van Kats met zijn mannen van Alblasserdam naar Niemandsvriend kwam om daar met de Dordtse burgers en de boeren uit de omgeving te onderhandelen, wilde Aloud het slot op lijfsgenade overgeven. Hiervan wilden de Dordtenaars niets weten. Crayesteyn werd ingenomen en Aloud van Ierseke en de zijnen werden dood geslagen. Later moest men die woede duur betalen, want voor de verzoening van de dood van Aloud moest men in 1308 nog grote sommen zoengeld betalen.
De perkamenten stukken, die op deze zaak betrekking hebben, berusten nog altijd op het gemeentearchief van Dordrecht.
In 1315 wordt vermeld een Aernout van Crayesteyn en wel in een rekening van krijgskosten. Hij leverde toen 32 man en behoorde tot de grootste heren. Hij leefde nog in 1332, maar in 1339 is hij reeds overleden, want dan worden de geschillen over zijn nalatenschap beslist bij uitspraak van Heer Otto, pastoor van Slijdrecht (Z) e.a.
Aernouts’ zoon heette Herbaren. Zijn dochter Sophia huwde met Dirck van Teylinghen.
Dit laatste komt overeen met wat in het leenregister van Voorne staat namelijk: “Heren Dircx wijf van Theijlinghen (dus Sophia van Crayesteyn) hout ten rechtenleene alsulc goed, als Herbaren van Crayesteyn hilt van den here van Vorne.”
Deze Dirck van Teijlingen komt voor in een acte van 13 Mei 1329 ,waarin hij aan zijn vrouw een lijfrente maakt, bestaande uit tiende te Rijswijk. Zij wordt dan genoemd Jonckvrouwe Soffien, sinen wive, Arnoutsdochter van Craijenstene. Deze Dirk van Teijlingen “bleef ten Friesen” dwz. hij sneuvelde met graaf Willem IV in de tocht tegen de Friezen.
Opvolger werd zijn zoon Simon van Teijlingen. “Ende dit hout Simon huenen sone”, zegt het leenregister. Simon van Teijlingen was tevens kastelein van Geertruidenberg en als zodanig moest hij in 1362 aan het hoofd der regering van die stad een voetval doen voor graaf Aelbrecht van Beieren. Toch schijnt hij in deze verwarde tijden zijn goederen in bezit te hebben gehouden, want er staat geschreven: “Heer Simon van Teijlingen is doid ende dat goet heeft ontfangen Jonckvrouw Sophie sijn dochter”.
Jonckvrouwe Sophia van Teijlingen bracht Crayesteyn door huwelijk aan heer Willem van Noaldwijck.

Jachtgezelschappen
Crayesteyn was dikwijls de verzamelplaats van aanzienlijke jachtgezelschappen, die in deze streken kwamen jagen.
Zo ging in 1365 heer Jan van Bloys, een groot heer, verwant aan de Hollandse graven met zijn gezelschap in de Alblasserwaard “uitvliegen” d.i. op de valkenjacht. Heer Jan logeert dan een nacht “te Craijenstien aen de Merwede”. Uit de rekening blijkt, dat ook het personeel bij die gelegenheden wel voer, want heer Jan van Langerack gaf een foai van 4 mottoenen (goudstukken).
Bij de St. Elisabethsvloed (1421) is het slot niet ten onder gegaan. Het stond als alle kastelen in deze streken op een hoge werf en had zodoende geen hinder van het water. Wel werd het kasteel door zijn bewoners verlaten, want de Heren van Naaldwijk hadden geen redenen om in een slot te verblijven, dat zo gevaarlijk in het water lag; daarvoor hadden zij te rijke goederen en kastelen elders in Holland.
Het slot Crayesteyn staat nog op de kaart van Cornelis Schilder van 1537, terwijl dan de kerk van Sliedrecht (Z) al verdwenen is. In 1561 wordt het nog vermeld als liggende in’t water aen’t eijnde van ambacht van Crayesteyn omtrent jegens over Slydrecht”, maar in 1592 is het voorgoed verdwenen.

Klein fort
De rivier had zich hier zuidelijk verlegd; wat wel ten goede kwam aan de aanslibbing van de platen voor Sliedrecht, maar dat tevens het kasteel ten ondergang doemde. Omstreeks het jaar 1620 werd op de plaats van Crayesteyn een reduit, d.w.z. een klein fort gelegd, van waaruit men Sliedrecht tegen onverwachte aanvallen der Spanjaarden kon verdedigen.
Recht tegenover Sliedrecht mondde in dien tijd de Bassekille nog uit en daarom legde men dit fort op de hoek ervan, even oostelijk van de latere polder Crayesteyn. Het komt op de afbeelding van Sliedrecht van 1619 nog niet voor, maar wel op een kaart van 1620. Later werd de naam Beduit of Reduyt, verbasterd tot Ronduit, gegeven aan de polder oostelijk van Crayesteyn.
De namen Ronduit en Ronduitsloot herinneren dus nog aan het hierboven genoemde reduit. In 1889 werden bij baggerwerken door de Rijkswaterstaat de oude fundamenten teruggevonden en als gevaarlijk voor de scheepvaart verwijderd. Er werd toen nog een stenen leeuw opgebaggerd, die thans in het Rijksmuseum te Amsterdam berust.

Den Engel
Zo was dus het tolhuis in particuliere handen geraakt en kreeg het een geheel andere bestemming. Zeer waarschijnlijk is het gebouw dat reeds als herberg dienst deed, toen het nog tolhuis was, en waarvoor het blijkbaar was ingericht, herberg gebleven. Het werd alleen met het oog op zijn nieuwe bestemming verdoopt. Geschiedenis-0202In plaats van de onvriendelijke naam Niemandsvriend, allerminst geschikt voor een herberg, kreeg het nu de naam ENGELENBURG of kortweg DEN ENGEL. Mogelijk geleek het in vorm enigszins op het rondeel Engelenburch in Dordrecht (bij Den Engelburgerbrug), dat weer een nabootsing was van De Engelenburg in Rome. Het tolgebouw stond, zoals reeds vermeld op de hoek van de Tolsteeg, maar nu staat het huis DEN ENGEL, dat we nu nog kennen even bewesten de Tolsteeg.
Op een oude kaart van 1619 komt het huis op de hoek van de Tolsteeg niet meer voor, maar wel dat ten westen er van. Bij nadere beschouwing van die kaart lost de moeilijkheid zich echter geheel op. Op de kaart van 1619 staat n.l. een lijn draaiende op de oude ENGEL en één op de nieuwe Engel.
Op de kaart van Sliedrecht in 1592 staat inderdaad de oude ENGEL nog op de hoek van de Tolsteeg. Dit komt ook overeen met de volgende gebeurtenis die speelde in het jaar 1592. Dan wordt melding gemaakt van een vergadering “in de herberge op ten Westenhoeck van de Tollestege”. Het middeleeuwse gebouw is waarschijnlijk uit bouwvalligheid tussen 1592 en 1619 afgebroken en vervangen door een nieuw gebouw even beneden het oude. Dit nieuwe gebouw kreeg eveneens de naam Engelenburch of DEN ENGEL.
Het was in latere eeuwen een vermaarde herberg en die zal nog herhaaldelijk ter sprake komen. In het begin der 19e eeuw veranderde het gebouw van bestemming.
In 1845 werd het gedeeltelijk verkocht en was het geen herberg meer. Het toen verkochte deel wordt dan omschreven als: “Het oostersche gedeelte van het groote en welbekende Huis, genaamd Engelenburgh, met de daarbij behoorende kleine Huizen; alsmede tuin, schuren en erven, alles staande en gelegen te Sliedrecht aan de ENGEL, hebbende gemeld Huis een zeer aangenaam uitzigt over de rivier de Merwede”.

Lockhorst of Oversliedrecht
We bevinden ons, net als in deel 2 van het verhaal, weer in het Sliedrecht ten noorden van de Merwede. We spreken dan over Lockhorst of Oversliedrecht, het middelste van de drie ambachten, dat recht tegenover Sliedrecht ten zuiden van de Merwede lag. Vandaar de naam Oversliedrecht.
Aan het einde der 17-e eeuw wordt het ambacht kortweg Slydrecht genoemd. Soms ook wel Sliedrechter-ambacht. Een enkele maal komen verbasteringen voor zoals Slietrecht, Slierendrecht, maar de naam Sliedrecht heeft tenslotte gewonnen.
Het ambacht Slydrecht won het in belangrijkheid van Niemandsvriend en Naaldwijk, omdat de kerk erin gelegen was. De kerk was in vroeger dagen veel meer het middelpunt van het dorpsleven dan nu. Allerlei vergaderingen werden in het gebouw gehouden en alle afkondigingen werden in de kerk afgelezen. Daardoor heeft tenslotte het ambacht zijn naam en wapen aan onze gemeente gegeven. Wel was het ambacht Naaldwijk groter, meer bevolkt en rijker, maar de kerk besliste, waar het middelpunt was.

Gemeentewapen
Het wapen van Sliedrecht is afkomstig van de heren van Lockhorst, een adellijk geslacht uit Utrecht dat in de middeleeuwen deze heerlijkheid bezat. Het bestaat uit een goudkleurig schild, beladen met een zwart schuinkruis, dat groot uitgeschulpt is. De oudste ambachtsheer is zeer waarschijnlijk de in 1277 genoemde Herbaren van de Merwede.
In den jaere ons Heeren Anno MCCLXXXIX in Zente Martynsdaghe in den Winter (d.w.z. 11 November 1289) was Heer Hendrick van de Lecke in bezit van het ambacht tegenover Slydrecht.
Op die dag deed hij afstand van zijn recht van nakoop in Zuid-Holland. Als tegengift verkreeg hij van Floris V het volgende voorrecht dat als volgt luidde:

“Hier bi so en zal engheene niewe dije op hem comen, nochte ‘t land van den ghenen, die ‘t land rumen, mar dat land, ende die dije zal comen op ‘t gemeene ambochte, dair die dije ende ‘t land in leghet”.

Spade op de dijk
Dit charter werpt plotseling een duidelijk licht op de waterstaatkundige toestanden, zoals die hier aan het einde der 13de eeuw waren. De inpoldering van de Alblasser-waard, die in 1277 had plaats gevonden, had de toestand er blijkbaar niet beter op gemaakt. Nu moest elke landbezitter de dijk, die tot zijn land behoorde, ophogen en verdedigen. Er waren stukken land, waarvan het onderhouden van de dijk zo zwaar was, dat men de spade op de dijk stak en zijn land uit handen gaf. Zulk land noemde men “vluchtlanden” of “vlichtlanden”.
De landbezitter moest die vluchtlanden in eigendom aanvaarden en voor het onderhoud van de dijk zorgen. Deed hij het niet, dan verviel zijn ambacht met al zijn verdere bezittingen in de Alblasserwaard aan het gemene land. Bij genoemd charter werd aan Heer Hendrick van de Lecke het recht verleend om het land niet te aanvaarden en werd het dorp verplicht die dijken tot zijn last te nemen.
Dit was voorwaar voor ons dorp een maatregel van groot gewicht die zware lasten op het dorp legde, maar die ook een betere regeling der dijksverdediging in het leven riep. Het was er in 1421 de oorzaak van, dat niet de Alblasserwaard, maar de Groote Waard van Zuid-Holland verdween.

Van de Merwede
In 1329 droeg heer Pieter van de Lecke, zoon van Hendrick van de Lecke het ambacht op aan de heer van Voorne, ten behoeve van Heer Daniël van de Merwede. De laatste kreeg het echter niet voor zichzelf, maar voor zijn zoon Floris van de Merwede, die blijkbaar nog heel jong was. Men liet het veelal als een leen op naam van jeugdige personen zetten om zo de kosten van verheffing van het leen, die bij elke verwisseling van heer aan de leenheer betaald moesten worden, te ontgaan. Floris van de Merwede heeft het nog op dezelfde dag verkregen, want bij een andere brief van 13 Mei 1329 krijgt hij hetzelfde recht als Heer Hendrick van de Lecke in 1289 van de graaf gekregen had.

In het stuk staat:

“Ende wi Willem, Grave enz. gheloven Florisvan der Meerwede, of denghenen, dient ambocht van rechte ane comet van Overslidrecht te houden in alle rechte voirseyt” (n.l. de rechten genoemd in de brief van 1289).
Hiermede werd dus de toestand bestendigd, waarbij Oversliedrecht de vluchtlanden moest onderhouden. In een lijst van lenen van het huis van Voorne van omstreeks 1360 komt de volgende aantekening voor:

“Floris van der Merwede versochte an minre vrouwe ende hevet ontfaen dat
ambaocht van Slidrecht van der kerken nederwaerd”.

In hetzelfde register staat:

“Jan van de Merwede heeft ontfaen van mjinre vrouwen tgoet, dat sijn vader van horhilt”.

Lockhorst
Jan van de Merwede Florisz, was dus zijn vader opgevolgd, wat ook blijkt uit het stuk van 24 Juli 1361 en uit het charter van 22 November 1369, waarin de drie heren van Sliedrecht genoemd worden in verband met de stichting van het Nieuwe Waterschap. Met Jan van de Merwede stierf een tak van dit geslacht uit. Hij had slechts een dochter Agnes van de Merwede, die huwde met Adam van Lockhorst. Een adelijk geslacht  dat uit Utrecht stamde. Deze Adam van Lockhorst was in 1392 heer van Over-Sliedrecht, wat blijkt uit een verlij (beleendag) van 11 Mergen-lands, gelegen in Daems-ambacht van Lockhorst.
In 1408 wordt gesproken van Peye Pietersz., heemraet van Over-Slydrecht in Aernys-ambacht van Lockhorst. Na diens dood in 1412 werd zijn broeder Jan van Lockhorst er op 29 januari 1413 mee verblijd.
Dit komt ook overeen met een acte van 10 april 1416, waarin genoemd wordt land en erve tot Oversliedrecht in Jans-ambacht van Lockhorst. In 1422 wordt gesproken van Daems-ambacht van Lockhorst in Over-Sliedrecht, zodat toen heer Jan reeds overleden moet zijn. De heerlijkheid bleef in de 15de en 16de eeuw in het bezit der Lockhorsten en verviel niet zoals Naaldwijk aan het “gemeene” land van de Alblasser-waard. De verdere geschiedenis in die tijd is duister. Het was een leen van de heren van de Merwede geworden, die het tenslotte ook weer kwijt raakten.
In de 17de eeuw erkende men geen leenroerigheid meer en werd dit gedeelte beschouwd als een aflodiaal goed, d.w.z. gewoon bezit, zonder dat er van een leen sprake was.

Naaldwijk
Vervolgens richten we ons op Naaldwijk, het meest oostelijke ambacht van ons huidige dorp. Het heet ook wel “het ambacht van der kerk opwaerts” in tegenstelling met Lockhorst, dat “het ambacht van der kerk nederwaarts” genoemd wordt. Het is waarschijnlijk, dat Zeger van Riede het in 1277 in leen had van het huis van Voorne. Deze Zeger van Riede was vrij zeker in die tijd ook heer van Crayenstein, welk adellijk stamhuis ongeveer rond 1300 het ambacht in bezit had. In 1315 vinden we als eigenaar Aernoud van Crayesteyn en na hem zijn zoon Herbaren. Na diens kinderloos overlijden volgt zijn zuster Sophia van Crayesteyn hem op. Zij brengt door huwelijk het ambacht aan Dirck van Teylingen. Het leenregister van Voorne zegt het heel duidelijk:

“Heeren Derix wijf van Theylinghen hout ten rechten leene alsulc goed als Harbaren van Crayensteyne helt van de heer van Voorne, dat es dat ambacht van Overslidrecht van der kerken tot Heren Tielemansambacht toe”.

Sophia
Het hier genoemde Heer Tielemansambacht is Giessendam. Op Sinte Pieters- en Paulusdag (29 Juni) 1327 wordt Dirck Simonsz van Teylinghen zelf beleend met het dagelijks gerecht te Oversliedrecht van de kerk af tot Giessenambacht toe. Na Dirck van Teijlingen volgt zijn zoon Simon van Teijlingen, wiens dochter Sophia het door huwelijk brengt aan wie het ambacht tenslotte zijn naam ontleend heeft.

In het leenregister staat hierover het volgende:

“Ende dit (in het ambacht Naaldwijk) hout Sijmon huer sone. Heer Sijmon van Teylinghen is doid en het goot (goed) heeft ontfaen Jonckvrou Sophie sijn dochter, Willems wijf van Naildwije des Vrijdaghes na Servatii int jaer LXX (17 Mei 1370) enz.”

Het grootste ambacht
Willem van Naaldwijk uit het beroemde riddergeslacht van die naam had behalve dit gedeelte van Sliedrecht en Crayesteyn ook nog tal van andere lenen in het Westland, bij Honselersdijk. Het dorp Naaldwijk in het Westland ontleende dus evenals een gedeelte van Sliedrecht een naam en een wapen aan het geslacht Naaldwijk. Naaldwijk was vroeger het rijkste en belangrijkste deel van het dorp. Er woonde het grootste aantal mensen en er stonden de meeste huizen. Naaldwijk was nog in de 17de eeuw groter dan de twee andere ambachten samen.
Bij verschillende zaken kwam dit tot uiting, zo b.v. bij de verkiezing van de kerkenraad en van kerkmeesters. Uit de oude stukken van die tijd blijkt dat Naaldwijk evenveel leden in die colleges koos als Lockhorst en Niemandsvriend samen. Het is onbekend wanneer het ambacht door de heer werd verlaten. Mogelijk stak de heer de spade op de dijk in een tijd, dat het onderhoud van de dijk hem te zwaar werd. Wellicht is dit in dezelfde tijd geweest als waarin de vroegere Oude Wiel ontstond.
Het ambacht behoorde later aan het gemene land van de Alblasserwaard en werd in de 17de eeuw weer aan particulieren verkocht.

01 – Inleiding

Historie Met de heer Lips, voormalig archivaris, duiken we in de geschiedenis van Sliedrecht. In een charter (oorkonde) van 2 mei 1064, worden voor het eerst de streken langs de oevers der Merwede genoemd o.a. de streek ten zuiden van die rivier: ” tem de Riede juxta Merewede usque Sliedrecht”, d.w.z. van Riede langs de Merwede tot Sliedrecht.

Geschiedenis-001
Kasteel Crayesteyn dat ooit aan ten zuiden van de Merwede stond

Welke gebeurtenissen speelden een rol in het leven van onze vroegere dorpsbewoners? Welke invloed hadden Sliedrechtenaren geschiedkundig op landelijk niveau? Kende ons dorp voor- en tegenspoed? Hoe kwam het hieruit te voorschijn? Hoe is ons dorp uitgegroeid tot wat het nu is? Al lezende krijgt u een antwoord op deze vragen over de geschiedenis van Sliedrecht. Over de geschiedenis van het kerkelijk leven door de eeuwen heen is veel geschreven; het beslaat uiteindelijk toch een tijdvak van tweeduizend jaren.

Geschiedenis-002
Vroeger kerkgebouw in Piet Rijsdijkstoep.

In onze woonplaats is van het prille begin weinig bekend, maar je mag ervan uitgaan dat er in deze buurten bij het vorige millennium de kerk in een bepaalde vorm aanwezig was. Jan van Leeuwen vertelt ons over de Sliedrechtse kerkgeschiedenis. Na een korte inleiding over de ontwikkelingen op landelijk niveau schakelt hij al snel over op de plaatselijke gebeurtenissen op kerkelijk gebied. Gelet op de vele richtingen in Sliedrecht op dit terrein zal dit deel van de plaatselijke geschiedenis u zeker aanspreken.

Geschiedenis-003
Het schoollokaal in vroeger tijden

De geschiedenis van het onderwijs in ons dorp begint aan het eind van de 16e eeuw. Pas in 1594 is er sprake is van de benoeming van een schoolmeester. Abraham Adriaensz was zijn naam.Ondanks de voortwoedende 80-jarige oorlog was er geld voor zijn aanstelling. Abraham die ” gesont in leere ende leeven was bevonden” ging de kinderen les geven in een lokaaltje bij de kerk. Zijn taak bestond uit “de kinderen leeren lesen, schrijven, spreken ende vrije konsten kennen, maer deselve oock in de godsaligheyt ende Catechismus onderwijsen.”

Geschiedenis-004
Sliedrechts eerste school stond bij de kerk.

Vanaf deze eerste schoolmeester in Sliedrecht volgen we de geschiedenis van het onderwijs in ons dorp op de voet. Hoe en waar vond het onderwijs in ons dorp plaats. Liep alles voorspoedig? Hoeveel kinderen had de meester onder zijn hoede? Met welk inkomen moest de onderwijzer rondkomen? Een vetpot of moest hij nogal wat bijklussen? Wanneer kwamen er juffen voor de klas? Op deze vragen en nog veel andere zaken informeren we u..! Voor alle verhalen geldt dat we steeds voor aanvullingen zorgen.

Magazine ‘Sliedrecht in de Middeleeuwen’

Door het comité ‘Sliedrecht 950 jaar’ is een prachtig geïllustreerd magazine uitgegeven met bovengenoemde titel, waarin de geschiedenis van Sliedrecht wordt verteld.
De auteurs zijn Bert Kalkman en Evert Roeleveld en het historisch advies is van Henk ’t Jong.

Het bestuur prijst dit magazine van harte bij u aan. Het is voor € 4,50 te koop bij de plaatselijke boekhandels, het Sliedrechts Museum, het Baggermuseum en bij onze vereniging.
Tevens is er een digitaal lespakket gemaakt voor de leerlingen van groep 6 op de basisschool om op deze manier bij het vak ‘geschiedenis’ ook de geschiedenis van SLiedrecht te behandelen.
U kunt een introductiefilmpje bekijken op www.sliedrecht4kids.nl.

Werkgroep Genealogie

HVS werkgroep Genealogie.
Deze werkgroep bestaat nog wel maar werkt alleen nog op speciaal verzoek.
Contactpersoon is Piet de Keizer.

Sinds de HVS haar nieuwe onderkomen heeft in het nieuwbouw gedeelte achter het Sliedrechts Museum
werkt zij samen met de Genealogische Vereniging “De Stamboom”, die in de zelfde ruimte is gevestigd.

Genealogische Vereniging “De Stamboom”, Vereniging voor Familieonderzoek Sliedrecht, Alblasserwaard en omgeving. De Genealogische Vereniging “De Stamboom” is een zelfstandige statutaire vereniging. Sinds 2010 is zij erkend als een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Zij verricht sedert 1990 activiteiten op het gebied van genealogie.
Stamboom


Ook kan voor genealogisch onderzoek de website “Genealogie Alblasserwaard” geraadpleegd worden. Deze website wordt beheerd door Jonnie en Fred Stuij (voorheen voorzitter van de HVS).

In de database bevinden zich meer dan 510.000 namen, 11.700 foto’s, 89.000 linken naar bronnen en veel rouw- en trouwkaarten. Dit alles is voor bezoekers gratis te raadplegen.

Tevens kunt u met al uw vragen, correcties en aanvullingen direct bij hun terecht op de website https://alblasserwaard-genealogie.nl. Op de website zijn voorts veel verwijzingen naar bronnen voor verder onderzoek in de Alblasserwaard.
Mocht u foto’s en/of rouw- en trouwkaarten willen delen. Graag! Deze worden met bronvermelding naar u op de website geplaatst.
Het e-mailadres is info@alblasserwaard-genealogie.nl en op Facebook vindt u de pagina van Genealogie Alblasserwaard met zoekplaatjes.

Genealogie Alblasserwaard


Mogelijkheden voor verder brononderzoek in de Alblasserwaard

Verder bronnenonderzoek is interessant en soms nodig om meer gegevens over voorouders te vinden.

 

 

Werkgroep Beeld en Geluid

Fotocollectie
Fototoestellen
De werkgroep Beeld / Geluid en ‘Fotogroep Ter Laak’ bestaat uit de volgende personen: Wout van Rees, Jan de Ruiter, Leni Dubbeldam, Nel van Leeuwen – Visser, Bas Korporaal en John Kieffer.

Al een hele klus geklaard.
De Historische Vereniging Sliedrecht beheert de fotocollectie van wijlen Piet ter Laak. De collectie bestaat uit duizenden foto’s en ansichtkaarten die de heer Ter Laak gedurende vele jaren heeft verzameld.

Omdat de Historische Vereniging zelf ook heel wat fotomateriaal heeft verzameld, is er voor het beheren van de verzameling een aparte werkgroep opgericht.

Al met al zijn ze al jaren bezig om alle foto’s opnieuw te ordenen. Dat wil zeggen dat alle foto’s uit de albums zijn gehaald en opnieuw zijn ondergebracht in thema’s. Zo ontstaat langzamerhand een collectie die in uniforme albums is opgeborgen en voorzien is van omschrijvingen bij iedere foto. Dat dit een hele klus is, moet u van ons aannemen.

De werkgroep scant de foto’s uit het eigen archief. Zo krijgen we een digitaal archief van alle foto’s binnen onze vereniging.

U zult begrijpen dat er voor onze werkgroep nog jaren werk in het verschiet ligt. We doen deze klus graag en het is altijd een gezellige boel in onze werkruimte.

We scannen ook het Gemeentelijk Fotoarchief.

Ons fotoarchief is zeer uitgebreid, maar aanvulling is altijd mogelijk. Dit door de speciale losbladige opzet. Een archief blijft echter een tere aangelegenheid. Als de foto´s door steeds meer handen gaan, wordt de kwaliteit minder. We moeten er voor zorgen dat de foto´s voor de toekomst behouden kunnen blijven. Daartoe zijn vele manieren. Een daarvan is de beelden te scannen. Hierbij worden de foto´s met behulp van een computerprogramma ingelezen en vervolgens zijn ze op het scherm van de computer zichtbaar te maken. Het zal duidelijk zijn dat hierdoor de foto´s gespaard blijven. Ze gaan niet meer door de handen en zullen niet kreuken, scheuren, enz.

Vele foto´s en ansichtkaarten uit onze collectie zijn al gescand.

Intussen is ook het fotoarchief van de gemeente Sliedrecht gescand. Riens Lagewaard heeft deze taak afgerond.

Foto’s van Sliedrechtse woningen gevraagd.
Aan het college van B & W van Sliedrecht en de plaatselijke makelaars hebben we verzocht te mogen beschikken over hun oude archieffoto’s of de gelegenheid te krijgen de kiekjes te zijner tijd te mogen scannen. Hiermee hopen we onze reeds zeer uitgebreide verzameling nog groter en completer te maken.

Uiteraard bevinden zich onder de bevolking nog heel wat afbeeldingen waarop de woningen of straatbeelden zijn afgebeeld. U zou er ons een groot plezier mee doen de foto’s tijdelijk ter beschikking te stellen, zodat we ze kunnen kopiëren en scannen.

De werkgroepen “Fotocollectie ter Laak” en “Bebouwing en Bewonersgeschiedenis” zijn met uw hulp zeer geholpen. Ook de werkgroep “Beeld en Geluid” kan in de toekomst wellicht uw foto’s op videoband verwerken!

Ook andere foto’s betreffende ons dorp zijn van harte welkom!

Werkgroep Dialect

Dialectgroep
v.l.n.r. Piet Pols, Korrie Lissenburg-van Genderen, Huib Kraaijeveld, Huub van Heteren, Remco van de Ven, Jan van der Vlies en Arie Sprong.

Enthousiast
Het is van historisch belang, zowel lokaal als voor de Nederlandse Taalwetenschappen in het algemeen, om het verdwijnend dialect zo goed mogelijk vast te leggen en te bewaren voor de toekomst.
De leden van onze Werkgroep Dialect zijn steeds enthousiast en actief daarmee bezig.
Veel tijd is, gedurende heel veel jaren, door de werkgroepsleden besteed aan de Sliedrechtse woordenboeken: SLIERECHS VAN A TOT Z en WAFFERE MOMME.

Activiteiten van de Werkgroep Dialect:

  • Wekelijks een dialectverhaal plus foto in het huis-aan-huisblad De Merwestreek.
  • Een dialectbijdrage in de periodieken van Waardenburg en Rivas
  • Op verzoek presentaties geven in en over ons dialect. Bijvoorbeeld in bejaardenhuizen, in de bibliotheek en in het Sliedrechts Museum.
  • Bijdragen in en over het Sliedrechts dialect in de Periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht.
  • Korte filmpjes maken over het Sliedrechts dialect.
  • Het Sliedrechts dialect vastleggen op de website van de Historische Vereniging Siedrecht en aanleveren aan taalkundige instituten.

De werkgroep ‘vergadert’ eens in de maand. Dat zijn heel geanimeerde en gezellige bijeenkomsten, maar er wordt ook gewerkt.
Belangstellenden zijn altijd welkom. Wilt u een vergaderdatum weten, vraag die dan op via de knop Contact Werkgroep Dialect in het rijtje aan de linkerkant van deze webpagina.

Deze website is als het ware een encyclopedie van het Sliedrechts dialect. Onder de knop
Inhoudsopgave staat een heldere uiteenzetting van wat er zoal op deze website te vinden is.

Werkgroep Bebouwing en Bewoning

De vroegere werkgroep ‘Bebouwing en Bewoning’ is nieuw leven ingeblazen.
De leden van de werkgroep zijn: Piet de Keizer en Piet van den Berg.

De werkgroep staat open voor uw vragen en opmerkingen. U kunt een bericht sturen door het Contact bebouwing en bewoning in te vullen.


De Sliedrechtse Dijk – Op zoek naar – verdwenen – woningen.
Op deze pagina vindt u de gehele Sliedrechtse dijk. Aan de hand van kadasterkaarten is de bebouwing rond 1950 ingetekend.
Door naar de wijk van uw keuze te gaan krijgt u de plattegronden te zien. Door met de muis cursor over de huissymbolen te gaan krijgt u een foto van deze woning te zien. KLIK HIER.

De medewerkers aan dit unieke onderdeel van onze website zijn geweest: Leny de Bruin, Piet de Keizer, Wout van Rees, Fred Stuij en Martin Vos.


Omdat wij als werkgroep bebouwing meegewerkt hebben om een toponiemenkaart over het gebied van Sliedrecht bij te werken, hebben wij als dank 2 digitale kaarten gekregen van het gebied van Sliedrecht in 1850.

kaart nr-038 Gorinchem
Kaart nr-038 Gorinchem
kaart nr-044 Geertruidenberg
Kaart nr-044 Geertruidenberg

 

 

 

 

 

 

 

 


Sliedrechtse woningen en hun bewoners


Dijklint Sliedrecht een morfologische verkenning

Kadastrale kaart Sliedrecht 1825-1830

 

De Koninklijke Bibliotheek

Website van de Historische Vereniging Sliedrecht opgenomen in het archief van de Koninklijke Bibliotheek.
LangeveldpleinDe Koninklijke Bibliotheek gaat de website van de Historische Vereniging Sliedrecht opnemen in hun archief. Een duidelijke blijk van waardering! We dragen hiertoe een ‘steentje’ bij aan het bewaren van het digitale erfgoed van Nederland. Voor het nageslacht blijven hierdoor gegevens feiten bewaard. Met plezier en enige trots verlenen we onze medewerking aan dit initiatief!

We ontvingen recent het onderstaande bericht:
KB
“In het kader van het initiatief van de Koninklijke Bibliotheek om een selectie van Nederlandse websites te bewaren voor toekomstig onderzoek, willen wij ook uw website archiveren en voor de lange termijn bewaren.
Het gaat om de website en eventuele publiek toegankelijke subdomeinen die toegankelijk zijn via de volgende URL(s): http://www.historie‐sliedrecht.nl/

Websites bevatten vaak waardevolle informatie die niet tevens analoog verschijnt en die ten gevolge van de grote ‘omloopsnelheid’ het risico loopt voorgoed verloren te gaan. Dat websites als ‘digitaal erfgoed’ het behouden waard zijn, is internationaal erkend in het Unesco Charter on the Preservation of the Digital Heritage uit 2003. Het signaleert dat digitaal erfgoed verloren dreigt te gaan en dat het bewaren daarvan voor gebruik door de huidige en toekomstige generatie onderzoekers zeer urgent is.

Als nationale bibliotheek is de Koninklijke Bibliotheek wettelijk verantwoordelijk voor het verzamelen, beschrijven en bewaren van in Nederland verschenen publicaties, al of niet elektronisch. De KB ziet het als haar taak om ook websites duurzaam te bewaren en raadpleegbaar te houden voor toekomstige generaties en ze te behoeden voor verlies door technologische veroudering en andere risico’s.

Om die reden zal de KB de websites archiveren van Nederlandse overheden, wetenschappelijke‐ en cultureel erfgoed organisaties.

Uw website zal daartoe geharvest, duurzaam opgeslagen en beschikbaar gesteld worden aan een algemeen publiek via de website van de KB. Het harvesten (verzamelen en uitwisselen van metadata) zal voor het eerst gebeuren vanaf 6 februari 2010. Daarna zullen opeenvolgende versies met een regelmatige frequentie worden opgenomen.”